van instellingen voor schuldbemiddeling De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 7 juli 1994 betreffende de
van instellingen voor schuldbemiddeling, gewijzigd bij het programmadecreet van 16 december 1998, bij het programmadecreet van 18 december 2003 en bij het decreet van 1 februari 2007, inzonderheid op de artikelen 1bis, § 1, 3, eerste lid, 4, tweede lid, 6, tweede lid, 1bis, § 1 en § 2, 11ter, § 1, eerste lid, en § 3, en 11quater, tweede lid; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 20 oktober 1994 tot uitvoering van het decreet van 7 juli 1994 betreffende de
van instellingen voor schuldbemiddeling, gewijzigd bij het besluit van 13 december 2001; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 20/05/1999 pub. 25/06/1999 numac 1999027492 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het programma-decreet van 16 december 1998 houdende verschillende maatregelen inzake sociale actie sluiten tot uitvoering van het programmadecreet van 16 december 1998 houdende verschillende maatregelen inzake sociale actie, gewijzigd bij de besluiten van 3 mei en 13 december 2001; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 18/03/2004 pub. 11/05/2004 numac 2004201084 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering betreffende de
en de subsidiëring van de consumentenscholen sluiten betreffende de
en de subsidiëring van de consumentenscholen; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 21 november 2006; Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 21 november 2006; Gelet op het advies van de "Conseil supérieur des villes, communes et provinces de la Région wallonne" (Hoge raad van de steden, gemeenten en provincies van het Waalse Gewest), gegeven op 13 december 2006; Gelet op het advies nr. 42.113/4 van de Raad van State, gegeven op 12 februari 2007, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van de Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Na beraadslaging, Besluit : TITEL 1. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit besluit regelt krachtens artikel 138 van de Grondwet een materie bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet. Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° decreet : het decreet van 7 juli 1994 betreffende de
van instellingen voor schuldbemiddeling;2° Minister : de Minister bevoegd voor Sociale Actie;3° subsidiejaar : het kalenderjaar waarvoor de subsidie wordt toegekend;4° referentiejaar : het jaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar;5° administratie : het Directoraat-generaal Sociale Actie en Gezondheid. TITEL 2. - Instellingen voor schuldbemiddeling HOOFDSTUK I. - Programmering Art. 3.Behalve de instellingen bedoeld in artikel 1bis, § 2, van het decreet, mag in elke gemeente één enkele instelling voor schuldbemiddeling erkend worden tenzij de gemeente al bediend wordt door een vereniging hoofdstuk XII geregeld bij de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of door een andere erkende instelling voor schuldbemiddeling, ingevolge een partnerschapsovereenkomst op grond waarvan schuldbemiddeling gegarandeerd wordt aan de inwoners van bedoelde gemeente. In afwijking van het eerste lid kunnen in de gemeenten met meer dan 30 000 inwoners bijkomende instellingen erkend worden naar rato van één instelling per aangesneden schijf van 30 000 inwoners boven de eerste schijf van 30 000 inwoners. HOOFDSTUK II. -
.De aanvragen tot
van de instellingen bedoeld in artikel 1 van het decreet worden bij aangetekend schrijven of d.m.v. een elektronisch formulier aan de administratie gericht. Art. 5.De
saanvraag wordt ingediend in de vorm van een verklaring op erewoord waarvan het model door de administratie wordt opgemaakt en waarin de instelling de volgende gegevens vermeldt : 1° haar benaming, zetel, duur, maatschappelijk doel en de zetel van de activiteit waarvoor de
wordt aangevraagd, waarbij deze bepaling niet van toepassing is op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en op de verenigingen van openbare centra voor maatschappelijk welzijn;2° het bewijs van de beslissing waarbij het bevoegde orgaan van de instelling een schuldbemiddelingsactiviteit zal uitoefenen; 3° het bewijs van de verbintenis waarbij het bevoegde orgaan van de instelling zich zal houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen voor schuldbemiddeling, o.a. inzake gespecialiseerd personeel; 4° het bewijs dat de functies bedoeld in artikel 7, 2°, van het decreet niet toegewezen worden aan personen die niet gemachtigd zijn krachtens deze bepaling en dat de leden van het leidend orgaan van de instelling en de personeelsleden die op grond van hun bevoegdheden rechtstreeks deelnemen in de uitoefening van de schuldbemiddelingsactiviteit niet ingedeeld zijn in één van de categorieën bedoeld in artikel 78 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;5° het bewijs van de gespecialiseerde opleiding of van de nuttige beroepservaring van de personen bedoeld in artikel 4 van het decreet; 6° in het geval van een privé-instelling, het bewijs van haar onafhankelijkheid t.o.v. personen of instellingen die een activiteit van kredietgever of -bemiddelaar uitoefenen krachtens de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet. Elke wijziging van de gegevens vervat in de verklaring op erewoord wordt binnen vijftien dagen aan de administratie meegedeeld. Bij de
saavraag worden ook de volgende stukken gevoegd : 1° een overzicht van de vastgestelde behoeften, van de middelen waarvan de aanwending overwogen wordt om daarop in te spelen en het activiteitsgebied dat normaal onder de instelling valt;2° de laatste goedgekeurde rekeningen van de instelling en een vermelding van de beschikbaarheid van de financiële middelen die nodig zijn voor de bezoldiging van de personen en diensten bedoeld in artikel 4 van het decreet;3° in voorkomend geval, het gemotiveerde ontwerp van het tarief van de kosten van de reële prijs van de schuldbemiddeling. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de verenigingen van openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn vrijgesteld van de overlegging van de stukken bedoeld in het derde lid, 2° en 3°. Daarentegen voegen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de notulen bij van de vergadering van het overlegcomité bedoeld in artikel 26, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de de openbare centra voor maatschappelijk welzijn m.b.t. de oprichting van de dienst voor schuldbemiddeling. Art. 6.Binnen dertig dagen na ontvangst van
saanvraag bezorgt de administratie de aanvrager hetzij een bericht van ontvangst als de aanvraag volledig is, hetzij een bericht waarbij zij hem erom verzoekt zijn aanvraag binnen twee maanden te vervolledigen en hem op de ontbrekende stukken en/of gegevens wijst. Bij gebrek aan bericht van ontvangst binnen de voorgeschreven termijnen wordt de aanvraag geacht volledig en regelmatig te zijn. Art. 7.De administratie behandelt de aanvraag en maakt ze samen met haar opmerkingen aan de Minister over binnen een maand na de indiening ervan als ze volledig is. De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier. Art. 8.De beslissingen tot weigering of intrekking van de
worden bij ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager meegedeeld. Art. 9.De aanvraag tot hernieuwing van de
wordt maximum zes maanden en minimum drie maanden vóór het verstrijken van de lopende
ingediend aan de hand van dezelfde formulieren en volgens dezelfde procedure als die voorzien voor de
saanvraag. De administratie behandelt de aanvraag en maakt ze samen met haar opmerkingen aan de Minister over binnen een maand na de indiening ervan als ze volledig is. De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier. In afwachting van een definitieve beslissing van de Minister wordt de instelling geacht te zijn erkend voor een termijn van zes maanden, die ingaat op de vervaldatum van de
. Art. 10.Bij weigering, intrekking of niet-hernieuwing van de
kan een beroep bij de Regering ingediend worden. Het beroep wordt binnen twee maanden na kennisgeving van de omstreden beslissing bij aangetekend schrijven gericht aan de Minister van Sociale Actie, die het aan de Regering overlegt. Het beroep vermeldt : 1° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij;2° het voorwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen. Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de omstreden beslissing. De Regering beslist binnen een termijn van drie maanden, die ingaat op de datum van indiening van het beroep. De Minister geeft de dienst kennis van de beslissing van de Regering. HOOFDSTUK III. - Maximumtarief dat toegepast kan worden door de instellingen voor schuldbemiddeling Art. 11.Onverminderd het tarief bepaald overeenkomstig artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het maximumtarief dat toegepast kan worden door erkende privé-instellingen voor schuldbemiddeling vastgelegd als volgt : 1° initiële opmaak van de globale financiële balans van de aanvrager : euro 77,76;2° onderhandeling over een aanzuiveringsplan met de schuldeisers : euro 46,41;3° voorbereiding van de conclusies met het oog op een verschijning voor de rechtbank : euro 37,
.De aanvragen tot
van de referentiecentra worden bij aangetekend schrijven of d.m.v. een elektronisch formulier aan de administratie gericht. Art. 22.De
saanvraag wordt ingediend in de vorm van een verklaring op erewoord waarvan het model door de administratie wordt opgemaakt en aan de hand waarvan de vereniging : 1° het bewijs levert dat het doel van de vereniging voorziet in acties inzake de bestrijding van schuldenoverlast;2° het bewijs levert dat de maatschappelijk assistent de door de Minister erkende gespecialiseerde opleiding heeft gevolgd en minstens vijf jaar beroepservaring inzake maatschappelijk werk heeft;3° het bewijs levert van de verbintenis of van een overeenkomst met een geneesheer of een licentiaat in de rechten die bovenbedoelde opleiding heeft gevolgd of minstens vijf jaar nuttige beroepservaring heeft;4° het bewijs levert dat de personeelsleden die op grond van hun bevoegdheden rechtstreeks deelnemen in de uitoefening van de schuldbemiddelingsactiviteit niet ingedeeld zijn in één van de categorieën vermeld in artikel 78 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet; Elke wijziging van de gegevens vervat in de verklaring op erewoord wordt binnen vijftien dagen aan de administratie meegedeeld. De beslissing van het bevoegde orgaan van de vereniging om de
als referentiecentrum aan te vragen wordt eveneens bij de
saanvraag gevoegd. Art. 23.Binnen dertig dagen na ontvangst van
saanvraag bezorgt de administratie de aanvrager hetzij een bericht van ontvangst als de aanvraag volledig is, hetzij een bericht waarbij zij hem erom verzoekt zijn aanvraag binnen twee maanden te vervolledigen en hem wijst op de ontbrekende stukken en/of gegevens. Bij gebrek aan bericht van ontvangst binnen de voorgeschreven termijnen wordt de aanvraag geacht volledig en regelmatig te zijn. Art. 24.De administratie behandelt de aanvraag en maakt ze samen met haar opmerkingen aan de Minister over binnen een maand na de indiening ervan als ze volledig is. De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier. Art. 25.De beslissingen tot weigering of intrekking van de
worden bij ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager meegedeeld. Art. 26.De aanvraag tot hernieuwing van de
wordt maximum zes maanden en minimum drie maanden vóór het verstrijken van de lopende
ingediend. De vereniging moet slechts de beslissing van het bevoegde orgaan overmaken waarbij de hernieuwing van de
wordt aangevraagd. De administratie behandelt de aanvraag en maakt ze samen met haar opmerkingen aan de Minister over binnen een maand na de indiening ervan als ze volledig is. De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier. Als de Minister niet binnen die termijn beslist, wordt de instelling geacht te zijn erkend voor een termijn van zes maanden, die ingaat op de vervaldatum van de
. Art. 27.De
kan ingetrokken worden als het decreet of dit besluit niet in acht genomen wordt. Bij weigering, intrekking of niet-verlenging van de
kan een beroep bij de Regering ingediend worden. Het beroep wordt binnen twee maanden na kennisgeving van de omstreden beslissing bij aangetekend schrijven gericht aan de Minister van Sociale Actie, die het aan de Regering overlegt. Het beroep vermeldt : 1° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij;2° zijn voorwerp en een uiteenzetting van de feiten en middelen. Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de omstreden beslissing. De Regering beslist binnen een termijn van drie maanden, die ingaat op de datum van indiening van het beroep. De Minister geeft de dienst kennis van de beslissing van de Regering. HOOFDSTUK II. - Subsidiëring Art. 28.De personeelsuitgaven van een referentiecentrum worden in aanmerking genomen om de prestaties van de leden van het team bedoeld in artikel 11bis, § 2, vierde lid, 2° en 3°, van het decreet en van een administratief personeelslid ten laste te nemen. De subsidie die betrekking heeft op de geneesheer of de licentiaat in de rechten dekt een voltijdse betrekking. De kosten van de bedrijfsovereenkomst die is afgesloten met een advocaat worden met personeelsuitgaven gelijkgesteld. De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste en het tweede lid worden in aanmerking genomen met inachtneming van de weddenschalen opgegeven in de bijlagen bij dit besluit. De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste en het tweede lid worden vermeerderd met de werkgeversbijdragen berekend op grond van de weddenschalen bedoeld in het vorige lid. De personeelsleden kunnen een dienstanciënniteit toegekend krijgen voor de nuttige ervaring die ze in hun betrekking verworven hebben. De geldelijke anciënniteit van het personeel van de referentiecentra wordt berekend overeenkomstig de algemene beginselen van het personeel van het gemeentelijk en provinciaal openbaar ambt. Art. 29.De werkingskosten van de referentiecentra worden in aanmerking genomen voor een bedrag van euro 6.000, verhoogd met euro 0,04/inwoner van het/de provinciegedeelte(n) bediend door een centrum, waarbij het totaalbedrag niet hoger mag zijn dan euro 25.000. In het kader van het beleid voor de preventie van schuldenoverlast en van de begeleiding van de steungroepen voor de preventie van schuldenoverlast worden de personeels- en werkingsuitgaven van de referentiecentra in aanmerking genomen ten belope van euro 40.000/jaar. De referentiecentra mogen voor het overige de verplaatsingskosten van hun personeelsleden i.v.m. de diensten verstrekt ten gunste van de erkende instellingen voor schuldbemiddeling aan deze instellingen factureren. Art. 30.De personeels- en werkingskosten betreffende het subsidiejaar zijn het voorwerp van twee halfjaarlijkse voorschotten gelijk aan 40 % van de subsidie geschat op grond van de uitgaven betreffende het vorige jaar. Voor het eerste jaar waarin de subsidie aan de referentiecentra wordt toegekend, wordt elk halfjaarlijks voorschot evenwel op euro 80.000 vastgelegd. De subsidie wordt jaarlijks uitbetaald na een definitieve berekening waarbij rekening wordt gehouden met de reeds gestorte halfjaarlijkse voorschotten. Het erkende referentiecentrum dat de boekhoudkundige gegevens van het voorafgaande boekjaar uiterlijk 30 april niet aan de Regering heeft overgemaakt, krijgt voor het lopende jaar geen voorschotten meer zolang de gegevens niet zijn toegestuurd. TITEL 4. - "Observatoire du Crédit et de l'Endettement" (Waarnemingscentrum Krediet en Schuldenlast) HOOFDSTUK I. -
.Het in Charleroi gevestigde "Observatoire du Crédit et de l'Endettement" wordt op eigen verzoek door de Minister erkend indien het de volgende voorwaarden vervult : 1° opgericht zijn als vereniging zonder winstoogmerk, met maatschappelijke zetel gevestigd in Charleroi;2° beschikken over een raad van bestuur met minstens : - 2 vertegenwoordigers aangewezen door de Waalse Regering; - 2 vertegenwoordigers van het bankwezen of de bedrijfswereld; - 2 vertegenwoordigers van de consumentenverenigingen; - 2 vertegenwoordigers van de instellingen voor schuldbemiddeling of van de referentiecentra; 3° beschikken over een team dat bestaat uit minstens : - een directeur die houder is van een universitair diploma; - een geneesheer of een licentiaat in de rechten; - een licentiaat in de economische wetenschappen; - een graduaat die houder is van een diploma met de studierichting rechten, economie of administratie; 4° de beraadslaging van het bevoegde orgaan van de vereniging overleggen waarbij de verbintenis wordt aangegaan om de krachtens artikel 11ter van het decreet toegewezen opdrachten te vervullen. Art. 32.De
saanvraag wordt bij aangetekend schrijven gericht aan de Minister, die zich uitspreekt binnen twee maanden. De
geldt voor een periode van zes jaar. Indien de bij het decreet toegewezen opdrachten of de in artikel 31 bedoelde voorwaarden niet vervuld zijn, kan de
ingetrokken worden. Bij weigering, intrekking of niet-hernieuwing van de
kan een beroep bij de Regering ingediend worden. Het beroep wordt binnen twee maanden na kennisgeving van de omstreden beslissing bij aangetekend schrijven gericht aan de Minister van Sociale Actie, die het aan de Regering overlegt. Het beroep vermeldt : 1° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij;2° zijn voorwerp en een uiteenzetting van de feiten en middelen. Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de omstreden beslissing. De Regering beslist binnen een termijn van drie maanden, die ingaat op de datum van indiening van het beroep. De Minister geeft de dienst kennis van de beslissing van de Regering. HOOFDSTUK II. - Subsidiëring Art. 33.De personeelsuitgaven van het "Observatoire du Crédit et de l'Endettement" worden in aanmerking genomen om de prestaties van het team bedoeld in artikel 14, 3, van dit besluit ten laste te nemen. De personeelsuitgaven bedoeld in het vorige lid worden in aanmerking genomen met inachtneming van de weddenschalen opgegeven in de bijlage I bij dit besluit en met inachtneming van de regels voor de evaluatie van het personeel van het "Observatoire du Crédit et de l'Endettement" die uitvoerig omschreven worden in bijlage II bij dit besluit. De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden verhoogd met de werkgeversbijdragen berekend op grond van de weddenschalen bedoeld in het vorige lid. De personeelsleden kunnen een dienstanciënniteit toegekend krijgen voor de nuttige ervaring die ze in hun betrekking verworven hebben. Bovendien kan aan het personeel van het "Observatoire" een geldelijke anciënniteit toegekend worden overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 houdende de Waalse Ambtenarencode. Art. 34.De werkingskosten i.v.m. de opdrachten van het "Observatoire" worden in aanmerking genomen voor zover ze niet meer dan euro 100.000 per jaar bedragen. Deze kosten dienen o.a. om de organisatie van de basis- en voortgezette opleidingen te dekken volgens een met de Minister overeengekomen programma. Wat betreft de subsidies voor de opleidingen, wordt de toekenning onderworpen aan de overlegging van een voorbegroting en van een door de Minister goedgekeurde activiteitenprogramma. Art. 35.De personeels- en werkingskosten betreffende het subsidiejaar zijn het voorwerp van twee halfjaarlijkse voorschotten gelijk aan 40 % van de subsidie geschat op grond van de uitgaven die op het vorige jaar slaan. De subsidie wordt jaarlijks uitbetaald na een definitieve berekening waarbij rekening wordt gehouden met de reeds gestorte halfjaarlijkse voorschotten. Indien het "Observatoire du Crédit et de l'Endettement" de boekhoudgegevens m.b.t. tot het voorgaande boekhoudjaar uiterlijk 30 april niet aan de Regering heeft overgemaakt, ontvangt het geen voorschot meer voor het lopende jaar zolang de gegevens niet zijn overgemaakt. TITEL 5. - Controle Art. 36.De administratieve en financiële controle op de erkende instellingen voor schuldbemiddeling, de erkende referentiecentra en het "Observatoire du Crédit et de l'Endettement" wordt door de ambtenaren van de administratie uitgeoefend. In het kader van deze controle kan de administratie de instelling verzoeken om de overlegging van de nodige stukken en bewijzen die niet zijn overlegd in het kader van de
saanvraag. Art. 37.Het erkende referentiecentrum maakt een jaarlijks activiteitenverslag op waarmee kan worden nagegaan of het zich houdt aan de bepalingen van het decreet en aan de bepalingen genomen ter uitvoering ervan. Dat verslag wordt uiterlijk 30 april van het volgende jaar aan de administratie overgemaakt. Art. 38.Van alle beslissingen tot toekenning, hernieuwing, weigering of intrekking van een
wordt een afschrift overgemaakt aan de federale Minister van Economische Zaken. Art. 39.De lijst van de instellingen voor schuldbemiddeling en de referentiecentra wordt door de administratie bijgehouden. TITEL 6. - Opheffings- en slotbepalingen Art. 40.De volgende besluiten worden opgeheven : 1° het besluit van de Waalse Regering van 20 oktober 1994 tot uitvoering van het decreet van 7 juli 1994 betreffende de
van instellingen voor schuldbemiddeling, gewijzigd bij het besluit van 13 december 2001;2° het besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 20/05/1999 pub. 25/06/1999 numac 1999027492 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het programma-decreet van 16 december 1998 houdende verschillende maatregelen inzake sociale actie sluiten tot uitvoering van het programmadecreet van 16 december 1999 houdende verschillende maatregelen inzake sociale actie, gewijzigd bij de besluiten van 3 mei 2001 en 13 december 2001;3° het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 18/03/2004 pub. 11/05/2004 numac 2004201084 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering betreffende de
en de subsidiëring van de consumentenscholen sluiten betreffende de
en de subsidiëring van de consumentenscholen. Art. 41.Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de openbare en privé-instellingen die overeenkomstig de ministeriële besluiten van 6 december 2004 en 10 november 2005 erkend zijn en gesubsidieerd worden voor de organisatie van een consumentenschool, tot de definitieve regeling van de subsidiedossiers onderworpen aan de regels vervat in het besluit van 18 maart 2004 betreffende de
en de subsidiëring van de consumentenscholen. Art. 42.In afwijking van artikel 20, eerste lid, wordt de termijn voor de indiening van de subsidieaanvraag 2007 vastgelegd op de eerste dag van de tweede maand na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad . Art. 43.Artikel 11bis, § 1, van het decreet en dit besluit hebben uitwerking op 1 januari
van instellingen voor schuldbemiddeling. Namen, 1 maart 2007. De Minister-President, E. DI RUPO De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. Ch. VIENNE Bijlage II Regels voor de evaluatie van het personeel van het "Observatoire du Crédit et de l'Endettement" De procedure voor de evaluatie van het personeel wordt georganiseerd en toegepast als volgt : De personeelsleden van het "Observatoire" zijn het voorwerp van één van de drie volgende evaluaties : 1° zeer positief;2° positief;3° voorbehoud. Het model van het evaluatieverslag dat o.a. de evaluatiecriteria bevat wordt hieronder weergegeven. Voor elk criterium moet één van de drie vakken aangekruist worden om de globale evaluatie van het personeelslid te bepalen. De globale evaluatie "zeer positief" wordt slechts verkregen als geen enkel criteria het voorwerp is van een melding "voorbehoud". De melding "voorbehoud" wordt toegekend als minstens de helft van de criteria het voorwerp is van de melding "voorbehoud". De evaluatie wordt om de twee jaar meegedeeld aan de personeelsleden. Ze wordt hen evenwel één jaar na de toekenning van de evaluatie "voorbehoud" meegedeeld of één jaar nadat ze hun nieuwe functies hebben opgenomen. De personeelsleden kunnen via het systeem van de loopbaanevolutie bedoeld in bijlage I bij dit besluit slechts voor een hogere schaal in aanmerking komen als ze het voorwerp hebben uitgemaakt van evaluaties die minstens "positief" zijn. De evaluatieprocedure wordt vastgelegd als volgt : - het evaluatieontwerp wordt door de raad van bestuur opgemaakt voor de directeur van het "Observatoire" en door de directeur van het "Observatoire" voor de overige personeelsleden; - dat ontwerp wordt meegedeeld aan betrokken persoon; - als betrokken persoon geen opmerkingen maakt omtrent het ontwerp, wordt de evaluatie definitief vastgelegd door de administratie; - als betrokken persoon het ontwerp betwist, kan ze bezwaar aantekenen binnen vijftien na de mededeling. Na betrokken persoon te hebben gehoord kan de raad van bestuur of de directeur een ander voorstel doen, dat samen met het proces-verbaal van verhoor bij het evaluatieontwerp gevoegd wordt. De raad van bestuur zal een definitieve beslissing nemen. Het evaluatieblad bevat de volgende gegevens : 1° de identiteitskaart van het personeelslid (naam, voornaam, niveau, datum van indiensttreding, uitgeoefende functies);2° een omschrijving van de activiteiten;taken toegewezen aan het personeelslid; 3° bijzondere problemen tegengekomen door het personeelslid sinds de laatste evaluatie en manier waarop het die op zich genomen heeft;4° opleidingen die eventueel gevraagd en gevolgd worden;5° beoordeling : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 1 maart 2007 tot uitvoering van het decreet van 7 juli 1994 betreffende de
van instellingen voor schuldbemiddeling. Namen, 1 maart 2007. De Minister-President, E. DI RUPO De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. Ch. VIENNE
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.