artikel 3, 1°, van het decreet;5° kleine, middelgrote en grote onderneming : een onderneming als
artikel 3, 2°, 3° en 4°, van het decreet;6° indieningsdatum van de steunaanvraag : de datum waarop de administratie de steunaanvraag ontvangt;7° steun : de steun,
artikel 3, 5°, van het decreet;8° steunintensiteit : de intensiteit,
artikel 3, 6°, van het decreet;9° Europese norm : de communautaire norm,
artikel 12, 1°, van het decreet;10° start van de ecologie-investeringen : de vroegste datum, hetzij van de eerste factuur, hetzij van de akte bij verwerving van een onroerend goed, hetzij van de leasingovereenkomst;11° beëindiging van de ecologie-investeringen : de laatste datum, hetzij van de laatste factuur, hetzij van de akte bij verwerving van een onroerend goed, hetzij van de leasingovereenkomst;12° ecologie-investeringen : milieu-investeringen en investeringen op energiegebied;13° milieu-investeringen : de investeringen, gericht op milieubescherming,
artikel 12, 2°, van het decreet;14° investeringen op energiegebied : de investeringen,
artikel 15, § 1, 3°, van het decreet;15° limitatieve technologieënlijst : een lijst met een limitatieve opsomming van technologieën die beschouwd worden als ecologie-investeringen en die voor ecologiesteun in aanmerking kunnen komen. Per technologie vermeldt de lijst de volgende gegevens :
artikel 3, 2° en 3°, van het decreet, worden berekend overeenkomstig de door de Europese Commissie vastgestelde definitie van kleine en middelgrote ondernemingen,
bijlage I bij Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Commissie van 25 februari 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie wat betreft uitbreiding van het toepassingsgebied tot steun voor onderzoek en ontwikkeling. De gegevens voor de berekening van de tewerkstelling, de jaaromzet en het balanstotaal worden vastgesteld op basis van een verklaring op erewoord van de onderneming en op basis van artikel 3 en 4. Art. 3.De gegevens voor de berekening van de jaaromzet en het balanstotaal van de onderneming hebben betrekking op de referentieperiode. De referentieperiode is het boekjaar waarop de laatst bij de Nationale Bank van België neergelegde jaarrekening voor de datum van de steunaanvraag betrekking heeft en die beschikbaar is via een centrale databank. Om de omzet te berekenen, wordt een boekjaar van meer of minder dan twaalf maanden herberekend tot een periode van twaalf maanden. Recent opgerichte ondernemingen, waarvan de jaarrekening nog niet is afgesloten, steunen op een financieel plan van het eerste productiejaar. Voor ondernemingen die geen jaarrekening moeten opmaken, is de referentieperiode het jaar van de laatste aangifte bij de directe belastingen voor de datum van de steunaanvraag. Art. 4.De gegevens voor de berekening van de tewerkstelling van het aantal werkzame personen worden vastgesteld aan de hand van het aantal werknemers dat in de onderneming was tewerkgesteld in de referentieperiode. Onder referentieperiode wordt verstaan de periode van tewerkstelling gedurende de laatste vier kwartalen die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan attesteren, voor de datum van de steunaanvraag, en die beschikbaar zijn via een centrale databank. Afdeling III. - Algemene voorwaarden Art. 5.Er wordt enkel steun verleend en uitbetaald aan ondernemingen die voldoen aan de regelgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest. De onderneming mag op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden hebben bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Art. 6.De termijn van vijf jaar,
artikel 7 van het decreet, gaat in vanaf de beëindiging van de ecologie-investeringen. Art. 7.De investeringen moeten overeenkomstig artikel 5 van het decreet starten na de indieningsdatum van de steunaanvraag en moeten binnen drie jaar na de beslissing tot toekenning van de steun worden beëindigd. Art. 8.Er kan geen steun worden verleend aan ondernemingen indien een administratieve overheid, zoals bepaald in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, over een dominerende invloed beschikt. Er is een vermoeden van dominerende invloed indien de onderneming voor 50 % of meer van het kapitaal of de stemrechten rechtstreeks of onrechtstreeks in handen is van de administratieve overheid. Dit vermoeden kan worden weerlegd indien de onderneming kan aantonen dat de administratieve overheid,
het eerste lid, in werkelijkheid geen dominerende invloed uitoefent op het beleid van de onderneming. De minister beslist hierover. Art. 9.Er wordt enkel steun verleend aan ondernemingen met een of meer grote energie-intensieve vestigingen in het Vlaamse Gewest als ze zijn toegetreden tot het benchmarkingconvenant en voldoen aan de verplichtingen ten gevolge van de toetreding. HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied Art. 10.Er wordt steun verleend aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest onder de voorwaarden,
het decreet en in dit besluit. Art. 11.Enkel ondernemingen die behoren tot de sectoren,
de bijlage bij dit besluit, komen voor steunverlening in aanmerking. De minister kan de bijlage aanpassen op basis van de beleidsprioriteiten en de Europese regelgeving. HOOFDSTUK III. - In aanmerking komende ecologie-investeringen Art. 12.Ecologie-investeringen komen in aanmerking voor steun als ze voorkomen op de limitatieve technologieënlijst,
artikel 1, 15°. Als er geen Vlaamse normen van toepassing zijn, hebben de technologieën op deze lijst een van de volgende doelstellingen : 1° de Europese normen overtreffen die zijn goedgekeurd, ook al zijn die normen nog niet van toepassing;2° milieuvoordelen bereiken waarbij nog geen Europese normen zijn goedgekeurd. Als er Vlaamse normen van toepassing zijn, moeten de technologieën de Vlaamse normen overtreffen die strenger zijn dan de Europese normen. De minister stelt de limitatieve technologieënlijst vast en kan die per oproep wijzigen. Art. 13.§ 1. Van de in aanmerking komende ecologie-investeringen,
artikel 12, kunnen enkel de volgende materiële en immateriële investeringen in aanmerking komen voor steun : 1° gebouwen die onlosmakelijk verbonden zijn met ecologie-investeringen en die nutteloos worden als die investeringen buiten dienst gesteld worden;2° installaties en uitrustingen die erop gericht zijn vervuiling of hinder te beperken of te beëindigen of de productiemethoden aan te passen met het oog op de milieubescherming;3° immateriële investeringen als
artikel 14, § 2, van het decreet. § 2. De volgende investeringen komen niet in aanmerking : 1° de investeringen die door de steunaanvragende onderneming gratis of onder bezwarende titel ter beschikking worden gesteld aan derden;2° de investeringen, voorheen geactiveerd en opgenomen in de afschrijvingstabel, die verworven worden van :
HOOFDSTUK IV. - Steunintensiteit Art. 14.De steun wordt toegekend in de vorm van een subsidie. Art. 15.De subsidie wordt berekend als een percentage van de subsidiabele investeringen. Dat zijn de extra investeringen van de in aanmerking komende investeringscomponenten,
artikel 1, 15°, tweede lid, c). De extra investeringen,
artikel 14, § 3, van het decreet, worden berekend door de ecologie-investering te vergelijken met een klassieke investering die in technisch opzicht vergelijkbaar is, maar waarmee niet hetzelfde niveau van milieubescherming of energie-efficiënte kan worden bereikt. De vergelijking moet gebeuren op basis van een gelijke productiecapaciteit van de klassieke investering en de geplande ecologie-investering. Art. 16.De subsidie bedraagt voor kleine en middelgrote ondernemingen maximaal 20 % en voor grote ondernemingen maximaal 10 %. Het subsidiebedrag bedraagt maximaal 1.500.000 euro per subsidieaanvraag. HOOFDSTUK V. - Procedure Art. 17.De subsidie wordt toegekend volgens een wedstrijdformule, waarbij de minister na een oproep een vooraf bepaalde subsidie-enveloppe verdeelt over de best gerangschikte subsidieaanvragen, tot het budget opgebruikt is. De minister bepaalt per oproep het subsidiepercentage en het maximale subsidiebedrag. Dat subsidiepercentage en dat subsidiebedrag zijn beperkt tot de maxima,
artikel 16. Art. 18.De minister kan maximaal drie oproepen per jaar organiseren. De minister bepaalt de verdere regeling van de procedure. Art. 19.De subsidieaanvragen worden individueel getoetst aan de criteria,
artikel 20, §
het Vlaams milieubeleidsplan;2° de economische leefbaarheid van de onderneming;3° de toetreding tot een energiebeleidsovereenkomst, gesloten met het Vlaamse Gewest en voldoen aan de verplichtingen ten gevolge van de toetreding;4° het beschikken over een milieucertificaat. § 2. Het criterium,
, 2°, wordt genormaliseerd door middel van een gemiddelde en een standaardafwijking. De gehanteerde formule is : ln = (li - M)/D waarbij : 1° ln = genormaliseerde waarde van een criterium;2° li = te normaliseren waarde van een criterium;3° M = gemiddelde van aantal te normaliseren waarden;4° N = aantal waarden van de groep;5° D = de standaarddeviatie = [(li - M)2/(N-1)]0,5. § 3. De minister bepaalt bij elke oproep welke inhoud en welk gewicht aan de criteria worden gegeven. Het grootste gewicht wordt, bij elke oproep, verleend aan het criterium,
, 1°, zodat de score behaald op dit criterium doorslaggevend is in de bepaling van de plaats in de rangschikking,
artikel 21. De score behaald op het criterium,
, 1°, wordt gehalveerd wanneer de investeringen kaderen in de verplichtingen, opgelegd aan de onderneming door het besluit energieplanning, of in de verplichtingen waartoe de onderneming zich heeft verbonden door haar toetreding tot het benchmarkingconvenant of het auditconvenant. Art. 21.Op basis van de door de minister vastgestelde criteria, de normalisatie overeenkomstig artikel 20, § 2, en het resultaat van de toegepaste wegingscoëfficiënt maakt de minister een rangschikking op van alle subsidieaanvragen. De subsidie wordt toegekend volgens de plaats in de rangschikking, in afnemende volgorde, te beginnen bij de eerste tot het beschikbare budget opgebruikt is. Als het saldo niet voldoende is om de eerstvolgende gelijkgerangschikte subsidieaanvragen volledig te subsidiëren, bepaalt de minister wat er met het saldo gebeurt. De onderneming die gunstig gerangschikt is en bijgevolg in aanmerking komt voor subsidiëring, krijgt de subsidie, vastgesteld door de minister overeenkomstig artikel 17, tweede lid. HOOFDSTUK VI. - Uitbetaling en verjaring Art. 22.De subsidie wordt aan de onderneming uitbetaald in drie schijven : 1° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de beslissing tot toekenning van de subsidie op voorwaarde dat de onderneming de volgende twee voorwaarden vervult :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.