← België

Ministerieel besluit betreffende de zoogkoeienpremie

wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, inzonderheid op artikel 3, § 1, 1°, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990; Gelet op het besluit van de

punt

  1. a);
  2. d)hij is een landbouwvennootschap waarvan alle beherende vennoten voldoen aan de voorwaarden,

punt

  1. a);
  2. e)hij is een andere rechtspersoon waarvan ten minste een van de bestuurders, zaakvoerders of beherende vennoten voldoet aan de voorwaarden,

punt a) ;3° veebeslag : het geheel van runderen zoals gedefinieerd in artikel 1, 7°, van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/08/1997 pub. 19/09/1997 numac 1997016229 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen sluiten betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen;4° paspoort : het document,

artikel 16 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/08/1997 pub. 19/09/1997 numac 1997016229 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen sluiten betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen;5° bevoegde instantie : de instantie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap die belast is met de uitvoering van de steunmaatregelen inzake het landbouwproductiebeheer;6° Sanitel : geautomatiseerd systeem voor de gegevensverwerking in verband met de identificatie en de registratie van runderen. Art. 2.§ 1. Met toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering wordt de premie alleen toegekend voor zoogkoeien en vaarzen die voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° in Sanitel zijn geregistreerd als een vleesrastype of een gemengd rastype en als zodanig niet behoren tot een van de runderrassen,

bijlage XV van Verordening nr.1973/2004 of niet verkregen zijn door kruising onderling van die runderrassen; 2° behoren tot een zoogkoeienbeslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie;3° nog niet eerder premiegerechtigd werd bevonden in een premieaanvraag van een andere landbouwer voor dezelfde campagne;4° een zoogkoe moet minstens één keer hebben gekalfd vóór de indiening van de premieaanvraag en als de moeder van dat kalf gemeld zijn aan Sanitel;5° als zij door de premieaanvrager werden aangekocht moeten zij, behoudens uitzonderlijke gevallen, minstens één keer op zijn rundveebedrijf kalven en als moeder van dat kalf worden gemeld aan Sanitel. Indien een aangekochte zoogkoe of vaars waarvoor de premie werd aangevraagd het rundveebedrijf verlaat, om welke reden dan ook, zonder minstens één keer op dit rundveebedrijf te hebben gekalfd, moet dat door de premieaanvrager, behoudens uitzonderlijke gemotiveerde gevallen, binnen tien werkdagen die volgen op het vertrek aan de bevoegde dienst worden gemeld. In voorkomend geval wordt geen premie toegekend voor het rund in kwestie, maar wordt ook geen sanctie toegepast in de zin van artikel 59 van Verordening (EG) nr. 796/2004. § 2. De premie wordt alleen toegekend als de zoogkoeien, vaarzen en kalveren

§ 1

en de melkkoeien

artikel 9, § 1, geïdentificeerd en geregistreerd zijn in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/08/1997 pub. 19/09/1997 numac 1997016229 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen sluiten betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van runderen. § 3. De runderen die tijdens de aanhoudingsperiode worden gebruikt als vervanger van de zoogkoeien of vaarzen die in de premieaanvraag werden aangegeven, moeten voldoen aan dezelfde voorwaarden als de aangegeven runderen. § 4. Een beslag wordt, behoudens uitzonderlijke gevallen, enkel beschouwd als een zoogkoeienbeslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie als tijdens het kalenderjaar waarin de steunaanvraag wordt ingediend : 1° een aantal kalveren van het vleesrastype of het gemengd rastype wordt geboren en gemeld aan Sanitel dat ten minste :

  1. a)70 % bedraagt van het aantal zoogkoeien waarvoor de steun wordt aangevraagd als voor veertien of meer runderen de premie wordt aangevraagd;
  2. b)60 % bedraagt van het aantal zoogkoeien waarvoor de steun wordt aangevraagd als voor minder dan veertien en meer dan zeven runderen de premie wordt aangevraagd;
  3. c)50 % bedraagt van het aantal zoogkoeien waarvoor de steun wordt aangevraagd als voor zeven of minder runderen de premie wordt aangevraagd;2° ten minste 50 % van het in het voorgaande lid bepaalde aantal kalveren gedurende een minimumperiode van minstens drie maanden die volgen op de geboorte in het beslag wordt aangehouden. Art. 3.Met toepassing van artikel 3, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering wordt de zoogkoeienpremie toegekend aan de landbouwers, ongeacht of zij melk of zuivelproducten leveren en zij over een totale individuele referentiehoeveelheid beschikken van meer dan 120.000 kilogram. Art. 4.Het minimumpercentage

artikel 4, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering wordt vastgesteld op 90 %. Enkel de premierechten waarvoor de premie wordt uitbetaald, worden als gebruikte premierechten aangezien, behoudens in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen. Art. 5.§ 1. De beschikbare premierechten in de reserve worden toegekend aan de jonge landbouwers in hoofdberoep die daartoe een aanvraag indienen en die voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° op 31 december voorafgaand aan de campagne in kwestie jonger zijn dan 40 jaar;2° zich in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de campagne in kwestie voor de eerste maal hebben gevestigd als landbouwer in hoofdberoep;3° in de campagne voorafgaand aan de campagne in kwestie over minstens één premierecht hebben beschikt en er tevens een aanvraag voor de zoogkoeienpremie voor hebben ingediend;4° beschikken over minstens één premierecht voor de campagne in kwestie;5° een aantal zoogkoeien en vaarzen houden dat minstens de som bedraagt van het aantal premierechten waarover zij beschikken aan het begin van de campagne en het aantal waarvoor zij premierechten uit de reserve aanvragen, en voor deze runderen alle voorwaarden respecteren;6° geen premierechten hebben overgedragen tijdens de campagne in kwestie noch tijdens de twee daaraan voorafgaande campagnes. Als de betreffende landbouwer een rechtspersoon is, moeten de voorwaarden,

punt 1° en 2°, ten minste door een van de bestuurders, zaakvoerders of beherende vennoten zijn voldaan. § 2. De premierechten worden aan de landbouwers toegekend binnen de beperking van het aantal zoogkoeien en vaarzen

§ 1, 5°.

Als het totale aantal van aangevraagde premierechten het aantal beschikbare premierechten in de reserve overschrijdt, wordt prioriteit gegeven aan de genoemde jonge landbouwers die zich in het jaar voorafgaand aan de campagne in kwestie voor de eerste maal hebben gevestigd als landbouwer in hoofdberoep. Zo nodig wordt de toekenning verder beperkt in evenredigheid met de individuele aanvraag voor bijkomende premierechten. § 3. De aanvragen voor bijkomende premierechten moeten per aangetekende brief worden ingediend bij de buitendienst van de bevoegde instantie of er tegen ontvangstbewijs worden afgegeven in de maand februari van het betreffende jaar. De datum van de poststempel op de zending of de afgiftedatum gelden als indieningdatum. Het vereiste officiële aanvraagformulier wordt ambtshalve bezorgd aan de landbouwers die voldoen aan de voorwaarden,

§ 1

. Voor wie het niet ontving, is het eveneens beschikbaar bij de genoemde buitendienst. § 4. De volgende documenten moeten bij het aanvraagformulier worden gevoegd : 1° een uittreksel uit de geboorteakte.Als de jonge landbouwer een groepering is van natuurlijke personen, moet de persoon die voldoet aan de leeftijdsvoorwaarde van § 1, 1°, dit uittreksel voorleggen. Als de jonge landbouwer een rechtspersoon is, moet de bestuurder, zaakvoerder of beherende vennoot die voldoet aan de leeftijdsvoorwaarde dat uittreksel voorleggen; 2° in voorkomend geval, een kopie van de overnameakte van een eerste landbouwbedrijf;3° een attest dat de betaling van de sociale bijdragen als landbouwer in hoofdberoep alsmede de startdatum van de betaling aantoont.Als de jonge landbouwer geen natuurlijke persoon is, moet een attest dat de betaling van de sociale bijdragen als landbouwer in hoofdberoep aantoont, worden voorgelegd door alle personen die overeenkomstig artikel 1, 2°, moeten voldoen aan de bepalingen in artikel 1, 2°, a). Bovendien moet het attest van de personen die gebonden zijn door de leeftijdsvoorwaarde,

punt 1° de startdatum van de betaling aantonen. Indien nodig kan de bevoegde instantie een kopie van het laatste aanslagbiljet opvragen, samen met de berekeningsnota en de landbouwbijlage van de belastingaangifte met betrekking tot het inkomen van de betrokken landbouwer. § 5. In afwijking van § 1 en § 2 worden voor de campagne 2005 de beschikbare premierechten in de reserve toegekend aan de volgende categorieën van landbouwers : 1° prioritair aan de genoemde jonge landbouwers die zich in het jaar 2004 voor de eerste maal hebben gevestigd als landbouwer in hoofdberoep.Hun aanvraag mag hoogstens acht bijkomende premierechten bedragen; 2° vervolgens worden de overige beschikbare premierechten toegekend aan landbouwers in hoofdberoep die een aanvraag indienen en die voldoen aan de voorwaarden

§ 1

, 3° tot en met 6°, en zich bovendien ten minste één premierecht hebben aangeschaft in een van de twee campagnes voorafgaand aan de campagne in kwestie.De aanschaf via de overname van een volledig bedrijf komt hiervoor niet in aanmerking. Als in totaal tijdens de twee voorafgaande campagnes minder dan zes premierechten werden aangeschaft, kunnen hoogstens twee bijkomende premierechten worden aangevraagd. Als minstens zes premierechten werden aangeschaft, kunnen hoogstens voor een derde van het aantal aangeschafte premierechten bijkomende premierechten worden aangevraagd, met een maximum van tien. Bij het aanvraagformulier moet enkel het attest,

§ 4, 3°, worden gevoegd, zonder verwijzing naar de genoemde startdatum.

3° Als na de toepassing van voorgaande nog premierechten beschikbaar zijn, worden die toegekend aan de jonge landbouwers,

§ 1

, die zich in de periode van 2000 tot en met 2003 voor de eerste maal hebben gevestigd als landbouwer in hoofdberoep;4° landbouwers die voor meerdere van de bovengenoemde categorieën in aanmerking komen, kunnen maar voor één categorie bijkomende premierechten aanvragen. Art. 6.Met toepassing van artikel 5, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering wordt het percentage van de over te dragen premierechten, dat afgenomen wordt voor de reserve, vastgesteld op 1 %. Art. 7.§

  1. Met behoud van de toepassing van artikel 107 en artikel 108 van Verordening (EG) nr. 1973/2004 kan de landbouwer de aan hem toegewezen premierechten geheel of gedeeltelijk aan andere landbouwers overdragen. De overdracht moet ten minste een premierecht bedragen. Behalve in geval van een volledige overdracht van zijn premierechten moet de overlater minstens één premierecht behouden. §
  2. De aanvragen voor overdracht van premierechten worden tijdens de maand februari van het betreffende jaar per aangetekende brief ingediend bij de buitendienst van de bevoegde instantie of er tegen ontvangstbewijs afgegeven door middel van een officieel formulier dat op de buitendienst beschikbaar is. De datum van de poststempel op de zending of de afgiftedatum gelden als indieningsdatum. Dit formulier moet gezamenlijk door de overlater en de overnemer worden ondertekend. §
  3. De landbouwer kan de premierechten, die hij niet voornemens is zelf te gebruiken, niet tijdelijk overdragen aan andere landbouwers. Art. 8.§
  4. Om de premie te kunnen verkrijgen, dient de landbouwer een premieaanvraag in door middel van een officieel formulier, in de periode van 1 mei tot 30 september van het betreffende jaar. Dit formulier wordt ambtshalve bezorgd aan elke landbouwer die over premierechten beschikt. De landbouwer

het eerste lid, die geen formulier heeft ontvangen, verschaft zich een duplicaat bij de buitendienst van de bevoegde instantie. Er is slechts één premieaanvraag per rundveebedrijf per jaar toegestaan. §

  1. Overeenkomstig artikel 126 van Verordening (EG) nr.1973/2004 wordt een voorschot op de premie uitbetaald voor de landbouwers die hun aanvraag voor 1 juli van het betreffende jaar indienen. §
  2. Het aanvraagformulier bestaat uit een origineel en een kopie. De kopie is voor de landbouwer bestemd. Het origineel wordt zorgvuldig ingevuld en ondertekend, per aangetekende brief ingediend bij de buitendienst van de bevoegde instantie of er rechtstreeks worden afgegeven tegen ontvangstbewijs. De datum van de poststempel op de zending of de afgiftedatum geldt als indieningdatum. §
  3. De aanvrager meldt tijdens de aanhoudingsperiode, genoemd in artikel 101 van Verordening (EG) nr. 1973/2004, iedere vermindering zonder vervanging van het aangegeven aantal zoogkoeien en vaarzen of iedere afwijking van het in artikel 125, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vermelde maximale aandeel vaarzen, schriftelijk en binnen tien werkdagen die volgen op de gebeurtenis, melden aan de buitendienst van de bevoegde instantie. Hij rechtvaardigt elke vermindering of afwijking met bewijsstukken. §
  4. Om de plaatsen van aanhouding,

artikel 16 van Verordening (EG) nr. 796/2004, aan te geven verklaart de landbouwer voor ieder rund waarvoor hij de premie aanvraagt, op welke rundveeproductie-eenheid het zich gedurende de volledige aanhoudingsperiode zal bevinden. Als de aangegeven runderen zich tijdens de aanhoudingsperiode tevens op gronden zullen bevinden die niet zijn aangegeven in het kader van het ministerieel besluit van 25 november 2005Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 25/11/2005 pub. 21/02/2006 numac 2006035208 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Ministerieel besluit betreffende de vaststelling van de modaliteiten van het besluit van de Vlaamse Regering tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden sluiten betreffende de vaststelling van de modaliteiten van het besluit van de Vlaamse Regering tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden van dezelfde campagne, meldt hij dat voorafgaandelijk aan de bevoegde instantie. Als de landbouwer officieel de toestemming heeft gekregen om in afwijking van artikel 31, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/08/1997 pub. 19/09/1997 numac 1997016229 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen sluiten betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van runderen, de runderen waarvoor hij de premie aanvraagt te houden in een veebeslag waarbij de identificatiedocumenten van de runderen in kwestie de naam van de betrokken verantwoordelijke en het juiste adres van het veebeslag niet vermelden, voegt hij een kopie van de door de verantwoordelijke inspecteur-dierenarts gedateerde en ondertekende toestemming bij zijn aanvraag. Met die uitzondering kan echter enkel rekening worden gehouden als de beide rundveeproductie-eenheden waartussen de verplaatsing van runderen is toegestaan zonder de uitvoering van de aankooponderzoeken worden uitgebaat door dezelfde landbouwer. Art. 9.§ 1. Het aantal melkkoeien dat nodig is voor de productie van de referentiehoeveelheden melk, toegewezen aan de landbouwer op 31 maart van het jaar waarvoor de premie wordt gevraagd, wordt vastgesteld aan de hand van de gemiddelde theoretische melkopbrengst per koe zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 1973/2004 of aan de hand van de gemiddelde werkelijke melkopbrengsten van het rundveebedrijf voor het jaar dat voorafgaat aan de premieaanvraag. De landbouwer voegt in voorkomend geval een jaarlijkse staat van de melkcontrole van de vereniging, erkend overeenkomstig het ministerieel besluit van 27 februari 1991 betreffende de verbetering van het rundveeras, bij zijn premieaanvraag zoogkoeien,

artikel 8, §

  1. Er wordt alleen rekening gehouden met het gemiddelde theoretische melkrendement als de landbouwer die staat niet bij zijn premieaanvraag gevoegd heeft of als het werkelijke melkrendement niet juist werd opgegeven. §
  2. De individuele referentiehoeveelheid melk die het voorwerp heeft uitgemaakt van tijdelijke overdracht overeenkomstig artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 april 2005Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 15/04/2005 pub. 10/06/2005 numac 2005035665 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de toepassing van de heffing in de sector melk en zuivelproducten sluiten betreffende de toepassing van de heffing in de sector melk en zuivelproducten, wordt opgeteld bij de individuele referentiehoeveelheid,

§ 1

, van de landbouwer-overnemer en omgekeerd afgetrokken van de referentiehoeveelheid van de landbouwer-overlater. §

  1. De in aanmerking te nemen individuele referentiehoeveelheid is echter die welke geldt op 1 april van het lopende burgerlijk jaar als de landbouwer overlater of overnemer is van een referentiehoeveelheid gedurende het tijdvak dat eindigt op 31 maart van het lopende burgerlijk jaar, maar met uitwerking vanaf 1 april eerstvolgend, met toepassing van artikel 1, 14°, 1, 15°, 5, 9, 10 en 14 of met toepassing van artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 april 2005Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 15/04/2005 pub. 10/06/2005 numac 2005035665 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de toepassing van de heffing in de sector melk en zuivelproducten sluiten betreffende de toepassing van de heffing in de sector melk en zuivelproducten. Art. 10.Als runderen van verschillende landbouwers behoren tot een gemeenschappelijk veebeslag, wordt de zoogkoeienpremie alleen toegekend als voor elk rund van de landbouwer die de premie aanvraagt en voorafgaand aan het indienen van een premieaanvraag, in Sanitel de relatie tussen rund en rundveeproductie-eenheid is geregistreerd en als die relatie op permanente en conforme wijze wordt geactualiseerd. Art. 11.De bevoegde instantie controleert of de landbouwers de voorschriften van de zoogkoeienpremie naleven. Art. 12.§
  2. De bevoegde instantie is belast met de uitbetaling van de premies alsmede met de terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen. §
  3. De ten onrechte betaalde bedragen worden teruggevorderd, vermeerderd met een intrest berekend tegen de wettelijke rentevoet. Als ten onrechte betaalde bedragen na de ingebrekestelling door de bevoegde instantie, niet tijdig worden terugbetaald, kan de bevoegde instantie overgaan tot verrekening met nog uit te betalen steunbedragen van het lopende kalenderjaar of van de volgende kalenderjaren, ongeacht de steunregeling waarvoor ze verschuldigd zijn. Art. 13.Op straffe van onontvankelijkheid wordt het bezwaar tegen beslissingen genomen overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering en de uitvoeringsbesluiten ervan per aangetekende brief ingediend bij de bevoegde instantie binnen een maand die volgt op de mededeling van de beslissing. Het indienen van een bezwaar houdt geen opschorting in van een eventuele vraag tot terugstorting van onterecht uitbetaalde bedragen. Art. 14.Het ministerieel besluit van 3 december 2001Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 03/12/2001 pub. 16/02/2002 numac 2002016398 bron ministerie van middenstand en landbouw Ministerieel besluit betreffende de zoogkoeienpremie en het extensiveringsbedrag voor zoogkoeien sluiten betreffende de zoogkoeienpremie en het extensiveringsbedrag voor zoogkoeien, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 28 november 2003 wordt opgeheven. Art. 15.Het ministerieel besluit van 3 december 2001Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 03/12/2001 pub. 16/02/2002 numac 2002016398 bron ministerie van middenstand en landbouw Ministerieel besluit betreffende de zoogkoeienpremie en het extensiveringsbedrag voor zoogkoeien sluiten betreffende de zoogkoeienpremie en het extensiveringsbedrag voor zoogkoeien blijft van toepassing voor de premieaanvragen die uiterlijk op 31 december 2004 waren ingediend. Art. 16.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari
  4. Brussel, 3 maart
  5. Y. LETERME

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.