← België

Ordonnantie betreffende de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen

24 APRIL 2008. - Ordonnantie betreffende de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen (1) HOOFDSTUK I. - Algemeen Artikel 1.Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld

§ 3

van dit artikel, mag de beheerder, zodra die beslissingen zijn meegedeeld, geen nieuwe bejaarde personen meer opvangen en moet hij binnen een termijn van drie maanden zorgen voor de opvang van de betrokken personen in een andere voorziening. Op het einde van die termijn, wordt de voorziening gesloten. § 2.

§ 3

van dit artikel, kan het Verenigd College, bij wijze van overgangsmaatregel, de onmiddellijke sluiting van een voorziening bevelen, wanneer redenen van uiterst dringende noodzakelijkheid inzake volksgezondheid of veiligheid het rechtvaardigen.

§ 3

van dit artikel, moet de beheerder toezien op de onmiddellijke evacuatie van de bejaarde personen. Het Verenigd College licht onmiddellijk de afdeling over haar maatregel in. Het neemt een definitieve beslissing na ontvangst van het advies van de afdeling, dat binnen de dertig dagen wordt uitgebracht. §

  1. Voor de in artikel 2, 4°, b) ,ss, bedoelde voorzieningen, wanneer het Verenigd College de intrekking van de voorlopige werkingsvergunning of de intrekking dan wel de weigering van erkenning van de voorziening of nog de onmiddellijke intrekking van de voorlopige werkingsvergunning of erkenning beveelt, geeft het eveneens onmiddellijk kennis van deze beslissing aan de vereniging der mede-eigenaars of aan haar gemachtigde die, onverwijld, de behoudende maatregelen neemt die de beslissing inhoudt. Art. 18.Het Verenigd College kan, na advies van de afdeling, bijkomende bepalingen vaststellen inzake de procedure, de kennisgeving of de uitvoering van de beslissingen tot toekenning, weigering of intrekking van de voorlopige werkingsvergunning of de erkenning, onmiddellijke sluiting of onmiddellijke intrekking van de erkenning. Art. 19.Iedere beslissing tot erkenning, tot voorlopige werkingsvergunning, tot intrekking van de voorlopige werkingsver gunning, tot weigering of tot intrekking van de erkenning en tot sluiting van een voorziening wordt binnen de zestig dagen aan de burgemeester meegedeeld. Hij houdt een register bij van de voorzieningen op het grondgebied van zijn gemeente. Dat register is toegankelijk voor de bevolking. HOOFDSTUK IV. - Subsidie met betrekking tot de werking van de centra voor dagverzorging, de centra voor dagopvang en de centra voor nachtopvang Art. 20.Binnen de grenzen van de begrotingskredieten, kan het Verenigd College aan de erkende centra voor dagverzorging, de centra voor dagopvang en de centra voor nachtopvang een werkingssubsidie verlenen. Het Verenigd College stelt, na advies van de afdeling, de wijze van toekenning van de subsidie vast, alsook het bedrag van de financiële bijdrage van de opgevangen bejaarden. Art. 21.De beslissing houdende weigering of intrekking van de erkenning van een in artikel 20 bedoelde voorziening brengt de afschaffing van de subsidie mee, op het einde van een periode van drie maanden volgend op de kennisgeving van die beslissing. De beslissing tot onmiddellijke sluiting wegens redenen van uiterst dringende noodzakelijkheid inzake volksgezondheid of veiligheid brengt de afschaffing van dezelfde subsidie mee, te rekenen vanaf de voorlopige sluiting. HOOFDSTUK V. - Subsidies voor de aankoop, de bouw, de uitbreiding, de verbouwing en de uitrusting van de gebouwen waarin de voorzieningen hun activiteit uitoefenen Art. 22.§
  2. Enkel de publiekrechtelijke rechtspersonen en de rechtspersonen bedoeld bij de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1921 pub. 19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten waarbij aan verenigingen zonder winstoogmerk en aan instellingen van openbaar nut de rechtspersoonlijkheid wordt verleend, die beheerder zijn van een instelling voor bejaarden, kunnen een investeringssubsidie of een alternatieve vorm van investeringssubsidie krijgen. Die subsidies kunnen worden toegekend aan alle in artikel 2, 4°, bedoelde instellingen, met uitsluiting van de instel lingen bedoeld in artikel 2, 4°, b), alpha. Zo daartoe grond bestaat, wordt de toekenning van de subsidie afhankelijk gemaakt van de in artikel 9 bedoelde vergunning voor werken. §
  3. De subsidies worden toegekend binnen de perken van de begrotingskredieten, onder de voorwaarden en volgens de regels die door en krachtens deze ordonnantie zijn vastgesteld. §
  4. Het Verenigd College kent een investeringssubsidie toe als tegemoetkoming in de kosten voor de bouw, de uitbreiding, de verbouwing of de uitrusting van de in § 1 bedoelde instellingen. Het Verenigd College kan, onder de voorwaarden die het op advies van de afdeling vaststelt, een investeringssubsidie toekennen als tegemoetkoming in de aankoopkosten van al dan niet bebouwde onroerende goederen die voor dezelfde voorzieningen bestemd zijn. §
  5. Voorts kan het Verenigd College een investeringssubsidie of een alternatieve vorm van investeringssubsidie toekennen als tegemoetkoming in de financiering van de in § 3 bedoelde kosten in het kader van een leasingcontract, een promotieovereenkomst of elke andere financieringsvorm. Het Verenigd College kan, bij besluit en na advies van de afdeling, bepalen welke investeringen wegens hun aard en bedrag enkel de in deze paragraaf bedoelde subsidie kunnen krijgen. §
  6. Na advies van de afdeling en onder voorbehoud van artikel 30, stelt het Verenigd College de voorwaarden en de regels vast voor de toekenning en de betaling van de subsidies die nodig zijn voor de uitvoering van de in hoofdstuk V vervatte bepalingen. Art. 23.§
  7. Het bedrag van de subsidie voor investering is gelijk aan 60 % van de kosten van de werken, leveringen en prestaties en, desgevallend, van de financiering ervan, voor zover een maximale kostprijs, die door het Verenigd College wordt bepaald, niet overschreden wordt. §
  8. Binnen de grenzen van de begrotingskredieten en afwijkend van § 1 van dit artikel, kan het tarief op 75 % worden gebracht, na advies van de afdeling, volgens sociale, financiële en patrimoniale criteria die door het Verenigd College worden bepaald. §
  9. Afwijkend van § 1 van dit artikel, kan het tarief op 90 % gebracht worden, na advies van de afdeling, wanneer die werken bedoeld zijn om tegemoet te komen aan de van kracht zijnde veiligheidsnormen. §
  10. De subsidietarieven vermeld in §§ 1, 2 en 3 zijn eveneens van toepassing op de alternatieve vormen van subsidiëring voor investering toegekend krachtens artikel
  11. Art. 24.Het Verenigd College stelt, na advies van de afdeling, de normen vast voor de berekening en de betaling van de subsidies, waarin voorzien in dit hoofdstuk, inzonderheid :
  12. hetgeen meetelt voor de berekening van de maximale subsidieerbare kostprijs die het bedrag dekt van de geplande en goedgekeurde werken, de belasting op de toegevoegde waarde, de algemene kosten en, in voorkomend geval, de financiële kosten verbonden aan de financiering ervan, aangepast aan de evolutie van de lonen, sociale bijdragen en algemene prijsindex van de materialen;
  13. hetgeen meetelt voor de de toepassing van de tarieven die verhoogd zijn tot 75 % en 90 %;
  14. hetgeen meetelt voor de berekening van de kostprijs van de uitgevoerde en goedgekeurde werken; Het Verenigd College of het personeelslid van het Bestuur dat het daartoe machtigt, bezorgt aan eenieder die erom verzoekt, de gedetailleerde gegevens betreffende de berekeningsnormen. Art. 25.Elke wijziging van de bestemming van de goederen van de in artikel 22 bedoelde voorzieningen en waarvoor subsidies werden toegekend, maakt het voorwerp uit van een terugbetaling van de als subsidie ontvangen sommen, behalve indien een afwijking wordt toegekend door het Verenigd College. Iedere overdracht, mits betaling, van de goederen van de voorzieningen bedoeld in artikel 22 en waarvoor subsidies werden toegekend, maakt het voorwerp uit van een terugbetaling van de als subsidie verkregen sommen, behalve indien een afwijking wordt toegekend door het Verenigd College. Na advies van de afdeling, stelt het Verenigd College de voorwaarden en de regels vast voor de toekenning van de in dit artikel bepaalde afwijkingen. Art. 26.Overeenkomstig de voorwaarden en de toekenningsregels die het vaststelt, kan het Verenigd College de waarborg van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie ver lenen voor de terugbetaling van de leningen of andere schulden aangegaan voor de financiering van de conform artikel 22 gesubsidieerde werken, met dien verstande dat : 1° wanneer de subsidies betrekking hebben op de kostprijs van de werken, de verleende garantie beperkt wordt tot het niet-gesubsidieerde deel van het totale conform artikel 23 subsidieerbare bedrag.2° wanneer de subsidies betrekking hebben op de financiering van de werken, de verleende garantie ten minste betrekking heeft op het niet-gesubsidieerde deel van het conform artikel 23, § 4, totale subsidieerbare bedrag. HOOFDSTUK VI. - Inspectie en strafbepalingen Art. 27.Het Verenigd College wijst de statutaire of contractuele ambtenaren van de Diensten van het Verenigd College aan, belast met het toezicht op de toepassing van de bepalingen van deze ordonnantie en van de krachtens deze ordonnantie genomen besluiten. Die ambtenaren hebben de hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie. Zij leggen in handen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Brussel de volgende eed af : « Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk. ». Dat toezicht brengt onder meer het recht mee op elk ogenblik, elke plek of voorziening, welke ook de naam ervan is, die in het bijzonder bedoeld is voor de huisvesting of de opvang van bejaarden, hetzij voorlopig, voor onbepaalde duur of gratis, te bezoeken, met inachtneming van de onschendbaarheid van de woning, en ter plaatse zelf kennis te nemen van alle stukken en bescheiden. Op straffe van nietigheid van de gedane vaststellingen en

de bepalingen ter bestraffing van de onschendbaarheid van de woning, kunnen de ambtenaren van het Bestuur de lokalen die als woonplaats voor een bejaarde dienen slechts betreden zonder diens toestemming als ze daartoe gemachtigd zijn door de rechter van de politierechtbank of zijn plaatsvervanger of wanneer een persoon die in gevaar verkeert dringende hulp behoeft. Art. 28.De in artikel 27 bedoelde ambtenaren stellen de overtredingen vast in processen-verbaal. Ze bezorgen het afschrift ervan aan de overtreder, aan de burgemeester van de gemeente waar de overtreding is vastgesteld, alsook aan de procureur des Konings. Art. 29.§ 1. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 13 tot 125 EUR per bejaarde persoon opgevangen in zijn voorziening of met een van die straffen alleen : 1° de beheerder die een voorziening exploiteert ofwel zonder de specifieke vergunning tot ingebruikneming en exploitatie wanneer die vereist is krachtens artikel 6.noch de krachtens artikel 11 of artikel 13 vereiste erkenning of voorlopige werkingsvergunning te hebben bekomen ofwel met overtreding van een beslissing tot weigering of intrekking van erkenning of een beslissing tot onmiddellijke sluiting of onmiddellijke intrekking van erkenning; 2° de beheerder die ten onrechte melding maakt van de erkenning of de voorlopige werkingsvergunning;3° de beheerder die de rekeningen van de bejaarde persoon op een niet-geïndividualiseerde wijze beheert;4° de beheerder die door list, dwang, bedreiging, bedrog of gebruik makend van de zwakke toestand of ziektetoestand van de bejaarde persoon, de goederen van die persoon opeist;5° de beheerder die,

de bepalingen van de overeenkomst, de gelden of goederen van de bejaarde persoon beheert;6° de beheerder die aan de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger, als voorafgaandelijke voorwaarde voor de opvang of het verblijf, de uitbetaling van een ander dan door het Verenigd College toegestane voorschot of andere waarborg oplegt. §

  1. De beheerder die met overtreding van de bepalingen van deze ordonnantie en van de krachtens deze ordonnantie genomen uitvoeringsbesluiten een voorziening exploi teert, is burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten en gerechtskosten waartoe de directeur wordt veroordeeld. §
  2. Bij wijze van veiligheidsmaatregelen kunnen de hoven en rechtbanken bovendien verbieden dat de overtreders van de strafwet of van de bepalingen van deze ordonnantie en van de uitvoeringsbesluiten ervan een in artikel 2, 4° bedoelde voorziening zouden exploiteren of leiden, zowel persoonlijk als via een tussenpersoon, gedurende een door hen te bepalen periode; die periode kan niet langer zijn dan tien jaar. Het verbod treedt slechts in werking als er tegen de veroordeling geen gewoon of buitengewoon beroep meer mogelijk is. De overtreding van dat verbod wordt gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot zes maanden en met een geldboete van 25 tot 125 EUR per bejaarde persoon opgevangen in de voorziening of met een van die straffen alleen. HOOFDSTUK VII. - Slot- en overgangsbepalingen Art. 30.Blijven van toepassing tot ze afgeschaft worden door de uitvoeringsbesluiten van deze ordonnantie, de volgende reglementeringen : 1° het koninklijk besluit van 2 mei 1972 tot vaststelling van de criteria voor het uitwerken van een nationaal programma van rustoorden voor bejaarden;2° het koninklijk besluit van 2 mei 1972 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor het verlenen van toelagen voor het bouwen of het verbouwen van rustoorden voor bejaarden;3° het besluit van het Verenigd College van 7 oktober 1993.tot vaststelling van de procedure betreffende de voorlopige werkingsvergunning, de erkenning, de weigering en de intrekking van de erkenning en de sluiting van de voorzieningen die bejaarden huisvesten; 4° het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996.tot vaststelling van de normen waaraan de voorzieningen die bejaarden huisvesten moeten voldoen. Art. 31.Opgeheven worden : 1° de wet van 22 maart 1971 tot subsidiëring van de bouw van rustoorden voor bejaarden, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1976;2° de ordonnantie van 20 februari 1992 betreffende voorzieningen die bejaarden huisvesten, gewijzigd bij de ordonnantie van 26 juni 1997;3° de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende de serviceresidenties en woningencomplexen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die beheerst worden door het regime van de gedwongen mede-eigendom en die diensten aan bejaarde personen aanbieden;4° het besluit van de Regent van 2 juli 1949 betreffende de staatstussenkomst inzake toelagen voor het uitvoeren van werken door de provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies van openbare onderstand, kerkfabrieken en verenigingen van polders of van wateringen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 januari 1951;5° het koninklijk besluit van 5 november 1976 tot vaststelling van de regels die de onontbeerlijkheid van de brandbeveiligingswerken in de rustoorden voor bejaarden bepalen. Art. 32.§
  3. Bij wijze van overgangsmaatregel behouden de vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie definitief erkende voorzieningen hun erkenning voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van de hen betreffende uitvoeringsbesluiten van deze ordonnantie. De voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie een voorlopige werkingsvergunning genoten behouden deze tot het verstrijken van de voorziene termijn. Na het verstrijken van de vastgestelde termijn, wordt de werkingsvergunning met één jaar verlengd. §
  4. In afwachting van de programmering vastgesteld conform hoofdstuk II, is het verboden om een nieuwe in artikel 2, 4°, bedoelde voorziening in gebruik te nemen of te exploiteren of een uitbreiding van de opvang- of huisvestingscapaciteit van een van die bestaande voorzieningen in gebruik te nemen of te exploiteren zonder vergunning van het Verenigd College ingeval de betrokken voorziening valt in een categorie van voorzieningen waarvoor het Verenigd College een in artikel 4, 2°, bedoeld protocolakkoord gesloten heeft. Die vergunning wordt gegeven of geweigerd conform de procedure vastgesteld in artikel
  5. Zij wordt geweigerd als de ingebruikneming en de exploitatie van de betrokken voorziening leiden tot een overschrijding van het aantal bedden of opvangplaatsen waartoe het vigerende protocol vergunt, behalve als wordt vastgesteld dat de plaatsen die in gebruik worden genomen bestaande plaatsen van dezelfde voorziening vervangen of gepaard gaan met een daling van een op zijn minst gelijk aantal plaatsen in een andere voorziening van hetzelfde type of de omzetting zijn van bedden van rusthuizen in bedden van rust- en verzorgingstehuizen voor kortverblijf. Na advies van de afdeling, stelt het Verenigd College de voorwaarden vast voor de overdracht van bedden of plaatsen tussen voorzieningen van hetzelfde type. Art. 33.Aan de voorzieningen die een eerste erkenningsaanvraag hebben ingediend vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie en waarvoor er vóór die datum nog geen definitieve beslissing is genomen, wordt een voorlopige werkingsvergunning toegekend op basis van de bepalingen van de ordonnantie van 20 februari 1992, voor een duur van 6 maanden. Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Brussel, 24 april
  6. De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking, Ch. PICQUE De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen, G. VANHENGEL De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, B. CEREXHE De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken, P. SMET De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid, Mevr. E. HUYTEBROECK _______ Nota

(1)Documenten van de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : Gewone zitting 2006-2007 : B-102/1 : ontwerp van ordonnantie. Gewone zitting 2007-2008 : B-102/ : verslag. B-102/3 : amendement na verslag. Integraal verslag : Bespreking en aanneming : vergadering van vrijdag 21 maart 2008.

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.