← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door ni

Obsah (4)§ 1§ 2§ 4§ 3

9 MAART 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vla

artikel 62, § 7, van het Mestdecreet;4° minerale stikstof : de hoeveelheid stikstof onder vorm van ammonium, nitriet en nitraat;5° melkkoe : een dier dat behoort tot een van de verschillende diercategorieën melkkoeien,

artikel 27, § 1, van het Mestdecreet, ongeacht de melkproductie. Art. 2.Alle documenten die opgemaakt worden in het kader van het Mestdecreet evenals alle stavingsstukken, dienen door de betrokkene 5 kalenderjaren bewaard te worden en ter inzage gehouden te worden, te rekenen vanaf 1 januari volgend op de datum waarop het document of stavingsstuk is ontstaan. HOOFDSTUK II. - Specifieke bemestingsregels voor bepaalde meststoffen of bepaalde teelten Afdeling

  1. - Bemestingsregels aangaande meststoffen met een lage stikstofefficiëntie of die traagvrijkomende stikstof bevatten en aangaande effluenten met een laag stikstofgehalte Art. 3.§
  2. Om als andere meststoffen of bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevatten dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging,

artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, of als andere meststoffen, die stikstof in dusdanige vorm bevatten dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging,

artikel 13, § 9, van het Mestdecreet, aanzien te worden, dient aan de volgende voorwaarden voldaan te zijn : 1° de inhoud aan minerale stikstof is kleiner dan 15 % van de inhoud aan totale stikstof;2° de som van de inhoud aan minerale stikstof en snel vrijkomende organische stikstof is kleiner dan 30 % van de inhoud aan totale stikstof. § 2. Om als andere meststoffen of bewerkte dierlijke mest waarvan de stikstofinhoud laag is,

artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, aanzien te worden, dient de inhoud aan totale stikstof niet hoger te zijn dan 0,60 kg stikstof per ton. Art. 4.§ 1. Producenten van andere meststoffen of bewerkte dierlijke mest,

artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, of van andere meststoffen,

artikel 13, § 9, van het Mestdecreet, kunnen hiervoor een attest aanvragen bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu, op voorwaarde dat ze de aangifte

artikel 23 van het Mestdecreet volledig en correct hebben verricht. De aanvraag wordt ingediend bij de Mestbank. Deze aanvraag dient vergezeld te gaan van de resultaten van een analyse : 1° die uitgevoerd is door een erkend laboratorium conform het compendium;2° die hoogstens 6 maanden oud is.In afwijking hiervan mag voor het aantonen van de voorwaarde,

artikel 3, § 1, 2°, gebruik gemaakt worden van een analyse die hoogstens drie jaar oud is, op voorwaarde dat het productieproces van de betrokken meststoffen sedert de analyse ongewijzigd is gebleven; 3° waarvan de resultaten aantonen dat de meststof voldoet aan de voorwaarden

artikel 3, § 1 of §

  1. §
  2. De uitbaters van bewerkings- of verwerkingseenheden die effluenten,

artikel 22, § 2, van het Mestdecreet, produceren, kunnen hiervoor een attest aanvragen bij de Mestbank, op voorwaarde dat ze de aangifte

artikel 23 van het Mestdecreet volledig en correct hebben verricht. Deze aanvraag dient vergezeld te gaan van de resultaten van een analyse : 1° die uitgevoerd is door een erkend laboratorium conform het compendium;2° waarvan de resultaten aantonen dat het effluent een lager gehalte heeft aan ammoniakale stikstof dan 1 kg NH4-N per 1000 L of 1 kg NH4-N per 1000 kg. § 3. Verschillende producenten van meststoffen, bedoeld in art. 3, § 1, die meststoffen met eenzelfde samenstelling en via eenzelfde productieproces produceren, kunnen voor deze meststoffen één gezamenlijke aanvraag,

§ 1, indienen.

Deze gezamenlijke aanvraag dient vergezeld te worden van de nodige stukken die aantonen dat de betrokken meststoffen dezelfde samenstelling hebben en via eenzelfde productieproces geproduceerd worden. De betrokken producenten dienen een contactpersoon aan te duiden. De betrokken producenten kunnen op elk ogenblik een andere contactpersoon aanduiden. § 4. De Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu onderzoekt de aanvraag,

§ 1

en § 3, en deelt de aanvrager binnen de 60 kalenderdagen haar gemotiveerde beslissing mee. Wanneer de aanvraag positief wordt bevonden, ontvangt de aanvrager een attest dat geldig is vanaf de dag dat de betrokken aanvraag positief werd bevonden tot en met de eerstvolgende 31 juli. § 5. De Mestbank onderzoekt de aanvraag,

§ 2

, en deelt de aanvrager binnen de 60 kalenderdagen haar gemotiveerde beslissing mee. Wanneer de aanvraag positief wordt bevonden, ontvangt de aanvrager een attest dat geldig is vanaf de dag dat de betrokken aanvraag positief werd bevonden tot en met de eerstvolgende 31 juli. § 6. De producent van meststoffen of de uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, die over een geldig attest beschikt,

§ 4en § 5, kan een verlenging van de geldigheid van zijn attest verkrijgen.

Hij voegt hiervoor bij zijn aangifte,

artikel 23 van het Mestdecreet, een kopie toe van de resultaten van een analyse,

§ 1

indien het om een attest gaat

§ 1

, en een kopie van de resultaten van een analyse

§ 2

indien het om een attest gaat

§ 2

. Indien het een attest betreft

§ 1

, wordt, na beslissing over de aanvraag door de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu, aan de betrokken producent ten laatste op 15 juli een nieuw attest toegezonden, dat geldig is vanaf 1 augustus van het lopende kalenderjaar tot en met 31 juli van het volgende kalenderjaar. Indien het een attest betreft

§ 2

, dan wordt, na beslissing door de Mestbank over de aanvraag, aan de betrokken uitbater ten laatste op 15 juli een nieuw attest toegezonden, dat geldig is vanaf 1 augustus van het lopende kalenderjaar tot en met 31 juli van het volgende kalenderjaar. Producenten van meststoffen die op basis van een gezamenlijke aanvraag,

§ 3

, een attest hebben verkregen, kunnen eveneens een verlenging van de geldigheid van hun attest verkrijgen. De betrokken contactpersoon, aangeduid overeenkomstig § 3, tweede lid, dient hiervoor bij zijn aangifte,

artikel 23 van het Mestdecreet, een kopie toe te voegen van de resultaten van een analyse,

§ 1

. Wanneer de contactpersoon,

§ 3

, tweede lid, niet aangifteplichtig is overeenkomstig artikel 23 van het Mestdecreet, dient hij ten laatste op 15 februari een kopie van de resultaten van de analyse,

§ 1, aan de Mestbank over te maken.

Na beslissing over de aanvraag door de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu, wordt aan de betrokken producenten ten laatste op 15 juli een nieuw attest toegezonden, dat geldig is vanaf 1 augustus van het lopende kalenderjaar tot en met 31 juli van het volgende kalenderjaar. §

  1. De Mestbank houdt een lijst bij van de meststoffen waarvoor de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu of de Mestbank een attest heeft verleend. De lijst van verleende attesten is openbaar en wordt periodiek bijgewerkt. §
  2. De Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu stelt de modellen van de attesten vast. Art. 5.§
  3. De producenten van meststoffen en de uitbaters van bewerkings- of verwerkingseenheden die over een geldig attest beschikken,

artikel 4, dienen bij elk transport van meststoffen waarvoor ze over een geldig attest beschikken, aan de mestvoerder een kopie van dit attest mee te geven. Op deze kopie wordt het nummer vermeld van het document dat voor het vervoer van deze meststoffen, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 47 tot en met 60 van het Mestdecreet, is opgemaakt. Deze kopie dient tijdens het transport aanwezig te zijn en dient aan de afnemer van de betrokken meststoffen overhandigd te worden. § 2. Wanneer een producent van meststoffen of een uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid die een attest,

artikel 4, heeft verkregen, dit attest oneigenlijk gebruikt : 1° wordt de betrokken producent of uitbater, voor de in het betrokken attest vermelde meststof, met onmiddellijke ingang geschrapt van de lijst, vermeld in artikel 4, § 7;2° wordt het betrokken attest met onmiddellijke ingang ongeldig verklaard Onder het oneigenlijk gebruik van een attest,

het eerste lid, wordt ondermeer verstaan : 1° het meegeven van een kopie van een attest bij een vervoer van meststoffen die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, § 1 of § 2, of aan de voorwaarden van artikel 22, § 2, van het Mestdecreet;2° het meegeven van een kopie van een attest bij een vervoer van meststoffen, andere dan diegene waarvoor het betrokken attest werd ontvangen;3° het meegeven van een kopie van een attest dat niet meer geldig is op de dag van het vervoer van de betrokken meststoffen. Art. 6.§ 1. De afnemer van meststoffen waarvoor de producent op het moment van de levering, een geldig attest,

artikel 4, had, dat stelde dat de betrokken meststof een andere meststof is, die stikstof in dusdanige vorm bevat dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging,

artikel 13, § 9, van het Mestdecreet, en die in uitvoering van artikel 13, § 9, van het Mestdecreet meer nutriënten wil opbrengen dan toegestaan overeenkomstig artikel 13, § 1, van het Mestdecreet : 1° mag bij de bemesting met deze meststof maximaal 76,5 kg minerale stikstof per ha opbrengen;2° dient er voor te zorgen dat er een gewas aanwezig is bij de opbrenging of dat er binnen de 30 kalenderdagen na de opbrenging een gewas ingezaaid of geplant wordt;3° dient er voor te zorgen dat bij de toediening van de betrokken meststof een kopie aanwezig is van het attest,

artikel 4;4° verstrekt via de aangifte,

artikel 23 van het Mestdecreet, die betrekking heeft op het jaar waarin deze meststoffen gebruikt zijn of gebruikt zullen worden, de gegevens aangaande de hoeveelheid, uitgedrukt in kg, en de samenstelling, uitgedrukt in kg N en kg P2O5, van deze meststoffen die gebruikt zijn of gebruikt zullen worden, evenals het perceel, waarop deze meststoffen gebruikt zijn of gebruikt zullen worden. De Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu kan nadere regels bepalen met betrekking tot de toewijzing van de aangewende meststoffen aan de verschillende productiejaren. § 2. De afnemer van meststoffen waarvoor de producent op het moment van de levering, een geldig attest,

artikel 4, had, dat stelde dat de betrokken meststof, een andere meststof of bewerkte dierlijke mest is, die stikstof in dusdanige vorm bevat dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging,

artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, en die in uitvoering van artikel 8, § 4, van het Mestdecreet deze meststoffen wil opbrengen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 februari : 1° mag bij de bemesting met deze meststof maximaal 30 kg minerale stikstof per ha opbrengen;2° dient er voor te zorgen dat er een gewas aanwezig is bij de opbrenging of dat er binnen de 30 kalenderdagen na de opbrenging een gewas ingezaaid of geplant wordt;3° dient er voor te zorgen dat bij de toediening van de betrokken meststof een kopie aanwezig is van het attest,

artikel 4. In afwijking van het eerste lid, moeten, bij het opbrengen op de zware kleigronden in de polders,

artikel 8, § 3, van het Mestdecreet, van bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevat dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging,

artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, de voorwaarden vermeld in het eerste lid enkel nageleefd worden voor het opbrengen van deze meststoffen in de periode vanaf 15 oktober tot en met 15 februari. § 3. De afnemer van meststoffen waarvoor de producent op het moment van de levering een geldig attest,

artikel 4, had, dat stelde dat de betrokken meststof, een andere meststof of bewerkte dierlijke mest is, waarvan de stikstofinhoud laag is,

artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, en die in uitvoering van artikel 8, § 4, van het Mestdecreet deze meststoffen wil opbrengen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 februari : 1° mag bij de bemesting met deze meststof maximaal 30 kg stikstof per ha, en waarvan maximaal 10 kg mineraal, opbrengen;2° dient er voor te zorgen dat er een gewas aanwezig is bij de opbrenging;3° dient er voor te zorgen dat bij de toediening van de betrokken meststof een kopie aanwezig is van het attest,

artikel 4. In afwijking van het eerste lid, moeten, bij het opbrengen op de zware kleigronden in de polders,

artikel 8, § 3, van het Mestdecreet, van bewerkte dierlijke mest waarvan de stikstofinhoud laag is,

artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, de voorwaarden vermeld in het eerste lid enkel nageleefd worden voor het opbrengen van deze meststoffen in de periode vanaf 15 oktober tot en met 15 februari. Afdeling

  1. - Bepaling van de teelten in uitvoering van artikel 13, § 4, van het Mestdecreet Art. 7.In uitvoering van artikel 13, § 4, van het Mestdecreet, mag voor de teelten vermeld in de tabel in artikel 8, § 3, de toegelaten hoeveelheid Totale N volledig ingevuld worden met N uit kunstmest. Art. 8.§
  2. In uitvoering van artikel 13, § 4, van het Mestdecreet, heeft de landbouwer die in één kalenderjaar, op eenzelfde perceel landbouwgrond, twee of meer tuinbouwteelten teelt, en die gebruik wil maken van de mogelijkheid om de toegelaten hoeveelheid Totale N en N uit kunstmest te verhogen, de keuze om hetzij deze verhoging te bekomen op basis van een bemestingsadvies van een erkend laboratorium, hetzij op basis van forfaitaire verhogingen aan de hand van de geteelde gewassen. §
  3. Wanneer de landbouwer er voor kiest om de verhoging,

§ 1

, te bekomen op basis van een bemestingsadvies, vraagt de landbouwer, voor de percelen landbouwgrond waarop in één kalenderjaar twee of meer teelten

de tabel in § 3, worden geteeld en waarvoor hij de verhoging wenst te bekomen, bij een erkend laboratorium een bemestingsadvies aan. De toegelaten hoeveelheid Totale N en N uit kunstmest voor het betrokken perceel, mag verhoogd worden tot de in het bemestingsadvies voorgestelde hoeveelheden, doch maximaal tot 345 kg Totale N en N uit kunstmest per hectare en per jaar. Bij het aanvragen van het bemestingsadvies, stelt de landbouwer het laboratorium in kennis van de voorgeschiedenis van het perceel, zoals ondermeer de uitgevoerde bemestingen en de gerealiseerde opbrengst, evenals van de geplande volgteelten. De landbouwer maakt een kopie van het bemestingsadvies over aan de Mestbank ten laatste binnen de 15 werkdagen na ontvangst van zijn bemestingsadvies. § 3. Wanneer de landbouwer er voor kiest om de verhoging,

§ 1

, te bekomen op basis van forfaitaire verhogingen aan de hand van de geteelde gewassen, mag de toegelaten hoeveelheid Totale N en N uit kunstmest voor het betrokken perceel, verhoogd worden. De toegelaten hoeveelheid Totale N en N uit kunstmest die per jaar op een perceel mag worden opgebracht, wordt als volgt berekend, doch bedraagt maximaal 345 kg Totale N en N uit kunstmest per hectare en per jaar : de stikstofopname Totaal van de eerste teelt, verhoogd met, voor elke volgende teelt, de stikstofopname Totaal verminderd met 50 % van de stikstofopname Oogstrest van de voorafgaandelijke teelt. De eerste teelt van een bepaald kalenderjaar is de eerste teelt die na 1 maart van dat kalenderjaar geoogst wordt. Enkel de teelten vermeld in de hiernavolgende tabel, komen in aanmerking als eerste teelt of volgende teelt. De Stikstofopname Product, Stikstofopname Oogstrest en Stikstofopname Totaal, voor elk van deze teelten is vermeld in de volgende tabel : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor de toepassing van de tabel, vermeld in het vierde lid, wordt onder vroege aardappelen, vroege uien en vroege wortelen, respectievelijk verstaan, aardappelen, uien en wortelen die voor 31 juli geoogst worden. HOOFDSTUK III. - De bepalingen aangaande het nitraatresidu Art. 9.§

  1. In uitvoering van artikel 14, § 3, van het Mestdecreet, wordt de waarde van de gemiddelde nitraatconcentratie dat als criterium geldt voor de afbakening van de risicogebieden : 1° voor oppervlaktewater bepaald op 50 mg nitraat per liter;2° voor grondwater bepaald op 50 mg nitraat per liter.3° voor de eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria, kustwater en zeewater het criterium dat vastgesteld wordt op basis van de leidraad van de Europese Commissie. §
  2. De risicogebieden, zoals vermeld in artikel 14 § 3 van het Mestdecreet zijn gebieden waar de gemiddelde nitraatconcentratie per jaar en per liter water hoger is dan de waarde vermeld in §
  3. De risicogebieden oppervlaktewater zijn de gebieden, aangeduid op de kaart die als bijlage I bij dit besluit is gevoegd. De risicogebieden grondwater zijn de gebieden, die na verder wetenschappelijk onderzoek ondermeer met betrekking tot de procesfactor voor grondwater, voor 1 januari 2009 zullen aangeduid worden op een kaart die van toepassing zal zijn vanaf 1 januari
  4. De risicogebieden voor eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria, kustwater en zeewater zijn de gebieden die voor 1 januari 2009 op basis van de leidraad van de Europese Commissie aangeduid zullen worden op een kaart die van toepassing zal zijn vanaf 1 januari
  5. Art. 10.§
  6. In uitvoering van artikel 14, § 4, van het Mestdecreet, wordt voor het kalenderjaar 2007 F vastgesteld op 15/
  7. §
  8. In uitvoering van artikel 15, § 2, van het Mestdecreet, wordt voor hetkalenderjaar 2007 Y vastgesteld op 15/
  9. §
  10. In uitvoering van artikel 15, § 2, van het Mestdecreet, wordt voor hetkalenderjaar 2007 Z vastgesteld op 15/
  11. HOOFDSTUK IV. - De dierlijke mestproductie Afdeling
  12. - De bepaling van de stikstofverliezen Art. 11.§
  13. De omrekening van het bruto-gehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding naar het netto-gehalte van stikstof in dierlijke mest,

artikel 27, § 5, en 28, § 2, van het Mestdecreet gebeurt, voor de dieren van de diersoorten Rundvee, Varkens en Pluimvee, op basis van de door de landbouwer via zijn aangifte,

artikel 23 van het Mestdecreet, voor elk van de gehouden diercategorieën, meegedeelde gegevens aangaande het type stal waarin de dieren van de betrokken diercategorieën werden gehouden. Landbouwers die een gedeelte van hun dieren nooit in stallen houden, mogen voor de dieren, die nooit in stallen worden gehouden, geen stikstofverliezen in rekening brengen. Voor deze dieren is het bruto-gehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding gelijk aan het netto-gehalte stikstof in dierlijke mest,

artikel 27, § 5, en 28, § 2, van het Mestdecreet. Voor de verschillende diercategorieën van de diersoort Rundvee, met uitzondering van de diercategorie mestkalveren, worden de totale stikstofverliezen uitgedrukt als een percentage van de uitscheidingsnormen per dier en per jaar. Voor de diercategorie mestkalveren evenals voor de verschillende diercategorieën van de diersoorten Varkens of Pluimvee, worden de totale stikstofverliezen uitgedrukt in kg stikstof per dier en per jaar. De volgende stikstofverliezen worden aldus onderscheiden : 1° voor de dieren van de diercategorie mestkalveren : 2,29 kg N per dier en per jaar, ongeacht het staltype waarin de betrokken dieren werden gehouden;2° voor de dieren van de diersoort Runderen, met uitzondering van de mestkalveren : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3° voor de dieren van de diersoort Varkens : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 4° voor de dieren van de diersoort Pluimvee : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 2.Voor de omrekening van het bruto-gehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding naar het netto-gehalte van stikstof in dierlijke mest

artikel 27, § 5, en 28, § 2, van het Mestdecreet, voor de dieren van de diersoorten Paarden of Andere, worden voor de stikstofverliezen de volgende cijfers, uitgedrukt in kg N per dier en per jaar, gehanteerd : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 3. Voor de toepassing van de tabel, vermeld in § 1, vijfde lid, 2°, wordt verstaan onder : 1° Runderen gehouden in stallen waar amper stalmest geproduceerd wordt : runderen, met uitzondering van mestkalveren, gehouden in stallen waar 10 % of minder van de in deze stal geproduceerde mest stalmest is;2° Runderen gehouden in stallen waar bijna uitsluitend stalmest geproduceerd wordt : runderen, met uitzondering van mestkalveren, gehouden in stallen waar 90 % of meer van de in deze stal geproduceerde mest stalmest is;3° Runderen gehouden in stallen waar deels stalmest geproduceerd wordt : runderen gehouden in stallen die niet onder 1° of 2° vallen. Voor de toepassing van de tabel, vermeld in § 1, vijfde lid, 3°, kan : 1° het verliescijfer voor Emissiearm-stalmest enkel toegepast worden voor varkens gehouden in stallen waar minstens 25 % van de geproduceerde mest stalmest is, en die voorkomen op de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen,

punt 1.V-lijst : Lijst van reductietechnieken voor varkens, van Bijlage I bij het Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; 2° het verliescijfer voor Emissiearm-mengmest enkel toegepast worden voor varkens gehouden in stallen waar minder dan 25 % van de geproduceerde mest stalmest is, en die voorkomen op de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen,

punt 1.V-lijst : Lijst van reductietechnieken voor varkens, van Bijlage I bij het Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; 3° het verliescijfer voor Traditioneel-stalmest enkel toegepast worden voor varkens gehouden in volledig ingestrooide stallen die niet voorkomen op de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen,

punt 1.V-lijst : Lijst van reductietechnieken voor varkens, van Bijlage I bij het Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; 4° het verliescijfer voor Traditioneel-mengmest enkel toegepast worden voor varkens gehouden in stallen die niet volledig ingestrooid zijn en die niet voorkomen op de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen,

punt 1.V-lijst : Lijst van reductietechnieken voor varkens, van Bijlage I bij het Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. Voor de toepassing van de tabel, vermeld in § 1, vijfde lid, 4°, wordt verstaan onder : 1° Batterij, emissiearm, systeem P-3.1 en P-3.2 : een emissiearme pluimveestal, van het type Systeem P-3.1,

de P-lijst, of van het type systeem P-3.2,

de P-lijst; 2° Batterij, emissiearm, systeem P-3.3 : een emissiearme pluimveestal, van het type Systeem P-3.3,

de P-lijst; 3° Batterij, emissiearm, systeem P-3.4 : een emissiearme pluimveestal, van het type Systeem P-3.4,

de P-lijst; 4° Batterij, emissiearm, systeem P-3.5 : een emissiearme pluimveestal, van het type Systeem P-3.5,

de P-lijst; 5° Batterij, overige staltypes : een pluimveestal die niet van het type Systeem P-3.1, P-3.2, P-3.3, P-3.4 of P-3.5,

de P-lijst is, en waar de dieren gehouden worden in een batterijsysteem; 6° Grondhuisvesting, emissiearm, systeem P-4.1 en P-4.2 : een emissiearme pluimveestal, van het type Systeem P-4.1,

de P-lijst, of van het type systeem P-4.2,

de P-lijst; 7° Grondhuisvesting, emissiearm, systeem P-4.3 : een emissiearme pluimveestal, van het type Systeem P-4.3,

de P-lijst; 8° Grondhuisvesting, overige staltypes : een pluimveestal die niet van het type Systeem P-4.1, P-4.2 of P-4.3,

de P-lijst is, en waar de dieren niet gehouden worden in een batterijsysteem; 9° Batterij, emissiearm, systeem P-1.1 en P-1.2 : een emissiearme pluimveestal, van het type Systeem P-1.1,

de P-lijst, of van het type systeem P-1.2,

de P-lijst; 10° Batterij, emissiearm, systeem P-1.3 : een emissiearme pluimveestal, van het type Systeem P-1.3,

de P-lijst; 11° Batterij, emissiearm, systeem P-1.4 : een emissiearme pluimveestal, van het type Systeem P-1.4,

de P-lijst; 12° Batterij, emissiearm, systeem P-1.5 : een emissiearme pluimveestal, van het type Systeem P-1.5,

de P-lijst; 13° Batterij, niet-emissiearme staltypes : een pluimveestal die niet van het type Systeem P-1.1, P-1.2, P-1.3, P-1.4 of P-1.5,

de P-lijst is, en waar de dieren gehouden worden in een batterijsysteem; 14° Grondhuisvesting, emissiearm, systeem P-2.1 : een emissiearme pluimveestal, van het type Systeem P-2.1,

de P-lijst; 15° Grondhuisvesting, niet-emissiearme staltypes : een pluimveestal die niet van het type Systeem P-2.1,

de P-lijst is, en waar de dieren niet gehouden worden in een batterijsysteem; 16° Emissiearm, systeem P-5.1, P-5.2, P-5.3, P-5.4 en P-5.5 : : een emissiearme pluimveestal van het type Systeem P-5.1, P-5.2, P-5.3, P-5.4 of P-5.5,

de P-lijst; 17° Overige staltypes : een pluimveestal die niet van het type Systeem P-5.1, P-5.2, P-5.3, P-5.4 of P-5.5,

de P-lijst, is; 18° P-lijst : de lijst,

2.P-lijst : Lijst van reductietechnieken voor pluimvee, van Bijlage I bij het Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. Afdeling

  1. - De hoeveelheid maïs in het voederrantsoen van melkkoeien, en de invloed op de uitscheidingscijfers voor melkkoeien Art. 12.§
  2. In uitvoering van artikel 27, § 1, laatste lid, van het Mestdecreet, gelden de forfaitaire uitscheidingsnormen

artikel 27, § 1, eerste lid, van het Mestdecreet, voor wat betreft melkkoeien, die gehouden worden op een exploitatie die deel uitmaakt van een bedrijf, dat aan de volgende twee voorwaarden voldoet : 1° het gemiddeld aantal melkkoeien die in een bepaald kalenderjaar gehouden zijn op al de, tot het bedrijf horende, exploitaties, gedeeld door de som van de voedergewasoppervlakte en de graslandoppervlakte komt een getal uit dat maximaal 3 is;2° de voedergewasoppervlakte gedeeld door de som van de voedergewasoppervlakte en de oppervlakte produktief grasland komt een getal y uit dat minstens 0,45 is. Voor de berekening van het getal y

het eerste lid, is de voedergewasoppervlakte de som van : 1° de voor eigen gebruik geteelde maïs, voedergranen en voederbieten zijnde de oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, die op 1 januari tot een van de tot het bedrijf behorende exploitaties behoorde en waarop maïs, voedergraan of voederbieten als hoofdteelt geteeld werd, in voorkomend geval verminderd met de oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, waarvan het voedergewas als voeder gebruikt wordt in een ander bedrijf;2° de oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, die op 1 januari tot een exploitatie, die deel uitmaakt van een ander bedrijf, behoorde en waarop maïs als hoofdteelt geteeld werd, maar waarvan de maïsopbrengst van deze landbouwgronden, als voeder gebruikt wordt in het eigen bedrijf;3° het aantal ton perspulp equivalenten van suikerbieten, gedeeld door 63, die op de verschillende tot het bedrijf behorende exploitaties, als veevoeder gebruikt is geworden. Voor de berekening van de getallen,

het eerste lid, is de oppervlakte produktief grasland, de oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, die op 1 januari tot een van de tot het bedrijf behorende exploitaties behoorde en waarop als hoofdteelt gras geteeld werd met uitzondering van grasland waarop de nulbemesting van toepassing is. § 2. De landbouwer die op zijn bedrijf, de maïsopbrengst van een ander bedrijf als voeder gebruikt,

§ 1

, tweede lid, dient hiervoor een overeenkomst op te maken en bij zijn aangifte,

artikel 23 van het Mestdecreet, voor het betreffende kalenderjaar, een kopie van deze overeenkomst te voegen. Voor het bepalen van het aantal ton perspulp van suikerbieten die op de verschillende tot het bedrijf behorende exploitaties, als veevoeder gebruikt is geworden,

§ 1

, tweede lid, 3°, gebruikt men de gegevens uit de aangifte,

artikel 23 van het Mestdecreet, van de producenten, invoerders en verkopers van diervoeders. Art. 13.§ 1.Voor melkkoeien, die gehouden worden op een bedrijf dat niet aan de voorwaarde,

artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, voldoet, worden, in uitvoering van artikel 27, § 1, laatste lid, van het Mestdecreet, de forfaitaire uitscheidingscijfers,

artikel 27, § 1, van het Mestdecreet als volgt bepaald : de uitscheidingsnorm zoals bepaald in art 27, § 1 van het Mestdecreet wordt verhoogd met 8kg N en 2kg P2O5. § 2. Indien niet is voldaan aan de voorwaarde

artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, worden in uitvoering van artikel 27, § 1, laatste lid, van het Mestdecreet, de forfaitaire uitscheidingscijfers verhoogd met : (1 - (100 x y/45)) x 20kg voor N en met (1 - (100 x y/45)) x 8kg voor P2O5. Voor de invulling van y wordt het getal bedoeld dat wordt bekomen na de berekening

artikel 12, § 1, eerste lid, 2°. § 3. Indien zowel op grond van § 1 als op grond van § 2 een verhoging van de uitscheidingscijfers N en P2O5 moet worden toegepast, dan wordt van beide verhogingen de grootste weerhouden zowel ten aanzien van N als ten aanzien van P2O5. HOOFDSTUK V. - Bepaling van de gemeentelijke productiedruk Art. 14.In uitvoering van artikel 29, § 1, van het Mestdecreet, wordt in de lijst, die als bijlage II bij dit besluit is gevoegd, de gemeentelijke productiedruk vastgesteld. HOOFDSTUK VI. - Toezicht Art. 15.Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie en van de burgemeester houden de volgende ambtenaren, ieder wat hun opdracht betreft, toezicht op de toepassing van het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan : 1° de door de minister aangestelde ambtenaren van niveau A, B en C van de Vlaamse Landmaatschappij;2° de door de minister aangestelde ambtenaren van niveau A, B en C van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie;3° de door de gemeente aangewezen agenten van de lokale politie en de technische ambtenaren van de gemeente die :

  1. a)ofwel in het bezit zijn van een bekwaamheidsbewijs waaruit blijkt dat zij een opleiding hebben genoten overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de Milieuvergunning;
  2. b)ofwel van voormelde opleiding zijn vrijgesteld overeenkomstig de bepalingen van hetzelfde besluit. HOOFDSTUK VII. - Inning en invordering Art. 16.§ 1. Het afdelingshoofd van de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij is gemachtigd om de administratieve geldboetes, vermeld in het Mestdecreet, op te leggen. Voormeld afdelingshoofd is tevens bevoegd voor het kwijtschelden of verminderen van de administratieve geldboete en het verlenen van uitstel van betaling, conform het bepaalde in de artikelen 66 en 67 van het Mestdecreet. Bij afwezigheid wordt voormeld afdelingshoofd voor de in dit artikel genoemde taken vervangen door een ambtenaar van niveau A van de Vlaamse Landmaatschappij door hem aangewezen. § 2. De gedelegeerd bestuurder van de Vlaamse Landmaatschappij is gemachtigd tot :
  3. a)het viseren, het uitvoerbaar verklaren en het eensluidend verklaren van het dwangbevel bedoeld in artikel 68 van het Mestdecreet;
  4. b)het verzoeken om de hypothecaire inschrijving bedoeld in artikel 70 van het Mestdecreet. Bij afwezigheid wordt de gedelegeerd bestuurder voor de in dit artikel genoemde taken vervangen door een ambtenaar van niveau A van de Vlaamse Landmaatschappij door hem aangewezen. HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen Art. 17.Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van de artikelen 7, 8, 11, 12, 13 en 15 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2007. Art. 18.De Vlaamse minister, bevoegd voor het Leefmilieu, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 9 maart 2007. De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister voor Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, K. PEETERS Bijlage I : Kaart van de risicogebieden oppervlaktewater. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037088 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 sluiten houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Brussel, 9 maart 2007. De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur K. PEETERS Bijlage II : Netto gemeentelijke productiedruk op basis van productiejaar 2005 Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037088 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 sluiten houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Brussel, 9 maart 2007. De minister-president van de Vlaamse Regering Y. LETERME De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur K. PEETERS

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.