artikel 8 van het Mestdecreet, of verschillende maximale bemestingsnormen, overeenkomstig artikel 3, § 2 en § 3, en overeenkomstig de artikelen 13, 16, 17, 18, en 86, van het Mestdecreet, van toepassing zijn. Opdat twee of meer percelen grasland tot eenzelfde perceelsgroep zouden kunnen behoren, dienen deze in elk geval :
artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 09/02/2007 pub. 13/04/2007 numac 2007035539 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het mestbeleid en van het landbouwbeleid;5° derogatiemest : dierlijke mest die tot een van de volgende types behoort : a) dierlijke mest afkomstig van runderen, uitgezonderd dierlijke mest afkomstig van mestkalveren;b) dierlijke mest afkomstig van paarden;c) dierlijke mest afkomstig van geiten of schapen;d) de dunne fractie die het resultaat is van een scheiding van varkensmest die voldoet aan de voorwaarden
artikel 7;6° dunne fractie : het vloeibare gedeelte van de varkensmest, na fysische - mechanische scheiding;7° dikke fractie : het niet-vloeibare gedeelte van de varkensmest, na fysische - mechanische scheiding;8° een erkend laboratorium : een laboratorium dat krachtens artikel 62, § 6, van het Mestdecreet, erkend is geworden;9° derogatiegewas : een gewas of gewascombinatie die behoort tot een van de volgende types :
vermeldt en is vergezeld van een ondertekende verklaring van de aanvrager waarbij deze bevestigt op de hoogte te zijn van de verplichtingen inzake derogatie en dat hij aan de voorwaarden zal voldoen. De verplichtingen inzake derogatie zijn : 1° het zich houden aan de voorwaarden en termijnen inzake de aanvraag tot derogatie,
het eerste lid en in § 2;2° het vermelden van de bijkomende gegevens naar aanleiding van de verzamelaanvraag,
;3° het zich houden aan de maximale bemestingsnormen op de derogatiepercelen
artikel 3;4° het niet opbrengen van dierlijke mest op derogatiepercelen, tenzij de dierlijke mest voor de toepassing van dit besluit als derogatiemest wordt beschouwd,
artikel 4;5° het zich houden aan de bijzondere voorwaarden inzake grondbewerking en bemestingspraktijk die gelden op derogatiepercelen,
artikel 5;6° het zich houden aan de bijzondere voorwaarden inzake grondbewerking en bemestingspraktijken die gelden voor alle percelen van het bedrijf,
artikel 6;7° het op bedrijfsniveau tijdig opmaken, bijhouden een aanvullen van het bemestingsplan
artikel 10;8° het op bedrijfsniveau opmaken van perceelsregisters en deze op vraag van de Mestbank tijdig overhandigen,
artikel 11;9° de in artikel 12 opgelegde bodemanalyses laten uitvoeren op de derogatiepercelen, rekening houdend met de in dat artikel opgesomde technische vereisten en aantal te nemen stalen; § 2. In de aanvraag vermeldt de landbouwer het maximaal aantal ha waarvoor derogatie aangevraagd wordt, gespecificeerd per type derogatiegewas. De landbouwer kan dit maximum aantal ha per type derogatiegewas niet overschrijden bij de vermelding in de verzamelaanvraag,
§
, heeft ingediend, vermeldt tevens bij de verzamelaanvraag de volgende gegevens : 1° de percelen waarvoor derogatie wordt aangevraagd;2° alle percelen blijvend grasland van het bedrijf die in het jaar van de aanvraag zijn of zullen worden gescheurd. Er kan geen derogatie worden aangevraagd voor volgende percelen : 1° percelen waarvoor een bemestingsverbod geldt, overeenkomstig artikel 15ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals gewijzigd, en voor zover er geen ontheffing van dit verbod is;2° percelen die gelegen zijn in de beschermingszone type I van de waterwingebieden,
artikel 16 van het Mestdecreet;3° percelen die gelegen zijn in de fosfaatverzadigde gebieden, afgebakend overeenkomstig artikel 17, § 2, van het Mestdecreet, tenzij op het betrokken perceel de bepalingen van artikel 17, § 1, van het Mestdecreet, niet gelden, overeenkomstig artikel 17, § 5 en § 6, van het Mestdecreet. De derogatie kan enkel toegekend worden voor de percelen waarvoor derogatie wordt aangevraagd,
het eerste lid, 1°. Per type derogatiegewas gaat de Mestbank na of de oppervlakte van de percelen,
het eerste lid, 1°, het maximaal aantal ha waarvoor derogatie aangevraagd is,
In geval van overschrijding, beperkt de Mestbank, voor het betreffende type derogatiegewas, de derogatie tot het aantal percelen waarvan de totale oppervlakte gelijk is of lager is dan het maximaal aantal ha waarvoor derogatie aangevraagd is,
- Voorwaarden ten aanzien van de percelen Afdeling I. - Bemesting Art. 3.§
artikel 1, 9°,
artikel 1, 9°,
artikel 8;9° de overeenkomstige dikke fractie dient verwerkt te worden in een verwerkingseenheid.Het gerecycleerde product mag in het Vlaamse Gewest niet op of in landbouwgrond worden gebracht, met uitzondering van parken, plantsoenen en particuliere tuinen; 10° de dunne fractie is het resultaat van een scheiding door een mestscheider waar de maatregelen,
artikel 5.28.3.4.1 van Titel II van het Vlarem worden toegepast. Afdeling II. - Het attest van het type « efficiëntieattest » Art. 8.§ 1. De verantwoordelijke van een mestscheider, die meent dat de door zijn mestscheider geproduceerde dunne fractie voldoet aan de voorwaarden,
artikel 7, § 2, 1° tot en met 5°, kan voor de betrokken mestscheider een efficiëntieattest aanvragen bij de Mestbank. § 2. Voorafgaand aan de aanvraag dient de mestscheider te worden getest op de voorwaarden
artikel 7, § 2, 1° tot en met 5°. Hiertoe dient een massa van minstens 10 ton varkensmest door de mestscheider, die het voorwerp is van het efficiëntieattest, te worden gescheiden. Analyse van één representatief staal dient te worden gemaakt door een erkend laboratorium betreffende het gehalte aan P2O5, N en droge stof van telkens : 1° de varkensmest voor scheiding;2° de dunne fractie;3° de dikke fractie. § 3. De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij de Mestbank en vermeldt minstens de volgende gegevens : 1° het type mestscheider waarvoor het efficiëntieattest wordt aangevraagd;2° indien het een mobiele mestscheider betreft, de nummerplaat, het chassisnummer, het merk en het type van de betreffende mobiele scheider;3° het mestscheidingsprocedé dat de betrokken mestscheider toepast en de bijhorende technische specificaties van dit mestscheidingsprocedé; 4° de verbintenis dat bij het gebruik van de mestscheider de maatregelen worden genomen voorzien door artikel 5.28.3.4.1 van Titel II van het Vlarem. De aanvraag dient te zijn vergezeld van een afschrift van de resultaten van de analyse van het representatieve staal
De Mestbank beslist over de toekenning van een efficiëntieattest binnen de maand na ontvangst van de aanvraag en vermeldt in haar beslissing de eindtermijn van het attest. De Mestbank houdt een lijst bij van de attesten die ze heeft verleend. De lijst van verleende attesten is openbaar en wordt periodiek bijgewerkt. § 5. Het efficiëntieattest is geldig voor 12 maanden, te rekenen vanaf de toekenning van het efficiëntieattest
De verantwoordelijke van een vaste mestscheider dient voor het scheiden van varkensmest een balans op jaarbasis op te maken waarin hij volgende gegevens vermeldt : 1° de hoeveelheid varkensmest die in het afgelopen jaar gescheiden is geworden, uitgedrukt in ton, in kg N en in kg P2O5;2° de hoeveelheid dikke fractie die in het afgelopen jaar het resultaat was van een scheiding, uitgedrukt in ton, in kg N en in kg P2O5, evenals de bestemming van de dikke fractie;3° de hoeveelheid dunne fractie die in het afgelopen jaar het resultaat was van een scheiding, uitgedrukt in ton, in kg N en in kg P2O5, evenals de bestemming van de dunne fractie. De landbouwer die op zijn bedrijf in een bepaald kalenderjaar varkensmest laat scheiden door een mobiele scheider, dient een balans op jaarbasis op te maken waarin hij volgende gegevens vermeldt : 1° de hoeveelheid varkensmest die op het bedrijf in het afgelopen jaar door een mobiele scheider gescheiden is geworden, uitgedrukt in ton, in kg N en in kg P2O5 ;2° de hoeveelheid dikke fractie die het resultaat was van een scheiding uitgevoerd op het bedrijf in het afgelopen jaar door een mobiele scheider, uitgedrukt in ton, in kg N en in kg P2O5, evenals de bestemming van de dikke fractie;3° de hoeveelheid dunne fractie die het resultaat was van een scheiding uitgevoerd op het bedrijf in het afgelopen jaar door een mobiele scheider, uitgedrukt in ton, in kg N en in kg P2O5, evenals de bestemming van de dunne fractie. De verantwoordelijke van de mestscheider,
het eerste lid, of de landbouwer,
het tweede lid, voegt deze balans bij zijn aangifte,
artikel 23, § 1, van het Mestdecreet. Afdeling III. - Het attest van het type « dunne-fractie-attest » Art. 9.§ 1. Eenieder die over dunne fractie beschikt afkomstig van een mestscheider die over een efficiëntieattest beschikt,
artikel 8, kan bij de Mestbank een dunne-fractie-attest aanvragen. De aanvraag voor een dunne-fractie-attest wordt schriftelijk ingediend bij de Mestbank en vermeldt minstens volgende gegevens : 1° het aantal m3 dunne fractie waarvoor een dunne-fractie-attest wordt aangevraagd;2° de resultaten van een analyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium, waaruit blijkt dat de dunne fractie waarvoor een dunne-fractie-attest wordt aangevraagd, voldoet aan de voorwaarden
artikel 7, § 2, 4° en 5°;3° een beschrijving van de wijze waarop de dunne fractie waarvoor een dunne-fractie-attest wordt aangevraagd, opgeslagen is, alsmede de exacte locatie ervan binnen het bedrijf en de opslagcapaciteit van de opslag waarin de betreffende dunne fractie is opgeslagen. De analyse,
2°, mag maximaal één maand oud zijn. Nadat de analyse,
2°, uitgevoerd is mag er niets meer aan de dunne fractie waarvoor een dunne-fractie-attest wordt aangevraagd, worden toegevoegd. §
De aanbieder van dunne fractie dient bij elk transport van dunne fractie waarvoor hij over een geldig dunne-fractie-attest beschikt, aan de mestvoerder een kopie van dit dunne-fractie-attest mee te geven. In voorkomend geval wordt op deze kopie het nummer vermeld van het document dat voor het vervoer van deze meststoffen, overeenkomstig de artikelen 47 tot en met 60 van het Mestdecreet, is opgemaakt. Deze kopie dient tijdens het transport aanwezig te zijn en dient aan de afnemer van de dunne fractie overhandigd te worden. HOOFDSTUK V. - Voorwaarden ten aanzien van de landbouwer Afdeling I. - Het bemestingsplan Art. 10.§
artikel 27, § 1, eerste lid, van het Mestdecreet :
artikel 11, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 09/03/2007 pub. 27/04/2007 numac 2007035582 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;c) de te verwachten netto-productie aan dierlijke mest, berekend op basis van de gegevens,
1°, 2° en 3°, gespecificeerd naar mestsoort en uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton of m3;5° de hoeveelheid andere meststoffen en kunstmest die de landbouwer in het lopende kalenderjaar plant te gebruiken, berekend op basis van de gegevens,
1°, 2° en 3°, gespecificeerd naar mestsoort en uitgedrukt in kg P2O5 , in kg N en in ton of m3.6° de dunne-fractie-attesten
artikel
artikel 24, § 5 van het Mestdecreet, op te maken. Dit perceelsregister dient op aanvraag aan de Mestbank overgemaakt te worden binnen de 30 kalenderdagen volgend op de aanvraag. Afdeling III. - Bodemanalyse Art. 12.§
artikel 27, § 2, van het Mestdecreet niet. HOOFDSTUK VI. - Gevallen van weigering derogatie Art. 14.§ 1. Landbouwers die voor een bepaald kalenderjaar een derogatie hebben aangevraagd, overeenkomstig artikel 2, doch die niet voldoen aan de voorwaarden,
artikel 2, § 3, artikel 2, § 4, eerste lid, 2° en in de artikelen 3, 4, 5, 2°, 6, 10, 11 en 12, verliezen het recht op derogatie voor dat bepaald kalenderjaar, voor alle percelen waarvoor de betrokken landbouwer derogatie heeft aangevraagd. In afwijking van het eerste lid, wordt in geval niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5, 1°, 3° en 4°, het verlies van derogatie beperkt tot die percelen waarvoor een derogatie is aangevraagd en waarop eenzelfde type derogatiegewas,
artikel 1, 9°, geteeld wordt als het perceel of de percelen waarop niet voldaan is aan de voornoemde voorwaarden. De Mestbank brengt de betrokken landbouwer bij aangetekend schrijven op de hoogte van het verlies van het recht op derogatie voor het betreffende kalenderjaar of de betreffende kalenderjaren. §
artikel 8, § 6, kan zolang hij bij de Mestbank geen balans heeft ingediend en minstens gedurende twaalf maanden na afloop van de termijn waarvoor hij een efficiëntieattest heeft bekomen,
artikel 8, geen nieuw efficiëntieattest bekomen. De landbouwer, die bij zijn aangifte geen aparte balans voegt die betrekking heeft op het scheiden van varkensmest,
artikel 8, § 6, kan zolang hij bij de Mestbank geen balans heeft ingediend en minstens gedurende twaalf maanden na afloop van de termijn van het efficiëntieattest,
artikel 8, dat betrekking heeft op de mobiele scheider die op zijn bedrijf varkensmest heeft gescheiden, geen dunne-fractie-attest bekomen. HOOFDSTUK VII. - Beroepsprocedures Art. 15.De landbouwer of de verantwoordelijke van een mestscheider kan, tegen elke beslissing aangaande derogatie, bezwaar indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu. Het bezwaar,
het eerste lid, is ontvankelijk indien dit bij aangetekende zending gebeurt, binnen 30 kalenderdagen na verzending van de betrokken beslissing. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, stelt de indiener van het bezwaar bij aangetekende zending in kennis van zijn beslissing binnen 90 kalenderdagen na ontvangst van het bezwaar. HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingsbepalingen betreffende het vervoer van meststoffen Art. 16.In artikel 5, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036478 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot het bepalen van de nadere regels voor het vervoer van meststoffen en houdende uitvoering van artikel 8, § 5, 3°, van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten tot het bepalen van de nadere regels voor het vervoer van meststoffen en houdende uitvoering van artikel 8, § 5, 3°, van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten houdende de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 2°, b), punt 6° en punt 7° worden opgeheven;2° in punt 4° worden de woorden «, wanneer de mestvoerder bij de Mestbank niet bekend is als de exploitant van de betrokken exploitatie, noch als de uitbater van het betrokken verzamelpunt, bewerkings- of verwerkingseenheid » geschrapt;3° punt 5° wordt vervangen door wat volgt : « 5° in het geval van een transport van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een verzamelpunt, een bewerkingseenheid, een verwerkingseenheid of een uitbating waar andere meststoffen geproduceerd worden, naar landbouwgronden behorende tot een exploitatie : enkel transporten naar landbouwgronden, gelegen in hetzij de gemeente waar de laadplaats gelegen is, hetzij gemeenten die grenzen aan de gemeente waar de laadplaats gelegen is, en dit op voorwaarde dat de laadplaats en de losplaats in het Vlaamse Gewest gelegen zijn.» Art. 17.In artikel 5, § 2, van hetzelfde besluit, wordt een punt 3° toegevoegd dat luidt als volgt : « 3° in het geval van een transport van dierlijke mest vanuit een exploitatie naar landbouwgronden behorende tot een andere exploitatie, wanneer de mestvoerder bij de Mestbank minstens bekend is als de exploitant van een van de twee betrokken exploitaties : alle transporten over de weg die aan de volgende drie voorwaarden voldoen : a) goedgekeurd zijn in het kader van verordening nr.1774/2002, of indien vereist door het land van bestemming de verordening nr. 1013/2006; b) de laadplaats is in het Vlaamse Gewest gelegen;c) de losplaats is gelegen in een gemeente die grenst aan het Vlaamse Gewest of op maximaal 75 km afstand van de laadplaats.» Art. 18.In artikel 22, § 1, van hetzelfde besluit, wordt punt 3° vervangen door wat volgt : « 3° per vracht, de hoeveelheid dierlijke mest of andere meststoffen die vervoerd wordt, uitgedrukt in ton, in kg P2O5 en in kg N. Voor derogatiemest dient de hoeveelheid uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N te worden bepaald op basis van een analyse
artikel 22, § 4, zesde lid; » Art. 19.In artikel 22, § 4, van hetzelfde besluit, wordt een zesde lid toegevoegd dat luidt als volgt : « Voor het bepalen van de reëel vervoerde hoeveelheid derogatiemest, uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N,
het tweede lid, 2°, dient gebruik gemaakt te worden van een analyse, uitgevoerd door een krachtens artikel 62, § 6, van het Mestdecreet erkend laboratorium, die maximaal 1 jaar oud is. De analyse dient minimaal 5 kalenderjaren te worden bewaard door de aanbieder van de meststoffen. De afnemer van de meststoffen kan tot een periode van 12 maand na het transport een kosteloos afschrift van de analyse vragen bij de aanbieder, dewelke deze dient over te maken aan de afnemer binnen de 30 kalenderdagen na ontvangst van de vraag. De aanbieder van de meststoffen dient een afschrift van deze analyse over te maken aan de Mestbank. Het overmaken van dit afschrift gebeurt ten laatste samen met de aangifte,
artikel 23, § 1, van het Mestdecreet, die moet ingediend worden in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het staal werd genomen dat betrekking heeft op de analyse. » Art. 20.Aan artikel 38, § 1, eerste lid van hetzelfde besluit worden een punt 7° en een punt 8° toegevoegd, die luiden als volgt : « 7° het aantal vrachten dat men gaat uitvoeren; 8° per vracht, de hoeveelheid dierlijke mest of andere meststoffen die vervoerd wordt, uitgedrukt in ton, in kg P2O5 en in kg N.Voor derogatiemest dient de hoeveelheid uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N te worden bepaald op basis van een analyse
artikel 38, § 5, eerste lid. » Art. 21.Aan artikel 38, § 5, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende zinnen toegevoegd : « Voor het bepalen van de reëel vervoerde hoeveelheid derogatiemest, uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N,
het eerste lid, dient gebruik gemaakt te worden van een analyse, uitgevoerd door een krachtens artikel 62, § 6, van het Mestdecreet erkend laboratorium, die maximaal 1 jaar oud is. De analyse dient minimaal 5 kalenderjaren te worden bewaard door de aanbieder van de meststoffen. De afnemer van de meststoffen kan tot een periode van 12 maand na het transport een kosteloos afschrift van de analyse vragen bij de aanbieder, dewelke deze dient over te maken aan de afnemer binnen de 30 kalenderdagen na ontvangst van de vraag. De aanbieder van de meststoffen dient een afschrift van deze analyse over te maken aan de Mestbank. Het overmaken van dit afschrift gebeurt ten laatste samen met de aangifte,
artikel 23, § 1, van het Mestdecreet, die moet ingediend worden in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het staal werd genomen dat betrekking heeft op de analyse. » HOOFDSTUK IX. - Overgangs- en slotbepalingen Art. 22.In afwijking van artikel 2, gebeurt de aanvraag voor derogatie die betrekking heeft op het kalenderjaar 2007, enkel door de vermelding op de verzamelaanvraag van de percelen waarvoor derogatie wordt aangevraagd. In afwijking van de tijdsbepaling
artikel 2, geldt voor het kalenderjaar 2008 dat de landbouwer die voor een aantal percelen van zijn bedrijf een derogatie wenst te bekomen, de aanvraag tot derogatie bij de Mestbank moet indienen ten laatste op 15 maart van het jaar waarvoor derogatie wordt aangevraagd. Art. 23.In afwijking van de artikelen 7 § 2, 6° en 9 § 1, 3e lid is het in de kalenderjaren 2007 en 2008 toegelaten de dunne fractie van derogatiemest varkensmest op te slaan samen met derogatiemest van runderen. Art. 24.Voor transporten die plaatsvinden voor de negentigste dag na publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, dient de aanbieder
artikel 22, § 4, zesde lid en in artikel 38, § 5, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036478 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot het bepalen van de nadere regels voor het vervoer van meststoffen en houdende uitvoering van artikel 8, § 5, 3°, van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten tot het bepalen van de nadere regels voor het vervoer van meststoffen en houdende uitvoering van artikel 8, § 5, 3°, van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten houdende de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, ten laatste een maand na de datum van het transport, te beschikken over een analyse, uitgevoerd door een krachtens artikel 62, § 6, van het Mestdecreet erkend laboratorium, die maximaal 1 jaar oud is. De analyse dient minimaal 5 kalenderjaren te worden bewaard door de betreffende aanbieder. Art. 25.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007, uitgezonderd : 1° de artikelen 16, 17, 18, 19, 20 en 21 die in werking treden 90 dagen na publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad ;2° artikel 24 dat in werking treedt 30 dagen na publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad. Dit besluit houdt op van kracht te zijn op 31 december 2010. Art. 26.De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 6 juni 2008. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister voor Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, Mevr. H. CREVITS
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.