het decreet, is de entiteit binnen de Vlaamse administratie die bevoegd is voor de professionele kunsten, hierna de administratie te noemen. HOOFDSTUK II. - Subsidiëring van kunstenorganisaties Afdeling I. - Subsidiëring voor het geheel van de werking Onderafdeling I. - Technieken en vormen van subsidiëring Art. 3.Als het tweejarige of vierjarige financieringsbudget,
artikel 5, § 1 van het decreet, op het ogenblik van de toekenning ervan gelijk is aan of hoger is dan 300.000 euro, zijn de volgende elementen in die budgetten inbegrepen en kan voor die elementen geen aanvullende subsidie worden verkregen overeenkomstig artikel 5, § 1bis, van het decreet : 1° internationale, kunsteducatieve en sociaal-artistieke elementen van de werking;2° creatieopdrachten;3° publicaties;4° opnameprojecten. Art. 4.§ 1. Uiterlijk drie maanden voor de uiterste indieningsdatum bepaalt de minister op welke wijze een aanvraag tot meerjarige subsidiëring als
artikel 6, § 1 van het decreet, en de schriftelijk gemotiveerde reactie van de aanvrager tegen het voorontwerp van beslissing,
artikel 85, 5°, van het decreet, aan de administratie bezorgd moeten worden. § 2. Een aanvraag tot meerjarige subsidiëring moet alle informatie en documenten bevatten die nodig en nuttig zijn om zowel de artistiek-inhoudelijke kwaliteit van de georganiseerde activiteiten als de werking en het beheer van de organisatie te kunnen beoordelen aan de hand van de voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 7, 8 en 9 van het decreet. Die informatie en documenten moeten opgenomen worden in het artistiek en financieel beleidsplan,
artikel 7, § 3, van het decreet. Bovendien moet de aanvraag tot subsidiëring de volgende documenten bevatten : 1° een overzicht van de financiële situatie en de nodige elementen waaruit blijkt dat kan worden voldaan aan : a) de voorwaarden,
artikel 7 van het decreet;b) de beoordelingscriteria,
artikel 8, § 1, van het decreet;c) de aanvullende criteria,
artikel 8, § 2, van het decreet;d) de bijkomende subsidiëringsvoorwaarden,
artikel 9 van het decreet;2° een overzicht van de voorbije werking, indien van toepassing. De minister kan een model voor de aanvraagdossiers opleggen. Art. 5.De administratie stuurt binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van de aanvraag, een bericht naar de organisatie met de melding dat de aanvraag ontvankelijk dan wel onontvankelijk is. In geval van onontvankelijkheid vermeldt het bericht de reden daarvan. Art. 6.§ 1. De bevoegde beoordelingscommissie of ad-hoccommissie beoordeelt de artistiek-inhoudelijke aspecten van de ontvankelijke aanvraag tot subsidiëring en brengt daarover advies uit. De administratie beoordeelt de zakelijke en financiële aspecten van de ontvankelijke aanvraag tot subsidiëring en brengt daarover advies uit. Die beoordelingen gebeuren aan de hand van de relevante voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 7, 8 en 9 van het decreet. § 2. De beoordelingscommissie of de ad-hoccommissie en de administratie kunnen alle initiatieven nemen die ze nodig achten om de voorwaarden, de beoordelingscriteria en de aanvullende beoordelingscriteria,
artikel 7, 8 en 9 van het decreet, op adequate wijze te toetsen. § 3. De schriftelijk gemotiveerde reactie van de aanvrager van een meerjarige subsidiëring tegen het voorontwerp van beslissing,
artikel 85, 5°, van het decreet, moet binnen tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de administratie de aangetekende brief met de kennisgeving van dat voorontwerp verstuurde, aan de administratie bezorgd worden. §
artikel 3, 1°, a), tot en met j), l), en m), van het decreet, die subsidies ontvangen in de vorm van een vierjarig financieringsbudget als
artikel 5, § 1, eerste lid, van het decreet, moeten aan de volgende aanvullende voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor subsidiëring : 1° kunstencentra als
artikel 3, 1°, a), van het decreet, die een financieringsbudget ontvangen dat kleiner is dan 375.000 euro per jaar, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren. Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode zorgen voor een aanbod van gemiddeld minimaal één nieuwe productie per jaar en gemiddeld minimaal 50 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze per subsidiëringsperiode minstens twee creatieopdrachten toekennen aan een kunstenaar die minstens drie jaar betrokken is bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 20 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 2° kunstencentra als
artikel 3, 1°, a), van het decreet, die een financieringsbudget ontvangen dat gelijk is aan of groter is dan 375.000 euro per jaar, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren. Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode zorgen voor een aanbod van gemiddeld minimaal één nieuwe productie per jaar en gemiddeld minimaal 100 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze per subsidiëringsperiode minstens twee creatieopdrachten toekennen aan een kunstenaar die minstens drie jaar betrokken is bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 20 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars. In afwijking van de bepalingen in het eerste lid kunnen monodisciplinaire kunstencentra na gegronde motivering een afwijking vragen aan de minister van het percentage eigen inkomsten,
het eerste lid. Dat percentage kan evenwel nooit lager dan 5 procent zijn; 3° festivals als
artikel 3, 1°, b), van het decreet, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren.Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 10 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars. In afwijking van de bepalingen in het eerste lid kunnen monodisciplinaire festivals na gegronde motivering een afwijking vragen aan de minister van het percentage eigen inkomsten,
het eerste lid. Dat percentage kan evenwel nooit lager dan 5 procent zijn; 4° organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst als
artikel 3, 1°, c), van het decreet, die een financieringsbudget ontvangen dat kleiner is dan 250.000 euro per jaar, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren. Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode zorgen voor een aanbod van gemiddeld minimaal één nieuwe productie per jaar en gemiddeld minimaal 30 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze per subsidiëringsperiode minstens twee creatieopdrachten toekennen aan een kunstenaar die minstens drie jaar betrokken is bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 50 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 5° organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst als
artikel 3, 1°, c), van het decreet, die een financieringsbudget ontvangen dat gelijk is aan of groter is dan 250.000 euro en kleiner is dan 1.000.000 euro per jaar, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren. Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode zorgen voor een aanbod van gemiddeld minimaal één nieuwe productie per jaar en gemiddeld minimaal 60 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze per subsidiëringsperiode minstens twee creatieopdrachten toekennen aan een kunstenaar die minstens drie jaar betrokken is bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 50 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 6° organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst als
artikel 3, 1°, c), van het decreet, die een financieringsbudget ontvangen dat gelijk is aan of groter is dan 1.000.000 euro per jaar, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren. Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode zorgen voor een aanbod van gemiddeld minimaal één nieuwe productie per jaar en gemiddeld minimaal 120 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze per subsidiëringsperiode minstens twee creatieopdrachten toekennen aan een kunstenaar die minstens drie jaar betrokken is bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 50 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 7° organisaties voor dans als
artikel 3, 1°, d), van het decreet, die een financieringsbudget ontvangen dat kleiner is dan 250.000 euro per jaar, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren. Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode zorgen voor een aanbod van gemiddeld minimaal één nieuwe productie per jaar en gemiddeld minimaal 20 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze per subsidiëringsperiode minstens twee creatieopdrachten toekennen aan een kunstenaar die minstens drie jaar betrokken is bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 50 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 8° organisaties voor dans als
artikel 3, 1°, d), van het decreet, die een financieringsbudget ontvangen dat gelijk is aan of groter is dan 250.000 euro en kleiner is dan 1.000.000 euro per jaar, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren. Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode zorgen voor een aanbod van gemiddeld minimaal één nieuwe productie per jaar en gemiddeld minimaal 40 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze per subsidiëringsperiode minstens twee creatieopdrachten toekennen aan een kunstenaar die minstens drie jaar betrokken is bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 50 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 9° organisaties voor dans als
artikel 3, 1°, d), van het decreet, die een financieringsbudget ontvangen dat gelijk is aan of groter is dan 1.000.000 euro per jaar, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren. Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode zorgen voor een aanbod van gemiddeld minimaal één nieuwe productie per jaar en gemiddeld minimaal 80 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze per subsidiëringsperiode minstens twee creatieopdrachten toekennen aan een kunstenaar die minstens drie jaar betrokken is bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 50 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 10° organisaties voor muziektheater als
artikel 3, 1°, e), van het decreet, die een financieringsbudget ontvangen dat kleiner is dan 250.000 euro per jaar, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren. Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode zorgen voor een aanbod van gemiddeld minimaal één nieuwe productie per jaar en gemiddeld minimaal 5 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze per subsidiëringsperiode minstens twee creatieopdrachten toekennen aan een kunstenaar die minstens drie jaar betrokken is bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 50 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 11° organisaties voor muziektheater als
artikel 3, 1°, e), van het decreet, die een financieringsbudget ontvangen dat gelijk is aan of groter is dan 250.000 euro per jaar, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren. Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode zorgen voor een aanbod van gemiddeld minimaal één nieuwe productie per jaar en gemiddeld minimaal 10 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze per subsidiëringsperiode minstens twee creatieopdrachten toekennen aan een kunstenaar die minstens drie jaar betrokken is bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 50 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 12° muziekgroepen en - ensembles als
artikel 3, 1°, f), van het decreet, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren.Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode gemiddeld minimaal 20 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze per subsidiëringsperiode gemiddeld een creatieopdracht per jaar toekennen aan een kunstenaar die minstens drie jaar betrokken is bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 20 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars. In afwijking van de bepalingen in het eerste lid moeten muziekgroepen en -ensembles, die actief zijn op het vlak van de oude muziek, geen creatieopdracht toekennen aan een kunstenaar; 13° concertorganisaties als
artikel 3, 1°, g), van het decreet, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren.Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode gemiddeld minimaal 20 activiteiten per jaar organiseren. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 10 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 14° muziekclubs als
artikel 3, 1°, h), van het decreet, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren.Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode gemiddeld minimaal 20 activiteiten per jaar organiseren. Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 20 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 15° werkplaatsen als
artikel 3, 1°, i), van het decreet, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren.Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 20 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 16° organisaties voor beeldende kunst als
artikel 3, 1°, j), van het decreet, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren.Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 20 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 17° architectuurorganisaties als
artikel 3, 1°, l), van het decreet, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren.Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 50 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars; 18° organisaties voor audiovisuele kunsten als
artikel 3, 1°, m), van het decreet, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren.Die organisaties moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de artistieke uitgaven. Ze moeten minimaal 20 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van kunstenaars. § 2. Organisaties als
artikel 3, 1°, a), tot en met j), l), en m), van het decreet, die worden gesubsidieerd overeenkomstig artikel 89bis van het decreet en die een aanvraag tot meerjarige subsidiëring hebben ingediend overeenkomstig artikel 6, § 1, eerste lid, van het decreet, moeten voldoen aan de voorwaarden,
§ 3. De organisaties,
en § 2, zijn ertoe gehouden het bepaalde minimumaantal creatieopdrachten te presenteren. Organisaties als
artikel 3, 1°, f), van het decreet, zijn er bovendien toe gehouden de creatieopdracht te registreren. Art. 8.§ 1. Een gesubsidieerde organisatie moet haar actieplan,
artikel 7, § 4, van het decreet, ten minste twee maanden voor de aanvang van het jaar waarop dat actieplan betrekking heeft, bij de administratie indienen. § 2. In afwijking van § 1, moet een gesubsidieerd festival als
artikel 3, 1°, b), van het decreet, zijn actieplan uiterlijk twee maanden voor de datum waarop dat festival zijn eerste manifestatie organiseert in het jaar waarop het actieplan betrekking heeft, bij de administratie indienen. § 3. In het actieplan moet de gesubsidieerde organisatie gedetailleerd uiteenzetten hoe ze tijdens het desbetreffende jaar van de meerjarige subsidiëringsperiode haar artistiek-inhoudelijke en zakelijke beleidsvisie zal realiseren. In het actieplan voor het eerste jaar van de subsidiëringsperiode geeft ze bovendien aan of en waar er afgeweken wordt van het oorspronkelijk ingediende artistiek en financieel beleidsplan,
artikel 7, § 3, van het decreet. Die afwijkingen moeten worden gemotiveerd. Het actieplan omvat verder een gedetailleerde begroting en een activiteitenkalender. De minister kan een model van actieplan opleggen. § 4. De administratie kan aan de organisatie aanvullende informatie en documenten over het actieplan vragen. Art. 9.§ 1. Om het toezicht,
artikel 11 van het decreet, te kunnen uitoefenen, moet elke gesubsidieerde organisatie over elk jaar van de meerjarige subsidiëringsperiode een werkingsverslag opstellen, en dat uiterlijk drie maanden na het einde van elk jaar van de meerjarige subsidiëringsperiode aan de administratie bezorgen. Het werkingsverslag,
het eerste lid, bevat : 1° een evaluatie van de werking;2° een gedetailleerd overzicht van de gerealiseerde activiteiten;3° de jaarrekening, die bestaat uit de balans, de resultatenrekening en de toelichting;4° de verslagen van de algemene vergadering van de organisatie over de goedkeuring van rekeningen en begroting, of, als het gaat om een stichting, de verslagen van de raad van bestuur van de organisatie over de goedkeuring van rekeningen en begroting;5° een overzicht van de individuele bezoldigingen;6° een afschrijvingstabel voor de investeringen; 7° het verslag van een erkende accountant of bedrijfsrevisor die niet betrokken mag zijn bij de dagelijkse artistieke, organisatorische en zakelijke werking van de desbetreffende gesubsidieerde organisatie, met commentaar bij de balans en de resultatenrekening van die organisatie, als de jaarlijkse subsidie minstens 50.000 euro bedraagt. De minister kan een model van werkingsverslag opleggen. § 2. De administratie mag op ieder ogenblik aan de gesubsidieerde organisatie aanvullende informatie en documenten vragen. § 3. Als organisaties naast de werking waarvoor ze krachtens artikel 4 van het decreet gesubsidieerd worden, nog andere activiteiten organiseren, dan moeten die organisaties in hun totale boekhouding een duidelijk en identificeerbaar onderscheid maken tussen beide soorten activiteiten. § 4. De gegevens en documenten,
, tweede lid, 1° en 2°, worden door de administratie ter informatie voorgelegd aan de bevoegde beoordelingscommissie of ad-hoccommissie. Die commissie kan daarbij het werkingsverslag toetsen aan het actieplan,
artikel 7, § 4, van het decreet en aan de beoordelingscriteria voor de artistiek-inhoudelijke kwaliteit van de activiteiten,
artikel 8 van het decreet. Daarover kan ze tussentijds of op verzoek van de administratie een beknopt advies voor de minister en de administratie formuleren. Art. 10.§ 1. Uiterlijk drie maanden voor de uiterste indieningsdatum,
artikel 8, § 1, bepaalt de minister op welke wijze het actieplan,
artikel 8, aan de administratie bezorgd moet worden. § 2. Uiterlijk drie maanden voor de uiterste indieningsdatum,
artikel 9, § 1, eerste lid, bepaalt de minister op welke wijze het werkingsverslag,
artikel 9, aan de administratie bezorgd moet worden. Afdeling II. - Subsidiëring van projecten Art. 11.§ 1. De subsidies,
artikel 13 van het decreet, worden als volgt beschikbaar gesteld : 1° een voorschot van 90 procent van de subsidie wordt uitbetaald na de ondertekening van het besluit waarin de projectsubsidie wordt toegekend;2° het saldo van 10 procent van de subsidie wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd werden en dat de subsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend. § 2. Om de realisatie van een gesubsidieerd project als
artikel 13 van het decreet, te kunnen toetsen aan de voorwaarden,
artikel 16, 17 en 17bis van het decreet, en om te controleren of de projectsubsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend, moeten uiterlijk vijftien maanden na de datum van de ondertekening van het besluit waarin de projectsubsidie werd toegekend en uiterlijk op 15 oktober van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidie werd toegekend, de volgende documenten aan de administratie bezorgd worden : 1° de resultatenrekening over de realisatie van het project met een specificatie van alle vermelde kosten- en opbrengstenrekeningen en een toelichting per post;2° de specificatie van alle bezoldigingen, sociale lasten, vergoedingen, commissie- en erelonen, uitkoopsommen en voordelen in natura voor de personen die op artistiek, technisch, administratief of organisatorisch vlak hebben meegewerkt aan de realisatie van het project, met vermelding van de namen van de begunstigden; 3° als de toegekende projectsubsidie minstens 50.000 euro bedraagt : het verslag van een erkende accountant die niet betrokken mag zijn bij de dagelijkse artistieke, organisatorische of zakelijke werking van de organisatie die het project heeft gerealiseerd, met commentaar bij de resultatenrekening; 4° een inhoudelijk verslag van het gerealiseerde project. De minister bepaalt, op het ogenblik dat de subsidie wordt toegekend, op welke wijze die documenten bezorgd moeten worden. De minister kan daarvoor een model opleggen. §
artikel 18, § 1, van het decreet, aan de administratie bezorgd moet worden. § 2. Een aanvraag tot subsidiëring van een project als
artikel 3, 2°, a) tot en met i), van het decreet, wordt tijdig ingediend : 1° uiterlijk op 15 september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het project van start gaat;2° uiterlijk op 15 maart voor projecten die vanaf 1 juli van hetzelfde jaar van start gaan. § 3. Een aanvraag tot subsidiëring van een project moet alle informatie en documenten bevatten die nodig en nuttig zijn om zowel de artistieke en inhoudelijke kwaliteit van de georganiseerde activiteit als de werking en het beheer van de organisatie te kunnen beoordelen aan de hand van de voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 16, 17 en 17bis van het decreet. De minister kan een model voor de aanvraagdossiers opleggen. Bovendien moet de aanvraag tot subsidiëring de volgende documenten bevatten : 1° een overzicht van de financiële situatie en de nodige elementen waaruit blijkt dat kan worden voldaan aan de basisvoorwaarden en aan de beoordelingscriteria,
artikel 16 en 17 van het decreet;2° een overzicht van reeds gerealiseerde activiteiten. Art. 14.De administratie stuurt binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van de aanvraag, een bericht naar de organisatie met de melding dat de aanvraag ontvankelijk dan wel onontvankelijk is. In geval van onontvankelijkheid vermeldt het bericht de reden daarvan. Art. 15.§ 1. De bevoegde beoordelingscommissie of ad-hoccommissie beoordeelt de artistieke en inhoudelijke aspecten van de ontvankelijke aanvraag en brengt daarover advies uit. De administratie beoordeelt de zakelijke en financiële aspecten van de ontvankelijke aanvraag en brengt daarover advies uit. Die beoordelingen gebeuren aan de hand van de relevante voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 16, 17 en 17bis van het decreet. § 2. De beoordelingscommissie of de ad-hoccommissie en de administratie kunnen alle initiatieven nemen die ze nodig achten om de voorwaarden, de beoordelingscriteria en de aanvullende beoordelingscriteria,
artikel 16, 17 en 17bis van het decreet, op adequate wijze te toetsen. §
artikel 20 van het decreet, aan de administratie moet worden bezorgd. § 2. Een aanvraag tot toekenning van een subsidie als
artikel 21, 1° tot en met 3°, van het decreet, moet worden ingediend : 1° uiterlijk op 1 september voor initiatieven die van start gaan vanaf 1 januari van het volgende jaar;2° uiterlijk op 1 december voor initiatieven die van start gaan vanaf 1 april van het volgende jaar;3° uiterlijk op 1 maart voor initiatieven die vanaf 1 juli van hetzelfde jaar van start gaan;4° uiterlijk twee maanden na de ondertekening van de overeenkomst tussen de componist en de opdrachtgever, voor aanvragen voor een compositie op het vlak van de muziek en het muziektheater. § 3. Een aanvraag tot toekenning van een ontwikkelingsgerichte beurs als
artikel 21, 1°, van het decreet, moet de volgende informatie en documenten bevatten : 1° een werkplan voor de periode waarop de aanvraag betrekking heeft;2° een curriculum vitae ;3° documentatie over het oeuvre van de kunstenaar;4° kritische teksten over het oeuvre. Een aanvraag tot toekenning van een projectsubsidie aan kunstenaars als
artikel 21, 2°, van het decreet, moet de volgende informatie en documenten bevatten : 1° de werktitel van het project;2° de omschrijving van het project;3° een situering van het project en het belang ervan binnen het oeuvre van de kunstenaar;4° een sluitende begroting;5° een voorstelling van de projectpartners;6° een curriculum vitae ;7° documentatie over het oeuvre van de kunstenaar;8° kritische teksten over het oeuvre. Een aanvraag tot toekenning van een creatieopdracht als
artikel 21, 3°, van het decreet, moet de volgende informatie en documenten bevatten : 1° de omschrijving van de creatieopdracht en het belang ervan binnen het oeuvre van de kunstenaar;2° een toelichting van de motivering en het doel van de opdracht door de opdrachtgever;3° een sluitende begroting;4° een curriculum vitae ;5° documentatie over het oeuvre van de kunstenaar;6° een fotokopie van de overeenkomst,
artikel 37, § 2, van het decreet;7° op het vlak van de Nederlandstalige dramatische kunst, de dans en het muziektheater : een synopsis van het toneelstuk, de choreografie of het libretto wanneer het een opdracht voor een toneelauteur, choreograaf of librettist betreft;8° op het vlak van de muziek :
artikel 22, 24, 27, 32, 36 en 37 van het decreet. §
artikel 20 van het decreet, beslist om een subsidiëring toe te kennen of te weigeren, dan stuurt de administratie binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van het ondertekende besluit, een aangetekende brief naar de aanvrager met de kennisgeving van die beslissing. § 4. De subsidies,
artikel 21, 1° en 2°, van het decreet, worden als volgt beschikbaar gesteld : 1° een voorschot van 90 procent van de subsidie wordt uitbetaald na de ondertekening van het besluit waarin de subsidie wordt toegekend;2° het saldo van 10 procent van de subsidie wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd werden en dat de subsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend. § 5. De subsidies,
artikel 21, 3°, van het decreet, worden als volgt beschikbaar gesteld : 1° een voorschot van 80 procent van de subsidie wordt aan de opdrachtgever uitbetaald na de ondertekening van het besluit waarin de subsidie wordt toegekend;2° het saldo van 20 procent van de subsidie wordt aan de opdrachtgever uitbetaald nadat aan de administratie de nodige stukken werden bezorgd waaruit de levering blijkt van het opdrachtwerk aan de opdrachtgever, en nadat de administratie heeft vastgesteld dat werd voldaan aan de voorwaarden,
artikel 36, 2°, van het decreet. Bij de uitbetaling van het saldo moet de opdrachtgever het betalingsbewijs van de tussen opdrachtgever en kunstenaar overeengekomen vergoeding aan de administratie voorleggen. § 6. De kunstenaar aan wie een creatieopdracht werd toegekend, moet een exemplaar van het opdrachtwerk deponeren bij het Steunpunt Muziek voor opdrachten binnen het veld van de muziek of bij het Steunpunt Podiumkunsten voor opdrachten binnen het veld van de Nederlandstalige dramatische kunst, de dans en het muziektheater. Voor creatieopdrachten binnen het veld van de beeldende kunsten dient de kunstenaar bij de administratie een verslag en de ontwerpschetsen in. Art. 19.De termijn waarbinnen het opdrachtwerk gepresenteerd moet worden, wordt als volgt bepaald : 1° op het vlak van de muziek : de opdracht moet voor het eerst officieel voor een betalend publiek door de opdrachtgever worden uitgevoerd uiterlijk op 1 november van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidie wordt toegekend;2° op het vlak van de Nederlandstalige dramatische kunst, de dans en het muziektheater : de opdracht moet voor het eerst officieel voor een betalend publiek door de opdrachtgever worden uitgevoerd uiterlijk op 1 november van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidie werd toegekend;3° op het vlak van de beeldende kunsten : de creatie moet uiterlijk op 1 november van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidie werd toegekend, gepresenteerd worden. Art. 20.In de overeenkomst over de creatieopdracht, bedoeld in artikel 37, § 2, van het decreet, moeten de volgende gegevens en clausules opgenomen worden : 1° de voornaam, de achternaam, het adres, de nationaliteit, de geboortedatum, de geboorteplaats en het nummer van de bank- of postrekening van de kunstenaar;2° de voornaam, de achternaam en het adres van de gevolmachtigde, die de overeenkomst ondertekent namens de opdrachtgever;3° de overeengekomen vergoeding voor de opdracht;4° de aard van de opdracht;5° de uiterste datum waarop de kunstenaar de opdracht moet indienen bij de opdrachtgever en deponeren, zoals
artikel 18, § 6;6° de uiterste datum waarop de opdracht voor het eerst door de opdrachtgever uitgevoerd of gepresenteerd zal worden;7° de bepaling dat het contract opgemaakt is in twee originelen, één voor elk van de contracterende partijen;8° de handtekening van de kunstenaar en de handtekening van de opdrachtgever;9° de datum waarop en de plaats waar het contract werd ondertekend;10° de voorwaarden waaronder de vergoeding wordt betaald aan de kunstenaar. Art. 21.Als de opdrachtgever verzaakt de opdracht te presenteren, dan wordt bij wijze van sanctie als
artikel 38 van het decreet, het saldo van 20 procent,
artikel 18, § 5, 2°, ingehouden. HOOFDSTUK IV. - Subsidiëring van organisaties voor kunsteducatie en organisaties voor sociaalartistieke werking Afdeling I. - Subsidiëring voor het geheel van de werking Onderafdeling I. - Technieken en vormen van subsidiëring Art. 22.Als het tweejarige of vierjarige financieringsbudget,
artikel 40, § 1, van het decreet, op het ogenblik van de toekenning ervan gelijk is aan of hoger is dan 300.000 euro, zijn de volgende elementen in die budgetten inbegrepen en kan voor die elementen geen aanvullende subsidie worden verkregen overeenkomstig artikel 40, § 1bis, van het decreet : 1° internationale elementen van de werking;2° creatieopdrachten;3° publicaties;4° opnameprojecten. Art. 23.§ 1. Uiterlijk drie maanden voor de uiterste indieningsdatum bepaalt de minister op welke wijze een aanvraag tot meerjarige subsidiëring als
artikel 41, § 1, van het decreet, en de schriftelijk gemotiveerde reactie van de aanvrager tegen het voorontwerp van beslissing,
artikel 85, 5°, van het decreet, aan de administratie bezorgd moeten worden. § 2. Een aanvraag tot meerjarige subsidiëring moet alle informatie en alle documenten bevatten die nodig en nuttig zijn om zowel de inhoudelijke kwaliteit van de georganiseerde activiteiten, als de werking en het beheer van de organisatie te kunnen beoordelen aan de hand van de voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 42, 43 en 43bis van het decreet. Die informatie en documenten moeten opgenomen zijn in het artistiek en financieel beleidsplan,
artikel 42, § 3, van het decreet. Bovendien moet de aanvraag tot subsidiëring de volgende documenten bevatten : 1° een overzicht van de financiële situatie en de nodige elementen waaruit blijkt dat kan worden voldaan aan : a) de voorwaarden,
artikel 42 van het decreet;b) de beoordelingscriteria,
artikel 43, § 1 en § 2 van het decreet;c) de aanvullende criteria,
artikel 43, § 3 van het decreet;d) de bijkomende subsidiëringsvoorwaarden,
artikel 43bis van het decreet;2° een overzicht van de voorbije werking, indien van toepassing. De minister kan een model voor de aanvraagdossiers opleggen. Art. 24.De administratie stuurt binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, een bericht naar de organisatie met de melding dat de aanvraag ontvankelijk dan wel onontvankelijk is. In geval van onontvankelijkheid vermeldt het bericht de reden daarvan. Art. 25.§ 1. De bevoegde beoordelingscommissie of ad-hoccommissie beoordeelt de inhoudelijke aspecten van de ontvankelijke aanvraag en brengt daarover advies uit. De administratie beoordeelt de zakelijke en financiële aspecten van de ontvankelijke aanvraag en brengt daarover advies uit. Organisaties als
artikel 3, 1°, n), van het decreet, worden beoordeeld aan de hand van de relevante voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 42, 43, § 1 en § 3, en in artikel 43bis van het decreet. Organisaties als
artikel 3, 1°, o), van het decreet, worden beoordeeld aan de hand van de relevante voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 42, 43, § 2 en § 3, en in artikel 43bis van het decreet. § 2. De beoordelingscommissie of ad-hoccommissie en de administratie kunnen alle initiatieven nemen die ze nodig achten om de voorwaarden, de beoordelingscriteria en de aanvullende beoordelingscriteria,
artikel 42, 43 en 43bis van het decreet, op adequate wijze te toetsen. § 3. De schriftelijk gemotiveerde reactie van de aanvrager van een meerjarige subsidiëring tegen het voorontwerp van beslissing,
artikel 85, 5°, van het decreet, moet binnen tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de administratie de aangetekende brief met de kennisgeving van dat voorontwerp verstuurde, aan de administratie bezorgd worden. §
artikel 3, 1°, n) en o), van het decreet, die subsidies ontvangen in de vorm van een vierjarig financieringsbudget als
artikel 40, § 1, eerste lid, van het decreet, moeten overeenkomstig het beleidsplan op regelmatige wijze activiteiten organiseren. Die organisaties moeten binnen de subsidiëringsperiode gemiddeld minimaal 20 activiteiten per jaar organiseren. Bovendien moeten ze tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimaal 5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de inhoudelijke uitgaven, en minimaal 50 procent van het toegekende financieringsbudget gebruiken voor de financiering van inhoudelijke medewerkers. § 2. Organisaties als
artikel 3, 1°, n) en o), van het decreet, die worden gesubsidieerd overeenkomstig artikel 89bis van het decreet en die een aanvraag tot meerjarige subsidiëring hebben ingediend overeenkomstig artikel 41, § 1, eerste lid, van het decreet, moeten voldoen aan de voorwaarden,
Art. 27.§ 1. Een gesubsidieerde organisatie moet haar actieplan,
artikel 42, § 4, van het decreet, ten minste twee maanden voor de aanvang van het jaar waarop dat actieplan betrekking heeft, bij de administratie indienen. § 2. In het actieplan moet de gesubsidieerde organisatie gedetailleerd uiteenzetten hoe ze tijdens het desbetreffende jaar van de meerjarige subsidiëringsperiode haar inhoudelijke en zakelijke beleidsvisie zal realiseren. In het actieplan voor het eerste jaar van de subsidiëringsperiode geeft ze bovendien aan of en waar er afgeweken wordt van het oorspronkelijk ingediende artistiek en financieel beleidsplan,
artikel 42, § 3, van het decreet. Deze afwijkingen moeten worden gemotiveerd. Het actieplan omvat verder een gedetailleerde begroting en activiteitenkalender. §
artikel 44 van het decreet, te kunnen uitoefenen, moet elke gesubsidieerde organisatie over elk jaar van de meerjarige subsidiëringsperiode een werkingsverslag opstellen, en dat uiterlijk drie maanden na het einde van elk jaar van de meerjarige subsidiëringsperiode aan de administratie bezorgen. Het werkingsverslag,
het eerste lid, bevat : 1° een evaluatie van de werking;2° een gedetailleerd overzicht van de gerealiseerde activiteiten;3° de jaarrekening, die bestaat uit de balans, de resultatenrekening en de toelichting;4° de verslagen van de algemene vergadering van de organisatie over de goedkeuring van rekeningen en begroting, of, als het gaat om een stichting, de verslagen van de raad van bestuur van de organisatie over de goedkeuring van rekeningen en begroting;5° een overzicht van de individuele bezoldigingen;6° een afschrijvingstabel voor de investeringen; 7° het verslag van een erkende accountant of bedrijfsrevisor die niet betrokken mag zijn bij de dagelijkse inhoudelijke, organisatorische en zakelijke werking van de desbetreffende gesubsidieerde organisatie, met commentaar bij de balans en de resultatenrekening van die organisatie, als de jaarlijkse subsidie minstens 50.000 euro bedraagt. De minister kan een model van werkingsverslag opleggen. § 2. De administratie mag op ieder ogenblik aan de gesubsidieerde organisatie aanvullende informatie en documenten vragen. § 3. Als organisaties, naast de activiteiten waarvoor ze krachtens artikel 39 van het decreet gesubsidieerd worden, nog andere activiteiten organiseren, dan moeten die organisaties in hun totale boekhouding een duidelijk en identificeerbaar onderscheid maken tussen beide soorten activiteiten. § 4. De gegevens en documenten,
, tweede lid, 1° en 2°, worden door de administratie ter informatie voorgelegd aan de bevoegde beoordelingscommissie of ad-hoccommissie. Die commissie kan daarbij het werkingsverslag toetsen aan het actieplan,
artikel 42, § 4, van het decreet, en aan de beoordelingscriteria voor de inhoudelijke kwaliteit van de activiteiten,
artikel 43 van het decreet. Daarover kan ze tussentijds of op verzoek van de administratie een beknopt advies voor de minister en de administratie formuleren. Art. 29.§ 1. Uiterlijk drie maanden voor de uiterste indieningsdatum,
artikel 27, § 1, bepaalt de minister op welke wijze het actieplan,
artikel 27, aan de administratie bezorgd moet worden. § 2. Uiterlijk drie maanden voor de uiterste indieningsdatum,
artikel 28, § 1, eerste lid, bepaalt de minister op welke wijze het werkingsverslag,
artikel 28, aan de administratie bezorgd moet worden. Afdeling II. - Subsidiëring van projecten Art. 30.§ 1. Om de realisatie van een gesubsidieerd project als
artikel 46 van het decreet, te kunnen toetsen aan de voorwaarden,
artikel 49 en 50 van het decreet, en om te controleren of de projectsubsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend, moeten uiterlijk vijftien maanden na de datum van de ondertekening van het besluit waarin de projectsubsidie werd toegekend, maar tevens uiterlijk op 15 oktober van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidie werd toegekend, de volgende documenten aan de administratie bezorgd worden : 1° de resultatenrekening over de realisatie van het project met een specificatie van alle vermelde kosten- en opbrengstenrekeningen en een toelichting per post;2° de specificatie van alle bezoldigingen, sociale lasten, vergoedingen, commissie- en erelonen, uitkoopsommen en voordelen in natura voor de personen die op artistiek, technisch, administratief of organisatorisch vlak hebben meegewerkt aan de realisatie van het project, met vermelding van de namen van de begunstigden; 3° als de toegekende projectsubsidie minstens 50.000 euro bedraagt : het verslag van een erkende accountant die niet betrokken mag zijn bij de dagelijkse werking van de organisatie die het project heeft gerealiseerd, met commentaar bij de resultatenrekening; 4° een inhoudelijk verslag van het gerealiseerde project. De minister bepaalt, op het ogenblik dat de subsidie wordt toegekend, op welke wijze deze documenten bezorgd moeten worden. De minister kan daarvoor een model opleggen. §
artikel 51 van het decreet, aan de administratie bezorgd moet worden. § 2. Een aanvraag tot subsidiëring van een project als
artikel 3, 2°, j), en k), van het decreet, wordt tijdig ingediend : 1° uiterlijk op 15 september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het project van start gaat;2° uiterlijk op 15 maart voor projecten die vanaf 1 juli van hetzelfde jaar van start gaan. § 3. Een aanvraag tot subsidiëring van een project moet alle informatie en documenten bevatten die nodig en nuttig zijn om zowel de inhoudelijke kwaliteit van de georganiseerde activiteit, als de werking en het beheer van de organisatie te kunnen beoordelen aan de hand van de voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 49, 50 en 50bis van het decreet. De minister kan een model voor de aanvraagdossiers opleggen. Bovendien moet de aanvraag tot subsidiëring de volgende documenten bevatten : 1° een overzicht van de financiële situatie en de nodige elementen waaruit blijkt dat kan worden voldaan aan de voorwaarden en criteria,
artikel 49 en 50 van het decreet;2° een overzicht van reeds gerealiseerde activiteiten. Art. 33.De administratie stuurt binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, een bericht naar de organisatie met de melding dat de aanvraag ontvankelijk dan wel onontvankelijk is. In geval van onontvankelijkheid vermeldt het bericht de reden daarvan. Art. 34.§ 1. De bevoegde beoordelingscommissie of ad-hoccommissie beoordeelt de inhoudelijke aspecten van de ontvankelijke aanvraag en brengt daarover advies uit. De administratie beoordeelt de zakelijke en financiële aspecten van de ontvankelijke aanvraag en brengt daarover advies uit. Die beoordelingen gebeuren aan de hand van de relevante voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 49, 50 en 50bis van het decreet. § 2. De beoordelingscommissie of ad-hoccommissie en de administratie kunnen alle initiatieven nemen die ze nodig achten om de voorwaarden, de beoordelingscriteria en de aanvullende beoordelingscriteria,
artikel 49, 50 en 50bis van het decreet, op adequate wijze te toetsen. §
artikel 52 van het decreet, moet door organisaties als
artikel 54, § 1, van het decreet of door natuurlijke personen als
artikel 54, § 2, van het decreet, aan de administratie bezorgd worden. § 2. Een aanvraag tot subsidiëring van een internationaal initiatief moet de volgende informatie en documenten bevatten : 1° voor internationale projecten als
artikel 52, § 1, 1°, van het decreet :
artikel 52, § 1, 1°bis, van het decreet :
artikel 52, § 1, 2°, van het decreet :
artikel 52, § 1, 3°, van het decreet :
artikel 52, § 1, 4°, van het decreet :
artikel 52, § 1, 4°, van het decreet, moeten voldoen. 6° vertalingen als
artikel 52, § 1, 5°, van het decreet :
artikel 52, § 1, 1° en 1°bis van het decreet : uiterlijk vier maanden voor het project in kwestie van start gaat, tenzij gemotiveerde uitzonderingen;2° werkverblijven als
artikel 52, § 1, 2°, van het decreet : minstens vier maanden voor de aanvang van het internationale werkverblijf, tenzij gemotiveerde uitzonderingen;3° internationale netwerkorganisaties als
artikel 52, § 1, 3° van het decreet : uiterlijk op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft, als het om een subsidie gaat voor de werkingskosten van de netwerkorganisatie;4° tegemoetkomingen in reis-, verblijf- en transportkosten als
artikel 52, § 1, 4°, van het decreet : minstens twee maanden voor de aanvang van de activiteit, tenzij gemotiveerde uitzonderingen;5° vertalingen :
artikel 52, § 1, 1° tot en met 3°, van het decreet, en voor de aanvragen tot subsidiëring van vertalingen van niet-periodieke publicaties als
artikel 52, § 1, 5°, van het decreet, stuurt de administratie binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, een bericht naar de aanvrager met de melding dat de aanvraag ontvankelijk dan wel onontvankelijk is. In geval van onontvankelijkheid vermeldt het bericht de reden daarvan. Art. 37.§ 1. Voor aanvragen als
artikel 52, § 1, 1° tot en met 3°, van het decreet, en voor aanvragen tot subsidiëring van vertalingen van niet-periodieke publicaties als
artikel 52, § 1, 5°, van het decreet, beoordeelt de bevoegde beoordelingscommissie of ad-hoccommissie de artistieke en inhoudelijke aspecten van de ontvankelijke aanvraag en brengt daarover advies uit. De administratie beoordeelt de financiële en zakelijke aspecten van de ontvankelijke aanvraag en brengt daarover advies uit. Die beoordelingen gebeuren aan de hand van de relevante voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 54 en 55 van het decreet. De beoordelingscommissie of de ad-hoccommissie en de administratie kunnen alle stappen nemen die ze nodig achten om de voorwaarden en de beoordelingscriteria,
artikel 54 en 55 van het decreet, op adequate wijze te toetsen. § 2. De subsidies worden als volgt beschikbaar gesteld : 1° voor internationale projecten, voor de voorbereiding van een internationaal project op het vlak van de kunsten binnen een Europees subsidieprogramma, voor werkverblijven, voor internationale netwerkorganisaties en voor vertalingen van niet-periodieke publicaties :
artikel 52, § 1, 4°, van het decreet, en voor vertalingen van artikels als
artikel 52, § 1, 5° van het decreet : 100 procent na indiening van een inhoudelijk verslag en de nodige bewijsstukken bij de administratie en na de controle daarvan door de administratie. In afwijking van 1° worden de subsidies voor internationale projecten, vertalingen van niet-periodieke publicaties en internationale netwerkorganisaties, toegekend aan organisaties of natuurlijke personen die niet gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, als volgt beschikbaar gesteld : 1° een voorschot van 70 procent van de subsidie wordt uitbetaald na de ondertekening van het besluit waarin de subsidie wordt toegekend;2° een saldo van 30 procent van de subsidie wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd werden en dat de subsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend. § 3. Om de realisatie van internationale projecten en de werking van internationale netwerkorganisaties, als
artikel 52, § 1, 1°, en 3°, van het decreet, te kunnen toetsen aan de voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 54 en 55 van het decreet, en om te controleren of de subsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend, moeten de volgende documenten aan de administratie bezorgd worden : 1° de resultatenrekening over de realisatie van het initiatief met een specificatie van alle vermelde kosten- en opbrengstenrekeningen en een toelichting per post; 2° als de toegekende subsidie minder dan 50.000 euro bedraagt : de specificatie met bewijsstukken van de toegekende subsidie; 3° als de toegekende subsidie minstens 50.000 euro bedraagt : het verslag van een erkende accountant die niet betrokken mag zijn bij de dagelijkse artistieke, organisatorische of zakelijke werking van de organisatie die het project heeft gerealiseerd, met commentaar bij de resultatenrekening; 4° een werkingsverslag. § 4. Om de realisatie van werkverblijven als
artikel 52, § 1, 2°, van het decreet, te kunnen toetsen aan de voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 54 en 55 van het decreet, en om te controleren of de subsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend, moeten de volgende documenten aan de administratie bezorgd worden : 1° een inhoudelijk verslag van het werkverblijf;2° een staat van inkomsten en uitgaven met betrekking tot het werkverblijf. § 5. Om de realisatie van vertalingen als
artikel 52, § 1, 5°, van het decreet te kunnen toetsen aan de basisvoorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 54 en 55 van het decreet, en om te controleren of de subsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend, moeten uiterlijk op de indieningsdatum,
het subsidiebesluit, de volgende documenten aan de administratie bezorgd worden : 1° een betalingsbewijs van de vergoeding aan de vertaler;2° twee exemplaren van het vertaalde boek of artikel. § 6. De documenten,
, 2°, § 3, § 4 en § 5, moeten worden ingediend : 1° voor internationale projecten, de voorbereiding van een internationaal project op het vlak van de kunsten binnen een Europees subsidieprogramma, internationale netwerkorganisaties en internationale werkverblijven, als
artikel 52, § 1, 1° tot en met 3°, van het decreet : uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het jaar waarop de subsidie betrekking heeft;2° voor tegemoetkomingen in reis-, verblijf- en transportkosten als
artikel 52, § 1, 4°, van het decreet : uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het jaar waarin de reis-, verblijf- en transportkosten gemaakt werden;3° voor vertalingen als
artikel 52, § 1, 5°, van het decreet : uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidie werd toegekend. Organisaties en natuurlijke personen die niet gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en aan wie een subsidie voor een internationaal initiatief als
artikel 52, § 1, 1°, 3° en 5°, van het decreet, werd toegekend, moeten uiterlijk op 1 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidie werd toegekend, de volgende documenten aan de administratie bezorgen : 1° een overzicht van de inkomsten en uitgaven met betrekking tot het internationale initiatief en kostenbewijzen voor het bedrag van de subsidie;2° een inhoudelijk verslag van het initiatief. §
artikel 52 van het decreet, een subsidiëring toe te kennen of te weigeren, stuurt de administratie binnen de vijf maanden na de uiterste indieningsdatum van de aanvraag een aangetekende brief naar de aanvrager met de kennisgeving van die beslissing. In afwijking van het eerste lid wordt voor de subsidieaanvragen die minder bedragen dan 7.000 euro en voor organisaties die niet gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een gewone brief met kennisgeving van die beslissing gestuurd. Art. 38.De minister bepaalt op welke wijze de aanvragen,
artikel 52 van het decreet, en de documenten,
artikel 37, § 2, 2°, § 3, § 4 en § 5, aan de administratie bezorgd moeten worden. HOOFDSTUK VI. - Subsidiëring van publicaties en opnameprojecten Art. 39.§ 1. Uiterlijk drie maanden voor de uiterste indieningsdatum bepaalt de minister op welke wijze de aanvragen tot subsidiëring
artikel 57, 1°, 2° en 3°, van het decreet, bezorgd moeten worden. Uiterlijk drie maanden voor de uiterste indieningsdatum bepaalt de minister op welke wijze de schriftelijke gemotiveerde reactie van de aanvrager van een subsidie voor een periodieke publicatie tegen het voorontwerp van beslissing,
artikel 85, 5°, van het decreet, bezorgd moet worden. De minister kan een model voor de aanvraagdossiers opleggen. § 2. Een aanvraag tot subsidiëring van periodieke publicaties als
artikel 57, 1°, van het decreet, moet de volgende documenten bevatten die nodig en nuttig zijn om zowel de artistieke en inhoudelijke kwaliteit, als de werking en het beheer te kunnen beoordelen aan de hand van de voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 58, 62 en 63 van het decreet : 1° het profiel, de doelgroep en een inhoudelijk beleidsplan;2° een sluitende begroting, met een toelichting bij de begrote bedragen;3° de periodiciteit;4° de oplage;5° de wijze van distributie : de huidige of de geplande distributie;6° de middelen voor promotie. § 3. Een aanvraag tot subsidiëring van niet-periodieke publicaties als
artikel 57, 2°, van het decreet, moet de volgende documenten bevatten die nodig en nuttig zijn om zowel de artistieke en inhoudelijke kwaliteit, als de werking en het beheer te kunnen beoordelen aan de hand van de voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 58, 65 en 66 van het decreet : 1° de voorziene distributie;2° de publicatiedatum;3° de verkoopprijs;4° een curriculum vitae van de auteur;5° de inhoudsopgave;6° het manuscript of een representatief deel ervan;7° een gedetailleerde kostenraming;8° de geplande oplage in het eerste jaar;9° de geplande promotie. § 4. Een aanvraag tot subsidiëring van niet-periodieke publicaties als
artikel 57, 2°, van het decreet, moet worden ingediend uiterlijk op 15 september van het jaar dat voorafgaat aan de publicatie of uiterlijk op 15 maart van het jaar van de publicatie voor publicaties die worden uitgevoerd vanaf 1 juli van het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd. § 5. Een aanvraag tot subsidiëring van opnameprojecten als
artikel 57, 3°, van het decreet, moet de volgende documenten bevatten die nodig en nuttig zijn om zowel de artistieke en inhoudelijke kwaliteit, als de werking en het beheer te kunnen beoordelen aan de hand van de voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 58, 69 en 70 van het decreet : 1° de geplande opnamen met vermelding van hun titel, de auteur en de duur van elke opname;2° een gedetailleerde lijst van de artistieke en inhoudelijke medewerkers bij de opname;3° de plaats waar de opname gerealiseerd wordt en de geplande opnamedatum;4° de plaats waar de montage en de mastering plaatsvinden;5° de naam van de producer en van de opnameleider;6° de geplande releasedatum;7° de wijze waarop de opname gedistribueerd zal worden;8° een sluitende begroting van het opnameproject met vermelding van alle geraamde inkomsten en uitgaven en onder meer alle bezoldigingen, vergoedingen, honoraria, commissie- en erelonen en uitkoopsommen met de naam van de begunstigde. § 6. Een aanvraag tot subsidiëring van opnameprojecten als
artikel 57, 3°, van het decreet, moet worden ingediend uiterlijk op 15 september van het jaar dat voorafgaat aan het opnameproject of uiterlijk op 15 maart van het jaar van het opnameproject voor opnameprojecten die worden uitgevoerd vanaf 1 juli van het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd. Art. 40.De administratie stuurt binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, een bericht naar de aanvrager met de melding dat de aanvraag ontvankelijk dan wel onontvankelijk is. In geval van onontvankelijkheid vermeldt het bericht de reden daarvan. Art. 41.§ 1. De bevoegde beoordelingscommissie of ad-hoccommissie beoordeelt de artistieke en inhoudelijke aspecten van de ontvankelijke aanvraag en brengt daarover advies uit. De administratie beoordeelt de zakelijke en financiële aspecten en brengt daarover advies uit. Die beoordelingen gebeuren aan de hand van de relevante voorwaarden en beoordelingscriteria,
artikel 58, 62, 63, 65, 66, 69 en 70 van het decreet. § 2. De beoordelingscommissie of ad-hoccommissie en de administratie kunnen alle initiatieven nemen die ze nodig achten om de voorwaarden, de beoordelingscriteria en de aanvullende beoordelingscriteria,
artikel 58, 62, 63, 65, 66, 69 en 70 van het decreet, op adequate wijze te toetsen. De schriftelijk gemotiveerde reactie van de aanvrager van een subsidie voor een periodieke publicatie tegen het voorontwerp van beslissing,
artikel 85, 5°, van het decreet, moet binnen tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de administratie de aangetekende brief met de kennisgeving van dat voorontwerp verstuurde, aan de administratie bezorgd worden. §
artikel 57 van het decreet, aanvullende voorwaarden opleggen voor de distributie. De minister mag, rekening houdend met en op grond van de specifieke doeleinden waarvoor de publicatie of het opnameproject aangewend moet worden of de bijzondere kenmerken van de publicatie of het opnameproject of de realisatiedatum van de publicatie of opnameproject, een aangepaste verantwoording vragen of een aangepaste indieningsdatum opleggen. Art. 42.§ 1 De subsidies,
artikel 57, 1°, van het decreet, worden als volgt beschikbaar gesteld : 1° een eerste schijf van 45 % van de totale subsidie die voor dat werkingsjaar is toegekend, wordt uitbetaald vanaf 1 februari;2° een tweede schijf van 45 % van de subsidie die voor dat werkingsjaar is toegekend, wordt uitbetaald vanaf 1 juli;3° het saldo van 10 % van de subsidie die voor dat werkingsjaar is toegekend, wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd werden. § 2. Om het toezicht,
artikel 59, § 5, van het decreet, te kunnen uitoefenen, moet de uitgever van een gesubsidieerde periodieke publicatie over elk werkingsjaar van de meerjarige subsidiëringsperiode een werkingsverslag opstellen, en dat uiterlijk drie maanden na het einde van elk jaar van de meerjarige subsidiëringsperiode aan de administratie bezorgen. Het werkingsverslag,
het eerste lid, bevat : 1° een gedetailleerd overzicht van de gerealiseerde publicaties;2° de verslagen van de algemene vergadering van de organisatie over de goedkeuring van rekeningen en begroting;3° de jaarrekening, die bestaat uit de balans, de resultatenrekening en de toelichting;4° een overzicht van de vergoedingen aan de auteurs;5° een afschrijvingstabel voor de investeringen; 6° het verslag van een erkende accountant of bedrijfsrevisor die niet betrokken mag zijn bij de dagelijkse artistieke, organisatorische en zakelijke werking van de desbetreffende gesubsidieerde organisatie, met commentaar bij de balans en de resultatenrekening van de organisatie, als de jaarlijkse subsidie minstens 25.000 euro bedraagt. Uiterlijk drie maanden voor de uiterste indieningsdatum bepaalt de minister op welke wijze het werkingsverslag aan de administratie bezorgd moet worden. De minister kan een model van werkingsverslag opleggen. De administratie mag op ieder ogenblik aan de gesubsidieerde organisatie aanvullende informatie en documenten vragen. De gegevens en documenten,
het tweede lid, worden door de administratie ter informatie voorgelegd aan de bevoegde beoordelingscommissie of ad-hoccommissie. Die kan daarbij het werkingsverslag toetsen aan de toepasselijke voorwaarden en beoordelingscriteria voor de artistieke en inhoudelijke kwaliteit van de activiteiten,
artikel 62 en 63 van het decreet. Daarover kan ze tussentijds of op verzoek van de administratie een beknopt advies voor de minister en de administratie formuleren. Art. 43.§ 1. De subsidies,
artikel 57, 2° en 3°, van het decreet, worden als volgt beschikbaar gesteld : 1° een voorschot van 90 procent van de subsidie wordt uitbetaald na de ondertekening van het besluit waarin de subsidie wordt toegekend;2° het saldo van 10 procent van de subsidie wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd werden en dat de subsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend. § 2. Om de realisatie van een gesubsidieerde publicatie of van een opnameproject als
artikel 57, 2° en 3°, van het decreet, te kunnen toetsen aan de toepasselijke voorwaarden
artikel 65, 66, 69 en 70, van het decreet, en om te controleren of de subsidie werd aangewend voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend, moeten uiterlijk vijftien maanden na de datum van de ondertekening van het besluit waarin de subsidie werd toegekend, en uiterlijk op 15 oktober van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidie werd toegekend, de volgende documenten aan de administratie bezorgd worden : 1° de resultatenrekening over de realisatie van de publicatie of het opnameproject met een specificatie van alle vermelde kosten- en opbrengstenrekeningen en een toelichting per post; 2° als de toegekende subsidie minstens 50.000 euro bedraagt, het verslag van een erkende accountant die niet betrokken mag zijn bij de dagelijkse artistieke, organisatorische of zakelijke werking van de organisatie die de publicatie of opnameproject heeft gerealiseerd, met commentaar bij de resultatenrekening; 3° een werkingsverslag;4° tien exemplaren van de publicatie of het opnameproject waarvoor de subsidie werd toegekend. De minister bepaalt, op het ogenblik dat de subsidie wordt toegekend, op welke wijze de documenten bezorgd moeten worden. De minister kan daarvoor een model opleggen. De administratie mag aanvullende informatie of bewijsstukken vragen aan de organisatie die een gesubsidieerde publicatie of een gesubsidieerd opnameproject realiseert. HOOFDSTUK VII. - Subsidiëring van steunpunten Art. 44.§ 1. Uiterlijk drie maanden voor de uiterste indieningsdatum bepaalt de minister op welke wijze een aanvraag tot subsidiëring als
artikel 73, § 1, van het decreet, en de schriftelijk gemotiveerde reactie tegen het voorontwerp van beslissing,
artikel 85, 5°, van het decreet, aan de administratie bezorgd moeten worden. § 2. Een aanvraag tot subsidiëring moet alle informatie en documenten bevatten die nodig en nuttig zijn om zowel de inhoudelijke kwaliteit als de werking en het beheer van de organisatie te kunnen beoordelen aan de hand van de kerntaken,
artikel 74 van het decreet. Die informatie en documenten moeten opgenomen zijn in het inhoudelijk en financieel beleidsplan,
artikel 73, § 1, van het decreet. Bovendien moet de aanvraag tot subsidiëring de volgende documenten bevatten : 1° een overzicht van de financiële situatie en de nodige elementen waaruit blijkt dat kan worden voldaan aan de kerntaken,
artikel 74 van het decreet;2° het werkingsverslag van het voorbije werkingsjaar indien van toepassing. Art. 45.De administratie stuurt binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van de aanvraag, een bericht naar de organisatie met de melding dat de aanvraag ontvankelijk dan wel onontvankelijk is. In geval van onontvankelijkheid vermeldt het bericht de reden daarvan. Art. 46.§ 1. De adviescommissie of ad-hoccommissie beoordeelt de inhoudelijke aspecten van de ontvankelijke aanvraag tot subsidiëring en brengt daarover advies uit. Het steunpunt wordt beoordeeld aan de hand van de relevante kerntaken,
artikel 74 van het decreet. De administratie beoordeelt de zakelijke en financiële aspecten en brengt daarover advies uit. § 2. De adviescommissie of de ad-hoccommissie en de administratie kunnen alle initiatieven nemen die ze nodig achten om de relevante kerntaken,
artikel 74 van het decreet, op adequate wijze te toetsen. § 3. De schriftelijk gemotiveerde reactie van de aanvrager van een subsidiëring tegen het voorontwerp van beslissing,
artikel 85, 5°, van het decreet, moet binnen tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de administratie de aangetekende brief met de kennisgeving van dat voorontwerp verstuurde, aan de administratie bezorgd worden. §
artikel 71 van het decreet, worden als volgt beschikbaar gesteld : 1° een eerste schijf van 45 % van de totale subsidie die voor dat werkingsjaar is toegekend, wordt uitbetaald vanaf 1 februari;2° een tweede schijf van 45 % van de subsidie die voor dat werkingsjaar is toegekend, wordt uitbetaald vanaf 1 juli;3° het saldo van 10 % van de subsidie die voor dat werkingsjaar is toegekend, wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd werden. §
artikel 79, § 6, van het decreet, telkens een indicatieve lijst aan de minister. De minister kan daaraan een of meer leden toevoegen. Deze experts moeten beschikken over een internationale kennis van het te beoordelen onderdeel van het beleidsveld. Art. 50.Voor de aanstelling en het ontslag van de leden van beoordelingscommissies en adviescommissie gelden, met toepassing van artikel 82 van het decreet, de volgende voorwaarden : 1° de adviescommissie en de beoordelingscommissies leggen, binnen drie maanden na hun aanstelling, een voorstel van huishoudelijk reglement over hun werking voor aan de minister.De minister keurt vervolgens voor de adviescommissie en de beoordelingscommissies het huishoudelijk reglement goed; 2° een lid van een adviescommissie of een beoordelingscommissie dat door de minister wordt benoemd in de plaats van een overleden lid of van een lid van wie het mandaat voortijdig is beëindigd, voleindigt het mandaat;3° de minister kan op verzoek van de betrokkenen een einde maken aan het mandaat van :
artikel 84 van het decreet : 1° de voorzitters : een presentiegeld van 90 euro per dagdeel, geïndexeerd, tot maximaal 2 dagdelen per dag, om vergaderingen en werkvergaderingen bij te wonen;2° de ondervoorzitters, de leden, de plaatsvervangers alsook de deskundigen : een presentiegeld van 60 euro per dagdeel, geïndexeerd, tot maximaal 2 dagdelen per dag, om vergaderingen en werkvergaderingen bij te wonen;3° een reisvergoeding van 25 eurocent per kilometer, geïndexeerd, om vergaderingen en werkvergaderingen bij te wonen en voor prospectieactiviteiten. HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen Art. 52.§
hoofdstuk VIII, voor alle kwaliteitsbeoordelingen vanaf de inwerkingtreding van dit hoofdstuk als bepaald in §
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.