(1)bij kamertemperatuur. In dit geval moet de procedure beschreven in de norm NBN EN ISO 20200 worden gebruikt, waarbij terdege moet worden vermeld dat de test werd gedaan bij temperaturen tussen 20°C en 30°C. Deze test duurt maximum 6 maanden en een precieze massabalans is niet noodzakelijk. Visuele waarnemingen en de testrapporten volstaan. Indien er geen desintegratie bij hoge temperatuur werd gemeten dan moet de desintegratie bij kamertemperatuur worden vastgesteld volgens de procedure beschreven in de norm ISO 16929, als volgt aangepast. De temperatuur gedurende de hele looptijd van de test mag niet hoger zijn dan 30°C en de test moet 6 maanden duren. Na zes maanden wordt het compost door een zeef met een maasopening van 2 mm gedaan. De desintegratie moet dan hoger zijn dan 90%; wat betekent dat hoogstens 10 % van het gewicht aan testmateriaal niet door een zeef gaat met een maasopening van 2 mm.
- Kwaliteit van het compost De materialen die voldoen aan Bijlage II/4 van dit besluit, worden verondersteld te beantwoorden aan de vereisten inzake compostkwaliteit van onderhavige bijlage. De kwaliteit van het compost wordt geëvalueerd door de bepaling van volgende parameters : o de soortelijke massa of dichtheid o het totale gehalte aan droge vaste stoffen o het gehalte aan zwevende vaste stoffen o het zoutgehalte o de pH o het totale gehalte aan stikstof, aan ammoniakhoudende stikstof, aan fosfor, aan magnesium en aan kalium. De ecotoxiciteit wordt getest op twee hogere planten. De plantensoorten die voor deze test worden gebruikt moeten gekozen worden uit twee van de drie categorieën vermeld in « Terrestrial Plant Test:208: Seedling Emergence and Seedling Growth Test » van de OESO; om beurt mag zomergerst één van de gebruikte soorten zijn (Hordeum vulgare). Zoals bepaald in de norm ISO 16929 moet het testcompost dat voor deze proeven wordt gebruikt, gemaakt zijn uit gekende grondstoffen, waaraan minimum 10 % van het te testen materiaal werd toegevoegd (op basis van het gewicht aan verse stof) De composteerperiode moet 12 weken lang zijn. Deze periode mag worden verlengd tot 6 maanden indien de composteringstemperatuur gedurende de hele looptijd van de proef onder de 30° C werd gehouden. Een referentiestaal, bestaande uit dezelfde basismaterialen maar zonder toevoeging van het te testen materiaal, moet eveneens gedurende 12 weken worden getest. De berekening en de interpretaties van de resultaten moeten gebeuren overeenkomstig de laatste editie van de norm NBN EN
- Zowel de kiemingsgraad als de biomassa van de geteste planten moeten waarden vertonen die voor minimum 90 % overeenkomen met de waarden die worden vastgesteld op het referentiestaal. De fysisch-chemische analyses op het te testen compost mogen niet beduidend slechter zijn dan die op het referentiecompost. Inzonderheid het zoutgehalte mag niet toenemen. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 9 september 2008 houdende vaststelling van productnormen voor composteerbare en biologisch afbreekbare materialen. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Klimaat en Energie, P. MAGNETTE _______ Nota's
(1)Een kwantitatieve evaluatie vereist de bepaling van een precieze massabalans na het composteren, zeven en sorteren.Een kwalitatieve evaluatie vereist enkel een visuele waarneming en documenten. Bijlage IV Specifieke vereisten betreffende biologisch afbreekbare materialen De materialen die voldoen aan de norm AFNOR NF U 52-001 (Biologisch afbreekbare materialen voor land- en tuinbouw - Strodekproducten - Vereisten en proefmethoden) worden verondersteld te voldoen aan de vereisten van deze bijlage.
- Gehalte aan organische stof, beperking van zware metalen en andere gevaarlijke substanties Bijlage I is van toepassing.
- Biologische degradatie De biologische degradatie moet worden getest bij kamertemperatuur (tussen 20°C en 30°C) volgens één van volgende normen : NBN EN ISO 17556, NBN EN ISO 14851, NBN EN ISO 14852 ou NBN EN ISO
- Voorbehandelingen met warmte of licht zijn niet toegelaten. De test duurt maximum 24 maanden. De evaluatie van de biologische degradatie moet ofwel gebaseerd zijn op de omzetting in CO2 en de massabalans, ofwel op het zuurstofverbruik en de massabalans. De biologische degradatie moet minstens voor 90 % overeenstemmen met de theoretische waarde van het staal of voor 90 % van de waarde van een referentiestaal van microkristallijncellulose. De biologische degradatie mag in dit geval ook als voldoende worden beschouwd indien zij tijdens proeven naar biologische degradatie bij kamertemperatuur gedurende 12 maanden 60% massa bereikt en indien voor hetzelfde materiaal minstens 90 % biologisch is afgebroken (in absolute termen of in vergelijking met een referentiestaal van microkristallijncellulose) tijdens een proef bij hogere temperatuur (maximum 58°C +/- 1°C zoals beschreven in de norm NBN EN ISO 14855), uitgevoerd gedurende 6 maanden.
- Fysisch-chemische en ecotoxicologische kwaliteit De materialen die voldoen aan de vereisten van punt 4.van bijlage III (Kwaliteit van het compost) worden verondersteld conform te zijn en moeten niet meer aan de onderstaande proeven worden onderworpen. Indien deze proeven niet werden uitgevoerd dan moet er een toxiciteitstest voor landplanten worden gedaan volgens de voorschriften van de test OESO 208 (Terrestrial Plant Test: 208: Seedling Emergence and Seedling Growth Test) met de aanpassingen beschreven in de norm NBN EN
- Het staal van het te testen materiaal wordt vermengd met aarde. De concentratie te testen materiaal moet 3 % bedragen. Men laat vervolgens deze mengeling kiemen in volgende voorwaarden : - temperatuur : 20 tot 30°C - aerobe omstandigheden (minstens één keer per week mengen) - afwezigheid van licht. Een referentiestaal bestaande uit dezelfde aarde waaraan 3 % microkristallijncellulose is toegevoegd, wordt in dezelfde voorwaarden tot kiemen gebracht. Na drie maanden kiemen worden volgende parameters geanalyseerd op beide stalen : o de soortelijke massa of dichtheid o het totale gehalte aan droge stoffen o het gehalte aan zwevende vaste stoffen o het zoutgehalte o de pH o het totale gehalte aan stikstof, aan ammoniakhoudende stikstof, aan fosfor, aan magnesium en aan kalium. Deze analyses op de twee stalen mogen geen beduidende verschillen vertonen. Inzonderheid het zoutgehalte mag niet toenemen. De zelfde stalen worden vervolgens genomen voor de test OESO 208 over de ecotoxiciteit op landplanten. Geen enkel ander materiaal mag er worden aan toegevoegd. De plantensoorten die voor deze test worden gebruikt moeten gekozen worden uit twee van de drie categorieën; om beurt mag zomergerst één van de gebruikte soorten zijn (Hordeum vulgare). De kiemingsgraad en de biomassa van de planten die zijn gegroeid op de grond met het te testen materiaal moeten waarden vertonen die voor minimum 90 % overeenkomen met de waarden die worden vastgesteld op het referentiestaal. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 9 september 2008 houdende vaststelling van productnormen voor composteerbare en biologisch afbreekbare materialen. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Klimaat en Energie, P. MAGNETTE Bijlage V Referenties en titels van de verschillende normen en tests waarnaar dit besluit verwijst NBN EN ISO 14855-1:2007 Bepaling van de ultieme aërobisch-biologische afbreekbaarheid van kunststofmaterialen onder gecontroleerde composteringsomstandigheden - Methode door analyse van het afgegeven koolstofdioxide - Deel 1 : Algemene methode (NBN EN ISO 14855:2005) NBN EN ISO 14851:2004 Bepaling van de ultieme aërobisch-biologische afbreekbaarheid van kunststofmaterialen in een waterige omgeving - Methode met bepaling van het zuurstofverbruik in een gesloten respirometer (NBN EN ISO 14851:1999) NBN EN ISO 14852:2004 Beoordeling van de ultieme aërobisch-biologische afbreekbaarheid van kunststofmaterialen in een waterige omgeving - Methode door analyse van afgegeven koolstofdioxide (NBN EN ISO 14852:1999) NBN EN ISO 17556:2005 Kunststoffen - Bepaling van de totale aërobe bio-afbreekbaarheid in de bodem door het meten van het zuurstofverbruik in een respirometer of het gehalte van vrijgekomen koolstofdioxide (NBN EN ISO 17556:2003) ISO 16929 Plastics - Determination of the degree of disintegration of plastic materials under defined composting conditions in a pilot-scale test NBN EN ISO 20200:2500 Kunststoffen - Bepaling van de desintegratie van kunststoffen onder gesimuleerde composteringsomstandigheden in een proef op laboratoriumschaal (NBN EN ISO 20200:2004) NBN EN 13432:2001 Verpakkingen - Eisen voor verpakking terugwinbaar door compostering en biologische afbraak - Beproevingsschema en evaluatiecriteria voor de eindaanvaarding van verpakking Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 9 september 2008 houdende vaststelling van productnormen voor composteerbare en biologisch afbreekbare materialen. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Klimaat en Energie, P. MAGNETTE