van de dienst wisselt regelmatig gegevens uit met de personen belast met de opvoeding van de kinderen. Het roept al deze personen ten minste één keer per jaar samen om hun standpunt in het pedagogisch concept te kunnen inbouwen. De personen belast met de opvoeding verkrijgen schriftelijk alle nodige inlichtingen over de werking van de dienst. De maatschappelijk werker/de sociaal verpleger aangewezen voor de persoon belast met de opvoeding moet ten minste één keer per week, per telefoon, ter hare beschikking staan tijdens de vooraf bepaalde tijdperken om haar inlichtingen te kunnen verstrekken en met haar over de problemen te discussiëren. Deze tijdperken moeten aan de persoon belast met de opvoeding worden medegedeeld.
informeert zich regelmatig over de levensomstandigheden van de kinderen, hun gedrag, hun gezondheid en hun voeding in samenwerking met de onthaalouders en de personen belast met de opvoeding en zorgt ervoor dat deze laatste personen aan de begeleidingsopdracht deelnemen. De personen belast met de opvoeding worden regelmatig over het verloop van de begeleiding en het welzijn van hun kind bij de onthaalouder geïnformeerd op de door de dienst bepaalde wijze. Verplichtingen t.o.v. de erkende onthaalouders Art. 11.De dienst heeft de volgende verplichtingen t.o.v. de onthaalouders : 1° met hen een contract sluiten overeenkomstig een door hem opgemaakt model;het modelcontract moet door de D.K.F. worden goedgekeurd. De D.K.F. beslist binnen de twee maanden na de ontvangst van het dossier. Wordt geen beslissing genomen binnen deze termijn, dan wordt het model geacht goedgekeurd te zijn; 2° hen in de uitvoering van hun opdracht ondersteunen en de contacten bevorderen/vergemakkelijken met de personen belast met de opvoeding;3° de uitrusting te hunner beschikking stellen die voor de opvang van jonge kinderen noodzakelijk is;4° te hunner gunst een verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid en een arbeidsongevallenverzekering aangaan;5° voor hun begeleiding en hun voortgezette opleiding zorgen;6° voor de sociale zekerheid van de onthaalouders zorgen overeenkomstig de vereisten van de toepasselijke bepalingen houdende inrichting van het sociaal statuut van de onthaalouders; 7° hen aanbevelen hun eigen kinderen overeenkomstig de onderrichtingen van de D.K.F. te laten vaccineren; 8° ervoor zorgen dat elke onthaalouder over een "opvangkapitaal" van ten hoogste 92 dagen per maand beschikt voor alle haar toevertrouwde kinderen.Het opvangkapitaal is het maximaal aantal opvangdagen dat een onthaalouder mag tellen. De dienst deelt de D.K.F. de thema's van de voortgezette opleiding van de onthaalouders ter goedkeuring mede. Te dien einde dient de dienst vóór het begin van elk semester een programma van de beoogde activiteiten in. Deelt de D.K.F. geen beslissing mede binnen de maand na de zending, dan wordt het programma als goedgekeurd beschouwd. De dienst moet het programma m.b.t. bijkomende activiteiten inzake voortgezette opleiding 14 dagen vóór de bekendmaking ervan aan de D.K.F. ter informatie meedelen. Afdeling II. - Erkenning van de dienst voor onthaalouders Aanvraag Art. 12.§ 1 - Om erkend te worden dient de inrichtende macht van de dienst voor onthaalouders, hierna "dienst" genoemd, een aanvraag bij de D.K.F. in waarbij volgende documenten gevoegd worden : 1° de identiteit van de aanvrager;2° de statuten van de rechtspersoon;3° het bewijs dat er een behoefte aan opvang bestaat, rekening houdend met de geografische, demografische en socio-economische gegevens;4° de identiteit en de kwalificatie van de personen belast met de begeleiding van de onthaalouders alsmede die van het administratief personeel;5° de aangevraagde opnamecapaciteit en het gewenste aantal onthaalouders die moeten worden erkend;6° het financieringsconcept; 7° het omstandig concept van de dienst waarin o.a. het doel, het opvangconcept, de beschrijving van de infrastructuur, de functiebeschrijving m.b.t.
en de beschrijving van de samenwerking met de persoon belast met de opvoeding en de andere instellingen alsmede het concept inzake gezondheidsbevordering nauwelijks uitgelegd worden; 8° het huishoudelijk reglement waarin de contractmodaliteiten en de werking van de dienst uitgelegd worden. Wijzigingen m.b.t. deze gegevens moeten de D.K.F. binnen de vijf dagen medegedeeld worden. § 2 - De dienst moet ten minste voor 14.840 opvangdagen ten gunste van kinderen tussen 0 en 3 jaar zorgen. Jaarlijks in de loop van de maand februari dient de dienst bij de D.K.F. een lijst in met het aantal opvangdagen per onthaalouder. Bepalingen inzake personeel Art. 13.§ 1 - De dienst moet over vakpersoneel beschikken overeenkomstig volgende personeelssleutel : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor de berekening van de personeelssleutel worden halve opvangdagen gelijkgesteld met hele dagen. Een 1/3-opvangdag bij een onthaalouder wordt voor éénderde berekend. Elk personeelslid moet ten minste een halftijdse betrekking hebben. De leden van het vakpersoneel moeten houder zijn van het diploma van maatschappelijk assistent of van sociaal verpleger. De Minister kan houders van andere diploma's toelaten als zij een voor de beoogde functie buitengewoon nuttige ervaring of een bijzondere opleiding kunnen bewezen. Voor de subsidiëring wordt echter slechts als maximale toelage de door de Regering voor de personeelssubsidiëring in de sectoren « Sociale Aangelegenheden » en « Gezondheid » bepaalde weddeschalen voor een maatschappelijk werker in aanmerking genomen. De opdracht van het vakpersoneel bestaat er hoofdzakelijk in de onthaalouders te kiezen, de kinderen te plaatsen, de personen belast met de opvoeding te adviseren alsmede de onthaalouders te begeleiden en voor hun voortgezette opleiding te zorgen. Het vakpersoneel neemt aan voortgezette opleidingen deel. Op het einde van het jaar dient de dienst een samenvattende lijst met de gevolgde opleidingsactiviteiten bij de D.K.F. in. § 2 - De dienst beschikt over een secretariaat en biedt ten minste één keer per week "open" consulten aan. De opsteller bevoegd voor het secretariaat, die ten minste een halftijdse betrekking heeft, is ten minste houder van het diploma van het hoger secundair onderwijs. § 3 - Jaarlijks in de loop van de maand februari dient de dienst een samenvattende lijst in met
dat het voorafgaande jaar effectief tewerkgesteld was. Deze lijst moet de volgende persoonsgegevens opnemen : de naam, het geboortejaar, het diploma, de functie, de indiensttreding, de dienstanciënniteit, de arbeidsregeling, de toepasselijke barema's alsmede de brutowedde. Elke wijziging qua personeel moet binnen de maand aan de D.K.F. medegedeeld worden. Afdeling III.- Subsidiëring van de erkende dienst voor onthaalouders Algemene bepaling Art. 14.Slechts erkende diensten mogen binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen en in het kader van de verplichtingen opgelegd in het beheerscontract dat desgevallend met toepassing van artikel 4 van het decreet wordt afgesloten, overeenkomstig volgende bepalingen toelagen verkrijgen voor de aanneembare kosten m.b.t.
, de opvang, het beheer en de voortgezette opleiding. De in artikel 27, § 2, bedoelde retributie wordt van de totale jaarlijkse toelage afgetrokken die door de Regering voor het daaropvolgend jaar wordt toegekend; de dienst verkrijgt 20% van deze retributie als dossierkosten. Aanneembare kosten m.b.t.
.§ 1 - Voor de subsidiëring van de personeelskosten wordt de berekeningsbasis aangewend die voor de sectoren « Sociale aangelegenheden » en « Gezondheid » door de Regering vastgelegd is. Worden slechts in aanmerking genomen de kosten van de personeelsleden die houder zijn van de in voorliggend besluit toegestane diploma's. § 2 - Voor de subsidiëring van de personeelskosten m.b.t. het vakpersoneel wordt de personeelssleutel bepaald in artikel 13, § 1, in aanmerking genomen. Toelagen die eventueel voor tewerkstellingsmaatregelen worden gekregen, worden afgetrokken. Wat de voor het secretariaat tewerkgestelde opsteller betreft, verkrijgt de dienst een toelage voor een halve resp. een 75%-betrekking als hij ten minste 35.300 opvangdagen resp. 50.001 opvangdagen kan bewijzen. Voor de berekening van de personeelsleutel worden halve opvangdagen gelijkgesteld met hele opvangdagen. Een 1/3-opvangdag wordt voor éénderde berekend. Om de twee jaar wordt de subsidiëring van de personeelskosten aangepast op basis van het totaal aantal opvangdagen van de 2 voorafgaande kalenderjaren. In februari wordt de dienst geïnformeerd over de vanaf september subsidieerbare personeelsbezetting. § 3 - Voor het vakpersoneel met een voltijdse betrekking wordt een forfaitair bedrag van euro 72,63 per maand toegekend voor de reiskosten. Bij deeltijdse tewerkstelling wordt het bedrag naar rato verminderd. Aanneembare kosten m.b.t. de opvang Art. 16.§ 1 - Wat de aanneembare opvangkosten betreft, verkrijgt de dienst een toelage die overeenstemt met het verschil tussen de dagelijkse vergoeding van de onthaalouders, bepaald in artikel 22, § 1, en de kostenbijdrage van de personen belast met de opvoeding, met inbegrip van de retributie waarin artikel 27, § 2, voorziet. § 2 - Voor de opvang van gehandicapte kinderen mag de dienst een bijkomende toelage verkrijgen ten belope van 50% van de in artikel 22, § 1, lid 1, bedoelde dagelijkse vergoeding, als deze kinderen bijzondere zorgen, een meer intensief toezicht en een grotere aandacht nodig hebben. Te dien einde dient de dienst een individuele aanvraag in bij de D.K.F., samen met een door een gespecialiseerde instelling of een geneesheer-specialist uitgebracht advies of, desgevallend, met een sociaal verslag. De D.K.F. beslist binnen de maand. Wordt geen beslissing genomen binnen deze termijn, dan wordt de aanvraag geacht goedgekeurd te zijn. § 3 - De werkgeversbijdragen en premies voor de arbeidsongevalverzekering van de onthaalouder worden door de Regering aan de dienst terugbetaald. § 4 - Voor de aanschaffing van pedagogische hulpmiddelen voor de onthaalouders verkrijgt de dienst op voorlegging van bewijsstukken een jaarlijkse toelage van ten hoogste euro 2.
wisselt regelmatig gegevens uit met de personen belast met de opvoeding van de kinderen. De kribbe roept al deze personen ten minste één keer per jaar samen om hun standpunt in het pedagogisch concept te kunnen inbouwen. § 3 - De personen belast met de opvoeding verkrijgen schriftelijk alle nodige inlichtingen over de werking van de kribbe. § 4 -
informeert zich regelmatig over de levensomstandigheden van de kinderen, hun gedrag, hun gezondheid en hun voeding bij de personen belast met de opvoeding en zorgt ervoor dat deze laatste personen aan de begeleidingsopdracht deelnemen. § 5 - De personen belast met de opvoeding worden regelmatig over de ontwikkeling van hun kind geïnformeerd op de door de kribbe bepaalde wijze. Afdeling II. - Erkenning van de kribbe Aanvraag Art. 30.Om erkend te worden, stuurt de inrichtende macht van de kribbe een aanvraag met volgende documenten/gegevens aan de D.K.F. : 1° de identiteit van de aanvrager;2° de statuten van de rechtspersoon;3° het bewijs dat er een behoefte aan opvang bestaat, rekening houdend met de geografische, demografische en socio-economische gegevens;4° de identiteit en de kwalificatie van de personen belast met het toezicht op de kinderen;5° de aangevraagde opnamecapaciteit;6° het financieringsconcept; 7° het omstandig concept waarin o.a. het doel, het opvangconcept, de beschrijving van de infrastructuur, de functiebeschrijving m.b.t.
en de beschrijving van de samenwerking met de persoon belast met de opvoeding en de andere instellingen nauwelijks uitgelegd worden; 8° het huishoudelijk reglement waarin de contractmodaliteiten, de werking en de door de kribbe beoogde gezondheidsbevordering uitgelegd worden;9° het advies van de GAK van de gemeente waar de kribbe gevestigd is;10° een advies inzake brandveiligheid uitgereikt door de commandant van de brandweerdienst van de gemeente waar de opvangplaats zich bevindt;11° het bewijs dat de inrichtende macht een verzekeringsovereenkomst tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de uitoefening van zijn activiteiten heeft afgesloten. Wijzigingen m.b.t. gegevens vermeld in deze documenten moeten de D.K.F. binnen de maand medegedeeld worden. Opnamecapaciteit Art. 31.§ 1 - De kribbe moet een minimale opnamecapaciteit van 18 plaatsen hebben. § 2 - De erkenning vermeldt de erkende opnamecapaciteit alsmede de personeelssleutel vastgelegd overeenkomstig artikel 34, § 1. Om de opnamecapaciteit te verhogen, dient de erkende kribbe een met redenen omklede aanvraag bij de bevoegde Minister in. Voor een verdere verhoging van de opnamecapaciteit is een bezettingsgraad van 85% van de bestaande plaatsen tijdens de openingsdagen van de kribbe vereist. De bezettingsgraad wordt berekend op de basis van de werkelijke aanwezigheden, waarbij zowel de hele als de halve dagen als volledige aanwezigheden tellen. Volgende formule wordt aangewend om de bezettingsgraad te berekenen : Theoretische maximale opnamecapaciteit : 220 T x opnamecapaciteit = X Bezettingsgraad : Werkelijke (zowel hele als halve) opvangdagen = Y = % van X § 3 - De minimale bezettingsgraad van de kribbe moet tijdens de 220 vastgelegde openingsdagen op 70% liggen. Bepalingen m.b.t. de lokalen en de situatie Art. 32.Het oord waar de kribbe gelegen is, moet aan volgende eisen voldoen : 1° gemakkelijke toegang voor het publiek;2° verkeersveiligheid;3° omgeving waar de kinderen zich thuis voelen;4° speelmogelijkheden in openlucht. Het gebouw moet aan de bepalingen beantwoorden die inzake brandbeveiliging van toepassing zijn. Als de kribbe deel uitmaakt van een gebouw dat voor andere doeleinden bestemd is, dan moet ze over een gescheiden ingang beschikken. De kribbe beschikt over haar eigen telefoonaansluiting. Art. 33.§ 1 - De totale minimale oppervlakte van de lokalen van de kribbe beloopt 12 m2 per "plaats", waarvan 5,5 à 6 m2 voor de speel-, de rust- en de eethoeken en 2 à 3 m2 voor de opvang en de zorgen. In de lokalen bestemd voor de opvang bedragen de openingen voor daglicht ten minste 1/6 van de oppervlakte. Alle lokalen moeten gemakkelijk kunnen worden gereinigd, over een voldoende verlichting, een goede luchtverversing en een goede verwarming in verhouding tot de buitentemperatuur beschikken. In alle lokalen die voor de kinderen toegankelijk zijn, moet de vloerbekleding antislip zijn. § 2 - Het rustlokaal is gescheiden van de andere lokalen. Indien zuigelingen opgenomen worden, dan moet in een gescheiden rustoppervlakte voorzien worden. De inrichting van de keuken maakt een snelle en eenvoudige verdeling van het voedsel mogelijk. Het lokaal bestemd voor de hygiënische zorgen is uitgerust met een voldoende aantal wastafels, babycommodes en aangepaste toiletten. § 3 - De kribbe beschikt over een isoleerkamer met visueel contact voor het vakpersoneel vanuit zijn verblijflokaal. Bepalingen inzake personeel Art. 34.§ 1 - De kribbe moet over vakpersoneel beschikken overeenkomstig volgende tabel waarvan de voorwaarden cumulatief zijn : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Elk personeelslid moet ten minste een halftijdse betrekking hebben. § 2 - De maatschappelijk assistent/sociaal verpleger moet houder zijn van het dienovereenkomstig diploma van het hoger onderwijs. Hij is bij voorrang belast met de organisatie en het bestuur van de kribbe, de voortgezette opleiding van de kinderenverzorgers alsmede met de samenstelling van de ploegen. Hij dient als "tussenpersoon" tussen de dienst, de ouders en de kinderenverzorgers. De bevoegde Minister kan houders van andere diploma's toelaten als zij een voor de beoogde functie buitengewoon nuttige ervaring of een bijzondere opleiding kunnen bewijzen. Voor de subsidiëring worden echter slechts als maximale toelage de door de Regering voor de personeelssubsidiëring in de sectoren « Sociale Aangelegenheden » en « Gezondheid » bepaalde weddeschalen voor een maatschappelijk werker in aanmerking genomen. De kinderenverzorgers moeten houder zijn van het diploma van kinderenverzorger of een door de Duitstalige Gemeenschap erkende opleiding op het gebied van de opvang van jonge kinderen met vrucht hebben beëindigd. De bevoegde Minister kan houders van andere diploma's toelaten als zij een voor de beoogde functie buitengewoon nuttige ervaring of een bijzondere opleiding kunnen bewijzen. Voor de subsidiëring wordt echter slechts als maximale toelage de door de Regering voor de personeelssubsidiëring in de sectoren « Sociale Aangelegenheden » en « Gezondheid » bepaalde weddeschalen voor een kinderenverzorger in aanmerking genomen. De kinderenverzorgers nemen deel aan de door de kribbe georganiseerde voortgezette opleidingen. De bij de voortgezette opleiding behandelde thema's moeten de D.K.F. vóór het begin ervan medegedeeld en door hem goedgekeurd worden. Te dien einde dient de kribbe vóór het begin van elk semester een programma van de beoogde activiteiten in. Deelt de D.K.F. geen beslissing mede binnen de maand na de zending, dan wordt het programma als goedgekeurd beschouwd. Het vakpersoneel neemt aan voortgezette opleidingen deel. Op het einde van het jaar dient de dienst een overzicht van de gevolgde activiteiten bij de D.K.F. in. § 3 - Jaarlijks in de loop van de maand februari dient de dienst een samenvattende lijst in met
dat het voorafgaande jaar effectief tewerkgesteld was. Deze lijst moet de volgende persoonsgegevens opnemen : het geboortejaar, het diploma, de functie, de indiensttreding, de dienstanciënniteit, het afschrift van de arbeidsovereenkomst, de toepasselijke barema's alsmede de brutowedde. Elke wijziging qua personeel moet binnen de maand aan de D.K.F. medegedeeld worden. Afdeling III. - Subsidiëring van de erkende kribben Algemene bepaling Art. 35.Slechts de erkende kribben mogen binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen en in het kader van de verplichtingen opgelegd in het beheerscontract dat desgevallend met toepassing van artikel 4 van het decreet wordt afgesloten, overeenkomstig volgende bepalingen toelagen verkrijgen voor de aanneembare kosten m.b.t.
, de opvang en de voortgezette opleiding. Aanneembare kosten m.b.t.
.§ 1 - Voor de subsidiëring van de personeelskosten wordt de berekeningsbasis aangewend die voor de sectoren « Sociale aangelegenheden » en « Gezondheid » door de Regering vastgelegd is. Worden slechts in aanmerking genomen de kosten van de personeelsleden die houder zijn van de in voorliggend besluit toegestane diploma's. § 2 - Voor de subsidiëring van de personeelskosten m.b.t. het vakpersoneel wordt de personeelssleutel bepaald in artikel 34, § 1, in aanmerking genomen. Eventuele toelagen verkregen in het kader van tewerkstellingsmaatregelen worden afgetrokken. Om de twee jaar wordt de personeelsbezetting van de dienst voor de subsidiëring aangepast op basis van het totaal aantal opvangdagen van de 2 voorafgaande jaren. In februari van het lopende jaar wordt de dienst geïnformeerd over de vanaf september subsidieerbare personeelsbezetting. Aanneembare kosten m.b.t. de opvang Art. 37.Voor de opvang van gehandicapte kinderen mag de kribbe een toelage ten belope van euro 5,45 voor een hele en euro 3,27 voor een halve opvangdag aanvragen, als deze kinderen bijzondere zorgen, een meer intensief toezicht en een grotere aandacht nodig hebben. De desbetreffende aanvraag om goedkeuring wordt bij de D.K.F. ingediend, samen met een door een gespecialiseerde instelling of een geneesheer-specialist uitgebracht advies of, desgevallend, met een sociaal verslag. Deelt de D.K.F. geen beslissing mede binnen de maand na de zending, dan wordt de aanvraag als goedgekeurd beschouwd. Aanneembare kosten m.b.t. de voortgezette opleiding Art. 38.Voor de organisatie van de in artikel 34, § 2, bedoelde voortgezette opleiding verkrijgt de kribbe een jaarlijks forfaitair bedrag van ten hoogste euro 745 op voorlegging van bewijsstukken, als de ter zake opgelegde verplichtingen nagegaan zijn. Dit forfaitair bedrag bevat ook de kosten m.b.t. een voortgezette opleiding inzake medische vragen. Bepalingen m.b.t. de uitbetaling Art. 39.De in artikel 19 van voorliggend besluit vastgelegde bepalingen m.b.t. de uitbetaling gelden ook voor erkende kribben. Financieel bestuur Art. 40.De in artikel 20 van voorliggend besluit vastgelegde procedures gelden ook voor erkende kribben. Afdeling IV. - Inschrijving en kostenbijdrage van de personen belast met de opvoeding Art. 41.De in artikel 23 van voorliggend besluit vastgelegde procedures gelden ook voor kribben. HOOFDSTUK IV. - Buitenschoolse opvang Afdeling 1. - Opdrachten van de erkende buitenschoolse opvang Art. 42.§ 1 - De buitenschoolse opvang verschilt duidelijk van het alledaagse schoolleven. Dit verschil is duidelijk zichtbaar in de organisatie, de lokalen en het opvangconcept van de opvangstructuur. § 2 - De buitenschoolse opvang moet ten minste 4 dagen per schoolweek voor een opvang vóór en/of na de school zorgen. Art. 43.Voor elk opgevangen kind moeten volgende gegevens beschikbaar zijn : 1° naam, voornaam en adres van het kind;2° naam, adres en telefoonnummer van de contactperso(o)n(en);3° adres en telefoonnummer van de huisarts;4° bijzondere gegevens over de gezondheidstoestand van het kind, indien deze voor het dagelijks omgaan met het kind pertinent zijn. Afdeling II. - Erkenning van de buitenschoolse opvang Aanvraag Art. 44.§ 1 - Om erkend te worden, dient de inrichtende macht van de buitenschoolse opvang, hierna « inrichtende macht » genoemd, een aanvraag bij de D.K.F. in, waarbij volgende documenten worden gevoegd : 1° de identiteit van de aanvrager;2° het opvangconcept;3° het bewijs dat de er voldaan wordt aan de in artikel 42 bepaalde voorwaarden;4° een gunstig advies van de GAK.Indien het aanbod zich tot de bevolking van meerdere gemeenten richt, moet een advies van al de GAK's ingediend worden die territoriaal en materieel bevoegd zijn; 5° een gunstig advies inzake brandveiligheid uitgereikt door de bevoegde commandant van de brandweerdienst qua lokalen gebruikt voor de buitenschoolse opvang;6° het bewijs dat de inrichtende macht een verzekeringsovereenkomst tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de uitoefening van zijn activiteiten heeft afgesloten. Wijzigingen in de gegevens van deze documenten moeten binnen de maand aan de D.K.F. worden medegedeeld. § 2 - De D.K.F. brengt een advies uit over de lokalen, het opvangconcept, de conformiteit met de toepasselijke rechtelijke bepalingen en de opportuniteit van de buitenschoolse opvang. Bepalingen m.b.t. de lokalen en de situatie Art. 45.§ 1 - De lokalen gebruikt voor de buitenschoolse opvang moeten zodanig ingericht zijn dat de kinderen zich daar vrij en veilig kunnen bewegen. § 2 - Binnen een woonkader moet er in een speelruimte met een rusthoek worden voorzien. De kinderen moeten de mogelijkheid hebben om in een veilig kader buiten te spelen. Er moet in een voldoend aantal sanitaire inrichtingen voor de verschillende leeftijdsklassen alsmede in een wasbak worden voorzien. Het begeleidingspersoneel moet, binnen de lokalen van de buitenschoolse opvang, per telefoon kunnen worden bereikt. § 3 - Wat de lokalen betreft, brengt de D.K.F. een advies over de volgende punten uit : 1° hygiëne 2° lichtbronnen (natuurlijke en kunstverlichting) 3° veiligheid : buitenomgeving (straat, trottoirs, afsluiting...), veiligheidsmaatregelen in de lokalen (stopcontacten, trappen, vensters,...) 4° aanbeveling m.b.t. de grootte van de lokalen 5° toestand van de lokalen 6° verdeling binnenshuis (verschillende speelhoeken, verdeling naar leeftijdsklasse) 7° mogelijkheid om een keuken te installeren 8° buiteninfrastructuur (tuin, speelmogelijkheden,...) 9° sfeer die de kinderen in de smaak valt. Bepalingen m.b.t.
.§ 1 - Het begeleidingspersoneel moet ten minste 18 jaar oud zijn en een EHBO-cursus hebben gevolgd of zich er contractueel toe verplichten binnen één jaar na de aanwerving zo'n cursus te volgen. Het bewijs van de deelname aan een EHBO-cursus moet worden geleverd. De eerste-hulp-kennis moet om de 5 jaar, overeenkomstig de vereisten, geactualiseerd worden. § 2 - Bij gemiddelde aanwezigheid van 16 kinderen moet een lid van het begeleidingspersoneel aanwezig zijn. Bij gemiddelde aanwezigheid van 17 tot 32 kinderen moeten 2 leden van het begeleidingspersoneel aanwezig zijn. De gemiddelde aanwezigheden worden berekend door het totaal aantal aanwezige kinderen door het aantal openingsdagen per trimester te delen. § 3 - Aan het begeleidingspersoneel worden voortgezette opleidingen en raadgevingen gratis aangeboden door de inrichtende macht. Veiligheidsbepalingen Art. 47.Er moet voldaan worden aan alle veiligheidsbepalingen die van toepassing zijn. De inrichtende macht zorgt voor de veiligheid van de kinderen op de weg tussen de school en de plaats van de buitenschoolse opvang. Een verbandetui moet beschikbaar zijn. Huishoudelijk reglement Art. 48.Bij het begin van de opvang wordt er aan elke gebruiker een huishoudelijk reglement uitgereikt dat het opvangconcept, het concrete verloop van de opvang, de in artikel 6, § 2, bepaalde beroepsmogelijkheid en de kostenbijdrage van de ouders bevat. Afdeling III. - Subsidiëring van de erkende buitenschoolse opvang Algemene bepalingen Art. 49.§ 1 - Slechts de erkende structuren voor buitenschoolse opvang die aan de bepalingen van deze afdeling voldoen, kunnen binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen en in het kader van de verplichtingen opgelegd in het beheerscontract dat desgevallend met toepassing van artikel 4 van het decreet wordt afgesloten, een toelage verkrijgen voor de aanneembare inrichtingskosten en voor de dekking van het deficit. § 2 - De aanvraag om subsidiëring kan tegelijkertijd met de aanvraag om erkenning worden ingediend. Naast de in artikel 44, § 1, vermelde documenten bevat de aanvraag om subsidiëring ook een financieringsplan met een schatting van de uitgaven en ontvangsten. Opvang Art. 50.§ 1 - Elke persoon belast met de opvoeding heeft toegang tot de buitenschoolse opvang. De voorrang wordt verleend aan de kinderen van werkende ouders, van stagiaires en van personen die om sociale of medische redenen niet voor de opvang van de kinderen kunnen zorgen. § 2 - De inrichtende macht bepaalt het door zijn opvangaanbod bestreken gebied, waarbij zijn aanbod zich in principe aan de kinderen van alle scholen uit het bestreken gebied richt. Bepalingen m.b.t.
.§ 1 - De kinderen moeten begeleid worden door een personeel met een opleiding i.v.m. het kind of de opvoeding. Indien geen persoon met een opleiding i.v.m. het kind of de opvoeding beschikbaar is wegens een bewezen gebrek aan personeel, kan de inrichtende macht een met redenen omklede aanvraag om afwijking bij de D.K.F. indienen. De D.K.F. beslist binnen de twee maanden na de ontvangst van de aanvraag. Wordt geen beslissing genomen binnen deze termijn, dan wordt de aanvraag geacht goedgekeurd te zijn. De D.K.F. keurt de aanvraag schriftelijk goed als de bekwaamheden van het lid van het begeleidingspersoneel met de door hem vastgelegde richtlijnen overeenstemmen. De aanwerving van begeleidingspersoneel zonder opleiding i.v.m. de opvang van kinderen of de opvoeding kan pas plaatsvinden nadat de D.K.F. deze goedkeuring heeft gegeven. § 2 - De inrichtende macht zorgt ervoor dat elk personeelslid een voortgezette opleiding van ten minste 10 uren per jaar volgt. Deze voortgezette opleiding betreft thema's zoals de gezondheidseducatie, de psychologie en de algemede opvoeding van het kind alsmede de ontwikkeling van de opdrachten die het begeleidingspersoneel toevertrouwd worden. Art. 52.Voor
van de buitenschoolse opvang geldt de volgende personeelssleutel : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De gemiddelde aanwezigheden worden berekend door het totaal aantal aanwezige kinderen door het aantal openingsdagen per trimester te delen. Kostenbijdrage van de personen belast met de opvoeding Art. 53.De inrichtende macht vereist van de gebruikers een persoonlijke kostenbijdrage en voorziet in een sociaal tarief voor de gezinnen met een laag inkomen. Subsidiëring Art. 54.§ 1 - Bij het begin van de buitenschoolse opvang wordt een eenmalige toelage van 50% aan de inrichtende macht verleend voor de inrichtingskosten van een vestiging, ten belope van ten hoogste euro 2.500 per vestiging, waarbij deze toelage tijdens twee jaar vanaf de erkenning kan worden aangevraagd. Bij de aanvraag om subsidiëring moeten een lijst met het noodzakelijk materieel en een kostenraming gevoegd worden. De Minister beslist over het bedrag van de toelage na het advies van de D.K.F. te hebben ingewonnen. § 2 - De toelage wordt uitbetaald nadat de vereiste bewijsstukken ingediend en onderzocht zijn. De bewijzen moeten twee keer per jaar worden ingediend, ten laatste op 31 maart en 15 augustus. § 3 - Wordt er een einde gemaakt aan de buitenschoolse opvang vóór een termijn van twee jaar na de installatie, dan moet de inrichtende macht, op verzoek van de Regering, de dankzij de middelen van de Duitstalige Gemeenschap aangeworven uitrusting aan de D.K.F. teruggeven. Art. 55.§ 1 - Indien de resultatenrekening van de buitenschoolse opvang, rekening houdend met alle ontvangsten, op het einde van het kalenderjaar met een tekort wordt afgesloten, neemt de Regering 50% van het tekort per vestiging op zich ten belope van : 1° euro 758 als 6 tot 10 kinderen, in doorsnede, tijdens het kalenderjaar opgevangen werden; 2° euro 1.137 als 11 tot 22 kinderen, in doorsnede, tijdens het kalenderjaar opgevangen werden; 3° euro 1.515 als 23 tot 36 kinderen, in doorsnede, tijdens het kalenderjaar opgevangen werden. De gemiddelde aanwezigheden worden berekend door het totaal aantal aanwezige kinderen door het aantal openingsdagen per kalenderjaar te delen. § 2 - Indien de opvangstructuur niet tijdens het hele kalenderjaar bestaat, dan wordt het bedrag vastgelegd in § 1 naar rato berekend. Art. 56.Ten laatste op 30 maart van het volgende jaar dient elke inrichtende macht een resultatenrekening en een activiteitenverslag over het afgelopen jaar in. Dit activiteitenverslag vermeldt : 1° het aantal openingsdagen en de openingsuren;2° het totaal aantal aanwezigheden;3° het totaal aantal van de gemiddelde aanwezigheden;4° het aantal leden van het begeleidingspersoneel;5° de analyse en de evaluatie van de activiteiten;6° de perspectieven wat de toekomst van de opvangstructuur betreft. Art. 57.Indien een buitenschoolse opvang per jaar tijdens de schoolvakanties ten minste één maand kinderen opneemt, kan deze opvang met toepassing van artikel 64 als project met beperkte geografische omvang gesubsidieerd worden. HOOFDSTUK V. - Kinderopvangcentrum Afdeling I. - Opdrachten van het kinderopvangcentrum Art. 58.Een kinderopvangcentrum moet ten minste volgende diensten aanbieden : 1° een erkende dienst voor onthaalouders;2° een erkende kribbe;3° een erkende dienst voor buitenschoolse opvang. Afdeling II. - Erkenning van het kinderopvangcentrum Aanvraag Art. 59.Om erkend te worden, dient de inrichtende macht, hierna centrum genoemd, een aanvraag bij de D.K.F. in, waarbij volgende documenten worden gevoegd : 1° de identiteit van de aanvrager;2° de statuten van de rechtspersoon;3° het bewijs dat er voldaan wordt aan de in artikel 58 van dit besluit opgesomde voorwaarden; 4° het concept m.b.t. de coördinatie van de verschillende diensten van het centrum. Bepalingen m.b.t.
Dit ambt moet door één of meerdere personen worden uitgeoefend die houders zijn van een universitair diploma dat voor de leiding van het centrum nuttig is. Voor de personen aan wie op het ogenblik van de inwerkingtreding van voorliggend besluit reeds de leiding van een centrum is toevertrouwd, kan de bevoegde Minister andere diploma's toelaten op grond van een voor de beoogde functie buitengewoon nuttige ervaring of bijzondere opleiding. Bovendien moet het centrum tenminste over een pedagoog met een halftijdse betrekking beschikken. Deze pedagoog moet ten minste houder zijn van een diploma van maatschappelijk werker met ervaring op pedagogisch vlak. De bevoegde Minister kan houders van andere diploma's toelaten, als ze een voor de beoogde functie buitengewoon nuttige ervaring of bijzondere opleiding kunnen bewijzen. Afdeling III. - Subsidiëring van het kinderopvangcentrum Algemene bepalingen Art. 61.Het erkende centrum kan binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen een toelage verkrijgen voor de aanneembare kosten m.b.t.
. Aanneembare kosten m.b.t.
.§ 1 - Voor de subsidiëring van de personeelskosten wordt de berekeningsbasis aangewend die voor de sectoren « Sociale aangelegenheden » en « Gezondheid » door de Regering vastgelegd is. Worden slechts in aanmerking genomen de kosten van de personeelsleden die houder zijn van de in artikel 60 vastgelegde diploma's. § 2 - Voor de subsidiëring van de personeelskosten m.b.t. de pedagoog wordt voor de maximale toelage de weddeschaal van een maatschappelijk werker in aanmerking genomen, zelfs wanneer andere diploma's met toepassing van artikel 60, lid 2, toegelaten worden. HOOFDSTUK VI. - Zelfstandige onthaalouders Art. 63.§ 1 - Om als zelfstandige onthaalouder erkend te worden, dient de persoon een aanvraag bij de D.K.F. in waarbij volgende documenten gevoegd worden : 1° de identiteit van de aanvrager;2° een uitleg van de motivatie om als zelfstandige onthaalouder te werken;3° de in § 2, 4? tot 6?, van voorliggend artikel vermelde bewijzen;4° een beschrijving van de voor de opvang bestemde lokalen; 5° een verklaring van de onthaalouder dat hij de door de D.K.F. voor de zelfstandige onthaalouders opgestelde onderrichtingen naleeft; 6° het bewijs dat de aanvrager een verzekeringsovereenkomst tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de uitoefening van zijn activiteiten heeft afgesloten;7° een medisch attest dat bekrachtigt dat de gezondheidstoestand van de onthaalouder hem toelaat voor kinderen de zorgen. § 2 - Om erkend te worden moet de aanvrager : 1° ten minste 18 en ten hoogste 65 jaar oud zijn.De D.K.F. kan op verzoek afwijkingen verlenen; 2° goed zijn in de omgang met kinderen en bereid zijn om zijn eigen opvattingen m.b.t. de kinderopvang verder te ontwikkelen; 3° over voldoende ruimte thuis beschikken;4° voor zichzelf en voor de meerderjarige personen die tot zijn gezin behoren en/of met de opgenomen kinderen regelmatige contacten zullen hebben, een voor een openbaar bestuur bestemd getuigschrift van goed zedelijk gedrag voorleggen.Bij wijziging van de samenstelling van het gezin geldt deze verplichting ook voor elk nieuw gezinslid. In gerechtvaardigde gevallen kan de dienst te allen tijde opnieuw van de onthaalouders verlangen dat zij voor deze personen een getuigschrift van goed zedelijk gedrag voorleggen; 5° het bewijs leveren dat hij en de vrouwelijke leden van haar gezin tegen rodehond ingeënt zijn;6° een medisch attest voorleggen dat bekrachtigt dat de gezondheidstoestand van de onthaalouder hem toelaat voor kinderen de zorgen;7° de opgenomen kinderen mogen niet ouder dan 12 zijn;8° er mogen ten hoogste 6 kinderen tussen 0 en 12 tegelijk opgenomen worden, onder wie ten hoogste 4 jonger dan 3 jaar.De D.K.F. kan op verzoek een afwijking verlenen; 9° voor alle opgenomen kinderen mag een onthaalouder een opvangkapitaal van 92 dagen per maand niet overschrijden.Het opvangkapitaal is het maximaal aantal opvangdagen dat een onthaalouder mag tellen; 10° over speeltuigen en over een voor de kinderen aangepaste uitrusting beschikken;11° de lokalen moeten veilig zijn;12° per telefoon kunnen worden bereikt. Wijzigingen m.b.t. de gegevens opgesomd in artikel 63, §§ 1 en 2, moeten de D.K.F. binnen de maand medegedeeld worden. § 3 - De opvang vindt altijd buiten de woonplaats van het opgenomen kind plaats. Bij de opvang van zieke kinderen kan de D.K.F. op verzoek van de onthaalouder een afwijking verlenen. § 4 - De D.K.F. stelt de erkende personen, op verzoek, uitrusting voor de opvang ter beschikking. Bij beëindiging van de activiteit beslist de D.K.F. of de uitrusting al dan niet wordt teruggevorderd. HOOFDSTUK VII. - Projecten met een beperkte geografische omvang Art. 64.De aanvraag inzake opvang van jonge kinderen, waaraan de bestaande opvangvormen niet beantwoorden, kan door projecten met beperkte duur en geografische omvang vervuld worden. De beschrijving van de opdrachten en de financiering van die projecten zijn dan onderworpen aan de met de Regering gesloten overeenkomst. HOOFDSTUK VIII. - Indexering van de toelagen Art. 65.De bedragen vastgelegd in de artikelen 15, § 3, 17, 22, 37 en 55, § 1, alsmede het bedrag van euro 2,19 per uur vermeld in artikel 24, zijn gekoppeld aan de indexering van de wedden van de openbare dienst van de Duitstalige Gemeenschap. Het toepasselijk spilindex beloopt 138,01. HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen Overgangsbepaling Art. 66.De vormen van buitenschoolse opvang die met toepassing van het besluit van de Regering van 24 juni 1999 betreffende de kinderopvang erkend zijn, gelden voor 6 jaar na de inwerkingtreding van voorliggend besluit als erkend overeenkomstig artikel 5 van voorliggend besluit. De diensten voor onthaalouders, kribben, centra voor kinderopvang en onafhankelijke onthaalouders die met toepassing van het besluit van de Regering van 24 juni 1999 betreffende de kinderopvang erkend zijn, gelden voor 3 jaar na de inwerkingtreding van voorliggend besluit als erkend overeenkomstig artikel 5 van voorliggend besluit. Opheffing Art. 67.Het besluit van de Regering van 24 juni 1999 betreffende de kinderopvang, gewijzigd bij de besluiten van 21 december 2000, 22 juni 2001, 29 oktober 2002, 18 juni 2003 en 4 juni 2004, wordt opgeheven. Inwerkingtreding Art. 68.Voorliggend besluit treedt in werking op 1 april 2007. Uitvoering Art. 69.De Vice-Minister-President, Minister van Vorming en Werkgelegenheid, Sociale Aangelegenheden en Toerisme wordt belast met de uitvoering van voorliggend besluit. Eupen, 18 januari 2007. De Minister-President, Minister van Lokale Besturen, K.-H. LAMBERTZ De Vice-Minister-President, Minister van Vorming en Werkgelegenheid, Sociale Aangelegenheden en Toerisme, B. GENTGES Bijlage : door de personen belast met de opvoeding gedragen dagelijkse kostenbijdrage en boekingsgeld Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van 18 januari 2007. De Minister-President, Minister van Lokale Besturen, K.-H. LAMBERTZ De Vice-Minister-President, Minister van Vorming en Werkgelegenheid, Sociale Aangelegenheden en Toerisme, B. GENTGES
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.