het eerste lid kan een personeelslid dat op het ogenblik van zijn afwezigheid wegens ziekte nog geen zesendertig maanden sociale anciënniteit telt, negentig kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof krijgen. § 2.
wordt : 1° voor de personeelsleden van de MST-equipes, voor de periode vóór 1 september 2000, het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit bepaald op vijftien dagen;2° voor de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, voor de periode vóór 1 september 2003, het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit bepaald op vijftien dagen. § 3. Het ziekteverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens dat verlof heeft het personeelslid recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage. Art. 4.Als een personeelslid als vermeld in artikel 2 afwezig is wegens ziekte de kalenderdag vóór een wettelijke feestdag, een weekend, een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie en eveneens afwezig is wegens ziekte de kalenderdag na dezelfde wettelijke feestdag, hetzelfde weekend, dezelfde herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie, dan word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) eveneens als afwezigheid wegens ziekte aangerekend. Dit geldt eveneens indien een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie of een wettelijke feestdag aansluit of voorafgaat aan een weekend. Als een personeelslid als vermeld in artikel 2 gedurende minimum 10 kalenderdagen afwezig is wegens ziekte in een periode van 15 kalenderdagen vóór de zomervakantie en eveneens gedurende minimum 10 kalenderdagen afwezig is wegens ziekte in een periode van 15 kalenderdagen na dezelfde zomervakantie, dan wordt de zomervakantie eveneens als afwezigheid wegens ziekte aangerekend.
het eerste en tweede lid word(t)(
en § 2 wordt : 1° voor de berekening van de sociale anciënniteit van de personeelsleden van de MST-equipes, voor de periode vóór 1 september 2000, alleen rekening gehouden met de geldelijke anciënniteit, verworven in een gesubsidieerde MST-equipe;2° de sociale anciënniteit voor de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, voor de periode vóór 1 september 2003, berekend op basis van de prestaties, vermeld in artikel 14bis, 14ter en 14quater, van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, en op basis van de prestaties, geleverd als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "Derde arbeidscircuit". § 4. Voor het bepalen van het aantal genoten dagen ziekteverlof wordt de duur van de afwezigheden wegens ziekte vanaf 1 januari 1958 geteld. Voor de telling van het aantal genoten dagen ziekteverlof worden alleen de dagen bezoldigd ziekteverlof meegeteld die vallen binnen de periode die meetelt voor de berekening van het recht op het bezoldigd ziekteverlof. Het langdurig verlof, toegestaan tussen 1 januari 1958 en 1 juli 1968 krachtens artikel 3, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1959 betreffende de ziekte- en bevallingsverloven der leden van het personeel van het Rijksonderwijs, wordt niet meegeteld.
het eerste lid wordt voor de telling van het aantal genoten dagen ziekteverlof voor : 1° de personeelsleden van de MST-equipes geen rekening gehouden met het aantal dagen ziekteverlof genoten vóór 1 september 2000;2° de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs geen rekening gehouden met het aantal dagen ziekteverlof genoten vóór 1 september 2003. Art. 6.Een aantal afwezigheden wordt als bezoldigd ziekteverlof beschouwd en,
artikel 3, § 1 en § 2, zonder tijdsbeperking toegestaan. Het gaat om de afwezigheid naar aanleiding van : 1° een arbeidsongeval;2° een ongeval op de weg naar en van het werk;3° een beroepsziekte;4° een bedreiging door een beroepsziekte. Deze dagen afwezigheid worden niet in mindering gebracht van het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Art. 7.Het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte, staat onder het geneeskundig toezicht van het controleorgaan dat de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs heeft aangewezen ter uitvoering van artikel 57 van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs-V. Art. 8.Het personeelslid kan niet definitief ongeschikt worden verklaard wegens ziekte, voor hij het bezoldigd ziekteverlof heeft opgebruikt waarop hij krachtens artikel 3 voor het geheel van zijn loopbaan recht heeft. Art. 9.Is de afwezigheid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde, en dat geen ongeval is als vermeld in artikel 6, dan ontvangt het personeelslid zijn salaris of salaristoelage alleen als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding. Het salaris of de salaristoelage wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in haar rechten doet treden tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt. Het salaris of de salaristoelage wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval. Om het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof te bepalen waarop het personeelslid krachtens artikel 3 recht heeft, wordt de afwezigheid als gevolg van een dergelijk ongeval niet in aanmerking genomen ten belope van het percentage aansprakelijkheid waarvoor de derde aansprakelijk is gesteld en : 1° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid heeft betaald;2° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid niet heeft betaald maar de reden van de niet-betaling het gevolg is van de onvermogendheid van de derde, op voorwaarde dat de aansprakelijkheid en de periode van afwezigheid ten gevolge van het ongeval door een rechtbank is vastgesteld of door de derde werd erkend;3° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid niet heeft betaald wegens een beslissing van de Vlaamse Gemeenschap om het salaris of de salaris-toelage niet terug te vorderen van de derde. Afdeling II. - Tijdelijk aangestelde personeelsleden Art. 10.Deze afdeling is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, die tijdelijk zijn aangesteld. De bepalingen van deze afdeling gelden enkel voor de afwezigheid wegens ziekte die ligt binnen de periode van aanstelling van een tijdelijk personeelslid. Art. 11.§ 1. Het personeelslid, vermeld in artikel 10, dat, eenmaal zijn opdracht effectief heeft opgenomen een eerste keer afwezig is wegens ziekte, krijgt een aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof, berekend naar rata van één dag per reeks van tien dagen waarvoor een salaris of een salaristoelage wordt verstrekt als tijdelijk personeelslid sinds 1 april 1969. Voor de toepassing van het eerste lid tellen alleen die perioden mee waarvoor het personeelslid vermeld in artikel 10, als tijdelijk personeelslid in hoofdambt of in bijbetrekking, van 1 april 1969 af, een salaris of salaristoelage van de onderwijsadministratie heeft verkregen, ongeacht de aard van de instelling of het centrum waar die diensten werden gepresteerd. Per schooljaar mogen maximaal 300 kalenderdagen worden aangerekend. § 2. Als het personeelslid opnieuw afwezig is wegens ziekte, is het aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof waarop het aanspraak kan maken, gelijk aan het aantal kalenderdagen, berekend volgens § 1, verminderd met het aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof dat het sinds 1 april 1969 heeft genoten. § 3. Voor de telling van het aantal genoten dagen ziekteverlof worden alleen de dagen bezoldigd ziekteverlof meegeteld die vallen binnen de periode die meetelt voor de berekening van het recht op het bezoldigd ziekteverlof. Art. 12.
artikel 11 kan het personeelslid, vermeld in artikel 10, dat aangesteld werd voor de volledige duur van het schooljaar en dat eenmaal zijn opdracht effectief heeft opgenomen en dat afwezig is wegens ziekte, voor dat jaar aanspraak maken op dertig kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof als de toepassing van artikel 11 in zijn geval minder gunstig is. Als het betrokken personeelslid echter vrijwillig of gedwongen zijn ambt neerlegt of onderbreekt voor het einde van het schooljaar, wordt het bedrag, gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging die het op grond van het eerste lid van dit artikel heeft gekregen en de bezoldiging waarop het aanspraak zou kunnen maken hebben door de toepassing van artikel 11, aan de belanghebbende teruggevraagd. Art. 1 3. Als een personeelslid vermeld in artikel 10, afwezig is wegens ziekte de kalenderdag vóór een wettelijke feestdag, een weekend, een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie en eveneens afwezig is wegens ziekte de kalenderdag na dezelfde wettelijke feestdag, hetzelfde weekend, dezelfde herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie, dan word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) eveneens aangerekend als afwezigheid wegens ziekte. Dit geldt eveneens indien een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie of een wettelijke feestdag aansluit of voorafgaat aan een weekend.
het eerste lid word(t)(
artikel 11, zonder tijdsbeperking toegestaan als die periode zich bevindt binnen de aanstelling van het personeelslid, vermeld in artikel
, eerste lid, kan het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte onmiddellijk op de periode, vermeld in § 2 of in § 3, aansluiten. Art. 25.Als het personeelslid, vermeld in artikel 23, door het controleorgaan geschikt wordt verklaard om zijn ambt met verminderde prestaties uit te oefenen, dan heeft dat personeelslid het recht elke week een of meer ambten uit te oefenen die samen de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. Voor het berekenen van de halve opdracht die het personeelslid moet blijven uitoefenen, komen de uren waarvoor hij tijdelijk is aangesteld en komen de prestaties in een opdracht aan een hogeschool als vermeld in artikel 2, 39°, van het hetzelfde decreet van 13 juli 1994 eveneens in aanmerking. De nog te verrichten prestaties moeten steeds worden afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval tot een volledige lestijd of tot een volledig uur. Art. 26.Het controleorgaan staat halftijdse prestaties toe voor een periode van maximum dertig kalenderdagen. Nochtans worden voor ten hoogste dezelfde periode verlengingen toegestaan als het controleorgaan bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van het personeelslid dat wettigt. Het personeelslid dat, tijdens de toegestane lopende periode van verlof voor verminderde prestaties, afwezig is wegens ziekte, behoudt na deze afwezigheid het recht om het verlof voor verminderde prestaties voor het nog resterend aantal dagen van de toegestane periode verder te zetten.
het tweede lid geldt dit recht niet indien het gaat om een afwezigheid wegens ziekte die langer dan veertien opeenvolgende kalenderdagen duurt. Art. 27.Met behoud van de toepassing van artikel 32, vijfde lid, mag het personeelslid, vermeld in artikel 23, in een periode van tien jaar zijn ambt in totaal niet meer dan negentig kalenderdagen in halftijdse prestaties wegens ziekte uitoefenen. Voor het bepalen van de negentig kalenderdagen worden alleen periodes van halftijdse prestaties wegens ziekte geteld. Het personeelslid heeft recht op een periode van maximaal dertig kalenderdagen verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte op voorwaarde dat het in de periode van maximaal tien jaar die aan die periode voorafgaat nog geen negentig kalenderdagen verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte heeft genoten. Art. 28.De halftijdse afwezigheid wegens ziekte wordt beschouwd als verlof, gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens dit verlof heeft het personeelslid recht op het salaris dat of de salaristoelage die het zou hebben gehad mocht het geen verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte hebben gehad. HOOFDSTUK IV. - Terbeschikkingstelling wegens ziekte Art. 29.Het personeelslid, vermeld in artikel 2, wordt door de inrichtende macht of het schoolbestuur ter beschikking gesteld, nadat het personeelslid het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het recht had, heeft opgebruikt. Art. 30.Het personeelslid dat wegens ziekte ter beschikking gesteld is, ontvangt een wachtgeld of wachtgeldtoelage waarvan het bedrag bepaald wordt per jaar geldelijke anciënniteit, op basis van het laatste activiteitssalaris, naar rata van : 1° 5 % voor de eerste vijf jaren;2° 4 % voor de vijf volgende jaren;3° 2 % voor de andere jaren. Het bedrag van deze wachtgelden of wachtgeldtoelagen mag niet lager zijn dan de helft van het laatste activiteitssalaris en mag niet hoger zijn dan drie vierde van het laatste activiteitssalaris. Art. 31.§ 1.
artikel 30 heeft het personeelslid dat wegens ziekte ter beschikking gesteld is, recht op een wachtgeld of wachtgeldtoelage waarvan het bedrag gelijk is aan zijn laatste activiteitssalaris, als de aandoening waaraan hij lijdt als ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. Medex beslist of de aandoening waaraan het personeelslid lijdt, een dergelijke ziekte is. De beslissing mag in geen geval genomen worden vooraleer het personeelslid voor een periode van ten minste zes maanden voor de aandoening waaraan hij lijdt met ziekteverlof was en/of wegens ziekte ter beschikking gesteld is geweest. Elke eerste beslissing brengt een herziening mee van de toestand van het personeelslid, met geldelijke terugwerking tot de begindatum van zijn terbeschikkingstelling. § 2.
heeft elke latere beslissing van Medex uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van de beslissing. Als de beslissing op de eerste dag van een maand wordt betekend, heeft de beslissing toch uitwerking vanaf de eerste dag van die maand. Art. 32.Als Medex voorstelt dat een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ziekte geschikt is om onmiddellijk bij wijze van wederaanpassing gedurende een bepaalde periode met een halve dagtaak te werken en zodra het personeelslid aan dat voorstel gevolg geeft, is de terbeschikkingstelling wegens ziekte ambtshalve beëindigd. Het personeelslid heeft in het geval vermeld in het eerste lid, het recht elke week een of meer ambten uit te oefenen die samen de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. Voor het berekenen van de halve opdracht die het personeelslid moet blijven uitoefenen, komen de uren waarvoor hij tijdelijk is aangesteld en komen de prestaties in een opdracht aan een hogeschool als vermeld in artikel 2, 39°, van het hetzelfde decreet van 13 juli 1994 eveneens in aanmerking. De nog te verrichten prestaties moeten steeds worden afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval tot een volledige lestijd of tot een volledig uur. Het personeelslid mag de halftijdse prestaties alleen uitoefenen gedurende de periode die in de beslissing van het voormelde bestuur wordt vermeld. Die periode is echter ambtshalve tot een maximum van negentig kalenderdagen beperkt. Het personeelslid dat, tijdens de toegestane lopende periode van halftijdse prestaties, afwezig is wegens ziekte, behoudt na deze afwezigheid het recht om de halftijdse prestaties voor het nog resterend aantal dagen van de toegestane periode verder te zetten. Dit recht geldt niet indien het gaat om een afwezigheid wegens ziekte die langer dan veertien opeenvolgende kalenderdagen duurt. Met behoud van de toepassing van artikel 27, eerste lid, mag het personeelslid in een periode van tien jaar zijn ambt in totaal niet meer dan negentig kalenderdagen met dergelijke halftijdse prestaties uitoefenen. Voor het bepalen ven de negentig kalenderdagen worden alleen periodes van halftijdse prestaties wegens ziekte geteld. Het personeelslid heeft recht op een periode van maximaal negentig kalenderdagen halftijdse prestaties, op voorwaarde dat het in de periode van maximaal tien jaar die aan die periode voorafgaat nog geen negentig kalenderdagen met halftijdse prestaties heeft genoten. Tijdens de periode dat het personeelslid die halftijdse prestaties uitoefent, wordt de halftijdse afwezigheid wegens ziekte beschouwd als verlof, gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens dit verlof heeft het personeelslid recht op het salaris dat of de salaristoelage die het zou hebben gehad mocht het zijn volledige dagtaak hebben uitgeoefend. HOOFDSTUK V. - Wijzigingsbepaling Art. 33.In het opschrift van hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen voor de toepassing van artikel 40 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat worden de woorden "Verlof wegens ziekte of gebrekkigheid" en de woorden "Verlof voor verminderde dienstprestaties wegens ziekte of gebrekkigheid" geschrapt. HOOFDSTUK VI. - Opheffingsbepalingen Art. 34.In het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, de volgende artikelen opgeheven : 1° artikel 9, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 29/10/2004 pub. 10/01/2005 numac 2004036878 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering houdende geldelijke en administratieve bepalingen voor de contractuele personeelsleden in het onderwijs betaald door de Vlaamse Gemeenschap sluiten;2° artikel 9bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1981 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 29/10/2004 pub. 10/01/2005 numac 2004036878 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering houdende geldelijke en administratieve bepalingen voor de contractuele personeelsleden in het onderwijs betaald door de Vlaamse Gemeenschap sluiten;3° artikel 9ter, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 29/10/2004 pub. 10/01/2005 numac 2004036878 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering houdende geldelijke en administratieve bepalingen voor de contractuele personeelsleden in het onderwijs betaald door de Vlaamse Gemeenschap sluiten;4° artikel 10;5° artikel 11, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;6° artikel 12 en 13;7° artikel 14, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;8° artikel 15, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 februari 1988 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;9° artikel 16, 17 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.