15 DECEMBER 2003. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de solidariteitsprestaties verbonden met de sociale pensioenovereenkomsten VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het koninklijk besluit dat wij de eer hebben Uwe Majesteit voor te leggen, heeft tot doel de solidariteitsprestaties vast te stellen, die verbonden moeten worden aan de sociale pensioenovereenkomsten, bedoeld in titel II, hoofdstuk 1, afdeling 4 van de programmawet (I) van 24 december 2002 betreffende de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen. Vooraleer de artikelen van het ontwerp toe te lichten, is het nuttig de volgende algemene verduidelijkingen aan te brengen. De sociale pensioenovereenkomsten hebben een sterke sociale inslag en genieten van een bijkomend fiscaal voordeel : enerzijds wordt het bijdrageplafond verhoogd met 15 pct., hetzij 2.634 euro, anderzijds moet minimum 10 pct. van de bijdrage van de aangeslotene naar solidariteit gaan. Alhoewel de programmawet de solidariteit uitsluitend verbindt aan de sociale pensioenovereenkomsten is het niet verboden dat aanvullende waarborgen aan de « gewone » pensioenovereenkomsten worden verbonden. Op die manier kan een zelfstandige minder dan 10 % van de pensioenbijdrage besteden aan solidariteit. Een pensioenovereenkomst wordt echter pas erkend als een sociale overeenkomst van zodra de solidariteitsbijdrage minstens 10 % van de pensioenbijdrage bereikt en voorzover aan de verplichting inzake de keuze van solidariteitsprestaties, bedoeld in artikel 1 van dit besluit, is voldaan. Aan de sociale pensioenovereenkomst dient dus een solidariteitsstelsel verbonden te zijn dat een aantal voordelen omvat die op basis van solidariteit zullen worden georganiseerd en in een specifiek reglement zullen worden bepaald. In het algemeen moet er een nauwe band van complementariteit bestaan tussen het luik solidariteit en het luik pensioenen. Zo moet de solidariteit ondermeer de financiering van de opbouw van het aanvullend pensioen gedurende bepaalde periodes van inactiviteit waarborgen. Daarnaast kunnen vergoedingen bij inkomensverlies in bepaalde specifieke gevallen of een verhoging van lopende uitkeringen worden toegekend. Voorliggend besluit bepaalt nu in uitvoering van artikel 54 van de programmawet (I) van 24 december 2002 de solidariteitsprestaties die in aanmerking komen en de minimale solidariteit waaraan het stelsel moet voldoen. In een afzonderlijk besluit worden een aantal minimumregels inzake de financiering en het beheer van de solidariteitsfondsen, die het solidariteitsstelsel uitvoeren, vastgelegd. De artikelen van het ontwerpbesluit geven aanleiding tot de volgende toelichting : Artikel 1 Het eerste artikel van voorliggend besluit somt de verschillende solidariteitsprestaties op die in aanmerking komen voor het solidariteitsstelsel zodat de pensioenovereenkomst waaraan het stelsel verbonden is als een sociale pensioenovereenkomst zou kunnen worden erkend en zou kunnen genieten van het bijzonder statuut bedoeld in artikel 46 van de programmawet (I) van 24 december 2002. De prestaties, opgesomd in 1° hebben betrekking op de financiering van de opbouw van het aanvullend pensioen gedurende bepaalde periodes van inactiviteit ten gevolge van arbeidsongeschiktheid. Bij de prestaties opgesomd onder 2° wordt een vergoeding van inkomensverlies onder de vorm van een rente voorzien bij tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid en bij overlijden tijdens de loopbaan (zowel overlevingsrentes als wezenrentes). Onder punt 3° wordt in een uitkering voorzien in geval van ernstige ziekte die als zodanig door de Minister van Sociale Zaken erkend is (kanker, leukemie, tuberculose, multiple sclerose, ziekte van Parkinson, difterie, poliomyelitis, cerebro-spinale meningitis, pokken, tyfus, tyfus- en paratyfuskoorts, encefalitis, miltvuur, tetanus, ziekte van Hodgkin, cholera, ziekte van Alzheimer, virale hepatitis, ziekte van Crohn, AIDS, malaria, ziekte van Pompe, ziekte van Creutzfeld-Jacob, mucoviscidose, diabetes, nierdialyse en progressieve spierdystrofie) en voor gepensioneerden in geval van een toestand van afhankelijkheid. Die uitkering is van forfaitaire aard en gebaseerd op objectieve criteria. Ze is niet bedoeld als vergoeding voor inkomstenverlies maar om de kosten verbonden aan voormelde ziektes of toestand van afhankelijkheid te dekken. Voor de prestaties bedoeld in de punten 2° en 3° wordt een uitkering in kapitaal niet toegestaan. De rentes echter, bedoeld in punt 2° die minder dan 300 euro per jaar bedragen, kunnen wel worden uitgekeerd in de vorm van een kapitaal. Onder 4° wordt er ten slotte in voorzien dat solidariteitsprestaties een verhoging kunnen inhouden van lopende uitkeringen. Verder preciseert dit artikel dat het solidariteitsstelsel minstens de volgende prestaties moet inhouden : - twee prestaties die betrekking hebben op de financiering van de opbouw van het aanvullend pensioen gedurende bepaalde periodes van inactiviteit, opgesomd onder 1°. Hierbij kan worden verduidelijkt dat elke deelprestatie onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.