artikel 1322bis bedoelde verzoeken. Wanneer de procedure in het Duits wordt gevoerd, is evenwel alleen de rechtbank van eerste aanleg te Eupen bevoegd. § 2. Als het kind niet in België aanwezig is, wordt het verzoekschrift neergelegd bij of toegezonden aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de verweerder zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Wanneer de procedure in het Duits wordt gevoerd, is evenwel alleen de rechtbank van eerste aanleg te Eupen bevoegd. » Art. 4.In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 633septies ingevoegd, luidende : « Art. 633septies.Enkel de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kind voor zijn ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, is bevoegd om kennis te nemen
artikel 1322decies bedoelde verzoeken. Wanneer de procedure in het Duits wordt gevoerd, is evenwel alleen de rechtbank van eerste aanleg te Eupen bevoegd. » Art. 5.In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 801bis ingevoegd, luidende : « Art. 801bis.De rechter kan de verschrijvingen of misrekeningen verbeteren die voorkomen in een door hem gewezen certificaat, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/
3° bedoelde Verordening met het oog op de bepaling van de modaliteiten van uitoefening van het omgangsrecht. § 2. De verzoeken gegrond op artikel 28
, 3°, bedoelde Verordening die gericht zijn op de verkrijging van de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen inzake omgangsrecht en terugkeer van het kind worden aanhangig gemaakt bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg volgens de in de artikelen 1025 tot 1034 bedoelde procedure. » Art. 7.Artikel 1322ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 24/04/1999 numac 1999015099 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, opgemaakt te `s Gravenhage op 25 oktober 1980, tot opheffing van de artikelen 2 en 3 van de wet van 1 augustus 1985 houdende goedkeuring van het Europees Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, opgemaakt te Luxemburg op 20 mei 1980, alsook tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 1322ter.Onverminderd artikel 1322decies, wordt het verzoekschrift neergelegd bij of bij aangetekende brief toegezonden aan de griffie
artikel 633sexies bedoelde rechtbank van eerste aanleg. » Art. 8.Artikel 1322quinquies, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 24/04/1999 numac 1999015099 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, opgemaakt te `s Gravenhage op 25 oktober 1980, tot opheffing van de artikelen 2 en 3 van de wet van 1 augustus 1985 houdende goedkeuring van het Europees Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, opgemaakt te Luxemburg op 20 mei 1980, alsook tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 1322quinquies.Indien het verzoek wordt ingediend door toedoen van de Centrale Autoriteit aangewezen op grond van een van de Verdragen of de Verordening van de Raad bedoeld in artikel 1322bis, wordt het verzoekschrift ondertekend en aan de voorzitter van de rechtbank voorgelegd door het openbaar ministerie. » Art. 9.Artikel 1322sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 24/04/1999 numac 1999015099 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, opgemaakt te `s Gravenhage op 25 oktober 1980, tot opheffing van de artikelen 2 en 3 van de wet van 1 augustus 1985 houdende goedkeuring van het Europees Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, opgemaakt te Luxemburg op 20 mei 1980, alsook tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek sluiten, wordt aangevuld als volgt : « Geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend tegen een in België gewezen beslissing houdende de niet-terugkeer op grond van artikel 11, 6,
artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad. Geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend tegen een beslissing houdende bepaling van de maatregelen tot bescherming op grond van artikel 11, 4,
artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad. Geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend tegen een beschikking gewezen door de voorzitter van de rechtbank op grond van artikel 1322decies, §
artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad, alsook de stukken die als bijlage gaan, welke overeenkomstig artikel 11, 6, van bedoelde Verordening moeten worden toegezonden aan het bevoegde gerecht of aan de Centrale Autoriteit van de lidstaat waarin het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of de ongeoorloofde niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, worden door de griffier binnen drie werkdagen te rekenen vanaf de datum van de uitspraak toegezonden aan de Belgische Centrale Autoriteit. §
artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad, worden bij ter post aangetekende brief toegezonden aan de griffier van de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kind onmiddellijk voor zijn ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had. § 2. Vanaf de ontvangst van de stukken en uiterlijk binnen drie werkdagen brengt de griffier de informatie bedoeld in artikel 11, 7,
bedoelde Verordening van de Raad bij gerechtsbrief ter kennis aan de partijen en aan het openbaar ministerie. De gerechtsbrief bevat de volgende vermeldingen : 1° de tekst van artikel 11
artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad;2° een verzoek aan de partijen om de conclusies binnen drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving bij de griffie neer te leggen.Deze neerlegging maakt het geschil aanhangig bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. §
bedoelde Verordening van de Raad, kan op verzoek van een van de partijen tevens betrekking hebben op het omgangsrecht, ingeval in de beslissing de terugkeer van het kind naar België zou worden bevolen. §
bedoelde Verordening van de Raad, wordt het kind gehoord overeenkomstig artikel 42, 2, a), van bovengenoemde Verordening en Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken. » Art. 12.In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1322undecies ingevoegd, luidende : « Art. 1322undecies.In de beslissing waarin de terugkeer van het kind wordt bevolen op grond van artikel 12 van het Verdrag van 's-Gravenhage of van artikel 11, 8, van de Verordening van de Raad bedoeld in artikel 1322bis, 3°, bepaalt de voorzitter van de rechtbank de nadere regels betreffende de tenuitvoerlegging van zijn beslissing, rekening houdend met het belang van het kind, en wijst, indien hij zulks nodig acht, de personen aan die gemachtigd zijn de deurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging ervan. » Art. 13.In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1322duodecies ingevoegd, luidende : « Art. 1322duodecies.§ 1. Voor de toepassing van artikel 11, 4,
artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad, maakt het openbaar ministerie, op vraag van de Belgische Centrale Autoriteit, de zaak aanhangig bij de jeugdrechtbank van de plaats waar het kind voor zijn ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had. §
bedoelde Verordening, zendt de Belgische Centrale Autoriteit de informatie die haar is bezorgd door het gerecht van een andere lidstaat over aan de bevoegde gemeenschapsinstantie. » Kondigen deze wet af, bevelen dat zijn met's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 10 mei 2007. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.