Als deze afvalstoffen onverenigbare fysisch-chemische kenmerken vertonen, worden ze in compartimenten opgedeeld. De muren, scheidingsmuurtjes of schermen tussen de verschillende compartimenten bestaan uit metselwerk, beton of andere vuurvaste materialen met gelijkwaardige mechanische en brandweerstand. Bij gebrek daaraan worden de afvalstoffen in lekvrije recipiënten opgeslagen. Art. 4.De opslagplaatsen voor vloeibare afvalstoffen en de desbetreffende toebehoren, zoals leidingen, afsluiters en pompen, zijn efficiënt afgeschermd tegen elk risico van aanrijding met de voertuigen die in de inrichting rondrijden. Art. 5.De vloeibare afvalstoffen worden opgeslagen in recipiënten of tanks bestand tegen corrosie of inbijting door de producten die ze inhouden. Art. 6.Elke ruimte voor de opslag van gevaarlijke afvalstoffen in de openlucht gelegen op een plaats die toegankelijk is voor personen die niets te maken hebben met de opslagsite, is afgesloten met een omheining van minimum twee meter hoog. Andere materiële, stevige en vaste middelen kunnen aangewend worden voor zover ze dezelfde graad van bescherming en veiligheid als de omheining garanderen. De voertuigen van de regionale brandweerdienst hebben vanaf de openbare weg vlotte toegang tot de opslagplaats. Art. 7.De stabiliteit van de mobiele tanks en recipiënten wordt onder alle omstandigheden gegarandeerd. Ze worden geïnstalleerd zodat ze niet kunnen omslaan of scheuren ingevolge extreme druk of verzakkingen. Art. 8.De tanks en de recipiënten worden geplaatst zodat ze makkelijk gecontroleerd en onderhouden kunnen worden, zowel van buiten als van binnen. Art. 9.De vulopeningen worden aangebracht in een lekvrije voorziening voor de opvang van de vloeistoffen die niet rechtstreeks op de openbare riolering aangesloten is. De overhevelingsapparatuur is met veiligheidsvoorzieningen uitgerust om de gevolgen van een storing of een verkeerde behandeling te minimaliseren. HOOFDSTUK III. - Exploitatie Art. 10.Ontvlambare vloeibare afvalstoffen worden opgeslagen in een opslagruimte die gescheiden is van de naburige gebouwen, de openbare wegen en de door het publiek bezochte zones, de voorraden, machines en toestellen van de inrichting die een brand- of ontploffingsrisico inhouden. Art. 11.De exploitant is verplicht over een werkplan te beschikken. Dat werkplan bevat hoe dan ook : 1° de instructies voor het personeel in geval van brand of ongeval;2° de instructies betreffende de hantering, de opslag en de verwijdering van de gevaarlijke afvalstoffen met inachtneming van deze voorwaarden en van de bepalingen van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 9 april 1992 betreffende de gevaarlijke afvalstoffen. Art. 12.De maximale hoeveelheid gevaarlijke afvalstoffen die op de productieplaats opgeslagen mag worden ligt vast in de bijzondere voorwaarden. Art. 13.Zodra de verspreiding van een gevaarlijke afvalstof wordt vastgesteld, wordt de plaats gereinigd en worden de reinigingsresten naar een vergunde installatie afgevoerd. Ze mogen niet rechtstreeks in de ondergrond, een openbare riolering of een oppervlaktewater geloosd worden. HOOFDSTUK IV. - Ongevallen- en brandpreventie Art. 14.Vóór de tenuitvoerlegging van het project en vóór elke wijziging van de plaats en/of de exploitatieomstandigheden die de risico's voor brand of voor de verspreiding ervan zouden kunnen wijzigen, verstrekt de exploitant de territoriaal bevoegde brandweerdienst informatie over de getroffen maatregelen en de aangewende uitrustingen inzake de preventie en de bestrijding van brand en ontploffingen, met inachtneming van de bescherming van de bevolking en het leefmilieu. HOOFDSTUK V. - Water Art. 15.Het regenwater dat regelmatig uit de kuipen of de retentiebakken wordt verwijderd, mag niet geloosd worden in een openbare riolering, een waterloop of om het even welke wateropvangvoorziening zonder controle op de kwaliteit ervan. Regenwater dat eventueel behandeld moet worden, mag niet geloosd worden en wordt afgevoerd naar een installatie die vergund is om het te lozen, al dan niet met een geschikte behandeling. Het water voor de binnenreiniging van de tanks mag niet geloosd worden en wordt afgevoerd naar een installatie die vergund is om het te behandelen. Art. 16.In geval van accidentele lozing mogen de op de grond verspreide vloeibare afvalstoffen geenszins geloosd worden in een openbare riolering, een waterloop of om het even welke voorziening voor de opvang van oppervlaktewateren. Ze worden gerecupereerd en afgevoerd als gevaarlijke afvalstoffen of weer ingevoerd in het circuit voor de behandeling van gevaarlijke afvalstoffen. HOOFDSTUK VI. - Verzekeringen Art. 17.De exploitant is verplicht een verzekeringsovereenkomst te sluiten waarvan het bedrag volstaat om de burgerlijke aansprakelijkheid die uit zijn activiteiten voortvloeit te dekken. TITEL II. - Bovengrondse tanks HOOFDSTUK I. -
.Bij de vulopening van elke tank wordt een bestendige, goed zichtbare en vlot leesbare identificatieplaat aangebracht waarop de volgende gegevens voorkomen : 1° de naam of het merk van de bouwheer;2° het bouwnummer en -jaar;3° de capaciteit van de tank in m3 of in liters;4° de datum van de dichtheidsproef;5° de code van de vervatte vloeibare afvalstof en van de desbetreffende gevaarsymbolen. Art. 19.De vloeibare afvalstoffen worden opgeslagen in tanks met dubbele wand of in tanks met enkelvoudige wand maar geplaatst in een lekvrije kuip of kuil met de volgende kenmerken : 1° de wanden van de kuip vertonen voldoende mechanische weerstand en chemische inertie t.o.v. die vloeistoffen; 2° de kuip is van geen enkele opening voorzien, behalve die welke noodzakelijk zijn voor de opslagleidingen, en is meer bepaald niet rechtstreeks aangesloten op een openbare riolering;3° de kuip heeft een totale capaciteit gelijk aan of groter dan de hoogste van de volgende waarden :
.Bij de vulopening van elke tank wordt een bestendige, goed zichtbare en vlot leesbare identificatieplaat aangebracht waarop de volgende gegevens voorkomen : 1° de naam of het merk van de bouwheer;2° het bouwnummer en -jaar;3° de capaciteit van de tank in m3 of in liters;4° de datum van de dichtheidsproef;5° de code van de vervatte vloeibare afvalstof en van de desbetreffende gevaarsymbolen. Art. 29.De vloeibare afvalstoffen worden opgeslagen in tanks met dubbele wand of in tanks met enkelvoudige wand gebouwd uit gewapend thermohardend kunststof of uit roestvrij staal. De vloeibare afvalstoffen opgeslagen in tanks met enkelvoudige wand die niet uit gewapend thermohardend kunststof of uit roestvrij staal gebouwd zijn worden geplaatst in een lekvrije kuip of kuil met de volgende kenmerken : 1° de wanden van de kuip vertonen voldoende mechanische weerstand en chemische inertie t.o.v. die vloeistoffen; 2° de kuip is van geen enkele opening voorzien, behalve die welke noodzakelijk zijn voor de opslagleidingen, en is meer bepaald niet rechtstreeks aangesloten op een openbare riolering;3° de kuip heeft een totale capaciteit gelijk aan of groter dan de hoogste van de volgende waarden :
.Als de afvalstoffen in verplaatsbare recipiënten opgeslagen worden, zijn deze voorzien van informatie ter identificatie van de afval, alsook van de desbetreffende gevaarsymbolen. Art. 39.§ 1. De vloeibare afvalstoffen opgeslagen in tanks met enkelvoudige wand worden geplaatst in een lekvrije retentiebak, kuip of kuil met de volgende kenmerken : 1° de wanden van de kuip vertonen voldoende mechanische weerstand en chemische inertie t.o.v. die vloeistoffen; 2° de kuip is van geen enkele opening voorzien, behalve die welke noodzakelijk zijn voor de opslagleidingen, en is meer bepaald niet rechtstreeks aangesloten op een openbare riolering;3° de kuip heeft een totale capaciteit gelijk aan of groter dan de hoogste van de volgende waarden :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.