18 SEPTEMBER 2008. - Besluit van de Waalse Regering betreffende de steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie in Wallonië De Waalse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, inzonderheid op de artikelen 20 en 87, § 1; Gelet op het decreet van 3 juli 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 03/07/2008 pub. 29/07/2008 numac 2008202676 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie in Wallonië sluiten betreffende de steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie in Wallonië, inzonderheid op de artikelen 74, 77, 110, 117, 119, 120, 122, lid 2, en 133; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 20 oktober 1988 betreffende de uitvoering van handelingen en programma's van technologische bevordering; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 3 december 1992 betreffende de samenstelling en de werking van het Oriëntatiecomité ter bevordering van het onderzoek en van de technologieën in het Waalse Gewest, gewijzigd bij het besluit van 1 juli 1993; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 29 september 1994 betreffende de steun aan en de tussenkomsten voor het onderzoek en de technologieën; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 3 april 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 03/04/2003 pub. 12/05/2003 numac 2003027308 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering betreffende de erkenning van de collectieve onderzoekscentra sluiten betreffende de erkenning van de collectieve onderzoekscentra; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 7 juli 2005Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 07/07/2005 pub. 22/07/2005 numac 2005201939 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van de begripsomschrijving « kleine of middelgrote onderneming » in de zin van het decreet van 5 juli 1990 betreffende de bijstand en tegemoetkomingen van het Waalse Gewest voor onderzoek en technologie sluiten tot wijziging van de begripsomschrijving "kleine of middelgrote onderneming" in de zin van het decreet van 5 juli 1990 betreffende de bijstand en de tussenkomsten van het Waalse Gewest voor het onderzoek en de technologieën; Gelet op het advies van de Raad voor Wetenschapsbeleid (Raad voor Wetenschapsbeleid), gegeven op 9 juli 2008 en dezelfde dag goedgekeurd door de "Conseil économique et social de la Région wallonne" (Sociaal-economische Raad van het Waalse Gewest); Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 9 juni 2008; Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 26 juni 2008; Gelet op advies nr. 45.016/2/V van de Raad van State, gegeven op 22 augustus 2008, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Minister van Onderzoek, Nieuwe Technologieën en Buitenlandse Betrekkingen en van de Minister van Economie, Tewerkstelling, Buitenlandse Handel en Patrimonium, Besluit : Titel I. - Begripsomschrijvingen. Artikel 1.In de zin van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "het decreet" : het decreet van 3 juli 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 03/07/2008 pub. 29/07/2008 numac 2008202676 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie in Wallonië sluiten betreffende de steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie in Wallonië;2° "de Minister" : de Minister bevoegd voor nieuwe technologieën en onderzoek;3° "de promotor" : één of meerdere rechtspersonen die krachtens het decreet een tegemoetkoming mogen vragen;4° "het bestuur" : de bestuurlijke diensten van de Regering die de acties van het Waalse Gewest voeren op het vlak van nieuwe technologieën en onderzoek;5° "het Bestuur Economie" : de bestuurlijke diensten van de Regering die de acties van het Waalse Gewest voeren op het vlak van economie;6° "het project" : de gezamenlijke documenten die van één promotor afkomstig zijn en waarin de nagestreefde doelstellingen en de zowel menselijke als materiële middelen voor de verwezenlijking ervan in termen van product, procédé of dienstverlening omschreven worden;7° "de Raad voor Wetenschapsbeleid" : de Raad voor Wetenschapsbeleid opgericht bij het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 15 november 1990 houdende oprichting van een Raad voor Wetenschapsbeleid in het Waalse Gewest. Art. 2.In de zin van dit besluit worden de woorden "Regering", "industrieel onderzoek", "experimentele ontwikkeling", "procédé-innovatie", "organisatie-innovatie", "technologische voorlichting", "technologische bewaking", "kleine onderneming", "middelgrote onderneming", "grote onderneming", "niet-autonome onderneming van beperkte omvang", "onderneming", "publieke onderzoeksorganisatie", "universitaire afdeling", "afdeling van een hogeschool", "innoverende starter", "onderzoekscentrum", "erkend onderzoekscentrum" en "samenwerkingsverband voor technologische innovatie" verstaan zoals ze in het decreet worden omschreven. Titel II. - Erkenning van de onderzoekscentra HOOFDSTUK I. - Voorwaarden voor de toekenning van de erkenning Afdeling 1. - Beginsel Art. 3.Om erkend te worden in de zin van dit decreet, moet een onderzoekscentrum op de dag van de erkenningsaanvraag voldoen aan de acht verkrijgingsvoorwaarden waarvan sprake in de artikelen 4 tot 11. Afdeling 2. - Rechtspersoonlijkheid Art. 4.Het onderzoekscentrum beschikt over een eigen rechtspersoonlijkheid. Afdeling 3. - Verwezenlijking van onderzoeksactiviteiten met een industrieel doel Art. 5.Het onderzoekscentrum heeft een maatschappelijk doel dat ertoe strekt onderzoeksactiviteiten met een industrieel doel te verwezenlijken die tegelijk : 1° hoofdzakelijk onder het industrieel onderzoek of de experimentele ontwikkeling vallen;2° de belangstelling zouden kunnen wekken van ondernemingen die geconfronteerd worden met de behoeften van een technologische sector of een technologisch vakgebied;3° op significante wijze deel uitmaken van samenwerkingsverbanden met de universiteiten of de hogescholen of van deelnames aan de Europese kaderprogramma's of andere internationale programma's;4° bij voorrang gericht zijn op de ondernemingen waaraan het centrum een toegevoegde waarde kan verlenen;5° de ontwikkeling of de instandhouding van haar know-how of haar vaardigheden als gevolg hebben. Afdeling 4. - Opvolging van de wetenschappelijke en technische vooruitgang Art. 6.Het onderzoekscentrum houdt zich permanent op de hoogte van de wetenschappelijke en technische vooruitgang die in België en in het buitenland wordt geboekt op gebieden waarvoor ze de vaardigheden bezit en die gekenmerkt zijn door een hoog potentieel aan industriële innovaties. Het neemt regelmatig contact op met de ondernemingen om hen haar diensten terzake aan te bieden. Afdeling 5. - Samenstelling van een raad van bestuur of een vast comité Art. 7.De raad van bestuur of het vast comité van het onderzoekscentrum omvat minstens 50 percent vertegenwoordigers van de ondernemingen met een evenwichtige verspreiding, afhankelijk van de sector, tussen kleine en middelgrote ondernemingen enerzijds en grote ondernemingen anderzijds. Die vertegenwoordigers van de ondernemingen zijn : 1° personen die onderzoeks- of leidinggevende functies uitoefenen in ondernemingen van een sector of een technologisch domein beoogd door het onderzoekscentrum;2° personen die samen zijn voorgedragen door de leden van de raad van bestuur of het vast comité die personen zijn waarvan sprake onder 1°. De raad van bestuur of het vast comité bevat meer personen waarvan sprake in lid 1, 1°, dan personen waarvan sprake in lid 1, 2°. Het voorzitterschap van de raad van bestuur of van het vast comité komt een vertegenwoordiger van de ondernemingen toe of wordt ingesteld volgens het roteringsbeginsel tussen de vertegenwoordiger van de onderneming en de andere leden. De raad van bestuur of het vast comité kan in eigen kring een technisch comité oprichten dat belast is met de bekrachtiging en de mededeling van de te verwezenlijken activiteiten inzake onderzoek, technologische bewaking en technologische voorlichting. Bij die mededeling wordt, inzake vertrouwelijkheid; het belang geëerbiedigd van het onderzoekscentrum of van de onderneming die zijn partners of klanten zijn. Afdeling 6. - Het voeren van een analytische boekhouding Art. 8.Het onderzoekscentrum voert een analytische boekhouding van zijn activiteiten. Die boekhouding : 1° leeft de Belgische boekhoudnormen na;2° maakt het onder meer mogelijk de aanwending van de steun en de overheidstegemoetkomingen voor het onderzoekscentrum na te gaan, evenals het feit dat de prijs van de dienstverlening aan de ondernemingen de regels van de markt in acht neemt. Afdeling 7. - Voorhandenzijn van een vestigingseenheid in het Waalse Gewest Art. 9.Het onderzoekscentrum beschikt over minstens één vestigingseenheid op het grondgebied van het Waalse Gewest, behalve indien het valt onder de besluitwet van 30 januari 1947 tot vaststelling van het statuut van oprichting en werking van de centra belast met de bevordering en de coordinatie van de technische vooruitgang van de verschillende takken van 's lands bedrijfsleven, door het wetenschappelijk onderzoek. Afdeling 8. - Financiële draagkracht Art. 10.Het onderzoekscentrum beschikt over voldoende financiële draagkracht om de financiële tegenprestaties in verband met zijn dienstverlenings- of onderzoeksactiviteiten te dekken en om bij te dragen tot het onderhoud en de hernieuwing van de uitrustingen en het materieel nodig voor zijn activiteiten. De inkomsten van het onderzoekscentrum in verband met de industriële activiteit, de onderzoeksactiviteit, de openbare expertises of de bijdragen, de financiering van het Waalse Gewest niet meegerekend, moeten 50 percent hoger zijn dan de globale bestaansmiddelen. Het onderzoekscentrum bereikt die doelstelling binnen de twee jaar als de coëfficiënt R, omschreven in de bijlage bij dit besluit, hoger is dan 30 percent en lager dan 50 percent, en binnen de vijf jaar als diezelfde coëfficiënt lager is dan 30 percent, waarbij die termijnen ingaan op 1 juli 2008. Afdeling 9. - Opstelling van een strategisch actieplan Art. 11.Ter staving van de erkenningsaanvraag maakt het onderzoekscentrum een plan over waarin de acties die hij voornemens is te ondernemen in de 36 komende maanden, omschreven worden. Dat plan houdt eveneens de verbintenis van het onderzoekscentrum in om de instandhoudingsvoorwaarden waarvan sprake in de artikelen 13 tot 17 van dit besluit na te leven, evenals de omschrijving van de middelen die daarvoor aangewend worden. HOOFDSTUK II. - Voorwaarden voor het behoud van de erkenning Afdeling 1. - Beginsel Art. 12.Voor het behoud van zijn erkenning in de zin van het decreet moet het onderzoekscentrum, naast de verkrijgingsvoorwaarden waarvan sprake in de artikelen 4 tot 11, binnen een termijn van twee jaar te rekenen van zijn erkenning, de vijf voorwaarden waarvan sprake in de artikelen 13 tot 17 vervullen. Afdeling 2. - Publicatie van een jaarverslag Art. 13.Het onderzoekscentrum brengt een jaarverslag uit waarin het verloop en de resultaten van zijn verschillende activiteitensoorten uiteengezet worden. Dat verslag omvat minstens de volgende rubrieken : de samenstelling van de raad van bestuur of van het vast comité, de samenstelling van het technisch comité, de samenvatting van de financiële resultaten van het jaar en de evolutie van het personeel, de lopende onderzoeksprogramma's, de voornaamste resultaten van de voleindigde onderzoeksdaden en de industriële impact van de activiteiten inzake technologische bewaking, de gestructureerde samenwerkingsverrichtingen, de verworven kwaliteitsnormen, de voor de ondernemingen beschikbare diensten, de waardevolle uitrustingen en de instrumenten voor de verspreiding van de resultaten. Afdeling 3. - Naleving van de normen voor het kwaliteits- en leefmilieumanagement Art. 14.Om zijn bekendheid in de wetenschappelijke en industriële gemeenschap en de reputatie van zijn dienstverlening en zijn producten te vestigen, voldoet het onderzoekscentrum aan de normen voor het kwaliteitsmanagement en aan de normen voor het leefmilieumanagement die essentieel zijn in de gebieden waaronder zijn activiteiten vallen. Afdeling 4. - Organisatie van zijn activiteiten in functie van de behoeften en de typologie van de ondernemingen Art. 15.Het onderzoekscentrum organiseert zijn activiteiten in functie van de behoeften en de typologie van de ondernemingen. Daartoe ontwikkelt het de geschikte instrumenten, meer bepaald in overleg met het "Agence de stimulation technologique" (Agentschap voor technologische stimulering) en met het Bestuur. Afdeling 5. - Activiteiten inzake technologische voorlichting, transfers en audits Art. 16.Het onderzoekscentrum verwezenlijkt voor de ondernemingen die om zijn wetenschappelijke of technische expertise vragen in de gebieden waarvoor het de vaardigheden bezit, met zijn eigen menselijke en materiële middelen, activiteiten inzake technologische voorlichting of transfers in de vorm van dienstverlenende prestaties die bestaan uit technologische audits verbonden aan procédés of producten of in de vorm van adviezen voor de oriëntering van de ondernemingen naar technologische vaardigheden, met inbegrip van die welke de andere onderzoekscentra, de universitaire of de hogeschoolafdelingen aanbieden. In voorkomend geval kan het onderzoekscentrum in overleg werken met de universitaire afdelingen en de afdelingen van hogescholen om de technologische transfer naar het industriële weefsel te bevorderen. Het neemt regelmatig contact op met de ondernemingen om hen haar diensten terzake aan te bieden. Afdeling 6. - Verspreiding van de resultaten Art. 17.Het onderzoekscentrum organiseert ten behoeve van de ondernemingen en de andere erkende onderzoekscentra middels een vlot bereikbaar en vaak bijgewerkt instrumentarium de verspreiding van de resultaten van de activiteiten waarvan sprake in artikel 5 en de vooruitgang waarvan sprake in artikel 6, rekening houdend met het noodzakelijke vertrouwelijk karakter van sommige resultaten. HOOFDSTUK III. - Erkenningscommissie Art. 18.De Erkenningscommissie waarvan sprake in artikel 76 van het decreet bestaat uit : 1° één vertegenwoordiger van de Minister-President;2° één vertegenwoordiger van de Minister van Economie;3° één vertegenwoordiger van de Minister;4° twee leden van het Bestuur;6° één expert met een wetenschappelijke oriëntatie;7° één expert met een economische en financiële oriëntatie;8° één expert inzake certificering;9° vier vertegenwoordigers van de Raad voor Wetenschapsbeleid aangewezen door de de "Conseil économique et social de la Région Wallonne". Art. 19.De Regering benoemt de leden van de Erkenningscommissie waarvan sprake in artikel 18, 1° en 2°, op de voordracht van de betrokken Minister. De Regering benoemt de leden van de Erkenningscommissie waarvan sprake in artikel 18, 3° en 8°, op de voordracht van de Minister. De Regering benoemt de leden van de Erkenningscommissie waarvan sprake in artikel 18, 9° en 8°, op de voordracht van de Raad voor Wetenschapsbeleid. Art. 20.Het mandaat van een lid van de Erkenningscommissie verstrijkt op het einde van het zesde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de Regering hem benoemt heeft. Het is hernieuwbaar. Art. 21.Het mandaat van een lid van de Erkenningscommissie wordt voortijdig beëindigd : 1° zodra het de hoedanigheid verliest waarin de Regering het lid benoemde;2° als het de Regering meedeelt ontslag te willen nemen;3° als het wederroepen wordt door de Regering op voorstel van de Erkenningscommissie.Het huishoudelijk reglement van de Commissie stelt de gevallen vast waarin een lid wederroepen kan worden. Indien het mandaat van een lid beëindigd wordt, benoemt de Regering een nieuw lid, dat het mandaat voltooit van degene die het vervangt. Art. 22.De Erkenningscommissie vergadert minstens twee keer per jaar. Zij beraadslaagt op rechtsgeldige wijze als minstens acht leden aanwezig zijn. Zij treft elke beslissing bij absolute meerderheid der aanwezige leden. Art. 23.De leden van de Erkenningscommissie leven te allen tijde de geheimhouding van de beraadslagingen en van de vertrouwelijke informatie die ze in hun hoedanigheid van lid krijgen, strikt na. Art. 24.De Erkenningscommissie stelt haar huishoudelijk reglement op dat ze ter goedkeuring aan de Minister voorlegt. HOOFDSTUK IV. - Erkenningsprocedure Art. 25.Het onderzoekscentrum dat erkend wenst te worden dient zijn erkenningsaanvraag in door het formulier waarvan het model door de Minister bepaald wordt op voorstel van de Erkenningscommissie behoorlijk ingevuld naar het Bestuur te zenden. Het Bestuur bericht ontvangst van de aanvraag binnen de vijf dagen na ontvangst ervan en gaat na of de aanvraag volledig is. Als het Bestuur vaststelt dat de aanvraag onvolledig is, vraagt het de aanvullende gegevens op bij het onderzoekscentrum binnen de twintig dagen na de ontvangst van de aanvraag. Als het onderzoekscentrum geen gevolg geeft aan dat verzoek binnen de twintig dagen na ontvangst ervan, wordt het geacht zijn aanvraag te hebben ingetrokken. Art. 26.Binnen de zestig dagen na de ontvangst van de volledige erkenningsaanvraag richt het Bestuur een verslag aan de Erkenningscommissie waarin een afschrift van de erkenningsaanvraag en een samenvatting begrepen zijn. Bij haar eerste of tweede vergadering na de ontvangst van het verslag van het Bestuur werkt de Erkenningscommissie het voorstel uit waarvan sprake in artikel 76 van het decreet. Binnen de vijf dagen na de vergadering waarin zij haar voorstel heeft uitgewerkt, richt de Erkenningscommissie dat voorstel aan het onderzoekscentrum. Binnen de twintig dagen na de ontvangst van het voorstel kan het onderzoekscentrum een schriftelijke uiteenzetting aan de Erkenningscommissie richten met de redenen waarom het meent niet te kunnen instemmen met de inhoud ervan. Binnen de vijf dagen na ofwel de ontvangst van de uiteenzetting waarvan sprake in lid 3 ofwel het verstrijken van de termijn van twintig dagen waarvan sprake in hetzelfde lid richt de Erkenningscommissie zijn voorstel aan de Minister samen met de eventuele uiteenzetting van het onderzoekscentrum. Die termijn van vijf dagen wordt op twintig dagen gebracht als de Erkenningscommissie een in functie van die uiteenzetting significant gewijzigd voorstel aan de Minister richt. Art. 27.Wanneer de Minister de erkenningsaanvraag inwilligt, neemt hij een erkenningsbesluit aan. Wanneer de Minister de erkenningsaanvraag niet inwilligt, brengen hij of het Bestuur het onderzoekscentrum daar bij ter post aangetekend schrijven van op de hoogte. Art. 28.De erkenning van het onderzoekscentrum heeft een onbepaalde duur, tenzij die erkenning ingetrokken wordt overeenkomstig artikelen 32, 33 en 34. Art. 29.In geval van fusie tussen twee erkende onderzoekscentra geeft de nieuw opgerichte eenheid kennis van de fusie aan de Minister, die van ambtswege een nieuw erkenningsbesluit aanneemt. Binnen de twaalf maanden wordt er een audit uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 30 en 31, lid 1. Art. 30.Het erkende onderzoekscentrum wordt periodiek aan audits onderworpen om na te gaan of het blijft beantwoorden aan elke erkenningsvoorwaarde waarvan sprake in de artikelen 4 tot 11 en de artikelen 13 tot 17. Die audits worden uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen. Art. 31.De audits waarvan sprake in de artikelen 29 en 30 worden uitgevoerd op initiatief van de erkenningscommissie of op initiatief van het Bestuur. De kosten van de audits worden door het Waalse Gewest overgenomen. Het auditverslag wordt aan het Bestuur gericht. De eerste audit van het onderzoekscentrum vangt aan tussen de derde en de vijfde verjaardag van de aanneming van het desbetreffende erkenningsbesluit. Elke latere audit van het onderzoekscentrum vangt uiterlijk zesendertig maanden na het einde van de vorige audit aan. Art. 32.De erkenning van het onderzoekscentrum kan worden ingetrokken : 1° als uit een audit waarvan sprake in de artikelen 29, 30 en 31 blijkt dat het onderzoekscentrum niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de verkrijging van de erkenning waarvan sprake in de artikelen 4 tot 11;2° als het onderzoekscentrum in strijd blijft met één of meerdere voorwaarden waarvan sprake in de artikelen 13 tot 17 voor het behoud van de erkenning. Art. 33.In de zestig dagen na de ontvangst van het auditverslag richt het Bestuur een afschrift van het verslag en een synthesenota aan de Erkenningscommissie. Bij haar eerste of tweede vergadering na de ontvangst van het verslag van het Bestuur werkt de Erkenningscommissie het voorstel uit waarvan sprake in artikel 76 van het decreet. Binnen de vijf dagen na de vergadering waarin zij haar voorstel heeft uitgewerkt, richt de Erkenningscommissie dat voorstel aan het onderzoekscentrum. Binnen de twintig dagen na de ontvangst van het voorstel kan het onderzoekscentrum een schriftelijke uiteenzetting aan de Erkenningscommissie richten met de redenen waarom het meent niet te kunnen instemmen met de inhoud ervan. Binnen de vijf dagen na ofwel de ontvangst van de uiteenzetting waarvan sprake in lid 3 ofwel het verstrijken van de termijn van twintig dagen waarvan sprake in hetzelfde lid richt de Erkenningscommissie zijn voorstel aan de Minister samen met de eventuele uiteenzetting van het onderzoekscentrum. Die termijn van vijf dagen wordt op twintig dagen gebracht als de Erkenningscommissie een in functie van die uiteenzetting significant gewijzigd voorstel aan de Minister richt. Art. 34.De Minister spreekt zich over de intrekking van de erkenning van een onderzoekscentrum uit. In het geval waarvan sprake in artikel 32, 2°, kan de Minister de erkenning pas intrekken als de niet-naleving van één of meerdere erkenningsvoorwaarden voortduurt bij verstrijken van de tachtig dagen na een ingebrekestelling die het Bestuur aan het onderzoekscentrum heeft gericht bij ter post aangetekend schrijven. De intrekking van de erkenning van een onderzoekscentrum kan pas uitgesproken worden na afloop van een tegensprekelijk debat. HOOFDSTUK V. - Bijkomende opdrachten van de Erkenningscommissie Art. 35.De Commissie analyseert op verzoek van de Regering of de Minister de activiteiten van elk erkend onderzoekscentrum en stelt oplossingen voor die de samenwerking kunnen aanhalen tussen de onderzoekscentra in Wallonië door zich met name te baseren op de strategische doelstellingen en de hoofdlijnen bepaald krachtens artikel 37. De analyse wordt aan de Minister medegedeeld. Art. 36.Jaarlijks analyseert de Commissie op grond van een overzicht dat het Bestuur heeft uitgevoerd in samenwerking met de onderzoekscentra de bestaansmiddelen van laatstgenoemden om na te gaan welke hun in artikel 10 bedoelde financiële draagkracht is. In dat kader maken de erkende onderzoekscentra hem elk stuk over dat zij voor haar analyse nuttig acht. De analyse wordt aan de Minister medegedeeld. Titel III. - Strategische doelstellingen en hoofdlijnen Art. 37.Minstens elke vijf jaar en voor de eerste keer binnen de achttien maanden na de inwerkingtreding van het decreet stelt de Minister in samenwerking met de Minister van Economie aan de Regering voor om de strategische doelstellingen en de hoofdlijnen waarvan sprake in artikel 117 van het decreet te bepalen. Het voorstel van de Minister heeft meer bepaald betrekking op : 1° de technologische vakgebieden die een prioriteit op korte termijn zijn rekening houdend met het Waalse potentieel inzake onderzoek, technologische innovatie en economische ontwikkeling;2° de onderzoeksthema en de technologische vakgebieden die een prioriteit op middellange termijn vormen, rekening houdend met de prospectieve onderzoeken en beoordelingen terzake;3° de nadere organisatie- en werkregels van de samenwerkingsverbanden voor technologische innovatie en de andere soorten samenwerkingsverbanden die het decreet vernoemt;4° de nadere organisatie- en werkregels van de samenwerkingsverbanden voor technologische innovatie die opgenomen zijn in de beleidslijnen van de Waalse Regering voor de economische ontwikkeling van het Gewest;5° de te treffen maatregelen voor de versterking van de ontwikkeling van Wallonië op het vlak van onderzoek en technologische innovatie met navolging van de aanbevelingen opgenomen in de Waalse, Belgische, Europese en internationale onderzoeken en studies;6° de informatie-uitwisselingen, de uitwisselingen van ervaringen en de samenwerkingsverbanden die opgezet moeten worden met de andere Belgische deelgebieden en, in voorkomend geval, met de Europese en internationale instellingen;7° de eventuele aanpassingen aan de indicatoren bepaald krachtens artikel 123, 1°, van het decreet en de nadere regels voor de inzameling, de analyse en de verspreiding bepaald krachtens artikel 123, 2°, van het decreet. De Minister verzoekt om de adviezen van de Raad voor Wetenschapsbeleid en van het interdepartementale opvolgingscomité voor de doelstellingen en hoofdlijnen door de Regering aangenomen worden. Titel IV. - Tegemoetkomingsaanvragen bedoeld bij het decreet HOOFDSTUK I. - Evaluatiecriteria voor alle promotoren Afdeling 1. - Innoverend karakter van het project Art. 38.Het innoverend karakter van het project wordt beoordeeld en meer bepaald de bijdrage ervan aan de wetenschappelijke vooruitgang in termen van nieuw vergaarde kennis. Wat betreft de tegemoetkomingen aan de innoverende starters bedoeld in de artikelen 40 tot 45 van het decreet worden, volgens wat bepaald wordt in de oproep tot de gegadigden, het innoverend karakter van de algemene activiteit van de onderneming of het innoverend karakter van het project dat ter beoordeling worden voorgelegd, geëvalueerd. Afdeling 2. - Kwaliteit, technologische haalbaarheid en relevantie van het project Art. 39.De kwaliteit, de technische haalbaarheid en de relevantie van het project worden beoordeeld ten opzichte van de technisch-economische noden van het Waalse Gewest. Wat betreft de tegemoetkomingen aan de innoverende starters bedoeld in de artikelen 39 tot 44 van het decreet worden, volgens wat bepaald wordt in de oproep tot de gegadigden, de haalbaarheid en de kaliteit van de algemene activiteit van de onderneming of van het project dat ter beoordeling worden voorgelegd, geëvalueerd. Afdeling 3. - Valorisering van de innovatie Art. 40.Wanneer het project betrekking heeft op activiteiten van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, wordt de bekwaamheid van de promotor om de vrucht van zijn activiteiten economisch en op het vlak van de werkgelegenheid te valoriseren, beoordeeld. Die beoordeling heeft met name betrekking op de economische effecten, de capaciteit van de promotor om een markt te penetreren, het bestaan van een winstgevende markt, de perspectieven van de exploitatie door de promotor of een derde en de impact van de intellectuele rechten van concurrerende projecten. Afdeling 4. - Leefmilieu Art. 41.De impact van elk project op het leefmilieu wordt beoordeeld. Onder leefmilieu-impact worden de gezamenlijke kwalitatieve en kwantitatieve, negatieve en/of positieve wijzigingen verstaan die het project op het leefmilieu heeft. HOOFDSTUK II. - Bijkomende evaluatiecriteria, specifiek aan de ondernemingen Art. 42.De financiële degelijkheid van de onderneming wordt beoordeeld door haar te vragen een financieel plan voor te leggen waarin de financiering van het project door de onderneming uiteengezet wordt. Wanneer het project betrekking heeft op activiteiten inzake industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, bevat dat plan de gegevens die het mogelijk maken de financiële draagkracht van de onderneming te beoordelen om enerzijds de activiteiten zorgvuldig uit te voeren en anderzijds de verwachte resultaten te benutten. Desnoods kunnen de boekhoudkundige en bankbewijzen ter bevestiging van de gegevens van het financiële plan opgevraagd worden. Art. 43.De duidelijke risicograad van het project wordt in detail beoordeeld. Die graad kan meer bepaald vastgelegd worden wat betreft de kosten van het project ten opzichte van de omzet van de onderneming, de tijd voor het afstellen van het nieuwe procédé of product, de verwachte voordelen tegenover de kosten van het project of de waarschijnlijkheid van een mislukking. Art. 44.Als het project waarvoor een tegemoetkoming gevraagd wordt niet aangevat is voor de indiening van de aanvraag, is het aanmoedigende effect automatisch aanwezig voor de volgende tegemoetkomingsmaatregelen : - de susbidies met betrekking tot het industrieel onderzoek, de subsidies en de terugvorderbare voorschotten met betrekking tot de experimentele ontwikkeling en de subsidies met betrekking tot de technische haalbaarheidsonderzoeken indien de promotor een kleine of middelgrote onderneming is en indien het bedrag van de tegemoetkoming lager is dan 7,5 miljoen euro per project en per promotor; - de subsidies voor de industriële eigendomsrechten; - de subsidies voor de innoverende starters; - de subsidies voor advies- en steunverlening voor innovatie; - de subsidies voor de tijdelijke indienstneming van personeel. Voor de tegemoetkomingen die niet bedoeld zijn in lid 1 wordt het voorhandenzijn van het aanmoedigende effect van de tegemoetkoming van het Waalse Gewest aan de onderneming gedetailleerd beoordeeld. De tegemoetkoming moet ervoor zorgen dat de ontwikkeling of de reconversie van de onderneming, het bereik, de begroting of het ritme van de activiteiten inzake industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling verhogen. Er kan eveneens naar het aanmoedigende effect gepeild worden met betrekking tot de potentiële inschakeling in nieuwe onderzoeksprogramma's of netwerken, de inkorting van termijnen voor het afstellen, inbedrijfnemen of op de markt brengen. HOOFDSTUK III. - Specifieke bijkomende evaluatiecriteria voor de publieke onderzoeksinstellingen, de universitaire afdelingen en de afdelingen van een hogeschool Art. 45.De evaluatie heeft betrekking op de uitnemendheid en de ervaring van de onderzoekers of de onderzoeksafdeling in het gebied (de gebieden) waarop het project slaat, met name in termen van publicaties, beschikbaar personeel, activiteiten in het kader van gewestelijke, federale en Europese programma's, internationale samenwerkingsverbanden, industriële samenwerkingsverbanden en valorisering van de onderzoeksresultaten en overeenstemming met de potentiële behoeften van de ondernemingen. De kwaliteit van de presentatie van het project in functie van met name de duidelijkheid en de relevantie van de antwoorden op zijn vragen wordt eveneens beoordeeld. HOOFDSTUK IV. - Bijkomende specifieke evaluatiecriteria voor de erkende onderzoekscentra Art. 46.De evaluatie heeft betrekking op de uitnemendheid en de ervaring van het onderzoekscentrum in het gebied (de gebieden) waarop het project slaat, met name in termen van beschikbaar personeel en apparatuur, activiteiten in het kader van gewestelijke, federale en Europese programma's, internationale samenwerkingsverbanden, industriële samenwerkingsverbanden en valorisering van de onderzoeksresultaten, beheersing van de aankomende technologieën en overeenstemming met de behoeften van de ondernemingen. De kwaliteit van de presentatie van het project in functie van met name de duidelijkheid en de relevantie van de antwoorden op zijn vragen en de waarde van de wetenschappelijke, technische en functionele begeleiding wordt eveneens beoordeeld. HOOFDSTUK V. - Procedures voor de indiening van de tegemoetkomingen Afdeling 1. - Tegemoetkomingsaanvragen ingediend in het kader van oproepen tot indiening van projecten Art. 47.Een document met als opschrift "oproep tot het indienen van projecten" legt de specifieke nadere regels vast voor de verschillende oproepen. De werktaal is het Frans of, in voorkomend geval, het Duits. Als de strategische doelstellingen en de hoofdlijnen eenmaal door de Regering zijn vastgelegd overeenkomstig artikel 37, worden de oproepen tot het indienen van projecten uitgevoerd in overeenstemming ermee. Art. 48.De oproep tot het indienen van projecten wordt minstens op de website bekendgemaakt en uiterlijk zestig dagen voor de uiterste dag voor de indiening van de projecten. Die oproep bevat minstens : 1° het soort of de soorten afdelingen die een project kunnen indienen;2° de specificiteiten van de projecten beoogd bij de oproep in wetenschappelijke, technologische, industriële of andere termen;3° de evaluatiecriteria bedoeld in de artikelen 38 tot 46;4° de beoordelingscriteria eigen aan de oproep;5° de samenstelling van de jury met minstens één vertegenwoordiger van de Minister, één vertegenwoordiger van de Minister van Economie, vier vertegenwoordigers van de Raad voor Wetenschapsbeleid en één vertegenwoordiger van het Bestuur. In afwijking daarvan bestaat de jury, wanneer de oproep tot het indienen van projecten een regeringsinitiatief is en betrekking heeft op samenwerkingsverbanden voor technologische innovatie, uit industriëlen, vertegenwoordigers van de academische wereld, gespecialiseerd in regionale economieën en uit internationale deskundigen; 6° de wijze waarop de jury de projecten rangschikt in functie van de beoordelingscriteria;7° het globale previsionele tegemoetkomingsbudget dat voor de oproep wordt voorbehouden;8° de intensiteit(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.