Obsah (4)
Art. 11Art. 21Art. 25Art. 3325 SEPTEMBER 2008. - Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale voorwaarden voor spuitcabines De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
Art. 11
.De schoorstenen en de leidingen voor de afvoer van de dampen worden regelmatig gereinigd. Het is verboden te reinigen door schroeien of d.m.v. elk ander procédé waarbij vonken kunnen ontstaan wanneer brandbare stoffen in de spuitcabine gebruikt worden. Art. 12.Het is verboden gevaarlijke of brandbare producten buiten de in artikel 16 bedoelde plaats op te slaan indien ze voor meer dan een halve werkdag nodig zijn. Art. 13.Zodra het filtersyteem verzadigd is, wordt het onmiddellijk vervangen door een systeem dat minstens even efficiënt is. Het is streng verboden de spuitcabine zonder filtersysteem in bedrijf te stellen. Art. 14.De gevaarlijke en/of brandbare producten worden opgeslagen in geschikte houders ontworpen en vervaardigd met inachtneming van de eigenschappen van de vloeistoffen die ze inhouden en bieden voldoende mechanische en chemische weerstand. De handelingen waarbij gebruik gemaakt wordt van die producten worden slechts aan de exploitant of aan de door hem gemachtigde bevoegde personen toevertrouwd. Afdeling
- - Bestemming van de lokalen Art. 15.De voorafgaande mechanische en chemische behandeling van de voertuigen en delen van voertuigen vindt plaats in een zone van de inrichting die uitsluitend daarvoor bestemd is, namelijk de voorbereidingszone. De basisluchtdrukbehandeling vindt plaats in de spuitcabine of in de voorbereidingszone. De luchtdrukbehandeling vindt uitsluitend in de spuitcabine plaats. Art. 16.De opslag van de gevaarlijke of brandbare producten wordt aan bijzondere voorwaarden onderworpen. Art. 17.De behandelingen en voorbereidingen van verven, oplosmiddelen en spuitpistolen mogen plaatsvinden in het lokaal voor de opslag van de gevaarlijke of brandbare producten of in een lokaal dat uitsluitend daarvoor bestemd is. Afdeling
- - Luchtverversing Art. 18.De lucht in de spuitcabine en in de lokalen eromheen wordt door een voorziening ververst zodat ze nooit giftig of explosief kan worden. Art. 19.In de ondergrondse inrichting worden de gassen en dampen die erin verspreid worden opgezogen en naar buiten uitgestoten door een mechanisch ventilatiesysteem dat zo laag mogelijk geplaatst wordt. Art. 20.Tussen de spuitcabine en de installaties voor de afvoer van dampen en stoffen is er geen dode ruimte waarin zich ontplofbare mengsels of lagen kunnen vormen. HOOFDSTUK IV. - Ongevallen- en brandpreventie Afdeling
- -
Art. 21
.Vóór de tenuitvoerlegging van het project en vóór elke wijziging van de plaats of de exploitatieomstandigheden die de risico's voor brand of voor de verspreiding ervan zouden kunnen wijzigen, raadpleegt de exploitant de territoriaal bevoegde brandweerdienst over de te treffen maatregelen en de aan te wenden uitrustingen inzake de preventie en de bestrijding van brand en ontploffingen, met inachtneming van de bescherming van de bevolking en het leefmilieu. Art. 22.Open vuurverbod en rookverbod worden d.m.v. duidelijk identificeerbare pictogrammen aangegeven in de spuitcabine en op de plekken bedoeld in de artikelen 12 en 16, zowel op de buitenkant van de deuren als binnen de lokalen. Art. 23.De spuitcabine mag slechts verwarmd worden met toestellen die inzake bouw, plaats en gebruik voldoende garanties bieden om elk brand- of ontploffingsgevaar te voorkomen. Art. 24.In de spuitcabine is het verboden werken uit te voeren waarvoor gebruik gemaakt moet worden van open vuur of van elektrostatisch materiaal waarbij vonken kunnen ontstaan. HOOFDSTUK V. - Water Afdeling 1. -
Art. 25.Het is streng verboden afvalwater in ondergrondse wateren te lozen.
Art. 26.De werkruimtes worden ingericht zodat alle vloeistoffen die er al dan niet toevallig verspreid worden, o.a. het water van de reiniging van bodems en voertuigen, opgevangen en naar één enkele afvoerriool geleid worden. Art. 27.Het systeem voor de opvang van het afvalwater uit de werkruimtes is strikt gescheiden van het systeem voor de opvang van het huishoudelijk afvalwater en het regenwater. De verontreinigde wateren uit de werkruimtes mogen niet geloosd worden en worden naar een zuiveringsinstallatie of naar een tijdelijke opslagput afgevoerd vooraleer ze door een erkende afvalophaler weggehaald worden. Art. 28.Absorberende producten, zoals schuim, stoffen, poeder of korrels zijn voortdurend beschikbaar voor een snelle tussenkomst in geval van accidentele verspreiding van verven of oplosmiddelen. Afdeling
- - Voorwaarden voor lozingen in gewoon oppervlaktewater en in kunstmatige afvloeiingswegen Art. 29.Huishoudelijk afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater of in een kunstmatige afvloeiingsweg wordt geloosd voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° de pH is niet hoger dan 9 of niet lager dan 6,5;2° de temperatuur bedraagt hoogstens 30 °C;3° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 3 mg per liter;4° een representatief monster ervan is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen; 5° het bevat geen van de stoffen bedoeld in de artikelen R.131 tot R.141 en de desbetreffende bijlagen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt. Art. 30.Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater of in een kunstmatige afvloeiingsweg wordt geloosd voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° de pH is niet hoger dan 9 of niet lager dan 6,5;2° de temperatuur bedraagt hoogstens 30 °C;3° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter;4° het gehalte aan bezinkbare stoffen bedraagt hoogstens 0,5 ml per liter (tijdens een statische bezinking van 2 uren);5° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;6° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;7° een representatief monster van het geloosde water is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen; 8° onverminderd punt 9°, bevat het geen van de stoffen bedoeld in de artikelen R.131 tot R.141 en de desbetreffende bijlagen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt; 9° het gehalte aan totale metalen is niet hoger dan 15 mg per liter. Afdeling
- - Voorwaarden voor het lozen in openbare rioleringen Art. 31.Huishoudelijk afvalwater dat in openbare rioleringen geloosd wordt voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° het is vrij van textielvezels, kunststofverpakkingen of vaste huisafval, al dan niet organisch;2° het is vrij van : a) minerale oliën, brandbare producten en vluchtige oplosmiddelen;b) het bevat niet meer dan 500 mg per liter stoffen met petroleumether die extraheerbaar zijn;c) het is vrij van alle stoffen die het rioleringswater giftig of gevaarlijk kunnen maken; 3° het bevat geen van de stoffen die bedoeld worden in de artikelen R.131 tot R.141 en de desbetreffende bijlagen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt. Art. 32.Huishoudelijk afvalwater dat in openbare rioleringen geloosd wordt voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° de pH is niet hoger dan 9 of niet lager dan 6,5;2° de temperatuur bedraagt hoogstens 45 °C;3° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 1 000 mg per liter;4° de diameter van de zwevende stoffen bedraagt niet meer dan 10 mm;5° het gehalte aan bezinkbare stoffen bedraagt hoogstens 200 ml per liter (tijdens een statische bezinking van 2 uren);6° het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen is niet hoger dan 500 mg per liter;7° het geloosde water bevat geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken;8° het afvalwater bevat geen stoffen die : a) gevaar kunnen inhouden voor het onderhoudspersoneel van de rioleringen en installaties;b) de leidingen zouden kunnen beschadigen of verstoppen;c) de vlotte werking van de stuwings- en zuiveringsinstallaties zouden kunnen hinderen; 9° onverminderd punt 10°, bevat het geen van de stoffen bedoeld in de artikelen R.131 tot R.141 en de desbetreffende bijlagen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt; 10° het gehalte aan totale metalen is niet hoger dan 15 mg per liter. HOOFDSTUK VI. - Lucht Afdeling
- -
Art. 33
.De dampen en uitwasemingen van de luchtdrukbehandeling en de basisluchtdrukbehandeling worden aan de bron opgezogen door een mechanische voorziening en gefilterd door droge filters of door elke efficiënte zuiveringsinstallatie en in de lucht uitgestoten. Art. 34.Het debiet bij de emissie van de dampen en uitwasemingen afkomstig van de luchtdrukbehandeling in de cabine bedraagt minstens 20 000 Nm3/u. De lucht wordt langs de schoorsteen uitgestoten tegen een snelheid van 7 m/s. of meer. De emissies gebeuren verticaal, van onder naar boven en zonder kap. De gassen afkomstig van het lokaal voor de voorbereiding van de producten en van het systeem voor het wassen van de spuitpistolen worden verticaal uitgestoten, van onder naar boven en zonder kap. De snelheid van de uitstoot van die gassen wordt berekend zodat de lucht van het lokaal voor de voorbereiding van de producten nooit ontvlambaar of giftig kan worden, overeenkomstig artikel 18. Het lokaal voor de voorbereiding van de producten en van het systeem voor het wassen van de spuitpistolen is uitgerust met een mechanisch ventilatiesysteem. Art. 35.De emissies van deeltjes van verven of vernissen die zich tijdens de spuit- of pistoolhandelingen hebben gevormd worden gefilterd zodat de concentratie ervan in de uitstootgassen niet hoger is dan 50 mg/Nm3. Indien het jaarlijkse verbruik van oplosmiddelen dat in de producten voor het overspuiten van voertuigen en in de reinigingsproducten aanwezig is twee ton overschrijdt, is de concentratie van vluchtige organische verbindingen in de uitstootgassen niet hoger dan 50 mg C/Nm3. Afdeling 2. - Spuitcabine Art. 36.Het exclusieve gebruik van een pistool HVLP (Hight Volume Low Pressure - groot volume en lage druk) of van een pistool met overdracht van verfproducten met meer dan 65 % gewicht is verplicht. Afdeling 3. - Voorbereidingszone Art. 37.De stoffen afkomstig van de voorbereidingszone, zoals het mechanisch gladschuren, dat voorafgaat aan het aanbrengen van de verf, worden uitgestoten langs een schoorsteen en gefilterd zodat de concentratie ervan in de uitstootgassen niet hoger is dan 150 mg/Nm3 indien het massadebiet aan stoffen gelijk is 500 g/u. of minder en dan 50 mg/Nm3 indien het massadebiet 500 g/u. overschrijdt. Afdeling 4. - Reiniging van pistolen Art. 38.De reiniging van de pistolen via een "gesloten pistoolreiniger" is verplicht indien gebruik gemaakt wordt van een pistoolreiniger die COV bevat. Het afvalwater wordt als vloeibare afval behandeld. Afdeling 5. - Meetvoorwaarden Art. 39.De grenswaarden van de uitstoten hebben betrekking op het volume van de gasvormige effluenten in normale omstandigheden, met name : temperatuur van 273,15 K - 0 °C; druk van 101,3 kPa; droog gas. Afdeling 6. - Technisch register Art. 40.De exploitant houdt een register dat op zijn minst de volgende gegevens bevat : 1° op de eerste bladzijde :
- a)de naam en het adres van de exploitant;
- b)de naam en het adres van de verantwoordelijke persoon;
- c)de debieten van de luchtemissie in m3/u.: spuitcabine en voorbereidingszone;
- d)de snelheid in m/s van de luchtemissie vermeld door de fabrikant van de spuitcabine en van de voorbereidingszone;2° volgende bladzijden : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De verschillende kolommen bedoeld in het tweede lid, 2°, bevatten de volgende gegevens : 1° aard van de handeling : onderhoud, expertise of controle;2° vervanging van de filters : droge filters (spuitcabine of voorbereidingszone), actieve kool (hoeveelheid in kg);3° uurindexen van de spuitcabine in emissie- en recyclagegebruik;4° naam en handtekening van de persoon die het onderhoud, de expertise of de controle uitvoert. Dat register kan vervangen worden door het formulier dat jaarlijks ingevuld wordt in het kader van een kwaliteitssysteem dat uitgaat van een geaccrediteerde auditmaatschappij, voor zover het op zijn minst de gegevens die in het tweede en in het derde lid opgenomen zijn bevat. HOOFDSTUK VII. - Afval Art. 41.De oplosmiddelen worden ter plaatse gerecycleerd of door een erkende ophaler gerecupereerd. Art. 42.De installatie voor de tijdelijke opslag van gevaarlijke afval is het voorwerp van bijzondere voorwaarden wanneer de opslagcapaciteit kleiner is dan 250 kilo. HOOFDSTUK VIII. - Controle, zelfcontrole en toezicht Art. 43.De exploitant en de toezichthoudende ambtenaar gebruiken de referentiemethodes voor de monsterneming en de analyse van alle parameters bedoeld in de artikelen 29 tot 32 die door het "Institut scientifique de Service public" (Openbaar Wetenschappelijk Instituut) gevalideerd worden overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 27 mei 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 27/05/1999 pub. 18/08/1999 numac 1999027634 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering waarbij het « Institut scientifique de Service public » belast wordt met de opdracht van referentielaboratorium voor water, lucht en afval sluiten waarbij het "Institut scientifique de Service public" belast wordt met de opdracht van referentielaboratorium voor water, lucht en afval. De parametrische waarden bedoeld in de artikelen 29 tot 32 zijn ogenblikkelijke maximumconcentraties. Art. 44.De exploitant vergewist zich ervan dat de installatie voor de filtrering en de afvoer van de uitwasemingen en stoffen minstens één keer per jaar gecontroleerd en onderhouden wordt. Art. 45.In geval van defect herstelt de exploitant de installatie voor de filtrering en de afvoer van gasvormige effluenten naar de open lucht. Art. 46.Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar moet de exploitant het ventilatiedebiet van de spuitcabine en de concentratie van vluchtige organische verbindingen en van stoffen in de uitgestoten gassen laten meten. Die analyses kunnen hoogstens twee keer per jaar gevraagd worden en zijn voor rekening van de exploitant. In geval van probleem dient de tweede analyse vanzelfsprekend om na te gaan of de door de exploitant genomen maatregelen tot vermindering van de uitstoten doeltreffend zijn. Art. 47.Die maatregelen worden uitgevoerd door een laboratorium of een instelling erkend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 28 december 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten betreffende de betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging. Art. 48.Alle rapporten, met de resultaten van de metingen, liggen ter inzage van de toezichthoudende ambtenaar. Art. 49.De exploitant legt het technisch register bedoeld in artikel 40 ter inzage van de toezichthoudende ambtenaar. Art. 50.Het afvalwater wordt afgevoerd langs een controlevoorziening die voldoet aan de volgende vereisten : 1° er kunnen makkelijk monsters van het geloosde water genomen worden;2° op verzoek of op initiatief van de toezichthoudende ambtenaar kunnen monsters van het afvalwater genomen worden;3° ze is vlot toegangkelijk, zonder voorafgaande formaliteit;4° de lokatie ervan biedt alle garantie inzake waterhoeveelheid en -kwaliteit. HOOFDSTUK IX. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen Art. 51.Het koninklijk besluit van 23 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, de openbare riolen en in de kunstmatige afwateringskanalen voor regenwater wordt opgeheven voor wat betreft de inrichtingen bedoeld in dit besluit. Art. 52.Dit besluit is van toepassing op de inrichtingen die bestaan zodra het in werking treedt. In afwijking van het eerste lid : 1° zijn de artikelen 27, eerste lid, en 34 niet van toepassing op de bestaande inrichtingen;2° de artikelen 10 en 35 zijn van toepassing op de inrichtingen die uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit bestaan. Art. 53.De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit. Namen, 25 september 2008. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN