FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN 17 MAART 2006. - Omzendbrief GPI 48 betreffende de opleiding en training in geweldbeheersing voor de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten Aan de Heren Provinciegouverneurs, Aan Mevrouw de Gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, Aan de Dames en Heren Burgemeesters, Aan de Dames en Heren Voorzitters van de Politiecolleges, Aan de Dames en Heren Korpschefs van de lokale politie, Aan de Dames en Heren Directeurs van de academies en politiescholen, Aan de heer Commissaris-generaal van de federale politie, Aan de Heer Inspecteur-generaal van de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie, Aan de Heer Voorzitter van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten. Ter informatie : Aan de Heer Directeur-generaal van de Algemene Directie Veiligheids, en Preventiebeleid, Aan de Heer Voorzitter van de Vaste Commissie van de Lokale Politie, Aan de Dames en Heren Arrondissementscommissarissen, Mevrouw, Mijnheer de Gouverneur, Mevrouw, Mijnheer de Burgemeester, Mevrouw, Mijnheer de Voorzitter, Mevrouw, Mijnheer de Korpschef, Mevrouw, Mijnheer de Directeur van de academie of politieschool, Mijnheer de Commissaris-generaal, Mijnheer de Inspecteur-generaal, Mijnheer de Voorzitter van het Vast Comité P. Deze omzendbrief heeft als doel de opleiding en training in de verschillende domeinen van de geweldbeheersing te organiseren, voor al het personeel van het operationeel kader van de politiediensten en dit zoals algemeen voorzien in de statutaire teksten die toepasselijk zijn op dit kader en in het bijzonder volgens de algemene beginselen van het welzijn op het werk. De huidige richtlijnen zorgen er eveneens voor dat de constante ontwikkeling en verbetering van de onderwezen materies verzekerd wordt, evenals hun eenvormigheid en overeenstemming met de behoeften van het terrein. Het geheel van het systeem wordt ondersteund door de functie van « specialist in geweldbeheersing » die er het sleutelelement van vormt, vanwege de exclusiviteit die hem toegekend wordt om de opleidingen en trainingen in geweldbeheersing te verzekeren. Voor de toepassing van huidige omzendbrief begrijpt men onder « bevoegde overheid » : - wat de lokale politie betreft, de korpschef of de door hem aangewezen overheid; - wat de federale politie betreft, de commissaris-generaal, de directeurs-generaal of de door hen aangewezen overheid. 1. ALGEMEENHEDEN 1.1. Het concept « geweldbeheersing » De geweldbeheersing verwijst naar de politiewetenschap die de politieman of -vrouw, geconfronteerd met een gevaarlijke of potentieel gevaarlijke situatie, moet toelaten deze met een maximum aan veiligheid te kunnen aanpakken en beheersen en ze op de minst gewelddadige wijze op te lossen. De bekwaamheid om gevaarsituaties te beheersen berust tegelijk op : - het volledig respecteren van het wettelijk en deontologisch kader; - het adequaat aanwenden van gepaste psychosociale en fysieke bekwaamheden; - de optimale aanwending van de middelen; - het gebruiken van gepaste interventietactieken. 1.2. De vier pijlers van de geweldbeheersing Voor de ontwikkeling en organisatie van de opleidingen en trainingen die erop betrekking hebben, werd het concept van de geweldbeheersing onderverdeeld in vier domeinen : - de wetgeving, deontologie, en de psychosociale vaardigheden; - de fysieke vaardigheden inzake dwang zonder vuurwapen; - de fysieke vaardigheden inzake dwang met een vuurwapen; - de politionele interventietactieken. 1.3. De politiebewapening De politiebewapening wordt bepaald door het koninklijk besluit dat de bewapening van de geïntegreerde politie vastlegt en omvat : - de individuele wapens; - de collectieve wapens; - de bijzondere wapens. 1.4. De gevaarsituaties of potentieel gevaarlijke situaties De gevaarsituaties of potentieel gevaarlijke situaties, waarmee de politieambtenaren het meest geconfronteerd worden en die de context vormen van de opleidingen en trainingen inzake geweldbeheersing, worden als volgt onderverdeeld : - de algemene controle van een persoon te voet; - de controle van een persoon in of rond een voertuig; - de controle van een persoon in of rond een gebouw; - de interventie ter gelegenheid van geschillen tussen twee of meer personen; - de andere situaties van politionele interventies. 1.5. De doelstelling van de opleiding en training De doelstelling van de opleiding en training van geweldbeheersing is het aanleren, ontwikkelen en onderhouden van vaardigheden die de politieman en -vrouw in staat zullen stellen om zo goed mogelijk gevaarsituaties of potentieel gevaarlijke situaties, waarmee hij/zij op het terrein kan geconfronteerd worden, te beheersen. Geconfronteerd met dergelijke situaties, wordt er van de politieman of -vrouw verwacht dat hij/zij : - conflictsituaties (of potentiële conflictsituaties) kan herkennen, ze analyseren en de risico's eraan verbonden kan inschatten; - de interventiemodaliteiten eigen aan iedere situatie kan beoordelen; - de dwangmiddelen op een progressieve wijze kan aanwenden met inachtneming van het principe van de proportionaliteit in verhouding tot de dreiging; - zolang mogelijk het gebruik van fysieke dwang kan uitstellen; - zijn eigen veiligheid en deze van zijn collega's en derden kan waarborgen. 1.6. De kenmerken van de opleiding en training 1.6.1. De opleiding laat het verwerven toe van : - basisvaardigheden inherent aan de verschillende personeelscategorieën (basisopleiding); - aanvullende vaardigheden die noodzakelijk geworden zijn vanwege de algemene evolutie van de maatschappij, de politietechnieken en de bewapening, het toekennen van nieuwe opdrachten ... (niet- baremische voortgezette opleiding); - bijzondere vaardigheden verbonden aan het vervullen van een bijzondere voltijdse of deeltijdse functie (functionele opleiding). De opleiding moet eveneens toelaten gedeeltelijk verloren vaardigheden terug op niveau te brengen (niet-baremische voortgezette opleiding). De training daarentegen bestaat uit het herhalen van vaardigheden die verworven waren ter gelegenheid van opleidingen, teneinde deze te onderhouden en te verbeteren. 1.6.2. Om het doel van de opleiding en de training te bereiken moeten deze kennissen, vaardigheden en attituden die deze competenties kenmerken, aangeleerd en getraind worden op de volgende wijze : - progressief : de opleiding moet verstrekt worden volgens een progressief proces dat de verschillende fazen van de verwerving van de motorische en technische vaardigheden respecteert (cognitieve-, associatieve - en autonome faze) en dat rekening houdt met het niveau van de doelgroep : - de cognitieve fase bestaat uit het aanleren van de verschillende bewegingen waaruit een handeling is samengesteld. Deze leerfase vindt plaats in een neutrale omgeving (klaslokaal, dojo, schietstand), door middel van statische werkwijzen. De uitvoering van de handeling concentreert zich volledig op de uitvoering van de verschillende bewegingen waaruit zij is samengesteld; - tijdens de associatieve fase maakt men zich de uitvoering van de bewegingen eigen en kan men zijn aandacht toespitsen op het integreren van de verschillende handelingen tot een coherent geheel, voor de uitvoering van exacte technieken. De neutrale omgeving moet geleidelijk plaats maken voor gesimuleerde situaties die dynamische oefeningen moeten toelaten; - de autonome fase is de volledige automatisering van de motoriek. De aandacht gaat niet langer uit naar de coherente uitvoering van handelingen, waardoor men zich kan toeleggen op het oplossen van de situatie (perceptie van de gevaarsindicatoren, interactie met de omgeving...); - geïntegreerd : de opleiding moet zodanig verstrekt worden dat alle domeinen van de geweldbeheersing sterk geïntegreerd worden; - situationeel : de opleiding moet volledig georiënteerd worden naar het oplossen van gevaarlijke of potentieel gevaarlijke situaties en moet voorrang geven aan interactieve onderwijsmethoden, zoals multimediasimulators of oefeningen in de aard van rollenspelen. 1.6.3. Als gevolg van het reducerend effect dat gerechtvaardigde emotie kan hebben op de cognitieve vaardigheden, naar aanleiding van een min of meer groot gevaar of gewoonweg de mogelijkheid van dit gevaar, zal men steeds streven naar eenvoud voor de aangeleerde of getrainde methodes en technieken. Het principe bestaat erin dat iedere politieman of -vrouw, bijgestaan door een specialist in geweldbeheersing, de techniek vindt en aanneemt die het best bij hem/haar hoort; een techniek die hij/zij steeds zal verbeteren tijdens zijn/haar loopbaan. 1.6.4. De politieman of -vrouw die geconfronteerd wordt met een gevaarsituatie of potentieel gevaarlijke situatie dient vooreerst voor zijn/haar eigen veiligheid te zorgen, wil hij/zij in staat zijn om deze situatie op te lossen en om zijn/haar collega's en medeburgers te blijven beschermen. Uitgaande van dit standpunt, dient het personeel te leren anticiperen (de gevaren herkennen, de risico's inschatten, zich niet laten verrassen teneinde het geweld te beperken alvorens het zich ontwikkelt en het bestrijden met de meest aangepaste middelen) en zich te leren beschermen (gebruikmaking van dekking, optimaal gebruik van beschermingsmiddelen en bewapening). Tijdens de opleiding en tijdens elke training dient bijzondere aandacht besteed te worden aan de permanente zorg voor veiligheid. 1.6.5. Aangezien de politieman of -vrouw in de mogelijkheid moet verkeren om te reageren op een agressie en zelf zowel zijn/haar eigen veiligheid, als deze van zijn/haar collega en aanwezige derden dient te waarborgen, zal het werk in ploegverband bevoorrecht worden bij ieder potentieel of vastgesteld gevaar. Het werk in ploegverband vormt de basis-interventievorm voor het oplossen van gevaarlijke of potentieel gevaarlijke situaties; daarom moet daaraan veel tijd besteed worden tijdens de opleiding en training. 1.6.6. Het is onontbeerlijk dat de opleiding en training in geweldbeheersing de zin voor initiatief ontwikkelt, waarbij men aan de politieman of -vrouw aanleert om op autonome wijze te werken en dit zowel individueel of als lid van een interventieploeg. Men dient dus te vermijden om de opleiding of training te beperken tot het verwerven van een conditionering gebaseerd op reacties. De permanente beoordeling en het doordacht, vastberaden beslissen, zijn van primordiaal belang om correct te anticiperen in gevaarsituaties en toe te laten deze op te lossen met een maximum aan veiligheid en met een minimum aan geweld of zonder. 1.6.7. Enerzijds omwille van het mobiliteitsprincipe van het personeel, wat inhoudt dat politieambtenaren opgeleid in verschillende politiescholen moeten kunnen samenwerken in kleine entiteiten, en anderzijds omwille van het gevaar dat het oplossen van elke gevaarlijke of potentieel gevaarlijke situatie met zich mee brengt, is het van het grootste belang dat de opleiding en training geweldbeheersing verstrekt wordt op dezelfde wijze in al haar onderdelen. Om deze eenvormigheid te verzekeren, moet de inhoud van de programma's en de pedagogische ondersteuning (geschreven of op andere wijze voorgesteld) gelijk zijn voor alle opleidingen en trainingen georganiseerd voor éénzelfde materie. Indien er aangepaste programma's kunnen ontwikkeld worden op basis van de specificiteit van de politie-entiteiten of het bijzondere karakter van de opdrachten, dan moet ook naar eenvormigheid gezocht worden in de realisaties van deze programma's. 1.7. De vaardigheidsniveaus De opleidingen in geweldbeheersing omvatten drie niveaus van vaardigheden : het basisniveau, het gekwalificeerde niveau, het gespecialiseerde niveau. Het basisniveau is het niveau behaald op het einde van de verschillende cycli van de basisopleiding voor de leden van het operationeel kader, evenals na de verschillende voortgezette, niet- baremische opleidingen in de vier domeinen van geweldbeheersing. Dit basisniveau beoogt elke politietechniek te kunnen toepassen, andere dan de bijzondere technieken in verband met het gebruik van dwang, en elk individueel en collectief wapen te kunnen gebruiken. Het gekwalificeerde niveau wordt bereikt na verschillende functionele opleidingen in de vier domeinen van geweldbeheersing, andere dan de functionele opleiding van specialist in geweldbeheersing. Dit gekwalificeerde niveau is vereist om iedere bijzondere techniek in verband met het gebruik van dwang te mogen toepassen en ieder bijzonder wapen te mogen gebruiken. Het gespecialiseerde niveau is het niveau bereikt na de functionele opleiding van specialist in de geweldbeheersing. Het gespecialiseerde niveau is vereist om de opleidingen en de trainingen in geweldbeheersing te mogen verzekeren. Het brevet van specialist in de geweldbeheersing wordt gekwalificeerd als « dwang zonder vuurwapen », of « dwang met vuurwapen » volgens de gevolgde vervolmakingsmodule (zie punt 4.2). 1.8. De omkaderingsnormen De kwaliteit van de opleiding en training impliceert het respecteren van pedagogische omkaderingsnormen die zowel aan het type van de verstrekte cursus, als aan het betrokken domein van geweldbeheersing aangepast zijn. De voorgestelde quota hieronder vermeld vormen de ideale omkaderingsnormen die het mogelijk maken een optimaal kwaliteitsniveau te bereiken. De verantwoordelijken voor de opleidingen en trainingen hebben als taak om zo goed mogelijk te streven naar de naleving van deze quota. Speciale normen kunnen bepaald worden in het raam van aangepaste opleidingsprogramma's (zie punt 1.6.7). De veiligheid van de praktische activiteiten impliceert daarenboven dat de specialist in geweldbeheersing te allen tijde visueel contact bewaart met alle personen die hij begeleidt. In functie van de geplande activiteiten zullen de quota zodanig verhoogd worden dat dit visueel contact kan behouden blijven tijdens de volledige duur van de activiteit. Indien de kwalificatie van het brevet specialist in de geweldbeheersing (« dwang zonder vuurwapen » of « dwang met vuurwapen ») niet gestipuleerd is, dan mag de omkadering verzekerd worden, zonder onderscheid, door een specialist die ofwel de ene ofwel de andere vervolmakingsmodule heeft gevolgd. Indien de voorgeschreven opleidingen of trainingen verwijzen naar cursusperioden, dan moeten deze beschouwd worden als effectieve opleidings- of trainingsperioden met een duur van 50 minuten. 1.8.1. Omkaderingsnormen voor de opleidingen - Voor de theoretische cursussen zal de omkadering bestaan uit één specialist geweldbeheersing per groep aspiranten/studenten; - Voor de praktische cursussen zal de omkadering ten minste bestaan uit : - één specialist geweldbeheersing per groep van zes aspiranten/studenten voor het domein van de politionele interventietactieken; - één specialist geweldbeheersing/dwang zonder vuurwapen per groep van veertien aspiranten/studenten voor het domein van de fysieke vaardigheden in dwang zonder vuurwapen; - één specialist geweldbeheersing/dwang met vuurwapen per groep van vier aspiranten/studenten voor het domein van de fysieke vaardigheden in dwang met vuurwapen; - één specialist geweldbeheersing/dwang met vuurwapen per aspirant/student (individuele begeleiding) : . voor de volledige duur van de initiatieperiode in het gebruik van vuurwapens, t.t.z. tot aan de integratie van de bekwaamheden die vereist zijn om de gebruiksveiligheid te garanderen; . voor alle geïntegreerde oefeningen met gebruik van echte munitie; - Voor interactieve oefeningen met gebruik van gekleurde projectielen, of gelijkaardige oefeningen, zal de omkadering bestaan uit ten minste drie specialisten geweldbeheersing voor het geheel van de activiteiten van een oefening (eventueel verdeeld in verschillende activiteitsgroepen) die plaatsgrijpen op één en dezelfde site, teneinde respectievelijk volgende aspecten te verzekeren : - de algemene veiligheid van de activiteiten op de site; - de algemene coördinatie van de activiteiten op de site; - de evaluatie van een ploeg van twee aspiranten/studenten. De omkadering zal versterkt worden met één specialist per supplementaire ploeg van twee interveniënten die in het raam van dezelfde oefening te beoordelen zijn. De specialist belast met de evaluatie kan desgevallend ook fungeren als acteur van de oefening. 1.8.2. Omkaderingsnormen voor trainingen De omkaderingsnormen voor trainingen zijn dezelfde als deze die voorzien zijn voor de opleidingen. 2. BASISNIVEAU 2.1. Basisopleiding De basisopleiding van de leden van het operationele kader inzake geweldbeheersing wordt verstrekt in de politiescholen door de specialisten geweldbeheersing. 2.2. Voortgezette opleiding De voortgezette opleidingen worden naargelang van de behoeften georganiseerd voor de personeelsleden die wegens een verandering van inplaatsstelling (tijdelijk of definitief) en/of toekenning van nieuwe opdrachten en/of toekenning van nieuwe middelen, politietechnieken moeten toepassen en/of individuele of collectieve wapens moeten gebruiken, andere dan diegene waarvoor ze reeds waren opgeleid. De voortgezette opleiding om de bekwaamheid inzake een techniek of een wapen te verwerven, wordt georganiseerd door een politieschool en verstrekt door de specialisten geweldbeheersing. 2.3. Training De training van de leden van het hulpkader die een operationele functie uitoefenen, bestaat uit ten minste vier sessies, waarvan één besteed wordt aan de evaluatie, gelijkmatig gespreid over een door de bevoegde overheid te bepalen referentieperiode van twaalf maanden. De training van de leden van het basis-, midden- en officierenkader die een operationele functie uitoefenen, bestaat uit ten minste vijf sessies, waarvan één besteed wordt aan de evaluatie, gelijkmatig gespreid over een door de bevoegde overheid te bepalen referentieperiode van twaalf maanden. Eén trainingssessie bestaat uit ten minste vier lesperioden per persoon. De evaluatiesessie is echter beperkt tot de daarvoor nodige tijd. De training van de leden van het operationeel kader die geen operationele functie uitoefenen en die nog in het bezit zijn van hun dienstwapen, bestaat uit ten minste één sessie per jaar met inbegrip van een certificatieve evaluatie. De training van de leden van het operationeel kader wordt verzekerd in de politiekorpsen door specialisten geweldbeheersing. Het trainingsprogramma wordt bepaald door de bevoegde overheid in samenwerking met de verantwoordelijken voor de training (specialisten geweldbeheersing). Voor de uitwerking van het trainingsprogramma baseren zij zich op : - de trainingsmodules ontwikkeld door het Pedagogisch Comité, overeenkomstig punt 5; - de behoeften van de leden van het operationeel kader om hun taak op het terrein te kunnen uitvoeren; - de behoeften die aan het licht komen door de evaluatie uitgevoerd door de verantwoordelijken van de training. Alle domeinen van de geweldbeheersing moeten aan bod komen tijdens het geheel van de sessies van één referentieperiode. Het effectief van de samengestelde groepen om de trainingsessies te volgen is in functie van de programma-inhoud en de lokale context (beschikbaar personeel, middelen en infrastructuur). Teneinde de kwaliteit van de training te garanderen, waken de bevoegde overheid en de verantwoordelijken voor de training erover dat de normen bepaald in punt 1.8, gerespecteerd worden. 2.4. Evaluatie Naast de permanente formatieve evaluatie die tijdens de trainingssessies verzekerd wordt, gaan de verantwoordelijken voor de training jaarlijks over tot een certificatieve evaluatie van de vaardigheden van de leden van het operationele kader, betreffende de domeinen van de geweldbeheersing die op hen van toepassing zijn. Deze evaluatie heeft als doel het volgende te detecteren : - het (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.