← België

Besluit van de Waalse Regering betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen

wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1998 en 5 februari 1999; Gelet op h

2, kan zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen, waarvan het aangetoond is dat ze bestemd zijn voor andere gebruiken dan landbouwproductie, in de handel worden gebracht op voorwaarde dat het etiket er gewag van maakt. Art. 4.§ 1. Prebasiszaad en basiszaad dat niet voldoet aan de voorwaarden voor de kiemkracht gesteld in bijlage II mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 3, §

§ 2

, officieel gecertificeerd worden en in de handel worden gebracht op voorwaarde dat de leverancier een minimumkiemkracht waarborgt. Die kiemkracht wordt, voor het in de handel brengen, door de leverancier op een speciaal etiket samen met zijn naam en adres en het nummer van de partij vermeld. § 2. In het belang van een snelle voorziening met zaad, mag, in afwijking van het bepaalde in artikel 3, §

§ 2

, "basiszaad", "gecertificeerd zaad", of "handelszaad" van alle soorten, waarbij het officiële onderzoek naar de voorwaarden voor kiemkracht, opgesomd in bijlage II, nog niet voltooid is, in de handel gebracht worden tot en met de eerste commerciële afnemer. Alle dienstige maatregelen zijn getroffen opdat de leverancier de kiemkracht waarborgt die is vastgesteld bij de voorlopige analyse. De aanduiding van deze kiemkracht moet bij het in de handel brengen voorkomen op een speciaal etiket met de naam en het adres van de leverancier en het nummer van de partij. Art. 5.In afwijking van de bepalingen van artikel 3, §

§ 2

, kan de minister aan producenten toestemming verlenen tot het in de handel brengen van : 1° kleine hoeveelheden zaad voor wetenschappelijke of kweekdoeleinden;2° passende hoeveelheden zaad voor andere onderzoeks- of beproevingsdoeleinden, voorzover het gaat om zaad van een ras waarvoor een aanvraag tot opneming in de nationale rassencatalogus voor landbouwgewassen en groentegewassen is ingediend. In geval van genetisch gemodificeerd materiaal mag daarvoor alleen toestemming worden verleend als alle passende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van negatieve effecten voor de volksgezondheid en het milieu. Voor de milieu-risicobeoordeling die in dit verband uitgevoerd moet worden, is artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 8 juli 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/07/2001 pub. 11/10/2001 numac 2001016251 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de nationale rassencatalogi voor landbouwgewassen en groentegewassen sluiten betreffende de nationale rassencatalogus voor landbouwgewassen en groentegewassen mutatis mutandis van toepassing. De doeleinden waarvoor de bedoelde toestemming wordt verleend, de voorschriften voor de etikettering van de verpakkingen alsmede de hoeveelheden waarvoor en de voorwaarden waaronder deze toestemming wordt verleend, worden vastgesteld door de Minister overeenkomstig de beslissingen van de instellingen van de Europese Unie. Art. 6.§

  1. Zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen mag in de handel worden gebracht in de vorm van een mengras. §
  2. De zaadcoating van de bestuiverafhankelijke hybride wordt anders gekleurd dan die van de bestuiver. Afdeling
  3. - Bepalingen betreffende de verpakking en de aanduiding Art. 7.§
  4. Prebasiszaad, basiszaad, gecertificeerd zaad en handelszaad mogen alleen in de handel gebracht worden in voldoende homogene partijen en in een gesloten verpakking, die overeenkomstig artikelen 8, 9 en 10 is voorzien van een sluitingssysteem en een aanduiding. §
  5. De minister kan afwijkingen van § 1 vaststellen met betrekking tot verpakking, sluitingssysteem en aanduiding voor het in de handel brengen van kleine hoeveelheden ten behoeve van de laatste gebruiker. Art. 8.§
  6. Verpakkingen van prebasiszaad, basiszaad, gecertificeerd zaad en handelszaad zijn officieel of onder officieel toezicht zodanig gesloten dat ze niet kunnen worden geopend zonder dat het sluitingssysteem wordt beschadigd of het in artikelen 9 en 10 bedoelde officiële etiket of de verpakking sporen van manipulatie vertoont. Voor een goede sluiting moet ten minste het etiket in het sluitingssysteem worden verwerkt of moet op de sluiting een officieel zegel zijn aangebracht. Deze maatregelen zijn evenwel niet noodzakelijk voor een sluitingssysteem dat niet opnieuw kan worden gebruikt. §
  7. Een, eventueel herhaalde, nieuwe sluiting mag alleen officieel of onder officieel toezicht gebeuren. In dat geval moet eveneens op het etiket, bedoeld in artikelen 9 en 10, melding worden gemaakt van de laatste sluiting, de datum van aanbrenging daarvan en de dienst die de sluiting heeft aangebracht. §
  8. De minister kan afwijkingen van § 1 vaststellen voor kleine verpakkingen gesloten op het Waalse grondgebied overeenkomstig de beslissingen van de instellingen van de Europese Unie. Art. 9.Verpakkingen van basiszaad, gecertificeerd zaad en handelszaad : a) zijn aan de buitenkant voorzien van een nog niet gebruikt officieel etiket dat voldoet aan de vereisten van bijlage IV en waarvan de gegevens gesteld zijn in een van de officiële talen van de Europese Gemeenschap. De kleur van het etiket is wit voor basiszaad, blauw voor gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering vanaf basiszaad, rood voor gecertificeerd zaad van volgende vermeerderingen vanaf basiszaad en bruin voor handelszaad. De kleur van het etiket is blauw met een diagonaal lopende groene streep voor gecertificeerd zaad van een mengras. Als in het etiket een gaatje is gemaakt, wordt bij de bevestiging van dat etiket steeds een officieel zegel gebruikt. Als, in een geval als bedoeld in artikel 4, § 1, het basiszaad niet voldoet aan de voorwaarden van bijlage II met betrekking tot de kiemkracht, is dat op het etiket vermeld. Het gebruik van officiële kleefetiketten is toegestaan. Volgens de beslissingen van de instellingen van de Europese Unie mag worden toegestaan dat de voorgeschreven aanduidingen onder officieel toezicht onuitwisbaar op de verpakking worden aangebracht volgens het model van het etiket. b) bevatten een officieel certificaat in de kleur van het etiket en met ten minste de gegevens die in bijlage IV, deel A, sub a), punt 4, 5 en 6 voor het etiket en sub b), punt 2, 5 en 6 voor handelszaad zijn voorgeschreven.Het certificaat heeft een zodanige vorm dat het niet kan worden verward met het in punt a) bedoelde etiket; Het certificaat is niet vereist als de gegevens onuitwisbaar op de verpakking zijn aangebracht of als overeenkomstig het bepaalde in punt a) een kleefetiket of een etiket van scheurvrij materiaal is gebruikt. Art. 10.De verpakkingen van prebasiszaad, die conform zijn met de bepalingen van de artikelen 4, § 1, 7, §

8, § 1, zijn aan de buitenkant voorzien van een officieel etiket waarop ten minste de volgende gegevens zijn vermeld :

  1. a)certificeringsdienst en lid-Staat of desbetreffend kenteken;
  2. b)partijnummer;
  3. c)maand en jaar van de sluiting of maand en jaar van de laatste officiële monsterneming ten behoeve van de certificering;
  4. d)soort, ten minste aangegeven met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de namen van de auteurs, in Latijns schrift;
  5. e)ras, ten minste vermeld in Latijns schrift;
  6. f)aanduiding "prebasiszaad";
  7. g)aantal generaties dat aan het zaad van de categorie "gecertificeerd zaad" of van de categorie "gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering" voorafgaat. Het etiket is wit van kleur en heeft een diagonaal lopende paarse streep. Art. 11.Zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen dat overeenkomstig artikel 3, §

§ 2

, in de handel gebracht wordt en dat bestemd is voor goedkeuring overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, § 3, moet : 1° worden verpakt en voorzien van een officieel etiket dat voldoet aan de voorwaarden, opgesomd onder A en B van bijlage V, overeenkomstig de bepalingen van artikel 8, § 1;2° vergezeld zijn van een document dat voldoet aan de voorwaarden, opgesomd onder C van bijlage V. Art. 12.Voor zaad van een ras dat genetisch is gemodificeerd, moet op elk officieel dan wel ander etiket of document dat krachtens het bepaalde in dit besluit op de partij zaad is aangebracht of deze partij vergezelt, duidelijk zijn vermeld dat het ras genetisch is gemodificeerd. Art. 13.§ 1. In geval van een chemische behandeling van het prebasiszaad, het basiszaad, het gecertificeerd zaad van alle aard of het handelszaad, moet hiervan op het officiële etiket dan wel op een etiket van de leverancier, alsmede op of in de verpakking melding zijn gemaakt. Bovendien moet de naam van elke werkzame stof van het gebruikte product of de gebruikte producten vermeld worden op een door de leverancier aangebracht aanvullend etiket. § 2. Het is verboden zaaizaad in de handel te brengen dat scheikundig werd behandeld met een product dat hiertoe niet werd erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik. Voor zaaizaad dat reeds scheikundig behandeld wordt ingevoerd, volstaat evenwel dat de werkzame bestanddelen werden toegelaten overeenkomstig de voormelde reglementering. De Minister kan, onder de voorwaarden die hij vaststelt, afwijkingen bepalen met het oog op wetenschappelijke opzoekingen en proefnemingen. Afdeling 3 - Overige bepalingen Art. 14.§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 3, mag zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen, dat geen prebasiszaad is en dat in een land is geoogst dat geen lid is van de Europese Gemeenschap, enkel in de handel gebracht worden als de Raad vooraf heeft vastgesteld dat het in dit land geoogste zaad dezelfde waarborgen biedt ten aanzien van de eigenschappen daarvan, alsmede ten aanzien van de toepassing van de maatregelen betreffende het onderzoek, de verzekering van de identiteit, de aanduiding en de controle, en dat het zaad in dit opzicht gelijkwaardig is aan basiszaad, gecertificeerd zaad, gecertificeerd zaad van de eerste, de tweede of de derde vermeerdering of handelszaad dat in de Unie is geoogst en beantwoordt aan de bepalingen van de Richtlijn 2002/57/EG van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen. Bovendien moeten, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden zijn vervuld, vastgesteld door de instellingen van de Europese Gemeenschap. § 2. De bepalingen van § 1 zijn eveneens van toepassing : 1° op prebasiszaad, met dien verstande dat dit zaad alleen in de handel mag worden gebracht als de gelijkwaardigheid voor het basiszaad werd vastgesteld.De Minister kan hiervoor afwijkingen bepalen; 2° op het zaaizaad dat werd geoogst in iedere nieuwe lidstaat gedurende de periode vanaf zijn toetreding tot het tijdstip waarop hij aan de bepalingen van de voormelde Richtlijn 2002/57/EG moet voldoen. Art. 15.§ 1. Om tijdelijke moeilijkheden op te heffen die zich voordoen bij de algemene voorziening met basiszaad of gecertificeerd zaad van allerlei aard of handelszaad, en die niet op een andere manier kunnen worden overwonnen, kan de minister, mits hij hiertoe gemachtigd is door de Europese Commissie, voor een vastgestelde periode de voor het oplossen van de voorzieningsmoeilijkheden nodige hoeveelheden zaad van een categorie waaraan minder strenge eisen zijn gesteld, of zaad van rassen die noch in de "Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen" noch in de nationale rassencatalogussen voorkomen, tot de handel toelaten. § 2. Als het een categorie zaad van een bepaald ras betreft, is het officiële etiket het etiket dat voor de overeenkomstige categorie is vastgesteld. Bij zaad van rassen die niet op bovengenoemde lijsten voorkomen, is het officiële etiket het voor handelszaad voorgeschreven etiket. In elk geval wordt op het etiket vermeld dat het zaad betreft dat tot een categorie behoort waaraan minder strenge eisen zijn gesteld. Art. 16.De minister kan de bijlagen van dit besluit aanvullen en wijzigen, wegens de ontwikkeling van de wetenschappelijke of technische kennis, overeenkomstig de voorschriften van de instellingen van de Europese Gemeenschap. HOOFDSTUK III. - De keuring Art. 17.De dienst is belast met de uitvoering van de controle op de productie van het inlandse zaaizaad. Die controle omvat : 1° het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de aanvragen tot keuring van teelten bestemd voor de productie van zaaizaad;2° de keuring van het gewas op het veld;3° de controles op de onderzoeken onder officieel toezicht, bepaald in artikel 1, § 5, 3°;4° het toezicht op de geoogste producten bij het vervoer, de inontvangstname, het opslaan, het bereiden en het conditioneren;5° het onderzoek in laboratoria;6° het toezicht op het verrichten van de officiële sluitingen en het aanbrengen van officiële etiketten en certificaten overeenkomstig de bepalingen in artikelen 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13. De keuring schept voor de Dienst geen enkele specifieke verantwoordelijkheid waarop een eis tot schadevergoeding zou kunnen gegrond worden. Art. 18.In het keurings- en certificeringsreglement, bedoeld in artikel 23, zijn de volgende voorwaarden opgenomen : 1° de voorwaarden en bepalingen met betrekking tot de controle, bedoeld in artikel 17;2° de voorwaarden waaraan de natuurlijke of rechtspersonen moeten voldoen om gerechtigd te zijn, om een aanvraag tot keuring in te dienen voor teelten bestemd voor de productie van zaaizaad, en om de geoogste producten te onderwerpen aan de controles, bedoeld in artikel 17. Deze personen worden door de dienst erkend als uit een onderzoek blijkt dat de voorwaarden zijn vervuld. Art. 19.Het officiële zaadonderzoek vindt plaats volgens de gebruikelijke internationale methoden of bij ontstentenis hiervan, volgens de methoden die door de Minister worden vastgesteld. Art. 20.De voor de keuring eventueel vereiste beschrijving van de genealogische bestanddelen wordt, op verzoek van de kweker, geheimgehouden. Art. 21.De Minister kan om gegronde economische redenen, wat de inlandse productie betreft, voor de keuring van prebasiszaad, basiszaad en gecertificeerd zaad van alle soorten strengere voorwaarden stellen dan die welke opgenomen zijn in bijlagen I en II. Art. 22.Bij het onderzoek van het zaad met het oog op de goedkeuring, gebeurt de bemonstering volgens geschikte methoden die door de Minister worden vastgesteld. De bemonstering gebeurt uit homogene partijen, het maximumgewicht van een partij en het minimumgewicht van een monster worden in bijlage III vermeld. Voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel wordt onder een homogene partij verstaan een hoeveelheid zaad die een eenheid vormt en waarvan aangenomen wordt dat ze uniforme kenmerken bezit. Art. 23.Op voorstel van de Dienst stelt de Minister een keurings- en certificeringsreglement van zaaizaden van oliehoudende planten en vezelgewassen vast. HOOFDSTUK IV. - Controle van de handel en strafbepalingen Art. 24.Door officiële steekproeven wordt nagegaan of het in de handel gebrachte zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen beantwoordt aan de in dit besluit opgenomen voorwaarden. Het officiële zaadonderzoek vinden plaats volgens de gebruikelijke internationale methoden of bij ontstentenis hiervan, volgens de methoden die door de minister worden vastgesteld. De bemonstering gebeurt uit homogene partijen en het maximumgewicht van een partij wordt vermeld in bijlage III. Voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel wordt onder een homogene partij verstaan een hoeveelheid die een eenheid vormt en waarvan aangenomen wordt dat ze uniforme kenmerken bezit. Art. 25.Onverminderd het vrije verkeer van zaad binnen de Europese Gemeenschap neemt de dienst de nodige maatregelen opdat hij bij het in de handel brengen van uit derde landen ingevoerde hoeveelheden zaad van meer dan 2 kg van de volgende gegevens in kennis wordt gesteld : 1° soort;2° ras;3° categorie;4° producerend land en officiële keuringsdienst;5° land van verzending;6° invoerder;7° hoeveelheid zaaizaad. Art. 26.§ 1. Om rekening te houden met de ontwikkelingen op de volgende gebieden, en volgens de beslissingen van de instellingen van de Europese Unie, kan de minister specifieke voorwaarden vaststellen : 1° waaronder chemisch behandeld zaad in de handel mag worden gebracht;2° waaronder zaad in de handel mag worden gebracht in verband met de instandhouding in situ en het duurzame gebruik van plantaardige genetische hulpbronnen, met inbegrip van zaadmengsels van soorten waarvan ook soorten zijn opgenomen in artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 juli 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/07/2001 pub. 11/10/2001 numac 2001016251 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de nationale rassencatalogi voor landbouwgewassen en groentegewassen sluiten betreffende de nationale rassencatalogus voor landbouwgewassen, en die worden geassocieerd met specifieke natuurlijke en semi-natuurlijke habitats en die bedreigd worden door genetische erosie;3° waaronder voor de biologische teelt geschikt zaad in de handel mag worden gebracht. § 2. De in § 1 bedoelde specifieke voorwaarden omvatten met name de volgende punten : 1° in het onder § 1, 2° bedoelde geval is het zaad van deze soorten van een bekende herkomst die is erkend door de Minister;2° in het onder § 1, 2° bedoelde geval passende kwantitatieve beperkingen. Art. 27.De termijn, waarvoor de bij artikel 6 van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt bedoelde overheidspersonen, op grond van artikel 13 van die wet, de bij dit besluit gereglementeerde producten bij administratieve maatregel voorlopig in beslag mogen nemen, is vastgesteld op drie maanden. Art. 28.De facturen, contracten, catalogi, omzendbrieven, offerten voor verkoop en andere gelijksoortige documenten moeten de aanduidingen dragen, die naar gelang van het geval, zijn voorgeschreven in bijlage IV, A,

  1. a)5, 6, 7 en 10 of in bijlage IV, A,
  2. b)2, 6, 7 en 9. Art. 29.De bereiders, invoerders en verkopers moeten de aankoopfactuur, een afschrift van de verkoopfactuur en de vervoersdocumenten, bewaren gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar dat op de datum van de documenten volgt, om ze zonder verplaatsing aan de beambten, belast met het toezicht over de toepassing van dit besluit, op hun verzoek voor te leggen. Art. 30.Overtredingen van de bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld, vervolgd en bestraft overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt. De bepalingen van het koninklijk besluit van 7 mei 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/05/2001 pub. 26/07/2001 numac 2001016169 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de administratieve geldboeten, bedoeld bij artikel 10 van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt type koninklijk besluit prom. 07/05/2001 pub. 26/07/2001 numac 2001016168 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de administratieve geldboeten, bedoeld bij artikel 5bis van de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen sluiten betreffende de administratieve geldboeten, bedoeld bij artikel 10 van genoemde wet. Voor de toepassing van dit besluit, is de aangewezen bevoegde ambtenaar de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Landbouw van het Ministerie van het Waalse Gewest en, bij verhindering, zijn plaatsvervanger. HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen Art. 31.Dit besluit doet geen afbreuk aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen en van zijn uitvoeringsbesluiten. Art. 32.De Dienst neemt deel aan de communautaire proeven die verricht worden buiten de Europese Unie met het oog op de beoordeling van de kwaliteit van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen. Art. 33.Het koninklijk besluit van 2 mei 2002Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 02/05/2002 pub. 28/05/2002 numac 2002003261 bron ministerie van financien Koninklijk besluit inzake specifieke beperkende maatregelen tegen Zimbabwe type koninklijk besluit prom. 02/05/2002 pub. 25/07/2002 numac 2002000406 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot regeling van de toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen in hoofde van de afdeling Milieu-inspectie van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap type koninklijk besluit prom. 02/05/2002 pub. 10/08/2002 numac 2002000407 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 mei 1994 tot regeling van de toegang tot de informatiegegevens en van het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen in hoofde van de Vlaamse Landmaatschappij sluiten houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen, wordt opgeheven. Art. 34.Het ministerieel besluit van 21 december 2001Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 21/12/2001 pub. 06/03/2002 numac 2002016017 bron ministerie van middenstand en landbouw Ministerieel besluit tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement van zaaizaden van oliehoudende planten en vezelgewassen sluiten tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement van zaaizaden van oliehoudende planten en vezelgewassen, ter uitvoering van het koninklijk besluit, zoals bedoeld in artikel 33, blijft van toepassing tot dat het uitdrukkelijk wordt vervangen. Art. 35.De Minister bevoegd voor Landbouw is belast met de uitvoering van dit besluit. Art. 36.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Namen, 4 maart 2004. De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden, J. HAPPART BIJLAGE I VOORWAARDEN WAARAAN HET GEWAS MOET VOLDOEN 1. Op het perceel mag geen voorvrucht zijn verbouwd die onverenigbaar is met de productie van zaaizaad van de soort en het ras van het gewas in kwestie.Het perceel moet ook voldoende vrij zijn van opslag van de voorvrucht. In het geval van hybriden van koolzaad, moet het gewas geteeld worden op percelen waar sedert vijf geen planten van Cruciferae meer zijn geteeld. 2. Het gewas moet voldoen aan de onderstaande normen betreffende de afstand tot dicht in de buurt gelegen bestuivingsbronnen die tot ongewenste kruisbestuiving kunnen leiden. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Deze afstanden hoeven niet in acht te worden genomen als er voldoende bescherming tegen ongewenste kruisbestuiving aanwezig is. 3. Het gewas moet voldoende rasecht en raszuiver zijn;een gewas van een ingeteelde stam moet voldoende echt en zuiver zijn met betrekking tot zijn eigenschappen. Bij de productie van zaad van hybriderassen zijn de bovenstaande bepalingen ook van toepassing op de eigenschappen van de kruisingspartners, inclusief mannelijke steriliteit of herstel van de fertiliteit. In het bijzonder moeten gewassen van Brassica juncea, Brassica nigra, Cannabis sativa, Carthamus tinctorius, Carum carvi, Gossypium spp. en hybriden van Helianthus annuus en Brassica napus aan de volgende normen of eisen voldoen : A. Brassica juncea, Brassica nigra, Cannabis sativa, Carthamus tinctorius, Carum carvi en Gossypium spp., andere dan hybriden : het aantal planten van deze soorten dat duidelijk niet tot het betrokken ras behoort, mag niet meer bedragen dan :
  3. q)1 per 30 m2 voor de productie van basiszaad;
  4. r)1 per 10 m2 voor de productie van gecertificeerd zaad. B. Hybriden van Helianthus annuus :
  5. a)het percentage aan planten dat duidelijk niet tot de ingeteelde stam of de kruisingspartner behoort, mag niet meer bedragen dan :
  6. aa)voor de productie van basiszaad :
  7. i)ingeteelde stammen : 0,2 %;
  8. ii)enkele hybriden : - mannelijke kruisingspartner, planten die stuifmeel hebben afgegeven wanneer : 2 % of meer van de vrouwelijke planten bevrucht kan worden : 0,2 %; - vrouwelijke kruisingspartner : 0,5 %.
  9. bb)voor de productie van gecertificeerd zaad : - mannelijke kruisingspartner, planten die stuifmeel hebben afgegeven wanneer 5 % of meer van de vrouwelijke planten bevrucht kan worden : 0,5 %; - vrouwelijke kruisingspartner : 1,0 %;
  10. b)voor de productie van zaad van hybriderassen moet bovendien aan de volgende normen of eisen worden voldaan :
  11. aa)de planten van de mannelijke kruisingspartner moeten voldoende stuifmeel afgeven wanneer de planten van de vrouwelijke kruisingspartner in bloei staan;
  12. bb)wanneer de planten van de vrouwelijke kruisingspartner bevrucht kunnen worden, mag het percentage aan planten van de vrouwelijke kruisingspartner die stuifmeel hebben afgegeven of afgeven niet meer bedragen dan 0,5 %;
  13. cc)voor de productie van basiszaad mag het totale percentage aan planten van de vrouwelijke kruisingspartner die duidelijk niet tot de kruisingspartner behoren en die stuifmeel hebben afgegeven of afgeven, niet meer bedragen dan 0,5 %;
  14. dd)wanneer niet aan de in bijlage II, onder I, punt 2, vastgestelde voorwaarden kan worden voldaan, moet aan de volgende voorwaarde voldaan worden : voor de productie van gecertificeerd zaad moet een mannelijk-steriele kruisingspartner worden gebruikt in combinatie met een mannelijke kruisingspartner die een of meer specifieke lijnen voor herstel van de fertiliteit bevat, zodat niet minder dan een derde van de planten die worden gekweekt uit de verkregen hybride, stuifmeel produceren dat in alle opzichten normaal lijkt. C. Hybriden van Brassica napus, geproduceerd met gebruikmaking van mannelijke steriliteit :
  15. a)Het percentage aan planten die duidelijk niet tot de ingeteelde stam of de kruisingspartner behoren, mag niet meer bedragen dan :
  16. aa)voor de productie van basiszaad :
  17. i)ingeteelde stammen : 0,1 %;
  18. ii)enkelvoudige hybriden : - mannelijke kruisingspartner : 0,1 %; - vrouwelijke kruisingspartner : 0,2 %;
  19. bb)voor de productie van gecertificeerd zaad : - mannelijke kruisingspartner : 0,3 %; - vrouwelijke kruisingspartner : 1,0 %;
  20. b)Voor de productie van basiszaad moet de mannelijke steriliteit ten minste 99 % bedragen en voor de productie van gecertificeerd zaad ten minste 98 %.De mate van mannelijke steriliteit moet worden bepaald door bloemen te onderzoeken op de afwezigheid van vruchtbare helmknoppen. D. Hybriden van Gossypium hirsutum en van Gossypium barbadense :
  21. a)In gewassen voor de productie van basiszaad van ouderlijnen van Gossypium hirsutum en Gossypium barbadense, moet de minimale raszuiverheid van zowel de vrouwelijke als de mannelijke ouderlijn 99,8 % bedragen wanneer 5 % of meer van de zaaddragende planten kan worden bevrucht.De mate van mannelijke steriliteit van de zaaddragende ouderlijn moet worden bepaald door de bloemen te onderzoeken op de aanwezigheid van steriele helmknoppen, en mag niet minder bedragen dan 99,9 %.
  22. b)In gewassen voor de productie van gecertificeerd zaad van hybriderassen van Gossypium hirsutum en/of Gossypium barbadense, moet de minimale raszuiverheid van zowel de zaaddragende ouderlijn als de stuifmeelouderlijn 99,5 % bedragen wanneer 5 % of meer van de zaaddragende planten kan worden bevrucht.De mate van mannelijke steriliteit van de zaaddragende ouderlijn moet worden bepaald door de bloemen te onderzoeken op de aanwezigheid van steriele helmknoppen, en mag niet minder bedragen dan 99,7 % . 4. De aanwezigheid van schadelijke organismen die de gebruikswaarde van het zaaizaad verminderen, moet zo veel mogelijk beperkt zijn. Voor Glycine max geldt deze voorwaarde in het bijzonder voor de organismen Pseudomonas syringae pv glycinea, Diaporthe phaseolorum var. caulivora en var. sojae, Phialophora gregata et Phytophthora megasperma f.sp.glycinea. 5. Of aan de bovengenoemde normen of eisen is voldaan, wordt voor basiszaad vastgesteld door middel van officiële veldkeuringen en voor gecertificeerd zaad door middel van officiële veldkeuringen of onder officieel toezicht uitgevoerde keuringen.Bij deze veldkeuringen moeten de volgende punten in acht worden genomen : A. de stand en het ontwikkelingsstadium van het gewas moeten een afdoend onderzoek mogelijk maken. B. voor andere gewassen dan hybriden van Helianthus annuus, Brassica napus, Gossypium hirsutum en Gossypium barbadense moet ten minste een veldkeuring worden verricht. Voor hybriden van Helianthus annuus moeten ten minste twee veldkeuringen worden verricht. Voor hybriden van Brassica napus moeten ten minste drie veldkeuringen worden verricht : de eerste moet voor de bloei plaatsvinden, de tweede tijdens de vroege bloei en de derde aan het einde van de bloei. Voor hybriden van Gossypium hirsutum en/of Gossypium barbadense moeten ten minste drie veldkeuringen worden verricht : de eerste moet tijdens de vroege bloei plaatsvinden, de tweede voor het einde van de bloei en de derde aan het einde van de bloei nadat, indien nodig, de stuifmeelouderplanten zijn verwijderd. C. de grootte, het aantal en de verdeling van de perceelsgedeelten waarvoor moet worden nagegaan of aan de bepalingen van deze bijlage is voldaan, moeten worden vastgesteld volgens daartoe passende methoden. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse regering van 4 maart 2004 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen. Namen, 4 maart 2004. De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden, J. HAPPART BIJLAGE II VOORWAARDEN WAARAAN ZAAIZAAD MOET VOLDOEN I. Basiszaad en gecertificeerd zaad. 1. Het zaad moet voldoende rasecht en raszuiver zijn.In het bijzonder moet zaad van de onderstaande soorten voldoen aan de volgende normen of eisen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Of aan de minimumeisen inzake raszuiverheid is voldaan, wordt hoofdzakelijk nagegaan door middel van de in bijlage I omschreven veldkeuringen. Voor hybriden van Brassica napus die geteeld zijn met gebruikmaking van mannelijke steriliteit, moet het zaad aan de volgende normen en voorwaarden voldoen :
  23. a)het zaaizaad moet voldoende rasecht en raszuiver zijn wat betreft de kenmerken van de kruisingspartners, met inbegrip van de mannelijke steriliteit of herstel van de fertiliteit;
  24. b)de minimale raszuiverheid van het zaaizaad moet als volgt zijn : - basiszaad, vrouwelijke kruisingspartner : 99,0 %; - basiszaad, mannelijke kruisingspartner : 99,9 %; - gecertificeerd zaad : 90,0 %;
  25. c)zaaizaad wordt alleen gecertificeerd als gecertificeerd zaaizaad indien naar behoren rekening is gehouden met de resultaten van officiële nacontrole op het veld met gebruikmaking van officiële aselecte monsters van basiszaad, die is verricht tijdens het groeiseizoen van het zaaizaad waarvoor certificering als gecertificeerd zaaizaad is aangevraagd, om na te gaan of het basiszaad voldoet aan de eisen ten aanzien van de identiteit, wat betreft de kenmerken van de kruisingspartners, met inbegrip van mannelijke steriliteit, en aan de normen van basiszaad bepaald ten aanzien van de minimale raszuiverheid als bedoeld onder b). In het geval van basiszaad van hybriden kan de raszuiverheid worden beoordeeld met geschikte biochemische methoden;
  26. d)de normen ten aanzien van de minimale raszuiverheid voor gecertificeerd zaad van hybriden als bedoeld onder
  27. b)moeten worden bewaakt door middel van officiële nacontroles met gebruikmaking van een adequaat gedeelte van de officieel genomen zaadmonsters.Geschikte biochemische methoden mogen worden gebruikt. 2. Als niet aan de in bijlage 1, onder punt 3.B, dd), vastgestelde voorwaarden kan worden voldaan, moet aan de volgende voorwaarde worden voldaan : als voor de productie van gecertificeerd zaad van zonnebloemhybriden gebruik is gemaakt van een vrouwelijke mannelijk-steriele kruisingspartner en een mannelijke kruisingspartner die de mannelijke fertiliteit niet herstelt, moet het door de mannelijk-steriele kruisingspartner geproduceerde zaad worden gemengd met het door de volledig vruchtbare kruisingspartner geproduceerde zaad. De verhouding tussen het zaad van de mannelijk-steriele kruisingspartner en dat van de mannelijk-vruchtbare kruisingspartner mag niet groter zijn dan 2 : 1. 3. Het zaaizaad moet ten aanzien van kiemkracht, mechanische zuiverheid en gehalte aan zaden van andere plantensoorten aan de volgende normen of eisen voldoen, inclusief Orobanche-soorten : A.TABEL Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld B. Normen of andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan als daarnaar wordt verwezen in de onder punt I, 3, A, van deze bijlage opgenomen tabel :
  28. a)het in kolom 5 vastgestelde maximumgehalte aan zaden heeft ook betrekking op de zaden van de in de kolommen 6 tot en met 11 genoemde soorten;
  29. b)het aantal zaden van andere plantensoorten wordt alleen bepaald als er twijfel over bestaat of aan de in kolom 5 vastgestelde eisen is voldaan;
  30. c)het aantal zaden van Cuscuta-soorten wordt alleen bepaald als er twijfel over bestaat of aan de in kolom 7 vastgestelde eisen is voldaan;
  31. d)de aanwezigheid van een zaadkorrel van Cuscuta-soorten in een monster van het voorgeschreven gewicht geldt niet als onzuiverheid als een tweede monster van hetzelfde gewicht vrij is van zaden van Cuscuta-soorten;
  32. e)het zaad moet volledig vrij zijn van Orobanche-soorten;een zaadkorrel van Orobanche-soorten in een monster van 100 gram geldt evenwel niet als onzuiverheid als een tweede monster van 200 gram volledig vrij is van Orobanche-soorten. 4. De aanwezigheid van schadelijke organismen die de gebruikswaarde van zaaizaad verminderen, moet zo veel mogelijk beperkt zijn.Het zaaizaad moet - in het bijzonder - voldoen aan de volgende normen of andere eisen : A. TABEL : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld B. Normen of andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan als daarnaar wordt verwezen in de onder punt 4, A, van deze bijlage opgenomen tabel :
  33. a)voor vlas mag het percentage aan zaden die door Ascochyta linicola (Syn.Phoma linicola) zijn aangetast in totaal niet meer bedragen dan 1;
  34. b)het aantal sclerotiën of delen van sclerotiën van Sclerotinia sclerotiorum wordt alleen bepaald als er twijfel over bestaat of aan de in kolom 5 van de tabel vastgestelde eisen is voldaan. C. Bijzondere normen of andere voorwaarden die van toepassing zijn op glycine max :
  35. a)van de vijf deelmonsters waarin een monster van maximaal 5000 zaden per partij is onderverdeeld, mogen er hoogstens vier besmet zijn met Pseudomonas syringae pv.glycinea. Als in alle vijf deelmonsters verdachte kolonies worden geïdentificeerd, mogen, ter bevestiging, op de verdachte kolonies die van elke deelmonster op een daartoe geschikt medium zijn geïsoleerd, passende biochemische tests worden verricht;
  36. b)het aantal met Diaporthe phaseolorum besmette zaden mag niet hoger zijn dan 15 %;
  37. c)het percentage aan stof zoals gedefinieerd met gangbare internationale testmethoden, mag ten hoogste 0,3 gewichtspercent bedragen. II. Handelszaad. Voor handelszaad gelden de sub I van bijlage II genoemde eisen met uitzondering van punt 1. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse regering van 4 maart 2004 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen. Namen, 4 maart 2004. De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden, J. HAPPART Bijlage III GEWICHT VAN EEN PARTIJ ZAAIZAAD EN VAN EEN MONSTER Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Het maximumgewicht van een partij mag ten hoogste met 5 % worden overschreden. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse regering van 4 maart 2004 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen. Namen, 4 maart 2004. De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden, J. HAPPART BIJLAGE IV ETIKETTEN A. Te vermelden gegevens :
  38. a)Voor basiszaad en gecertificeerd zaad : 1."EG-systeem". 2. keuringsdienst en lidstaat of desbetreffend kenteken. 3. - maand en jaar van de sluiting, op de volgende wijze aangegeven "gesloten in..." (maand en jaar); - maand en jaar van de laatste officiële monsterneming ten behoeve van het besluit van certificering, op de volgende wijze aangegeven "monster genomen in..." (maand en jaar). 4. partijnummer.5. soort, ten minste aangegeven met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift.6. ras, ten minste vermeld in Latijns schrift.7. categorie.8. producerend land.9. opgegeven netto- of brutogewicht.10. als het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de vermelding van de aard van het toevoegingsmiddel alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht van de zuivere zaden en het totaalgewicht.11. bij rassen die hybriden of ingeteelde stammen zijn : - voor basiszaad waarvan de hybride of de ingeteelde stam waartoe het zaad behoort, officieel aanvaard is overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 2002/53/EG : de naam van deze kruisingspartner, waaronder het officieel is aanvaard, met of zonder verwijzing naar het uiteindelijke ras, waaraan, in geval van hybriden of ingeteelde stammen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik als kruisingspartner voor de uiteindelijke rassen, het woord " kruisingspartner " wordt toegevoegd; - voor basiszaad in andere gevallen : de naam van de kruisingspartner waartoe het basiszaad behoort, die in code mag worden gegeven, met daarbij een verwijzing naar het uiteindelijke ras, met of zonder vermelding van de functie (mannelijk of vrouwelijk), waaraan het woord "kruisingspartner" wordt toegevoegd; - voor gecertificeerd zaad : de naam van het ras waartoe het zaad behoort, met daarbij het woord "hybride". 12. waar tenminste voor de kiemkracht nacontrole werd verricht, mogen de woorden "Nacontrole verricht... (maand en jaar)", en de voor deze nacontrole verantwoordelijke dienst worden vermeld. Deze gegevens mogen voorkomen op een officieel merkteken dat wordt geplakt op het officiële etiket.
  39. b)Voor gecertificeerd zaad van een mengras : De onder
  40. a)vereiste informatie, behalve dat in plaats van de naam van het ras de naam van het mengras moet worden vermeld (het woord "mengras" en de naam daarvan), alsmede, per ras, het gewichtspercentage van de verschillende kruisingspartners;indien het gewichtspercentage schriftelijk aan de koper is meegedeeld, op diens verzoek, en officieel is vastgelegd, hoeft slechts de naam van het mengras te worden vermeld.
  41. c)Voor handelszaad : 1."EG-systeem". 2. "handelszaad (niet naar het ras goedgekeurd)".3. keuringsdienst en lidstaat of desbetreffend kenteken. 4. maand en jaar van de sluiting, op de volgende wijze aangegeven "gesloten in...." (maand en jaar). 5. partijnummer.6. soort, ten minste aangegeven met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift.7. teeltgebied.8. opgegeven netto- of brutogewicht.9. als het gewicht vermeld wordt en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de vermelding van de aard van het toevoegingsmiddel, alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht van de zuivere zaden en het totaalgewicht. 10. waar ten minste voor de kiemkracht nacontrole werd verricht, mogen de woorden " Nacontrole verricht... (maand en jaar) " en de voor deze nacontrole verantwoordelijke dienst worden vermeld. Deze gegevens mogen voorkomen op een officieel merkteken dat wordt geplakt op het officiële etiket. B. Minimumafmetingen : 110 mm x 67 mm. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse regering van 4 maart 2004 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen. Namen, 4 maart 2004. De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden, J. HAPPART BIJLAGE V Etiket en document voor niet definitief goedgekeurd zaad dat is geoogst in een andere lid-Staat. A. Op het etiket te vermelden gegevens : - voor de veldkeuring verantwoordelijke instantie en lidstaat of hun kenteken. - soort, tenminste aangegeven met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift. - ras, tenminste vermeld in Latijns schrift; voor rassen (ingeteelde stammen, hybriden) die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik als kruisingspartner voor hybride rassen, wordt het woord "kruisingspartner" toegevoegd. - categorie. - bij hybride rassen, de vermelding "hybride". - referentienummer van het veld of van de partij. - opgegeven netto- of brutogewicht. - de vermelding "niet definitief goedgekeurd zaad". B. Kleur van het etiket : Grijs. C. Op het document te vermelden gegevens : - instantie die het document afgeeft; - soort, tenminste aangegeven met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift; - ras, tenminste vermeld in Latijns schrift; - categorie; - referentienummer van het gebruikte zaad en naam van het land of de landen dat/die dit zaad heeft/hebben goedgekeurd; - referentienummer van het veld of van de partij; - oppervlakte die is beteeld voor de productie van de bij het document behorende partij; - geoogste hoeveelheid zaad en aantal verpakkingen; - voor gecertificeerd zaad, het aantal generaties na het basiszaad; - verklaring dat bij de teelt waarvan het zaad afkomstig is aan de vastgestelde voorwaarden is voldaan; - in voorkomend geval, de uitkomsten van een voorlopige analyse van het zaad. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse regering van 4 maart 2004 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen. Namen, 4 maart 2004. De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden, J. HAPPART

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.