← België

Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap houdende bepaling van de voorwaarden voor de erkenning van de private vormings- en vervolmakingsdien

11 JUNI 2004. - Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap houdende bepaling van de voorwaarden voor de erkenning van de private vormings- en vervolmakingsdiensten bedoeld bij artikel 54 van he

lagen 3 en 4 van dit besluit;3° de nadere regels voor de berekening van de geldelijke anciënniteit verworven in de sector van de hulpverlening aan de jeugd, zoals bepaald bij bijlage 2 B bij dit besluit. § 2. Het totaal van de geïndexeerde bruto bezoldigingen verkregen met toepassing van § 1 wordt vermeerderd met een percentage, bepaald door de Minister, voor de inaanmerkingneming van de wettelijke werkgeverslasten en

komende voordelen bepaald bij bijlage 1 bij dit besluit. Het aldus verkregen totaal, gedeeld door het aantal betrekkingen waarin voorzien wordt voor de betrokken dienst, bepaalt de provisionele gemiddelde bezoldiging van de dienst. De jaarlijkse provisionele toelage is gelijk aan : Provisionele gemiddelde bezoldiging op jaarlijkse basis X aanpassingscoëfficiënt X aantal toegekende betrekkingen. De bovenvermelde aanpassingscoëfficiënt wordt aangepast aan de evolutie van de coëfficiënt voor de indexering van de bezoldigingen, volgens de nadere regels van artikel 28 van dit besluit of kan aangepast worden om redenen die er niet rechtstreeks mee verbonden zijn, inzonderheid de aanpassing van de barema's voor de bezoldiging en het minimumpercentage van 54 % bepaald voor de wettelijke werkgeverslasten en

komende voordelen. §

  1. De toelage bedoeld bij § 2 wordt vereffend naar rata van één twaalfde per maand. §
  2. Ten laatste tegen 30 juni voorafgaande aan het einde van de termijn van drie jaar bedoeld bij artikel 19, § 1, zendt de dienst aan het bestuur, per ter post aangetekende brief, het geschatte bedrag over van de bezoldigingen die noodzakelijk zijn voor de volgende periode van drie jaar. Het bestuur gaat over tot de berekening van de provisionele bezoldiging voor de volgende periode van drie jaar. Het voor de berekening van de toelagen in acht genomen personeel is het personeel dat titularis is van de gesubsidieerde betrekking ingeschreven in het personeelsregister van 31 december van het voorlaatste jaar van de periode van drie jaar die voorafgaat aan de periode van drie jaar waarvoor de aanpassing aangevraagd wordt. De provisionele toelage wordt opgesteld op basis van de anciënniteit van het personeel die verworven zal zijn op 1 juli van het tweede jaar van de volgende periode van drie jaar. De Minister zorgt voor de aanpassing van de toelagen voor de periode van drie jaar. Na het einde van ieder burgerjaar, deelt de dienst aan het bestuur het bedrag mede van de werkelijke uitgaven van het verlopen jaar, met uitsluiting van de provisies voor het vakantiegeld. §
  3. De tegemoetkoming gestort aan de dienst door het Ministerie voor Tewerkstelling en Arbeidsbemiddeling om de afwezigheid van een werknemer in opvoedingsverlof te compenseren, wordt inbegrepen in de provisionele toelage. Deze bijtelling wordt verdeeld over één of meerdere burgerjaren, het eerste zijnde hetgeen tijdens hetwelk het opvoedingsverlof van de werknemer een aanvang heeft genomen, het laatste zijnde hetgeen dat volgt het jaar gedurende hetwelk de tegemoetkoming van het Ministerie voor Tewerkstelling en Arbeidsbemiddeling uitbetaald wordt. De dienst licht het bestuur, per ter post aangetekende brief, gedurende de maand na de werkelijke uitbetaling van de tegemoetkoming, in over zijn keuze inzake de bestemming van het bedrag van de tegemoetkoming over één of meerdere van de betrokken jaren. §
  4. Het bestuur vordert, na de beëindiging van de periode bedoeld bij artikel 19, § 1, het mogelijke teveel gestorte bedrag terug in vergelijking met de provisionele toelage toegekend gedurende de voornoemde periode. Deze terugvordering kan afgetrokken worden van de toegekende toelagen. In geval van beëindiging van de activiteiten van de dienst, geschiedt de terugvordering van het teveel gestorte bedrag na de beëindiging van de periode bedoeld bij §
  5. Art. 20.De provisionele jaarlijkse toelage wordt berekend rekening houdend met de volgende elementen : 1° een maximaal aantal van drie voltijdse equivalenten onder wie twee licentiaten waaronder één directeur alsook een maatschappelijke werker (maatschappelijke assistent of in de psychologie of opvoeder klasse 1) of een lid van het administratief personeel;2° de voorwaarden van de inaanmerkingneming en de barema's voor de bezoldiging van het personeel, zoals bepaald bij

lagen 3 en 4 van dit besluit;3° de nadere regels voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, zoals bepaald bij bijlage 2 B. Art. 21.§

  1. Ieder jaar wordt overgegaan tot de vaststelling van de definitieve toelage, op basis van de bewijzende stukken vereist door het bestuur. §
  2. De aanwending van de provisionele toelage bedoeld bij artikel 19 wordt met redenen omkleed overeenkomstig de bepalingen van

lagen 1, 2, 3 en

  1. Afdeling
  2. - De toelage om werkingskosten Art. 22.§
  3. De jaarlijkse toelage om werkingskosten wordt vastgesteld op 3.718,40 indexeerbare euro per voltijdse betrekking. Deze toelage dekt : 1° de kosten voor de bezetting van gebouwen en lokalen, namelijk de huurkosten, de huurlasten en de verhuiskosten, de inrichtingskosten, de toezichtkosten;2° wanneer de dienst eigenaar is van de gebouwen die hij bezet, de dotatie voor de afschrijving op lichamelijke roerende goederen die voor onroerend worden gehouden met betrekking tot de voornoemde gebouwen.Het afschrijvingspercentage wordt vastgesteld op 3,333 %. Een afschrijvingspercentage van 10 tot 6,666 % kan in aanmerking worden genomen voor het inrichtingswerk of het groot onderhoudswerk van de gebouwen; 3° de facturatie voor onderhoudswerk ten belope van een voor indexering vatbaar jaarlijks maximaal bedrag bepaald op 928 EUR per jaar alsook de andere onderhoudskosten voor de lokalen en hun inhoud;4° de kosten wegens water-, energie en brandstofverbruik;5° de bestuurskosten;6° de verzekeringskosten die geen betrekking hebben op het personeel, ofwel de verzekeringen tegen brand, diefstal, burgerlijke aansprakelijkheid, voertuigen, bureau- en computermateriaal;7° de kosten wegens juridische bijstand, de erelonen van advocaten en deskundigen, mits instemming van de Minister;8° de erelonen voor de verificatie of de certificatie van de jaarrekeningen.Deze kosten worden in aanmerking genomen op basis van degelijk opgestelde facturen, ten belope van een voor indexering vatbaar jaarlijks maximaal bedrag van 933,39 EUR; 9° de erelonen met betrekking tot bestuurs- en boekhoudkundige taken die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de dienst of de inachtneming van de erkenningsvoorwaarden.Deze kosten worden in aanmerking genomen op basis van degelijk opgestelde facturen en ten belope van een voor indexering vatbaar jaarlijks maximaal bedrag van 4.065,45 EUR; 10° de bedragen uitbetaald aan plaatselijke agentschappen voor arbeidsbemiddeling en tewerkstelling om gebeurlijke taken die normaal niet tot de taken van het dienstpersoneel behoren;11° de kosten voor het maatschappelijk secretariaat, met name de berekening van de lonen, de formaliteiten in verband met de uitbetaling van de lonen en de formaliteiten die te verrichten zijn in het raam van de sociale en fiscale wetgeving, de logistieke en juridische steun, op basis van degelijk opgestelde facturen ten belope van een voor indexering vatbaar bedrag van 188,77 EUR, te vermeerderen met de BTW, per werknemer en per jaar;12°

dragen betaald aan de vakverenigingen van de diensten, ten belope van een maximaal bedrag van 53,94 EUR dat ieder jaar voor indexering vatbaar is en dit per voltijdse betrekking in aanmerking genomen voor de berekening van de provisionele toelagen van de dienst;13° de kosten wegens voortgezette opleiding van het personeel in België, de betoelaging van vormingskosten in het buitenland wordt onderworpen aan de instemming van het bestuur.De vormingskosten die de aanwending van de toelage wettigen, stemmen overeen ofwel met de specialisatievormingen in verband met het beklede ambt en het niveau ervan, de algemene studies zijnde daarbij uitgesloten, ofwel met de deelname aan colloquia, conferenties, congressen, seminaries en studiedagen; 14° de verplaatsingskosten en de kosten om opdracht van het personeel, in België en volgens de nadere regels die van toepassing zijn op het bestuurspersoneel.De betoelaging van de verplaatsingskosten in het buitenland wordt onderworpen aan de instemming van het bestuur; 15° de aankondigings-, reclame- en documentatiekosten;16° de kosten die verband houden met het gebruik van voertuigen, met inbegrip van de omnium verzekering voor opdracht en, desnoods, de meerkosten voortvloeiend uit de verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid voor een voertuig wanneer het om een beroepsgebruik gaat;17° de kosten voor de verwijdering van het puin;18° de kosten om klein psychologisch en didactisch materiaal;19° de bankkosten en de leningslasten noodzakelijk voor de goede werking van de dienst, in het raam van de toepassing van dit besluit;20° de dotatie voor de afschrijving op lichamelijke roerende goederen die voor onroerend worden gehouden met betrekking tot het meubilair, materiaal en verdere uitrusting.Het afschrijvingspercentage wordt bepaald op 20 % voor het vast en rollend materiaal alsook voor het meubilair en het bureaumateriaal. Het wordt bepaald op 33,33 % voor het computer- en softwaremateriaal; 21° de taksen en directe en indirecte belastingen in verband met de activiteit van de dienst; 22° de erelonen van de supervisors en de opleiders van het dienstpersoneel, op basis van degelijk opgestelde facturen en ten belope van een voor indexering vatbaar maximaal bedrag van 3.111,39 EUR; 23° de onthaalkosten, namelijk voor het onthaal van de begunstigden van opleidingen ingericht door de dienst. §

  1. De toelage om werkingskosten kan ook de uitgaven om personeelskosten bedoeld bij artikel 21 van dit besluit dekken. Art. 23.De jaarlijkse provisionele toelage wordt vereffend ten belope van één twaalfde per maand; de maandelijkse schijven worden ten vroegste na het vervallen van de termijn uitbetaald. De definitieve toelage om werkingskosten wordt bepaald op basis van de met redenen omklede stukken vereist door het bestuur. Afdeling
  2. - Tegemoetkoming in de kosten voor de inrichting van de activiteiten Art. 24.§
  3. De tegemoetkoming in de kosten voor de inrichting van de activiteiten bedraagt maximum 50 % van de uitgaven die verband houden met de jaarlijkse verwezenlijking van het vormingsproject van de dienst en met een jaarlijks maximum van 12.394,68 euro, dat voor indexering vatbaar is. §
  4. Deze toelage wordt vereffend aan de dienst mits inachtneming van de volgende nadere regels : als voorschot, een eerste schijf gelijk aan maximum 90 % van het bedrag van de tegemoetkoming bepaald overeenkomstig § 1, wordt toegekend aan de dienst ten laatste gedurende het eerste kwartaal van het betrokken jaar; het saldo wordt bepaald en aan de dienst toegekend na onderzoek door het bestuur van alle verantwoordende stukken met betrekking tot de inkomsten en de uitgaven voortvloeiend uit de activiteit gedurende het verlopen jaar; het mogelijk teveel geïnde bedrag in vergelijking met de voornoemde voorschotten wordt teruggevorderd. §
  5. Worden aangenomen als verantwoording, de prestaties, op basis van degelijk opgestelde facturen, van personen (plaatsvervangend opleider, onafhankelijk deskundige, privé-operateur, ...), wanneer deze verricht worden in het raam van de jaarlijkse verwezenlijking van het vormingsproject van de dienst. Worden eveneens aangenomen als verantwoording, de uitgaven bedoeld bij artikel 22 van dit besluit, bij de punten 1°, 3° tot 7°, 10°, 13° tot 18°, 19°, 21° tot 24°, wanneer deze uitgaven in rechtstreeks verband staan met de inrichting van activiteiten die deel uitmaken van de jaarlijkse verwezenlijking van het vormingsproject van de dienst. De specifieke aard van de prestatie zal de oproep tot deze personen of dienstenmaatschappijen behoorlijk wettigen. De uurkosten van de vormingen worden als een goed huisvader beheerd. HOOFDSTUK VI. - Het pedagogisch begeleidingscomité Art. 25.§
  6. Het pedagogisch begeleidingscomité wordt samengesteld uit : 1° één vertegenwoordiger per sectorfederatie;2° twee vertegenwoordigers van de adviseurs en de directeurs voor hulpverlening aan de jeugd;3° één vertegenwoordiger van de maatschappelijke afdelingen en van de algemene preventie van de diensten voor de hulpverlening aan de jeugd en van de maatschappelijke afdelingen van de diensten voor rechterlijke bescherming;4° één vertegenwoordiger van de directies van de openbare instellingen voor jeugd bescherming en één vertegenwoordiger van het personeel van dezelfde instellingen;5° twee vertegenwoordigers van de arrondissementsraden voor hulpverlening aan de jeugd;6° drie vertegenwoordigers van het bestuur voor hulpverlening aan de jeugd;7° één vertegenwoordiger van de Union francophone des Magistrats de la jeunesse;8° één vertegenwoordiger van de Minister tot wiens bevoegdheid de hulpverlening aan de jeugd behoort;9° drie vertegenwoordigers van de vakverenigingen van de werknemers van de privé-sector voor hulpverlening aan de jeugd en voor jeugdbescherming. De voorzitter van de Gemeenschapsraad voor hulpverlening aan de jeugd of diens vertegenwoordiger is van rechtswege lid van het Comité en neemt er het voorzitterschap van waar. Kan niet lid zijn van dit comité elke persoon die lid is van de raad van bestuur van een van de betrokken vormingsdiensten. § 2.

§ 1

, eerste lid, 2°, bedoelde leden worden aangewezen door de Minister, op een lijst van zes kandidaten die collegiaal voorgedragen worden door het geheel van de adviseurs en de directeurs.

§ 1

, eerste lid, 1°, 7° en 9°, bedoelde leden worden aangewezen door de Minister, op een dubbele lijst van kandidaten voorgedragen door de representatieve Bonden of Federaties.

§ 1

, eerste lid, 3°, 4° en 6°, bedoelde leden worden aangewezen door de Minister, op de voordracht van de betrokken instellingen en diensten.

§ 1

, eerste lid, 5°, bedoelde leden worden aangewezen door de Minister, op een lijst met de kandidaten van de arrondissementsraden voor hulpverlening aan de jeugd, waarbij iedere raad ertoe uitgenodigd werd zij eigen kandidaat voor te dragen. §

  1. De leden van het comité worden aangewezen voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is. Hun mandaat neemt een aanvang op de eerste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de Gemeenschapsraad voor hulpverlening aan de jeugd. Art. 26.Het comité is belast met een hulp- en adviesopdracht. Het zorgt voor een bestendig overleg tussen de openbare en private vormingsdiensten. Aan de Minister brengt het zijn onderzoek over en zijn advies uit over de behoeften inzake opleiding. Met raadgevende stem wordt een vertegenwoordiging van de diensten ertoe uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen van bovenvermeld comité. Minstens om de drie jaar, zorgt het comité voor de evaluatie van de geschiktheid van de vormingsprojecten van de diensten in vergelijking met de op voorhand opgestelde programmering van de behoeften. Het vergadert minstens eenmaal per kwartaal. Het legt aan de goedkeuring van de Regering zijn eigen nadere regels van werking. Het kan, uit eigen initiatief of op aanvraag, elke persoon horen die hem kan toelichten bij de verwezenlijking van zijn opdracht. HOOFDSTUK VII. - Bijzondere, opheffings- en overgangsbepalingen Art. 27.Voor de voor indexering vatbare bedragen die geen bezoldigingen of daarmee gelijkgestelde kosten vertegenwoordigen, wordt toepassing gedaan van de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/1971 pub. 20/02/2009 numac 2009000070 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Deze bedragen worden gekoppeld aan de spilindex 138,01; de indexeringscoëfficiënt 1, 0000 beantwoordt aan de bedragen op 1 januari 1990 geïndexeerd. Art. 28.Voor de voor indexering vatbare bedragen die geen bezoldigingen of daarmee gelijkgestelde kosten vertegenwoordigen, wordt toepassing gedaan van de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/03/1977 pub. 05/03/2009 numac 2009000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Deze bedragen worden gekoppeld aan de spilindex 138,01; de indexeringscoëfficiënt 1, 0000 beantwoordt aan de bedragen op 1 januari 1990 geïndexeerd. Art. 29.Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 mei 1995 tot bepaling van de voorwaarden voor de erkenning van private instellingen voor de vorming en de vervolmaking van het personeel van de erkende diensten en de toekenning van toelagen aan deze instellingen, wordt opgeheven. Art. 30.§
  2. De diensten die erkend en gesubsidieerd werden op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, op basis van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 mei 1995 tot bepaling van de voorwaarden voor de erkenning van private instellingen voor de vorming en de vervolmaking van het personeel van de erkende diensten en de toekenning van toelagen aan deze instellingen, worden van rechtswege erkend op basis van dit besluit, vanaf de inwerkingtreding ervan. §
  3. De leden van het comité dat werkt vanaf de inwerkingtreding van dit besluit blijven lid van het Pedagogisch begeleidingscomité zoals bedoeld bij artikel 25 van dit besluit en dit, tot de installatie van een nieuw begeleidingscomité overeenkomstig de regels verwoord in hetzelfde artikel
  4. HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen Art. 31.De Minister tot wiens bevoegdheid de hulpverlening aan de jeugd behoort, wordt belast met de uitvoering van dit besluit. Art. 32.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatblad wordt bekendgemaakt. Brussel, 11 juni
  5. Vanwege de Regering van de Franse Gemeenschap : De Minister van Hulpverlening aan de Jeugd en Gezondheid, Mevr. N. MARECHAL

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.