artikel 6 of artikel 7, § 2, van het decreet, waar de onthaalfunctie, de testing Nederlands en oriëntatie richting arbeidsmarkt of (voortgezet) onderwijs geïntegreerd plaats vinden;6° de meerderjarige persoon van de doelgroep : een vreemdeling zoals
artikel 3, § 1, van het decreet;7° Huis van het Nederlands : een feitelijk samenwerkingsverband of een vereniging als
artikel 11 van het decreet van 20 december 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/2002 pub. 31/12/2002 numac 2002036637 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003 sluiten houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003;8° cliëntvolgsysteem : het computergestuurd cliëntvolgsysteem,
artikel 22 van het decreet;9° VDAB : de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. HOOFDSTUK II. - Doelgroep van het inburgeringsbeleid Art. 2.§
artikel 3, § 1, van het decreet, wordt verstaan de eerste inschrijving van die personen in het rijksregister in de hoedanigheid,
, door een gemeente in het Nederlandse taalgebied of door een gemeente in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, waardoor de betrokkene tot de doelgroep behoort. § 3. Onder recente inschrijving van de meerderjarige personen van de doelgroep in de gemeente, als
artikel 3, § 1, van het decreet, wordt verstaan dat de meerderjarige persoon van de doelgroep, op het moment van aanmelding bij het onthaalbureau, maximaal één jaar onder de bepalingen,
Art. 3.§ 1. De volgende categorieën van personen, die geacht worden in het land te verblijven met een tijdelijk doel, alsmede hun echtgenoot, echtgenote of samenwonende partner in het kader van een duurzame relatie en de kinderen die hen vergezellen of die met hen komen samenleven zoals
artikel 10 van de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/1980 pub. 20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 15/12/1980 pub. 12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten en in de omzendbrief van 30 september 1997 betreffende het verlenen van een verblijfsmachtiging op basis van samenwoonst in het kader van een duurzame relatie, behoren niet tot de doelgroep : 1° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een van de documenten, bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;2° de studenten die op basis van hun studies in België verblijfsrecht genieten met toepassing van artikel 55 van het Koninklijk besluit van 8 oktober 1981Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/10/1981 pub. 12/03/2008 numac 2008000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluitenof artikel 58 tot en met 61 van de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/1980 pub. 20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 15/12/1980 pub. 12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;3° de personen die tewerkgesteld worden ter uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectieve bevoegdheden;4° stagiairs die :
de eerste alinea, is niet van toepassing als de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
afdeling 2 van hoofdstuk 6 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/06/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999012496 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers sluiten houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;11° werknemers, zoals
afdeling 2 van hoofdstuk 6 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/06/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999012496 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers sluiten houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, die door een arbeidsovereenkomst verbonden blijven met een werkgever die in het buitenland gevestigd is. § 2. De minister kan de bepalingen van § 1 aanpassen als de regelgeving waarnaar ze verwijzen, gewijzigd wordt. HOOFDSTUK III. - Ondersteuning van de gemeenten Art. 4.§ 1. De administratie stelt informatiemateriaal met betrekking tot de uitvoering van het Vlaamse inburgeringsbeleid ter beschikking van de gemeenten om hen te ondersteunen bij de informatieplicht,
artikel 11 en 18 van het decreet. De gemeente stelt dat informatiemateriaal ter beschikking van de beoogde doelgroep. § 2. De administratie maakt maandelijks per gemeente elektronische adressenlijsten op van de personen die zich daar de vorige maand hebben ingeschreven en die tot de doelgroep van het inburgeringsbeleid behoren. Ze bezorgt die lijsten aan de gemeenten die ze op hun beurt bezorgen aan de onthaalbureaus overeenkomstig artikel 11, tweede lid, van het decreet. Art. 5.De samenwerking tussen een onthaalbureau en de gemeenten van zijn werkingsgebied kan worden geregeld in overeenkomsten die het onthaalbureau met elk van die gemeenten sluit. De gemeente wijst een persoon aan die als contactpersoon fungeert voor het onthaalbureau voor de communicatie over de taken,
artikel 11 van het decreet. Het onthaalbureau rapporteert aan de gemeente, als
artikel 12 van het decreet. Het onthaalbureau bezorgt de gemeente jaarlijks een financieel en inhoudelijk verslag over de voortgang van het onthaalbureau. HOOFDSTUK IV. - Het inburgeringstraject Afdeling I. - Het primaire inburgeringstraject voor meerderjarige personen van de doelgroep Art. 6.§
artikel 13 van het decreet, of meteen over te stappen naar het secundair inburgeringstraject,
artikel 20 van het decreet. § 3. Het onthaalbureau bepaalt na overleg met de meerderjarige persoon van de doelgroep het vormingsprogramma. Het onthaalbureau laat zich hierbij leiden door de resultaten van de testing door het Huis van het Nederlands en door de resultaten van het onderzoek door de VDAB. Het vormingsprogramma wordt opgenomen in een inburgeringscontract dat door het onthaalbureau en de meerderjarige persoon van de doelgroep wordt ondertekend. Het model van inburgeringscontract is als bijlage I bij dit besluit gevoegd. Indien evenwel uit het onderzoek door de VDAB en uit de testing door het Huis van het Nederlands blijkt dat de meerderjarige persoon van de doelgroep over voldoende vaardigheden beschikt om meteen in het secundair inburgeringstraject te stappen, dan zal het onthaalbureau een attest van inburgering afleveren. Het model van attest van inburgering is als bijlage II bij dit besluit gevoegd. Art. 7.Als in het geval
artikel 6, § 3, eerste lid, de meerderjarige persoon van de doelgroep, conform de bepalingen van het inburgeringscontract, regelmatig het vormingsprogramma heeft gevolgd, levert het onthaalbureau aan deze persoon een attest van inburgering af. Het model van het attest van inburgering is als bijlage II bij dit besluit gevoegd. Art. 8.§ 1. Het Huis van het Nederlands informeert het onthaalbureau via het cliëntvolgsysteem over de resultaten van de testing
artikel 6, § 2. De VDAB informeert het onthaalbureau via het cliëntvolgsysteem over de resultaten van het onderzoek,
artikel 6, §
artikel 17 van het decreet, wordt vastgelegd volgens de oriëntatie en richtlijnen die door de minister worden bepaald. Afdeling III. - Het secundaire inburgeringstraject voor meerderjarige personen van de doelgroep Art. 10.§
, bevatten minstens de volgende elementen : 1° de meerderjarige persoon van de doelgroep met een attest van inburgering op basis van regelmatige deelname moet naadloos naar het secundaire traject kunnen doorstromen;2° één jaar na de volledige overdracht van een meerderjarige persoon van de doelgroep, zoals
artikel 16 van het decreet, koppelen de reguliere voorzieningen de trajectresultaten van die persoon terug naar het onthaalbureau. In voorkomend geval bevat de overeenkomst ook de volgende elementen : 1° afspraken over de inhoudelijke afstemming van het primaire traject op het secundaire traject;2° afspraken over de gefaseerde overdracht van de meerderjarige persoon van de doelgroep, zoals
artikel 16 van het decreet;3° afspraken over een continuering van de individuele begeleiding van de meerderjarige persoon van de doelgroep;4° afspraken over de afstemming van de betreffende regelgeving. Afdeling IV. - Het uniform computergestuurd cliëntvolgsysteem Art. 11.Het onthaalbureau registreert het verloop en de resultaten van het primaire inburgeringstraject van de meerderjarige persoon van de doelgroep en van de anderstalige minderjarige nieuwkomer in het cliëntvolgsysteem De minister bepaalt de richtlijnen voor die registratie. HOOFDSTUK V. - Programmatie en erkenning van de onthaalbureaus Afdeling I. - De programmatie Art. 12.Voor de Vlaamse Gemeenschap worden acht onthaalbureaus erkend met respectievelijk de volgende werkingsgebieden : 1° de provincie West-Vlaanderen;2° de provincie Limburg;3° de provincie Vlaams-Brabant;4° de provincie Oost-Vlaanderen, met uitzondering van de stad Gent;5° de provincie Antwerpen, met uitzondering van de stad Antwerpen;6° de stad Antwerpen;7° de stad Gent;8° het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Een onthaalbureau als
het eerste lid, 1° tot en met 5°, heeft een vestigingsplaats in elke centrumstad als
artikel 4 van het decreet van 13 december 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/12/2002 pub. 29/01/2003 numac 2003035124 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds sluiten tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds. Afdeling II. - De erkenningsprocedure Art. 13.Een onthaalbureau dat erkend wil worden, dient daartoe met een aangetekende brief een aanvraag in bij de administratie. De aanvraag is gedateerd en behoorlijk ondertekend en is vergezeld van de volgende stukken : 1° een uittreksel uit de bijlagen van het Belgisch Staatsblad waarin de statuten en hun eventuele wijzigingen werden gepubliceerd alsook de samenstelling van de raad van bestuur, als de aanvraag uitgaat van een vereniging zonder winstoogmerk;2° de rechtsgeldige beslissing om een onthaalbureau te organiseren en daarvoor een erkenning aan te vragen;3° een uitgewerkt plan voor de organisatie en de werking van het onthaalbureau, opgesteld volgens het model dat door de administratie wordt aangereikt, waarin het onthaalbureau aantoont hoe het voor het hele werkingsgebied,
artikel 12, eerste lid, waarvoor het wil worden erkend, de opdrachten zal uitvoeren zoals bepaald bij of krachtens het decreet. Dit plan bevat de stappen die het onthaalbureau zet om samen met het Huis van het Nederlands en de VDAB diensten te verstrekken als geïntegreerd samenwerkingsverband, via één loket. Art. 14.Als de erkenningsaanvraag voldoet aan de voorwaarden,
artikel 13, en past in de programmatie,
artikel 12, kan de minister het onthaalbureau erkennen. Die beslissing wordt aan het onthaalbureau betekend binnen vijftien dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag. Art. 15.Als de erkenningsaanvraag niet voldoet aan de voorwaarden,
artikel 13, of als er geen ruimte is binnen de programmatie,
artikel 12, zendt de administratie binnen vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag het gemotiveerde voornemen van de minister om de erkenning te weigeren met een aangetekende brief aan het onthaalbureau. Bij de betekening van dit voornemen worden de mogelijkheid en de voorwaarden vermeld om een bezwaarschrift in te dienen. Art. 16.§ 1. Op straffe van niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift kan het onthaalbureau, tot uiterlijk vijftien dagen na ontvangst van het voornemen,
artikel 15, daartegen met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie. Het onthaalbureau kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord. Dit bezwaar wordt behandeld overeenkomstig artikel 7, § 1, § 2 en § 3, tweede lid en artikel 8 tot en met 14, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1998 betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden. De adviserende beroepscommissie bezorgt haar advies aan de minister en aan de administratie uiterlijk één maand na ontvangst van het bezwaarschrift en van het administratieve dossier. De beslissing van de minister is met redenen omkleed. Ze wordt binnen vijftien dagen nadat de minister het advies van de adviserende beroepscommissie heeft ontvangen aan het onthaalbureau met een aangetekende brief meegedeeld. Bij ontstentenis van advies wordt de beslissing van de minister binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn, genoemd in het tweede lid, met een aangetekende brief meegedeeld aan het onthaalbureau. § 2. Als het onthaalbureau geen ontvankelijk bezwaarschrift heeft ingediend, wordt de beslissing van de minister om de erkenning te weigeren binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn,
Art. 17.De erkenning van een onthaalbureau impliceert de goedkeuring van het door het onthaalbureau ingediende plan,
artikel 13, tweede lid, 3°. Zodra dit plan niet langer van toepassing is, legt het onthaalbureau een aangepast plan ter goedkeuring voor aan de minister. Afdeling III. - De erkenningsvoorwaarden Art. 18.Om erkend te blijven, moet een onthaalbureau voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° binnen zijn hele werkingsgebied de opdrachten uitvoeren zoals bepaald bij of krachtens het decreet;2° het plan,
artikel 13, tweede lid, 3°, en de latere wijzigingen ervan uitvoeren zoals vastgelegd;3° de subsidies,
hoofdstuk VI, aanwenden zoals bepaald bij of krachtens het decreet;4° gegevens over personen van de doelgroep niet langer dan vijf jaar bewaren op een wijze die de identificatie van die personen mogelijk maakt;5° in voorkomend geval, voldoen aan artikel 12, tweede lid;6° vanaf 1 januari 2007 voldoen aan de minimale kwaliteitseisen en beschikken over een kwaliteitshandboek en -planning conform de bepalingen van het kwaliteitsdecreet. Art. 19.De erkenning van een onthaalbureau geldt voor onbepaalde duur op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarden,
artikel 18. Afdeling IV. - Toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden en de procedure van intrekking van de erkenning Art. 20.De administratie oefent ter plaatse of op stukken toezicht uit op de naleving van de erkenningsvoorwaarden,
artikel 18, door de onthaalbureaus. De onthaalbureaus die erkend zijn of een erkenning aanvragen, verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht. Ze bezorgen de administratie, op haar verzoek, de stukken die met de verleende erkenning of de erkenningsaanvraag verband houden. Art. 21.§ 1 Als het onthaalbureau niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of niet meewerkt aan het toezicht, kan de administratie het onthaalbureau aanmanen om zich binnen een termijn van maximaal zes maanden aan de erkenningsvoorwaarden of het toezicht te conformeren. § 2. Als het onthaalbureau na verloop van de termijn,
, de erkenningsvoorwaarden niet naleeft of niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, kan het gemotiveerde voornemen van de minister tot intrekking van de erkenning aan het onthaalbureau worden betekend met een aangetekende brief waarin de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen, worden vermeld. Voor het indienen en het afhandelen van een bezwaarschrift is artikel 16, § 1, van overeenkomstige toepassing. Als het onthaalbureau een ontvankelijk bezwaarschrift heeft ingediend en als de beslissing van de minister niet binnen de gestelde termijn aan het onthaalbureau wordt betekend, behoudt het onthaalbureau zijn erkenning. Als het onthaalbureau geen ontvankelijk bezwaarschrift heeft ingediend, wordt de beslissing van de minister over de intrekking van de erkenning binnen zestig dagen na het verstrijken van de termijn,
artikel 16, § 1, eerste lid, aan het onthaalbureau betekend met een aangetekende brief. HOOFDSTUK VI. - De subsidiëring Afdeling I. - De subsidie-enveloppe Art. 22.Overeenkomstig de bepalingen van het decreet en van dit besluit, kent de minister binnen de beschikbare begrotingskredieten aan de erkende onthaalbureaus een jaarlijkse subsidie-enveloppe toe voor personeels- en werkingskosten en infrastructuur voor de realisatie van een behoeftedekkend aanbod. Daartoe stelt de minister het aantal inburgeringstrajecten, als
hoofdstuk IV, afdeling I en II, van het decreet vast. Art. 23.De minister bepaalt om de twee jaar de subsidie-enveloppe op basis van de instroom van personen van de doelgroep in het werkingsgebied van het onthaalbureau tijdens het voorbije jaar en van het aantal inburgeringstrajecten dat het onthaalbureau tijdens het voorlaatste werkjaar heeft gerealiseerd. De minister bepaalt wat onder een gerealiseerd inburgeringstraject wordt verstaan. Art. 24.Als een onthaalbureau de subsidies voor een bepaald jaar niet volledig aanwendt, bouwt het daarmee reserves op. Het bureau wendt die reserves aan om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van zijn taken. Het legt met die reserves in de eerste plaats de wettelijk bepaalde voorziening voor vakantiegeld aan. De administratie houdt toezicht op de concrete aanwending van de reserves. De aangroei van de reserves kan maximaal 10 % van de laatst toegekende jaarlijkse subsidie-enveloppe bedragen. De gecumuleerde reserves mogen ten hoogste 20 % van de gemiddelde subsidie-enveloppe van de laatste drie jaar bedragen. Het bedrag dat met deze overschrijding overeenstemt, wordt het volgende jaar in mindering gebracht. De opgebouwde reserves zijn onbeperkt overdraagbaar. Afdeling II. - De wijze van uitkering van de subsidies Art. 25.Het onthaalbureau ontvangt een voorschot van 90 % van de subsidie-enveloppe. Dat voorschot wordt uiterlijk tegen 31 december van het betreffende werkjaar uitbetaald. Art. 26.Het saldo van de subsidie wordt uitbetaald tegen 31 maart van het daaropvolgende werkjaar, na controle en goedkeuring van het rapportagedossier,
artikel
artikel 13, tweede lid, 3°, en artikel 17;
artikel 27, deelt de administratie met een aangetekende brief haar opmerkingen mee aan het onthaalbureau. Het onthaalbureau kan tot dertig dagen na ontvangst van die opmerkingen met een aangetekende brief zijn bezwaren daarbij kenbaar maken aan de administratie. Art. 29.Als na afloop van de procedure,
artikel 28, vaststaat dat het onthaalbureau het toegekende voorschot of een deel ervan heeft gebruikt voor andere doeleinden dan voor de realisatie van inburgeringstrajecten, beslist de minister het saldo,
artikel 26, niet uit te betalen. Als het bedrag dat werd gebruikt voor andere doeleinden, hoger is dan het bedrag van het saldo, beslist de minister dat het onthaalbureau het verschil tussen beide bedragen moet terugbetalen. Die beslissingen worden met een aangetekende brief aan het onthaalbureau betekend. HOOFDSTUK VII. - Verplichte inburgering Afdeling I. - Vrijstelling van de verplichting tot deelname aan de inburgering Art. 30.De volgende personen, die behoren tot de meerderjarige personen van de doelgroep,
artikel 3, § 1, van het decreet, vallen niet onder de toepassing van artikel 5, § 1, van het decreet : 1° een onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en, mits zij zich met hem vestigen of komen vestigen :
a) en b). Art. 31.Aan een meerderjarige persoon van de doelgroep,
artikel 3, § 1, van het decreet wordt een vrijstelling van de verplichtingen,
artikel 5, § 1, van het decreet, toegestaan als : 1° de betrokkene ernstig ziek is of een mentale of fysieke handicap heeft, die deelname of verdere deelname aan het inburgeringstraject blijvend onmogelijk maakt;2° de betrokkene 65 jaar of ouder is. De voorwaarden,
het eerste lid, 1°, moeten aangetoond worden door voorlegging van een medisch attest. Aan de in het eerste lid bedoeld persoon wordt door het onthaalbureau een attest van inburgering afgeleverd, waarvan het model is vastgelegd in bijlage III bij dit besluit. Afdeling II. - Inhoud van de verplichting Art. 32.§ 1. Alleen de meerderjarige persoon van de doelgroep, die aanwezig is bij alle onderdelen van het inburgeringstraject, zoals dat vastgelegd is in het inburgeringscontract,
artikel 6, § 3, wordt geacht regelmatig deel te nemen aan het vormingsprogramma. §
het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/1980 pub. 20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 15/12/1980 pub. 12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten0 houdende de toekenning van subsidies in het kader van het inburgeringsbeleid, geacht onthaalbureaus te zijn in de zin van artikel 6 en artikel 7, § 2 van het decreet. §
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.