artikel 10, § 2, tweede lid, 1°, van het decreet, om de categoriale sector te ondersteunen en te begeleiden :
artikel 10, § 2, tweede lid, 2°, van het decreet, om samen te werken met relevante organisaties en instellingen :
artikel 10, § 2, tweede lid, 3°, van het decreet, om methodieken te ontwikkelen en deskundigheid te bevorderen :
artikel 10, § 2, tweede lid, 1° en 2°, van het decreet. Art. 4.In het meerjarenplan worden voor elk van de onderdelen,
artikel 3, 1° tot en met 3°, de volgende elementen aangegeven : 1° een verantwoording van de keuze, door middel van de situering ten opzichte van het strategisch plan en ten opzichte van de meerjarenplannen van de integratiecentra of van de cellen voor vluchtelingenwerk of woonwagenwerk, naar gelang van het geval, en op basis van overleg met de Vlaamse overheid;2° de te verwachten resultaten;3° het tijdstip en de wijze waarop de activiteiten of initiatieven geëvalueerd zullen worden;4° de taakafspraken terzake met de integratiecentra of met de cellen voor vluchtelingenwerk of woonwagenwerk, naar gelang van het geval;5° de wijze waarop de categoriale sector en de doelgroepen betrokken werden bij de totstandkoming van de planning en betrokken zullen worden bij de voortgangsbewaking en de evaluatie ervan. Art. 5.§
, tweede en derde lid, beslist de minister op voorstel van de administratie over het uit te voeren meerjarenplan. Art. 7.Het meerjarenplan van elk ondersteuningscentrum wordt pas definitief na de goedkeuring van het coördinatieplan,
artikel 13 van het decreet. Onderafdeling B. - Samenstelling van de bestuursorganen Art. 8.De bestuursorganen van het ondersteuningscentrum voor allochtonen zijn samengesteld uit : 1° allochtonen die door hun deskundigheid en hun positie of door hun activiteiten en ervaring in een landelijke migrantenvereniging een reële bijdrage kunnen leveren aan de realisatie van de doelstellingen van het ondersteuningscentrum;2° een vertegenwoordiging van de integratiecentra;3° een vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten;4° deskundigen uit aanverwante sectoren of uit sectoren die voor het minderhedenbeleid relevant zijn, zoals onderwijs, tewerkstelling en huisvesting evenals uit de wetenschappelijke wereld of de onderzoekswereld. Minstens een derde van de leden is allochtoon, als
1°. Art. 9.De bestuursorganen van het ondersteuningscentrum voor vluchtelingenwerk zijn samengesteld uit : 1° leden van de doelgroep die door hun deskundigheid en hun positie of door hun activiteiten en ervaring in een organisatie van vluchtelingen een reële bijdrage kunnen leveren aan de realisatie van de doelstellingen van het ondersteuningscentrum;2° een vertegenwoordiging van de stuurgroepen van de cellen voor vluchtelingenwerk;3° personen die actief zijn in niet-gouvernementele organisaties, en die werken op het terrein van het onthaal en de begeleiding van vluchtelingen;4° een vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaamse Provincies;5° deskundigen uit maatschappelijke sectoren die voor het vluchtelingenbeleid relevant zijn, evenals uit de wetenschappelijke wereld of de onderzoekswereld. Art. 10.De bestuursorganen van het ondersteuningscentrum voor woonwagenwerk zijn samengesteld uit : 1° leden van de doelgroep die door hun deskundigheid en hun positie of door hun activiteiten en ervaring in een organisatie van woonwagenbewoners een reële bijdrage kunnen leveren aan de realisatie van de doelstellingen van het ondersteuningscentrum;2° een vertegenwoordiging van de stuurgroepen van de cellen voor woonwagenwerk;3° personen die actief zijn in niet-gouvernementele organisaties, en die werken op het terrein van het onthaal en de begeleiding van woonwagenbewoners;4° een vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaamse Provincies;5° deskundigen uit de maatschappelijke sectoren die voor het woonwagenbeleid relevant zijn, evenals uit de wetenschappelijke wereld of de onderzoekswereld. Afdeling 2. - Het Vlaamse overlegcentrum Onderafdeling A. - Het coördinatieplan Art. 11.§ 1. Voor het Vlaamse overlegcentrum zijn het strategisch plan, de drie sporen van het Vlaamse minderhedenbeleid, bepaald in artikel 4, § 1, van het decreet en de mogelijkheden en behoeften van de doelgroepen richtinggevend bij de uitvoering van zijn taak,
artikel 12 van het decreet. Activiteiten in het kader van het opvangbeleid,
artikel 4, § 1, 3°, van het decreet, worden georganiseerd in overleg en samenwerking met organisaties die zich tot deze doelgroep richten. § 2. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 13, tweede lid, van het decreet : 1° omvat het coördinatieplan : a) een afsprakenregeling tussen het overlegcentrum en de ondersteuningscentra met betrekking tot het personeel, de werking van gemeenschappelijke diensten, zoals administratieve, juridische en logistieke diensten, de uitvoering van de gemeenschappelijke acties en de verantwoording van de subsidies,
titel IV;b) een personeelsplan, waarin de verdeling van de personeelsformatie,
artikel 50, over het Vlaamse overlegscentrum en de ondersteuningscentra wordt verantwoord;1° wordt in het coördinatieplan, met uitzondering van het eerste coördinatieplan, voor elke decretale opdracht de ontwikkeling aangegeven ten opzichte van het vorige coördinatieplan en wordt daarin opgegeven welke activiteiten worden voortgezet, bijgestuurd, geheroriënteerd of beëindigd en welke nieuwe initiatieven zullen worden ontwikkeld;2° bevat het coördinatieplan een verantwoording van de samenstelling van de bestuursorganen, zoals bepaald in artikel 15, 4°, van het decreet en in artikel 12 van dit besluit. § 3. Het Vlaamse overlegcentrum wint over het coördinatieplan het advies in van het forum van organisaties van etnisch-culturele minderheden,
artikel 9 van het decreet. Bij ontstentenis van een advies binnen twee maanden nadat het voorstel aan het forum werd bezorgd, wordt het advies geacht positief te zijn. Het overlegcentrum geeft in zijn coördinatieplan aan op welke wijze met dat advies rekening is gehouden. §
artikel 15, 4°, van het decreet, neemt deel aan de vergaderingen van de bestuursorganen en brengt verslag uit bij de minister. HOOFDSTUK II. - Het provinciale niveau Afdeling
artikel 19, § 2, tweede lid, 2°, van het decreet, formuleren de provinciale integratiecentra voor hun werkgebied een schriftelijk voorstel van prioritaire actiezones, op basis van de aanwezigheid van de doelgroepen in de gemeenten en op basis van de analyse,
artikel 14, § 1, 1°. Ze leggen dit voorstel voor advies voor aan relevante lokale actoren die door de minister aangewezen moeten worden. Die brengen hierover advies uit binnen een maand nadat het voorstel aan hen werd bezorgd. Als het advies niet binnen die termijn wordt uitgebracht, wordt het geacht gunstig te zijn. De provinciale integratiecentra leggen de prioritaire actiezones vast en verantwoorden die beslissing in een geschrift. De adviezen,
het tweede lid, die afwijken van die beslissing, worden als bijlage bij het meerjarenplan,
artikel 14, gevoegd. § 2. De provinciale integratiecentra stellen een personeelsplan op voor de lokale steunpunten in hun werkgebied. Onderafdeling B. - Het meerjarenplan van de provinciale integratiecentra Art. 14.Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 20, § 2, van het decreet geeft het provinciale integratiecentrum in zijn meerjarenplan aan op welke wijze het uitvoering zal geven aan zijn decretale opdrachten. Het meerjarenplan bevat meer bepaald : 1° met betrekking tot de opdracht,
artikel 19, § 2, tweede lid, 1°, van het decreet :
artikel 19, § 2, tweede lid, 2°, van het decreet :
artikel 19, § 2, tweede lid, 3° en 5°, van het decreet :
artikel 19, § 2, tweede lid, 4° en 6°, van het decreet : de afspraken die het provinciale integratiecentrum met het provinciebestuur heeft gemaakt met het oog op afstemming van het meerjarenplan van het integratiecentrum enerzijds en de acties van het provinciebestuur inzake het minderhedenbeleid anderzijds en met het oog op het betrekken van de doelgroepen en hun organisaties bij het overheidsbeleid;5° met betrekking tot de opdrachten,
artikel 19, § 2, tweede lid, 4° en 7°, van het decreet : de afspraken die het provinciale integratiecentrum met de lokale besturen in kwestie heeft gemaakt, onder meer over het betrekken van de doelgroepen en hun organisaties bij het overheidsbeleid. Art. 15.In het meerjarenplan worden, voor elk van de onderdelen,
artikel 14, 1° tot en met 3°, de volgende elementen aangegeven : 1° een verantwoording van de keuze van de activiteiten, onder meer door een situering ten opzichte van het strategisch plan en ten opzichte van het coördinatieplan van het Vlaamse overlegcentrum;2° de te verwachten resultaten;3° het tijdstip en de wijze waarop de activiteiten of initiatieven geëvalueerd zullen worden;4° de taakafspraken terzake met het ondersteuningscentrum voor allochtonen, de integratiediensten, de lokale steunpunten en, in voorkomend geval, met de lokale integratiecentra;5° in voorkomend geval, de taakafspraken met de provinciale cellen voor vluchtelingenwerk of voor woonwagenwerk;6° de wijze waarop de categoriale sector en de doelgroepen betrokken werden bij de totstandkoming van de planning en betrokken zullen worden bij de voortgangsbewaking en evaluatie ervan. Art. 16.§
artikel 14, 4°, zijn opgenomen en die, in voorkomend geval, in samenspraak met de provinciale cel voor vluchtelingenwerk of voor woonwagenwerk, is aangevuld met specifieke bepalingen over vluchtelingen of woonwagenbewoners;2° de samenwerkingsovereenkomsten tussen het provinciale integratiecentrum en de lokale besturen waarin de afspraken,
artikel 14, 5°, zijn opgenomen. Bij ontstentenis van een samenwerkingsovereenkomst met het provinciebestuur, als
het eerste lid, 1°, of van een samenwerkingsovereenkomst met een lokaal bestuur, als
het eerste lid, 2°, wordt in het meerjarenplan aangegeven wat het provinciale integratiecentrum zal ondernemen om met het bestuur in kwestie een samenwerkingsovereenkomst te sluiten. Art. 18.§ 1. Over het meerjarenplan brengen de gemeenteraden in kwestie, en in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad de Vlaamse Gemeenschapscommissie, het advies,
artikel 29, § 2, eerste lid, van het decreet, uit binnen twee maanden nadat het plan hen werd bezorgd. De adviezen worden als bijlage bij het meerjarenplan gevoegd en het integratiecentrum geeft aan op welke wijze met deze adviezen rekening is gehouden. Als het advies niet binnen voornoemde termijn wordt uitgebracht, wordt het geacht gunstig te zijn. De raad van bestuur of de integratieraad van het provinciale integratiecentrum, naar gelang van het geval, keurt het meerjarenplan goed met een tweederde meerderheid. §
artikel 62, §
artikel 19, § 2, 1°, van het decreet :
artikel 19, § 2, 3° tot en met 5°, van het decreet :
artikel 20, 1° en 2°, de volgende elementen aangegeven : 1° een verantwoording van de keuze van de activiteiten, onder meer door een situering ten opzichte van het strategisch plan en ten opzichte van het meerjarenplan van het ondersteuningscentrum in kwestie;2° de te verwachten resultaten;3° het tijdstip en de wijze waarop de activiteiten of initiatieven geëvalueerd zullen worden;4° de taakafspraken terzake met het ondersteuningscentrum voor vluchtelingenwerk of het ondersteuningscentrum voor woonwagenwerk, naar gelang van het geval, en in voorkomend geval met de lokale cellen voor vluchtelingenwerk of de lokale cellen voor woonwagenwerk;5° de taakafspraken met het provinciale integratiecentrum inzake gemeenschappelijke actiepunten;6° de wijze waarop de categoriale sector en de doelgroepen betrokken werden bij de totstandkoming van het plan en betrokken zullen worden bij de voortgangsbewaking en evaluatie ervan. Art. 22.§
titel IV. Als zich een wijziging voordoet zoals
, tweede lid, wordt deze overeenkomst gesloten tussen het integratiecentrum en de cellen in kwestie. HOOFDSTUK III. - Het lokale niveau Afdeling 1. - De integratiedienst. Art. 26.Onder voorbehoud van de toepassing van artikellen 29 en 30 van het decreet en onder voorbehoud van de toepassing van artikel 27, kan een integratiedienst pas voor erkenning en subsidiëring in aanmerking komen, als aan de hierna vermelde voorwaarden is voldaan : 1° het interne overleg, zoals bepaald in artikel 29, § 1, 4°, van het decreet, wordt onder de verantwoordelijkheid van de schepen, bevoegd voor het minderhedenbeleid, georganiseerd, waarbij de departementen of diensten die met de doelgroepen te maken hebben, worden betrokken;2° over de taakverdeling en de samenwerking, tussen de integratiedienst en het lokale steunpunt of het provinciale of lokale integratiecentrum, zoals vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst,
artikel 29, § 1, 5°, van het decreet, wordt regelmatig overleg gepleegd en wordt er jaarlijks een evaluatie opgenomen in het verslag,
artikel 63, § 1, 1°. In het gemeentelijk beleidsplan worden de resultaten opgegeven waartoe het interne overleg,
1°, in de periode,
artikel 30, § 2, van het decreet, moet leiden. Art. 27.§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 30, § 1, van het decreet wordt in het gemeentelijk beleidsplan aangegeven hoe het lokale minderhedenbeleid in de periode,
artikel 30, § 2, van het decreet, verder zal worden uitgewerkt. Uitgaand van een analyse van de aanwezigheid van de onderscheiden doelgroepen van het minderhedenbeleid binnen de gemeente, wordt in het gemeentelijk beleidsplan aangegeven welke initiatieven in de komende periode genomen zullen worden om de doelstellingen van het minderhedenbeleid op lokaal vlak te realiseren. Daarbij worden de volgende elementen vermeld : 1° een verantwoording van de keuze van de doelstellingen, onder meer door een situering ten opzichte van de aanwezigheid en de behoeften van de doelgroepen in de gemeente, het strategisch plan, de bestaande beleidsplannen inzake de bestrijding van de achterstelling en het verhogen van het welzijn en de leefkwaliteit in de gemeente en het jeugdwerkbeleidsplan en ten opzichte van het meerjarenplan van het integratiecentrum in kwestie en, in voorkomend geval, van de cel voor vluchtelingenwerk of voor woonwagenwerk;2° de te verwachten resultaten en de methodieken die gehanteerd zullen worden om deze resultaten te bereiken;3° het tijdstip en de wijze waarop de activiteiten of initiatieven geëvalueerd zullen worden;4° de taakafspraken terzake met het integratiecentrum in kwestie en, in voorkomend geval, met het lokale steunpunt of met de cellen voor vluchtelingenwerk of woonwagenwerk;5° de wijze waarop de in de gemeente aanwezige doelgroepen, het integratiecentrum, de relevante lokale actoren, zoals de sectoren huisvesting, onderwijs en tewerkstelling en, in voorkomend geval, de lokale steunpunten betrokken werden bij de totstandkoming van de planning en betrokken zullen worden bij de voortgangsbewaking en evaluatie ervan in het kader van het lokale overleg. § 2. In het gemeentelijk beleidsplan, met uitzondering van het eerste beleidsplan, wordt voor elk onderdeel van het plan de ontwikkeling ten opzichte van het vorige plan aangegeven en wordt aangegeven welke initiatieven worden voortgezet, bijgestuurd, geheroriënteerd of beëindigd en welke nieuwe initiatieven zullen worden ontwikkeld. § 3. De samenwerkingsovereenkomst,
artikel 29, § 1, 5°, van het decreet, en het advies,
§ 4. Het advies,
artikel 30, § 3, van het decreet, wordt door het provinciale of lokale integratiecentrum uitgebracht binnen twee maanden nadat het gemeentelijk beleidsplan aan het centrum werd bezorgd. Het advies wordt als bijlage bij het gemeentelijk beleidsplan gevoegd. Als het advies niet binnen de voornoemde termijn wordt uitgebracht, wordt het geacht gunstig te zijn. Afdeling
artikel 34, § 1, van het decreet. Voor elk van die initiatieven worden de volgende elementen opgegeven : 1° een verantwoording van de keuze van de activiteiten, onder meer door een situering ten opzichte van de aanwezigheid en de behoeften van de doelgroepen in de gemeente of de buurt, ten opzichte van het strategisch plan, het meerjarenplan van het integratiecentrum in kwestie, het gemeentelijk beleidsplan voor lokaal minderhedenbeleid en, in voorkomend geval, het meerjarenplan van de cel in kwestie voor vluchtelingenwerk of voor woonwagenwerk;2° de te verwachten resultaten;3° het tijdstip en de wijze waarop de activiteiten of initiatieven geëvalueerd zullen worden;4° de taakafspraken terzake met het integratiecentrum in kwestie en, in voorkomend geval, met de cel voor vluchtelingenwerk of woonwagenwerk;5° in voorkomend geval, de taakafspraken met de integratiedienst;6° de wijze waarop de doelgroepen en de relevante actoren betrokken werden bij de totstandkoming van de planning en betrokken zullen worden bij de voortgangsbewaking en evaluatie ervan. Art. 30.§ 1. Het lokale actieplan vermeldt tevens de afspraken inzake samenwerking en taakverdeling die voortvloeien uit het overleg,
artikel 28, §
artikel 31, eerste lid, wordt als bijlage bij het lokale actieplan gevoegd. Art. 31.Het lokale actieplan wordt voorgelegd aan de gemeenteraad, die binnen twee maanden nadat het plan werd bezorgd, daarover een advies uitbrengt. Het lokale steunpunt geeft aan op welke wijze met het advies rekening wordt gehouden. Als het advies niet binnen die termijn wordt uitgebracht, wordt het geacht gunstig te zijn. Nadat de stuurgroep van het lokale steunpunt met een tweederde meerderheid het lokale actieplan heeft goedgekeurd, dient hij het plan in bij het provinciale of lokale integratiecentrum, naar gelang van het geval. Onderafdeling B. - De samenstelling van de stuurgroep Art. 32.§
, en als de vereniging de opdrachten van een lokaal steunpunt, zoals bepaald in het decreet, onderschrijft. In dat geval wordt in het actieplan aangegeven hoe de actie van het lokale steunpunt samenhangt met de totaliteit van de activiteiten van deze vereniging. Onderafdeling C. - Het werkgeverschap van het personeel werkzaam in de lokale steunpunten Art. 33.§
titel IV. Afdeling
artikel 37, § 1, 1°, van het decreet, formuleren de lokale integratiecentra voor hun werkgebied een schriftelijk voorstel van prioritaire actiezones, op basis van : 1° de aanwezigheid van de doelgroepen;2° een schets van het huidige beleid en de huidige initiatieven voor de doelgroepen in de gemeente;3° een evaluatie van minderhedenbeleid dat in de gemeente gevoerd wordt, waarbij bijzondere aandacht besteed wordt aan de mate waarin het beleid aansluit bij de behoeften van de doelgroepen;4° de aanwezigheid van blinde vlekken of achtergestelde wijken. Ze leggen dit voorstel voor advies voor aan relevante lokale actoren die door de minister aangewezen moeten worden. Die brengen binnen een maand nadat het voorstel aan hen werd bezorgd, hierover advies uit. Als het advies niet binnen die termijn wordt uitgebracht, wordt het geacht gunstig te zijn. De lokale integratiecentra leggen de prioritaire actiezones vast en verantwoorden die beslissing in een geschrift. De adviezen,
het tweede lid, die afwijken van die beslissing, worden als bijlage bij het meerjarenplan,
artikel 35, gevoegd. §
artikel 37, § 1, van het decreet. Voor elk van die initiatieven worden de volgende elementen opgegeven : 1° een verantwoording van de keuze van de activiteiten, onder meer door een situering ten opzichte van de behoeften van de doelgroepen in de gemeente, het strategisch plan, het meerjarenplan van het provinciale integratiecentrum en het gemeentelijk beleidsplan voor lokaal minderhedenbeleid;2° de te verwachten resultaten;3° het tijdstip en de wijze waarop de activiteiten of initiatieven geëvalueerd zullen worden;4° de taakafspraken terzake met het provinciale integratiecentrum en, in voorkomend geval, met de cellen voor vluchtelingenwerk of woonwagenwerk;5° in voorkomend geval, de taakafspraken met de integratiedienst;6° de wijze waarop de categoriale sector en de doelgroepen betrokken werden bij de totstandkoming van de planning en betrokken zullen worden bij de voortgangsbewaking en evaluatie ervan. Art. 36.§
artikel 62, §
artikel 29 van het decreet, kunnen enkel worden erkend : 1° als daartoe een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend;2° met inachtneming van de erkenningsvoorwaarden die bepaald zijn in het decreet en in dit besluit;3° in voorkomend geval, met inachtneming van de programmatie,
artikel 48. Art. 41.Een aanvraag voor een erkenning is enkel ontvankelijk als ze door het centrum of het bestuur in kwestie met een aangetekende brief wordt ingediend bij de administratie en als ze de volgende gegevens en stukken bevat : 1° een exemplaar van de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad , met de statuten en de samenstelling van de raad van bestuur van het centrum, respectievelijk een kopie van het deputatie-, college- of raadsbesluit, naar gelang van het geval, waarmee de oprichting van het integratiecentrum of de integratiedienst wordt goedgekeurd;2° de bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg ingediende ledenlijst als het om een vereniging zonder winstoogmerk gaat;3° het coördinatieplan, respectievelijk het meerjarenplan of het gemeentelijk beleidsplan, opgemaakt volgens de bepalingen van het decreet en van dit besluit en rekening houdend met de bepalingen van het kwaliteitshandboek, het kwaliteitssysteem, de kwaliteitsplanning en de sectorale minimale kwaliteitseisen voor de sector etnisch-culturele minderheden die zijn opgenomen in bijlage II bij dit besluit;4° een verbintenis om het toegekende personeel ook werkelijk in dienst te nemen binnen zes maanden na het sluiten van de overeenkomst,
artikel 62, § 1;5° als het een aanvraag voor een integratiedienst betreft : de verbintenis van het lokale bestuur tot een tegemoetkoming van minimaal één derde van de kosten die nodig zijn voor de werking van de integratiedienst;6° een beschrijving van de interne organisatiestructuur. Art. 42.Om erkend te worden en te blijven, moeten de centra en diensten voor het Vlaamse minderhedenbeleid voldoen aan de sectorale minimale kwaliteitseisen voor de sector etnisch-culturele minderheden,
artikel 41, 3°. Art. 43.Om erkend te worden en te blijven, stellen de centra en diensten voor het Vlaamse minderhedenbeleid een kwaliteitshandboek op. Het kwaliteitshandboek wordt samengesteld overeenkomstig de inhoud en de structuur die bepaald zijn in bijlage III bij dit besluit. Ter uitvoering van artikel 10 van het Kwaliteitsdecreet moeten alle voorzieningen, die erkend zijn op 31 december 2004, uiterlijk op 1 januari 2005 beantwoorden aan de voorwaarden van het Kwaliteitsdecreet. HOOFDSTUK II. - De procedure Art. 44.Als de aanvraag, zoals bepaald in artikel 41, niet-ontvankelijk is of als er geen ruimte is binnen de begrotingskredieten of in de programmatie,
artikel 50, wordt de aanvraag uiterlijk dertig dagen na ontvangst door de administratie aan het aanvragende centrum of het aanvragende bestuur teruggezonden met vermelding van de reden van het niet in behandeling nemen van de aanvraag. In het andere geval wordt het met redenen omklede voornemen van de minister om de erkenning te verlenen of te weigeren, uiterlijk drie maanden na ontvangst van de aanvraag aan het aanvragende centrum of het aanvragende bestuur betekend. De betekening gebeurt door de administratie met een aangetekende brief waarin de mogelijkheid en de voorwaarden worden vermeld om een bezwaarschrift in te dienen als
artikel 45. Art. 45.Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan het centrum of het bestuur, tot uiterlijk vijftien dagen na ontvangst van het voornemen,
artikel 44, tweede lid, daartegen met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie. Het centrum of het bestuur kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord. Dit bezwaar wordt behandeld volgens de procedure,
het decreet van 15 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/07/1997 pub. 17/09/1997 numac 1997036107 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende oprichting van een Gezins- en Welzijnsraad en van een adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden sluiten houdende oprichting van een Gezins- en Welzijnsraad en van de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden. Als het centrum of het bestuur geen bezwaarschrift heeft ingediend binnen de vastgestelde termijn, wordt de definitieve beslissing van de minister om de erkenning te verlenen of te weigeren binnen zestig dagen na het verstrijken van de termijn,
het eerste lid, door de administratie aan het centrum of het bestuur betekend met een aangetekende brief. Art. 46.De erkenning gebeurt door de minister op basis van het eerste coördinatieplan, meerjarenplan of gemeentelijk beleidsplan, naar gelang van het geval. HOOFDSTUK III. - Toezicht op de erkenningsvoorwaarden Art. 47.§
artikel 47, of als de administratie ernstige en niet-meegedeelde afwijkingen vaststelt ten opzichte van de ingediende plannen, maakt ze een verslag op dat aan het centrum in kwestie of de dienst wordt betekend. Deze betekening gebeurt met een aangetekende brief waarin het centrum of de dienst wordt aangemaand om zich binnen een termijn van maximaal zes maanden, nadat de brief werd verstuurd, aan de erkenningsvoorwaarden of binnen een termijn van maximaal één maand, nadat de brief werd verstuurd, aan de regels voor het toezicht of de werking te conformeren. § 2. Als het centrum of de dienst, ondanks de aanmaning, na verloop van de termijnen,
, de erkenningsvoorwaarden niet naleeft, niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht of de werking niet bijstuurt, kan de minister beslissen om de erkenning in te trekken. Het gemotiveerd voornemen tot intrekking van de erkenning wordt door de minister of de administratie aan het centrum of het bestuur betekend met een aangetekende brief waarin de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen, worden vermeld. Artikel 45, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing. § 3. Als het centrum of het bestuur geen bezwaarschrift heeft ingediend, wordt de definitieve beslissing van de minister over de intrekking van de erkenning uiterlijk 60 dagen na het verstrijken van de termijn,
artikel 45, eerste lid, door de administratie aan het centrum of het bestuur betekend met een aangetekende brief. Als de beslissing niet binnen de termijn,
het vorige lid, aan het centrum of het bestuur wordt betekend, behoudt het centrum of de dienst de erkenning. Art. 49.De centra en diensten bewaren alle stukken die betrekking hebben op hun werking gedurende tien jaar. HOOFDSTUK IV. - De programmatie Art. 50.De minister kan een programmatie opstellen voor : 1° de integratiecentra en de cellen voor vluchtelingenwerk en woonwagenwerk, rekening houdend met de concentratie en spreiding van de doelgroepen, met de aard van de problematiek en met de erkende integratiediensten;2° de integratiediensten van de gemeenten uit het Vlaamse Gewest, rekening houdend met de omvang en de concentratie van de doelgroepen, de samenstelling van de bevolking en de aard van de problematiek. TITEL IV. - De subsidiëring HOOFDSTUK I. - De subsidiabele uitgaven Art. 51.Afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten en overeenkomstig de bepalingen van het decreet en van dit besluit, kent de minister aan het Vlaamse overlegcentrum, aan de erkende provinciale en lokale integratiecentra en aan de erkende integratiediensten een subsidie-enveloppe toe voor infrastructuur, werkings- en personeelskosten op basis van de overeenkomst,
artikel 62, §
artikel 51 en het bedrag, genoemd in artikel 55, worden geïndexeerd op de wijze die bepaald is in de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/03/1977 pub. 05/03/2009 numac 2009000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Die koppeling aan het indexcijfer wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen. Art. 59.Binnen de perken van de begrotingskredieten worden de subsidie-enveloppen eveneens aangepast aan de anciënniteitsontwikkeling. Art. 60.Als de subsidies van een centrum, toegekend op basis van dit besluit, voor een bepaald jaar niet volledig werden aangewend, moet het centrum hiermee reserves opbouwen. Die reserves moeten worden aangewend om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van de taken van het centrum. Met deze reserves moet in de eerste plaats de wettelijk bepaalde voorziening voor vakantiegeld worden aangelegd. De concrete aanwending ervan wordt door de administratie nagegaan in het kader van het toezicht. Reserves, opgebouwd na 1 januari 2000, die op het ogenblik van het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan de jaarlijkse subsidie-enveloppe, worden ten belope van het bedrag dat de jaarlijkse subsidie-enveloppe overschrijdt, teruggestort aan de Vlaamse Gemeenschap. HOOFDSTUK II. - De subsidiëringsvoorwaarden Art. 61.§ 1. De subsidie wordt aan het Vlaamse overlegcentrum, het provinciale of lokale integratiecentrum of aan de integratiedienst toegekend op voorwaarde dat : 1° aan de erkenningsvoorwaarden,
het decreet en in titel III van dit besluit, wordt voldaan;2° aan de administratie de nodige stukken worden bezorgd, waaruit blijkt dat aan de bepalingen in 1° werd voldaan. §
artikel
artikel 18, § 3, eerste lid, en in artikel 37, § 3, eerste lid, wijzigingen aan te brengen in de prioritaire actiezones, wordt op basis van het aangepaste meerjarenplan een bijlage opgemaakt bij de overeenkomst tussen het integratiecentrum en de minister. Art. 63.§ 1. Het Vlaamse overlegcentrum, de provinciale en lokale integratiecentra en de integratiediensten dienen elk jaar, uiterlijk tegen 1 november van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de subsidie wordt gevraagd, een dossier in. Dat dossier bevat de volgende elementen : 1° een verslag met : a) een evaluatie van de werking tijdens de voorbije periode, met opgave van de behaalde resultaten met vanaf 2005 een verslag over de kwaliteitsplanning zoals
het Kwaliteitsdecreet, met de gekozen projecten, de verbeteracties en de bereikte resultaten met inbegrip van de gebruikersgegevens die geregistreerd zijn;b) met betrekking tot de ondersteuningscentra, de provinciale en lokale integratiecentra : een evaluatie van de inspanningen die werden geleverd om de doelgroepen in kwestie, vrouwen en jongeren, in de bestuursorganen op te nemen zoals
artikel 5, § 2, in artikel 16, § 2, en in artikel 36, § 2;c) met betrekking tot de cellen voor vluchtelingenwerk, de cellen voor woonwagenwerk en de lokale steunpunten : een evaluatie van de inspanningen die werden geleverd om de doelgroepen in kwestie, vrouwen en jongeren, in de stuurgroep op te nemen zoals
artikel 22, § 2, en in artikel 30, § 3;1° een jaarplan dat de doelstellingen en de te behalen resultaten voor het komende jaar weergeeft;2° een overzicht van de personeelsleden met de taakverdeling en de tijdsbesteding;3° een begroting met postgewijze toelichting;4° vanaf 2004 een kwaliteitsplanning zoals
het Kwaliteitsdecreet, met voor elk gekozen project :
artikel 63, deelt de administratie haar opmerkingen mee binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier, aan het centrum of het bestuur in kwestie. Het centrum of het bestuur beschikt over maximaal dertig dagen na ontvangst van die opmerkingen om daarop te reageren. § 2. Als er op basis van het dossier en de reactie daarop aanleiding toe bestaat om de subsidiëring te wijzigen of in te trekken, wordt het gemotiveerde voornemen van de minister om daartoe over te gaan aan het Vlaamse overlegcentrum, het provinciale of lokale integratiecentrum of aan het bestuur in kwestie betekend. Die betekening gebeurt door de minister of de administratie met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheid en de voorwaarden worden vermeld om een bezwaarschrift in te dienen als
artikel
artikel 67, §
artikel 67, §
artikel 4, § 3 en § 4, van het decreet, die van overeenkomstige toepassing zijn. §
artikel 6, § 1, van het decreet;3° de resultaten zoals vastgesteld in het verslag van het Vlaamse overlegcentrum, zoals bepaald in artikel 63, § 1, 1°. De minister bepaalt de aanvraagprocedure en selecteert de projecten aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende projectomschrijving en de bijbehorende begroting. Om een projectsubsidie te kunnen krijgen moet de initiatiefnemer een openbaar bestuur of een vereniging zonder winstoogmerk zijn. Voor elk geselecteerd project stelt de minister het bedrag van de subsidie vast op basis van de werkings- en loonkosten van het project. TITEL VI. - Slotbepalingen Art. 71.De berekening van de definitieve subsidie voor het jaar 2001 gebeurt volgens de regelgeving die in het jaar 2001 van kracht was. Art. 72.Het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 14/07/1998 pub. 02/10/1998 numac 1998036062 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende de erkenning en subsidiëring van de centra en diensten voor het Vlaamse minderhedenbeleid sluiten betreffende de erkenning en subsidiëring van de centra en diensten voor het Vlaamse minderhedenbeleid wordt opgeheven. Art. 73.Het decreet van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 28/04/1998 pub. 19/06/1998 numac 1998035668 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden sluiten heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1998, met uitzondering van artikelen 6, 7 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.