(20)betreffende richtlijnen ter ondersteuning van de vlaggenstaten bij de toepassing van de IMO-instrumenten. Zij brengen bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen periodiek verslag uit over belangrijke ontwikkelingen op het gebied van de normen. § 2. De erkende organisaties moeten zich bereid tonen om samen te werken met de met de scheepvaartcontrole belaste dienst in het kader van de havenstaatcontrole met betrekking tot een door hen geklasseerd schip, met name om de correctie van gerapporteerde tekortkomingen of andere afwijkingen te vergemakkelijken. § 3. De erkende organisaties verstrekken de Minister die aan hen een in artikel 2 vermelde vorm van machtiging heeft verstrekt en de Commissie van de Europese Gemeenschappen alle dienstige informatie over de door hen geklasseerde vloot, de overdrachten, veranderingen, schorsingen en intrekkingen van klasse, ongeacht de vlag waaronder de schepen varen. De informatie over overdrachten, veranderingen, schorsingen en intrekkingen van klasse, alsmede over achterstallige onderzoeken, nog niet opgevolgde aanbevelingen, klassevoorwaarden, exploitatievoorwaarden en exploitatiebeperkingen die aan door hen geklasseerde schepen zijn opgelegd - ongeacht de vlag waaronder de schepen varen - wordt ook doorgegeven aan het Sirenac-informatiesysteem voor inspecties in het kader van de havenstaatcontrole en wordt tevens gepubliceerd op de eventuele website van deze erkende organisaties. § 4. De erkende organisaties geven geen certificaten af voor een schip dat de Belgische vlag voert dat om veiligheidsredenen in een lagere klasse is ingedeeld of van klasse verandert, alvorens de met de scheepvaartcontrole belaste dienst in de gelegenheid te stellen zijn standpunt binnen een redelijke tijd kenbaar te maken, zodat kan worden bepaald of een volledige inspectie noodzakelijk is. § 5. Wanneer een schip van de ene erkende organisatie naar de andere overgaat, stelt de overdragende organisatie de opnemende organisatie in kennis van alle achterstallige onderzoeken, de nog niet opgevolgde aanbevelingen, de klassevoorwaarden, exploitatievoorwaarden en exploitatiebeperkingen die aan het schip zijn opgelegd. Bij de overdracht bezorgt de overdragende organisatie de opnemende organisatie het complete dossier van het schip. De opnemende organisatie mag de scheepscertificaten pas afgeven, nadat alle achterstallige onderzoeken naar behoren zijn voltooid en aan alle niet opgevolgde aanbevelingen of eerder aan het schip opgelegde klassevoorwaarden is voldaan overeenkomstig de aanwijzingen van de overdragende organisatie. Alvorens tot afgifte van de certificaten over te gaan moet de opnemende organisatie de overdragende organisatie op de hoogte stellen van de datum van afgifte van de certificaten, en een bevestiging geven van de datum, de plaats en de maatregelen die zijn genomen om achterstallig onderzoek te verrichten en aan nog niet opgevolgde aanbevelingen en klassevoorwaarden te voldoen. Met het oog op een goede toepassing van de bepalingen van deze paragraaf werken de erkende organisaties met elkaar samen. Art. 10.In het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 20 juni 1977, 24 november 1978, 10 juli 1981, 28 maart 1984, 2 mei 1984, 7 mei 1984, 12 juni 1996, 20 januari 1997, 7 januari 1998, 13 juli 1998, 13 september 1998, 23 december 1998, 3 mei 1999, 23 oktober 2001, 11 maart 2002 en 31 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « Ministerie van Verkeerswezen » worden telkens vervangen door de woorden « Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer »;2° de woorden « Ministerie van Verkeer en Infrastructuur » worden telkens vervangen door de woorden « Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer »;3° de woorden « Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart » worden telkens vervangen door de woorden « Directoraat-generaal Maritiem Vervoer »;4° de woorden « Bestuur van Maritieme Zaken en Scheepvaart » worden telkens vervangen door de woorden « Directoraat-generaal Maritiem Vervoer »;5° de woorden « het districtshoofd » worden telkens vervangen door de woorden « de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is »;6° de woorden « het districtshoofd van de zeevaartinspectie » worden telkens vervangen door de woorden « de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is »;7° de woorden « de dienst van de zeevaartinspectie » worden telkens vervangen door de woorden « de met de scheepvaartcontrole belaste dienst »;8° de woorden « de ambtenaar van de dienst van de zeevaartinspectie » worden telkens vervangen door de woorden « de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is ». Art. 11.In artikel 1 van hetzelfde besluit vervalt de omschrijving « districtshoofd » : het districtshoofd van de dienst van de zeevaartinspectie ». Art. 12.In artikel 20 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1984, worden de punten 2, 3 en 4 vervangen door de volgende bepalingen : « 2. Indien de onderzoeken met het oog op de afgifte van nieuwe certificaten hebben plaatsgehad en die nieuwe certificaten nog niet kunnen worden afgeleverd of aan boord worden geplaatst vóór de vervaldatum van de bestaande certificaten, mag de geldigheidsduur van de bestaande certificaten worden verlengd door een organisatie gemachtigd overeenkomstig artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 29 februari 2004 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement op verzoek van de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, voor een periode van ten hoogste 5 maanden, aanvangende op de vervaldatum van het bestaande certificaat. 3. Indien een schip zich ten tijde van het verlopen van de geldigheidsduur van zijn certificaat in een buitenlandse haven bevindt, mag de geldigheidsduur van het certificaat worden verlengd door een organisatie gemachtigd overeenkomstig artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 29 februari 2004 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement op verzoek van de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, voor een periode van ten hoogste 3 maanden, aanvangende op de vervaldatum van het certificaat.Een dergelijke verlenging mag slechts worden verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar een Belgische haven of naar een haven waar het aan een onderzoek zal worden onderworpen, te voltooien en dan nog alleen in de gevallen, waarin het gepast en redelijk voorkomt dit te doen. 4. De geldigheidsduur van de certificaten voor schepen die zeereizen ondernemen die niet langer dan 48 uur duren die niet verlengd is overeenkomstig de punten 2 of 3 kan worden verlengd door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is voor een periode van ten hoogste 1 maand, aanvangende op de vervaldatum van de certificaten.» Art. 13.Artikel 22 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 november 1978, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 22.Geldigheidsduur van certificaten De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, stelt de geldigheidsduur van de door hem afgeleverde certificaten vast. De maximumgeldigheidsduur is evenwel bepaald als volgt : 1° certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschip, reactorpassagiersschip en reactorvrachtschip : 1 jaar;2° certificaat van deugdelijkheid voor andere schepen : 5 jaar;3° voorlopig certificaat van deugdelijkheid : 5 maanden;4° veiligheidscertificaat voor passagiersschip, reactorpassagiersschip en reactorvrachtschip : 1 jaar;5° radio-elektrisch veiligheidscertificaat voor vrachtschip : 5 jaar 6° uitrustingsveiligheidscertificaat voor vrachtschip : 5 jaar;7° veiligheidsconstructiecertificaat voor vrachtschip : 5 jaar;8° certificaat van uitwatering : 5 jaar. Een certificaat van vrijstelling heeft een geldigheidsduur die niet langer mag zijn dan die van het certificaat waarop een vrijstelling werd verleend. De geldigheidsduur van de certificaten vermeld onder de punten 2°, 5°, 6°, 7° en 8° wordt als volgt bepaald : 1° Indien de onderzoeken met het oog op de afgifte van nieuwe certificaten hebben plaatsgehad binnen drie maanden voor de vervaldatum van de bestaande certificaten, vangt de geldigheidsperiode van de nieuwe certificaten aan op de datum waarop de onderzoeken zijn beëindigd en eindigt die geldigheidsperiode 5 jaar na de vervaldatum van de bestaande certificaten.2° Indien de onderzoeken met het oog op de afgifte van nieuwe certificaten hebben plaatsgehad na de datum van de bestaande certificaten, vangt de geldigheidsperiode van de nieuwe certificaten aan op de datum waarop de onderzoeken zijn beëindigd en eindigt de geldigheidsperiode 5 jaar na de vervaldatum van de bestaande certificaten.3° Indien de onderzoeken met het oog op de afgifte van nieuwe certificaten hebben plaatsgehad meer dan 3 maanden voor de vervaldatum van de bestaande certificaten, vangt de geldigheidsduur van de nieuwe certificaten aan op de datum waarop de onderzoeken zijn beëindigd en eindigt de geldigheidsperiode 5 jaar na die datum.» Art. 14.Artikel 108 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1978, 28 maart 1984 en 20 januari 1997 wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 108.Gevaarlijke goederen 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
- a)« IMDG-code » : de internationale code voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee, in de versie die van kracht is;
- b)« INF-code » : de IMO-code van veiligheidsvoorschriften voor het vervoer van bestraalde splijtstoffen, plutonium en hoogradioactieve afvalstoffen in vaten aan boord van een schip, in de versie die van kracht is;
- c)« gevaarlijke goederen » : stoffen, materialen en voorwerpen als omschreven in de IMDG-code;
- d)« verpakt » : de vorm van omhulling gespecificeerd in de IMDG-code. 2.1 Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, is dit artikel van toepassing op gevaarlijke goederen die in verpakte vorm worden vervoerd in alle schepen onderworpen aan het SOLAS-verdrag van 1974 evenals in vrachtschepen met een brutotonnenmaat van minder dan 500. 2.2 De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op scheepsbenodigdheden en scheepsuitrusting. 2.3 Het vervoer van gevaarlijke stoffen in verpakte vorm is verboden tenzij het geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel. 2.4 Buiten het bepaalde in dit punt is dit artikel niet van toepassing op ladingen die in bulk worden vervoerd in daarvoor speciaal gebouwde of daartoe volledig omgebouwde schepen zoals tankers. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het vervoer in bulk verstaan het vervoer van lading die zonder verpakking wordt geladen en/of wordt gelost. Dergelijk vervoer moet voldoen aan de hiernavolgende voorschriften :
- a)Een schip dat wordt gebezigd voor het vervoer in bulk van ruwe aardolie en/of aardolieproducten met een vlampunt van niet meer dan 60 °C en een dampdruk bepaald volgens de methode van Reid bij 37,8 °C die lager is dan de atmosferische druk, alsmede van andere vloeistoffen met een overeenkomstig brandgevaar, moet wat constructie, inrichting en uitrusting betreft, voldoen aan de in bijlagen IV, V en XVIII van dit besluit gestelde voorschriften.
- b)Een schip dat wordt gebezigd voor het vervoer in bulk van ontvlambare vloeistoffen met een groter brandgevaar en/of met andere gevaarlijke eigenschappen dan die van de vloeistoffen bedoeld in
- a)moet wat constructie, inrichting en uitrusting betreft, voldoen aan de door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is te stellen aanvullende eisen.
- c)Een schip dat wordt gebezigd voor het vervoer in bulk van gevaarlijke goederen, andere dan vermeld in
- a)en
- b)moet wat de constructie, inrichting en uitrusting betreft, voldoen aan de door de Minister bevoegd voor de maritieme zaken en de scheepvaart te stellen aanvullende eisen. 2.5 Een schip dat wordt gebezigd voor het vervoer van verpakte bestraalde splijtstof, plutonium en hoog-radioactieve afvalstoffen moet wat de constructie, inrichting en uitrusting betreft, voldoen aan de desbetreffende voorschriften van de INF-code. 3. Het vervoer van gevaarlijke goederen in verpakte vorm moet voldoen aan de desbetreffende voorschriften van de IMDG-code. 4.1 In alle documenten die betrekking hebben op gevaarlijke goederen die in verpakte vorm worden vervoerd over zee moet de officiële vervoersnaam van de goederen worden gebruikt en er moet worden verwezen naar de classificatie in de IMDG-code (de handelsnaam alleen wordt niet toegelaten). 4.2 De vervoerdocumenten, opgemaakt door de afzender, moeten een ondertekend certificaat of een verklaring omvatten, of vergezeld zijn van zo een certificaat of een verklaring waarin staat dat de voor vervoer aangeboden zending deugdelijk verpakt en naargelang het geval, gemerkt en geëtiketteerd is of voorzien is van een groot etiket en beantwoordt aan de voor het vervoer gestelde voorwaarden. 4.3 De persoon die verantwoordelijk is voor het laden van gevaarlijke goederen in een transporteenheid moet een ondertekend container- of voertuigbeladingscertificaat verschaffen, waarin staat dat de waar in de transporteenheid deugdelijk is geladen en vastgezet en dat aan alle van toepassing zijnde vervoersvoorschriften is voldaan. Zo een certificaat mag worden gecombineerd met het document waarnaar wordt verwezen in punt 4.2. 4.4 Daar waar een vermoeden bestaat dat een transporteenheid, waarin gevaarlijke goederen zijn verpakt, niet met inachtneming van de voorschriften van punten 4.2 of 4.3 is beladen, of waar een container- of voertuigbeladingscertificaat niet beschikbaar is, mag de transporteenheid niet voor vervoer worden geaccepteerd. 4.5 Elk schip dat gevaarlijke goederen in verpakte vorm vervoert, moet een speciale lijst of manifest bezitten, waarin, overeenkomstig de classificatie, uiteengezet in de IMDG-code, wordt beschreven welke gevaarlijke goederen aan boord zijn en waar ze zich bevinden. Een gedetailleerd laadplan, hetwelk alle gevaarlijke goederen per klasse identificeert en de plaats ervan aangeeft, mag worden gebruikt in plaats van zo een lijst of manifest. Een exemplaar van één van deze documenten moet voor vertrek ter beschikking gesteld zijn aan de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is. 5. Vracht en transporteenheden moeten gedurende de ganse duur van de reis worden geladen, gestuwd en vastgezet in overeenstemming met het Handboek voor het Vastzetten van Lading, dat door de administratie van de vlaggenstaat is goedgekeurd.De voorschriften vervat in het Handboek voor het Vastzetten van Lading moeten tenminste gelijkwaardig zijn aan de richtlijnen die door de IMO zijn ontwikkeld. 6.1 Wanneer een voorval plaatsvindt, dat het overboord slaan of het waarschijnlijk overboord slaan van gevaarlijke goederen in verpakte vorm in zee tot gevolg heeft, moet de kapitein, of een ander persoon, die de leiding heeft over het schip, de bijzonderheden van een dergelijk voorval onverwijld en zo uitgebreid mogelijk rapporteren aan de dichtstbijzijnde kuststaat. Het rapport moet worden gebaseerd op de door de IMO ontwikkelde richtlijnen en algemene beginselen. 6.2 In het geval dat het schip, bedoeld in punt 6.1 verlaten is, of in het geval dat een rapport van zo een schip onvolledig of niet te verkrijgen is, moet de onderneming, zoals gedefinieerd in voorschrift IX/1.2 van het SOLAS-verdrag van 1974, de verplichtingen, die door voormeld voorschrift aan de kapitein zijn opgelegd, zo volledig mogelijk op zich nemen. 7. Verpakkingen, grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), grote verpakkingen, gasrecipiënten en transporttanks bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen moeten worden beproefd en goedgekeurd overeenkomstig de voorschriften in respectievelijk hoofdstuk 6.1 en 6.3, 6.5, 6.6, 6.2 en 6.7 en 6.8.van de IMDG-code. De goedkeuring gebeurt door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is op basis van de beproevingen uitgevoerd door een organisatie die hiertoe door de Minister bevoegd voor maritieme zaken en de scheepvaart werd gemachtigd volgens een door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is opgelegde procedure. Verpakkingen, grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC'
- s)grote verpakkingen, gasrecipiënten en transporttanks bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen, goedgekeurd door een buitenlandse overheid, zijn vrijgesteld van deze procedure. 8. Aan boord van elk schip gebezigd of bestemd voor vervoer van verpakte gevaarlijke goederen met inbegrip van deze geladen of gestuwd in containers, transporttanks, wegvoertuigen of spoorwagons, moeten er geschreven instructies aanwezig zijn met betrekking tot de aard van het gevaar dat die goederen opleveren en met betrekking tot de maatregelen die dienen te worden getroffen bij een ongeval of een onvoorziene gebeurtenis.Die instructies dienen ten minste de aanbevelingen met betrekking tot de « Noodprocedures voor schepen die gevaarlijke goederen vervoeren » goedgekeurd door de IMO te omvatten. 9. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, kan aanvullende voorschriften opleggen nopens de verpakking, de te vervoeren hoeveelheden en de wijze van vervoer en stuwage van de in dit artikel bedoelde stoffen.» Art. 15.Bijlage XVII bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 juni 1975, wordt opgeheven. Art. 16.Opgeheven worden : 1° het koninklijk besluit van 19 augustus 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/08/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998014213 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de machtiging van erkende organisaties ter uitvoering van de reglementaire diensten die verbonden zijn aan de afgifte van certificaten aan de in België geregistreerde schepen sluiten betreffende de machtiging van erkende organisaties ter uitvoering van de reglementaire diensten die verbonden zijn aan de afgifte van certificaten aan de in België geregistreerde schepen;2° het ministerieel besluit van 30 juli 1998Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 30/07/1998 pub. 28/08/1998 numac 1998014212 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Ministerieel besluit betreffende de erkenning van met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties sluiten betreffende de erkenning van met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties. Art. 17.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 18.Onze Minister van Mobiliteit is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 29 februari 2004. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit, B. ANCIAUX BIJLAGE MINIMUMCRITERIA VOOR DE IN ARTIKEL 2 BEDOELD ORGANISATIES A. ALGEMENE MINIMUMCRITERIA 1. De erkende organisatie moet met bewijsstukken kunnen aantonen dat zij een uitgebreide ervaring heeft in het beoordelen van het ontwerp en de bouw van koopvaardijschepen. 2. De organisatie dient een vloot van ten minste 1.000 zeeschepen (van meer dan 100 GT) van niet minder dan 5 miljoen GT in totaal onder klasse te hebben. 3. De organisatie moet een bestand van technisch personeel in dienst hebben dat in verhouding is tot het aantal geklasseerde schepen.Een minimum van 100 fulltime inspecteurs is nodig om aan de in punt 2 vermelde voorwaarden te voldoen. 4. De organisatie dient gedetailleerde voorschriften en regelingen met betrekking tot het ontwerp, de bouw en de periodieke controle van koopvaardijschepen bekend te maken, voortdurend bij te werken en via onderzoek- en ontwikkelingsprogramma's te verbeteren.5. De organisatie dient jaarlijks haar scheepsregister te publiceren of op te slaan in een elektronische databank die toegankelijk is voor het publiek.6. De organisatie mag niet worden gecontroleerd door reders of scheepsbouwers, noch door anderen die commercieel betrokken zijn bij de bouw, de uitrusting, de herstelling of de exploitatie van schepen. De organisatie mag voor haar omzet niet in hoge mate afhankelijk zijn van één enkele commerciële onderneming. De erkende organisatie mag geen reglementaire taken uitvoeren indien zij zelf eigenaar of exploitant is van het schip of professionele, persoonlijke of familiale banden heeft met die eigenaar of exploitant. Die onverenigbaarheid is eveneens van toepassing op de door de erkende organisatie in dienst genomen inspecteurs. 7. De organisatie moet functioneren overeenkomstig de bepalingen van de bijlage bij resolutie A.789