28 NOVEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Goedkeuring na advies van de Raad van State. Situering De decreetswijziging van 13 juli 2001 inzake zonevreemde woningen en gebouwen voert een artikel 145bis in in het decreet van 18 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/05/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999035652 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening sluiten houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. In § 2 van dat artikel worden de functiewijzigingen geregeld : « § 2. De vergunningverlenende overheid mag, bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige wijziging van de hoofdfunctie van een onroerend bebouwd goed met het oog op een nieuwe functie in de zin van artikel 99, § 1, eerste lid, 6°, alleen afwijken van de voorschriften van een gewestplan of een algemeen plan van aanleg in de volgende gevallen : - het wijzigen van het gebruik van een bestaand vergund, eventueel leegstaand, landbouwbedrijf, dat volgens het gewestplan niet gelegen is in een recreatiegebied of een ruimtelijk kwetsbaar gebied, behoudens een parkgebied, met als nieuw gebruik uitsluitend wonen, én op voorwaarde dat de volgende voorschriften nageleefd worden : 1° de bedrijfswoning en de bijgebouwen die er fysisch één geheel mee vormen, krijgen als nieuw gebruik wonen met uitsluiting van meergezinswoningen, maar met inbegrip van tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft;2° de bedrijfsgebouwen van dit landbouwbedrijf mogen niet afgesplitst worden van de bedrijfswoning en kunnen enkel een nieuw gebruik krijgen als woningbijgebouwen, of als accommodatie voor tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft; - het wijzigen van het gebruik van een bestaand, vergund gebouw voor zover deze wijziging is opgesomd in een door de Vlaamse regering vast te leggen lijst. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor deze wijzigingen van gebruik. De hierboven beschreven wijzigingen van gebruik kunnen eventueel gecombineerd worden met de onder § 1, eerste lid, 1° tot en met 6° beschreven mogelijkheden. Al de hierboven vermelde afwijkingen kunnen slechts worden verleend op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. De Vlaamse regering kan hiertoe in een besluit de nadere regels vastleggen, zoals ondermeer met betrekking tot de ruimtelijke draagkracht van het gebied en de verweving van de functies. De weigering van het verlenen van een afwijking tot het wijzigen van het gebruik kan geen aanleiding geven tot het verschuldigd zijn van een vergoeding zoals bedoeld in de artikelen 84 tot en met 86. » Het is wenselijk om via ruimtelijke uitvoeringsplannen zo snel mogelijk over te gaan tot een differentiëring van het agrarisch gebied, om via deze weg de toelaatbare functiewijzigingen te verruimen of te beperken, al naargelang de aard van het concrete gebied. Met een generieke regeling is het zeer moeilijk om maximaal rekening te houden met de sterk verschillende ruimtelijke situaties die in de praktijk kunnen voorkomen. Er zijn in het besluit een aantal grendels en afwegingskaders ingebouwd die deze differentiëring in het vergunningenbeleid moeten mogelijk maken, doch de planmatige aanpak zal altijd de voorkeur wegdragen. Artikelswijze bespreking Art. 1.In dit artikel worden een aantal gehanteerde begrippen gedefinieerd. Toch lijkt het nuttig om even verder in te gaan op een paar van deze definities. « gebouwengroep" Het dient te gaan over minstens drie gebouwen of gebouwencomplexen, al dan niet aan dezelfde kant van de straat gelegen, die samen geen functioneel, maar wel een ruimtelijk aaneengesloten geheel vormen. Een boerderijcomplex, bestaande uit het woongebouw en twee losstaande stallen, is dus geen gebouwengroep, want het vormt één functioneel geheel. Het moet dus werkelijk minstens 3 onafhankelijk van elkaar functionerende eenheden betreffen (van 3 verschillende eigenaars). Met in aparte onderdelen gesplitste onroerende goederen zal geen rekening worden gehouden. Met ruimtelijk aaneengesloten geheel wordt een geheel van gebouwen bedoeld, die zeer dicht bij elkaar gelegen zijn. Wanneer de ruimte tussen de gebouwen meer dan 50 meter bedraagt, is dit reeds voldoende om niet meer van een ruimtelijk aaneengesloten geheel te spreken. « ruimere omgeving". Voor de bepaling van de ruimere omgeving stelt men zich bijvoorbeeld in de plaats van een bezoeker aan het gebouw of gebouwencomplex in kwestie. De ruimte die grenst aan alle openbare wegen waarlangs het gebouw of gebouwencomplex kan benaderd worden, behoort tot de ruimere omgeving, weliswaar met een maximum van 200 meter, gemeten vanaf het gebouw of gebouwencomplex. In het besluit worden nog een aantal andere begrippen gehanteerd, die niet gedefinieerd worden, voornamelijk omdat ze reeds elders voorkomen. Het gaat hier om de functiecategorieën, zoals « landbouw in de ruime zin », « horeca », « dagrecreatie ». Het is duidelijk dat hier dezelfde begrippen gehanteerd zijn als in het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is. Art. 2.§ 1. Verkrotte, onvergunde, of niet meer bestaande gebouwen komen uiteraard niet in aanmerking. § 2. Ruimtelijk kwetsbare gebieden worden uitgesloten van de toepassing (behalve parkgebied). Ook recreatiegebieden en overstromingsgebieden komen niet in aanmerking. § 3. Voor de meeste functiewijzigingen dient het gebouw gelegen te zijn langs een voldoende uitgeruste weg. § 4. "bouwfysisch geschikt voor het nieuwe gebruik". Normalerwijze dient de bestemming die vastgelegd is in de plannen van aanleg gevolgd te worden. Hierop afwijkingen toestaan is niet vanzelfsprekend. Dit is enkel verantwoord omdat bestaande gebouwen afbreken en elders (in de goede zone) nieuwe gebouwen oprichten, kosten met zich meebrengt (financiële, maar ook milieukosten). Dit besluit is dan ook gericht op een valorisatie van het bestaande gebouwenpatrimonium in Vlaanderen. Gebouwen komen daarom enkel in aanmerking wanneer ze bouwfysisch nog in goede staat zijn en zonder al te grote investeringen of ingrijpende verbouwingen geschikt zijn voor de nieuwe functie. De financiële grootte van de investering wordt afgewogen tegen de waarde van het onroerend goed. Gebouwen waarin de laatste 2 jaar ingrijpende werken gebeurd zijn (die misschien speculatieve bedoelingen gehad hebben) komen niet in aanmerking. Uit het feit dat recentelijk ingrijpende werken zijn uitgevoerd in functie van het oorspronkelijke gebruik kan immers worden besloten dat de oorspronkelijke functie niet is achterhaald. Ook is het evident dat eens de functiewijziging is toegestaan, het gebouw gedurende een periode van minstens 10 jaar niet in aanmerking komt voor ingrijpende verbouwingen. Van herbouw kan al evenmin sprake zijn, aangezien dat regelrecht ingaat tegen de bedoeling van 145bis, § 2, namelijk valorisatie van het bestaande gebouwenpatrimonium. Minder ingrijpende verbouwingen, zoals het bijmaken van raam- en deuropeningen, het aanbrengen van uithangborden, het uitvoeren van niet constructieve binnenverbouwingen kunnen wel vergund worden. Teneinde expliciet op deze bepaling te wijzen, zal bij de aanvraag een door de aanvrager en eigenaar ondertekende verklaring zoals in bijlage bij dit besluit gevoegd worden. Art. 3.Vaak werd de vraag gesteld of bij zonevreemde woningen een complementaire functie kon worden uitgevoerd. Met « complementaire functie » worden voornamelijk kantoor- en dienstenfuncties in de ruime zin bedoeld (architect, advocaat, dierenarts, kapsalon, ...), en dit ten behoeve van de bewoners van de zonevreemde woning. Artikel 3 schept hiervoor ruimte, ook al blijft de oppervlakte beperkt tot 100 m2. Doordat voor de woonfunctie een grotere oppervlakte moet worden voorzien dan voor de complementaire functie, wordt oneigenlijk gebruik van deze bepaling vermeden. De complementaire functie wordt niet meegerekend voor de bepaling van het maximaal toelaatbare volume, bedoeld in artikel 145bis, § 1, 6° van het decreet. Hiermee wordt bedoeld dat de complementaire functie ook in niet-woonruimten (zoals stallen) kan ondergebracht worden. Een voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging : een verzekeringsagent die in twee lokalen van zijn zonevreemde woning klanten ontvangt, een bureau heeft en dossiers bijhoudt. Een niet vergunbaar voorbeeld : een nieuw klein café in een zonevreemde woning. Art. 4.Het begrip plattelandstoerisme wordt niet gedefinieerd. Dit is een bewuste keuze omdat de decreetgever ervoor kan opteren om in de sectorale regelgeving een eigen invulling van het begrip te geven. In tussentijd moge het duidelijk zijn dat met plattelandstoerisme de uit het buitenland genoegzaam bekende formules genre « bed and breakfast » of « zimmer frei » bedoeld zijn : het aanbieden van eenvoudige logiesmogelijkheid (maximaal 4 kamers) en eventueel ontbijt (in een aparte ontbijt- en verblijfsruimte) bij particulieren, zonder restaurant of café. De complementaire functie wordt niet meegerekend voor de bepaling van het maximaal toelaatbare volume, bedoeld in artikel 145bis, § 1, 6° van het decreet. Hiermee wordt bedoeld dat de complementaire functie ook in niet-woonruimten (zoals stallen) kan ondergebracht worden. Een voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging : 3 kamers voor bed and breakfast + 1 ontbijtruimte in schuur van zonevreemde woning (voormalige boerderij) zonder landbouw als nevenfunctie. Een niet vergunbaar voorbeeld : een klein hotel met half pension in schuur van voormalige boerderij. Art. 5.Artikel 145bis, § 2 van het decreet maakt het mogelijk om van een landbouwwoning een residentiële woning te maken. Er was echter geen mogelijkheid om van niet-agrarische gebouwen residentiële woningen te maken. Deze mogelijkheid wordt thans voorzien, voorzover deze gebouwen liggen binnen een gebouwengroep en er reeds woningen in de buurt gelegen zijn. Een voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging : voormalig schoolgebouw in woonkorrel wordt omgevormd naar zonevreemde woning. Een ander aanvaardbaar voorbeeld : oud industrieel gebouw in kmo-zone in stadscentrum wordt ingericht als loft. Een niet vergunbaar voorbeeld : een geïsoleerd gelegen watertoren wordt omgevormd naar woning (geen woningen in omgeving - geen gebouwengroep). Een ander niet vergunbaar voorbeeld : ambachtelijke loods in betonplaten wordt omgevormd naar woning (gebouw bouwfysisch niet geschikt voor nieuwe functie). Art. 6.Dit artikel maakt een omvorming van bijvoorbeeld industrieel gebouw naar handelszaak mogelijk, in industriegebied, voorzover in de onmiddellijke omgeving reeds dergelijke vergunde functies voorkomen en voor zover in het betreffende bedrijventerrein reeds tal van vergunde winkels, kantoren en dienstenfuncties aanwezig zijn. We denken hier bijvoorbeeld aan kleinhandelslinten langs sommige wegen, die gelegen zijn in KMO-zone, bedrijventerreinen met een gevarieerde vergunde invulling, KMO-zones met een beperkte oppervlakte in functie van één of enkele kleine bedrijven volledig omgeven door een woongebied, ... Om een ruimtelijk aanvaardbare functiewijziging in deze laatste kleine KMO-zones mogelijk te maken, is de voorwaarde zoals gesteld in art. 6 - 3° slechts van toepassing op bedrijventerreinen met meer dan 3 bedrijven. Een voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging : een ambachtelijk bedrijf in industriegebied tussen bestaande vergunde handelszaken wordt omgevormd naar winkel. Een niet vergunbaar voorbeeld : ambachtelijk bedrijf op volwaardig industrieterrein zonder winkels wordt omgevormd naar handelszaak. Art. 7.In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werd vastgesteld dat er een tekort is aan gebieden bestemd voor recreatie. Voor deze problematiek zal een planologische oplossing worden uitgewerkt. Hierbij zijn er bijzondere vormen van recreatie die niet op om het even welk recreatiegebied onder te brengen zijn. Er is enerzijds de luidruchtige buitenrecreatie (motorcross en dergelijke) en anderzijds de luidruchtige binnenrecreatie (karting, fuifzaal, schietstand, ...). In 2 arresten heeft het hof van beroep van Antwerpen in 1999 in twee concrete situaties gesteld dat een karting kan worden geëxploiteerd in een industriegebied of KMO-zone, gelet dat zijn bezoek, onderhoudswerkplaatsen, opslag van diverse petroleumproducten, onvermijdelijk lawaai en luchtafzuiginstallatie veeleer beantwoordt aan het begrip KMO en lichte industriële activiteit. Sommige gebouwen in industriegebied zijn omwille van hun concept en ligging geschikt om dergelijke luidruchtige binnenfuncties op te vangen. Dit artikel geeft die mogelijkheid. Uiteraard zal (zoals elders opgelegd) een uitgebreid onderzoek een eventuele vergunning dienen vooraf te gaan. Dit kan gaan tot en met de opmaak van een MOBER om de mobiliteitseffecten te onderzoeken. Een voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging : een leegstaande loods met voldoende geluidwerende muren in industriegebied wordt ingericht als gemeentelijke fuifzaal. Een niet vergunbaar voorbeeld : een leegstaande loods in metaalplaten in industriegebied omvormen naar fuifzaal, indien er te veel ingrijpende werken moeten gebeuren om het gebouw geschikt te maken voor het nieuwe gebruik. Een ander niet vergunbaar voorbeeld : leegstaande fabriekshal omvormen naar karting wanneer deze gelegen is in een slecht ontsloten industriegebied met onvoldoende parking (geen oplossing van het mobiliteitsprobleem). Art. 8.In agrarisch gebied komen voormalige landbouwgebouwen voor, die onttrokken zijn aan de landbouwfunctie (schuren, stallen, en dergelijke). Deze kunnen gebruikt worden louter voor de opslag van allerhande materialen of materieel, zonder dat er andere activiteiten in het gebouw plaatsvinden. Hier kan bijvoorbeeld gedacht worden aan : winterberging voor caravans, berging van oldtimers, opslag van hout voor een schrijnwerkerij, enz ... Een niet vergunbaar voorbeeld : schrijnwerkerij in dezelfde leegstaande stal. Art. 9.Een aantal in min of meerdere mate landbouwverwante activiteiten kunnen soms moeilijk een geschikte locatie vinden. Het hergebruik van bestaande landbouwgebouwen kan hiervoor een uitweg bieden. Hierbij wordt (limitatief) gedacht aan een paardenhouderij, een manège, een dierenasiel, een dierenpension, een dierenartspraktijk, een tuinaanlegbedrijf met 0,5 ha plantenkweek of opslag van planten, een kinderboerderij, een dagverblijf voor patiënten met een beperkt landbouwbedrijf,.... Een voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging : omvormen van een leegstaande boerderij naar dagverblijf voor autistische kinderen, met onder meer therapeutische verzorging van pony's en schapen. Een niet vergunbaar voorbeeld : omvormen van leegstaande boerderij naar tuincentrum met plantenverkoop. Art. 10.Voor gebouwen die voorkomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed is het soms onmogelijk om een functie te vinden die overeenstemt met de bestemming van het terrein en tegelijkertijd economisch haalbaar is. Dit leidde soms tot het verdwijnen van dergelijke gebouwen. Dit moet betreurd worden, ook al zijn het geen beschermde gebouwen. Daarom wordt hier de nieuwe functie vrij gelaten, maar worden wel een aantal grendels ingebouwd, waaronder een gunstig advies van monumenten en landschappen. Art. 11.In 1984 werden voor de eerste maal sommige gebruikswijzigingen vergunningsplichtig gemaakt. Ze waren echter allemaal vergunbaar. In de praktijk werden de aangevraagde wijzigingen vaak toegestaan. In plaats van een uitzonderingsregel was de regel bijna een automatisme geworden. Dit is thans duidelijk niet de bedoeling. Daarom wordt duidelijk bepaald dat de ruimtelijke ordening niet mag worden geschaad, wat uiteraard moet blijken uit de motivering van de beslissing. Minstens 5 items moeten in deze motivering worden onderzocht : 1° de invloed van het nieuwe gebruik op het aantal te verwachten gebruikers, bewoners of bezoekers van het gebouw;2° de invloed van het nieuwe gebruik op het mobiliteitsaspect;3° de relatie van het nieuwe gebruik met de in de omgeving aanwezige functies;4° de relatie van het nieuwe gebruik met de in de omgeving vastgelegde bestemmingen;5° het al dan niet bouwfysisch geschikt zijn voor het nieuwe gebruik. De mogelijke relaties tussen deze punten moeten ook afgewogen worden. Zo moet bijvoorbeeld onderzocht worden welke invloed punt 1° (aantal bezoekers) heeft op punt 2° (mobiliteitsaspect). Ook wanneer slechts één van deze 5 items problematisch is, zal de aanvraag moeten worden geweigerd! Al naargelang de aard van de gevraagde gebruikswijziging, zal de motivering beperkt of uitgebreid dienen te zijn. Ook zal bij sommige gebruikswijzigingen meer op bepaalde aspecten moeten ingegaan worden. Zo we dit toepassen op een aantal van de gegeven voorbeelden, bekomen we het volgende : 1. Een verzekeringsagent die in twee lokalen van zijn zonevreemde woning klanten ontvangt, een bureau heeft en dossiers bijhoudt : beperkte motivering lijkt voldoende.2. Drie kamers voor bed and breakfast + 1 ontbijtruimte in schuur van zonevreemde woning (voormalige boerderij) zonder landbouw als nevenfunctie : beperkte motivering lijkt voldoende.3. Voormalig schoolgebouw in woonkorrel wordt omgevormd naar zonevreemde woning : beperkte motivering lijkt voldoende, met vooral aandacht voor punten 3°, 4° en 5°.4. Een ambachtelijk bedrijf in industriegebied tussen bestaande vergunde handelszaken wordt omgevormd naar winkel : grondige motivering met vooral aandacht voor punten 1° en 2°.5. Een leegstaande loods met voldoende geluidwerende muren in industriegebied wordt ingericht als gemeentelijke fuifzaal : grondige motivering met aandacht voor alle punten (1° tot en met 5°).6. Winterberging voor caravans : grondige motivering met vooral aandacht voor 3°, 4° en 5°.7. Omvormen van een leegstaande boerderij naar dagverblijf voor autistische kinderen, met onder meer therapeutische verzorging van pony's en schapen : grondige motivering met vooral aandacht voor punten 1°, 2° en 5°. Art. 12.Bevat de standaardformule. Inspectie van financiën De Inspecteur van Financiën heeft op 29 april 2003 geoordeeld dat deze regeling een financiële weerslag heeft gelet dat dit besluit een mogelijke invloed kan hebben op het aantal aanvragen, vergunningen, weigeringen en beroepsprocedures. Deze financiële weerslag is echter gering, gelet dat het afhandelen van vergunningsaanvragen tot de normale taken behoren. Er werd een aanvraag tot begrotingsakkoord aangevraagd en op 5/5/03 verkregen. Weerslag van het voorstel op de lokale besturen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.