(2)Maximum op een punctuele monsterneming. Art. 12.Enkel huishoudelijk afvalwater, met uitzondering van regenwater en helder parasietwater, wordt door het individueel zuiveringssysteem behandeld. Regenwater en helder parasietwater mogen in geen geval in één van de bestanddelen van het individueel zuiveringssysteem terechtkomen. In afwijking van het eerste lid, kan afvalwater afgevoerd worden via een bestaande unitaire riolering als verschillende woningen aangesloten zijn op hetzelfde individuele zuiveringssysteem, met inachtneming van de volgende bepalingen : 1° er vloeit geen helder parasietwater door de unitaire riolering die de individuele zuiveringsinstallatie bevoorraadt;2° het regenwater komt eerst terecht in een voorziening voor het beheer van regenwater, zoals een overstort, een vergaarkom of een opslagvoorziening die voor een gereguleerde teruggave van het regenwater in het opvangmilieu zorgt vooraleer het de individuele zuiveringsinstallatie bereikt;3° de individuele zuiveringsinstallatie en de voorziening voor het beheer van het regenwater zijn gedimensioneerd zodat het eventuele bijkomende regenwaterdebiet de werking ervan niet kan hinderen en blijft voldoen aan de emissievoorwaarden bedoeld in artikel 11. Art. 13.De exploitant zorgt voor de goede staat van werking van zijn individueel zuiveringssysteem. De tussentijd tussen twee onderhouden, waarvan de minimumprestaties in bijlage V omschreven worden, bedraagt hoogstens één jaar. De tussentijd tussen 2 ledigingen bedraagt hoogstens vier jaar voor individuele zuiveringseenheden of hoogstens twee jaar voor individuele zuiveringsinstallaties. Individuele zuiveringssystemen en ontvetters worden door erkende ruimers geledigd. Art. 14.De bewijsstukken inzake het onderhoud en de door een erkende opruimer opgemaakte opruimingsattesten worden bij elke controle door de exploitant overgelegd aan de personen of instellingen die de Waalse Regering daartoe gemachtigd heeft. HOOFDSTUK IV. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen Art. 15.Het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater wordt opgeheven wat betreft de inrichtingen bedoeld in dit besluit Art. 16.§ 1. De artikelen 6, 13 en 14 van dit besluit zijn van toepassing op de bestaande inrichtingen. § 2. De artikelen 7 en 9 van dit besluit zijn van toepassing op de bestaande inrichtingen vanaf 1 januari 2010. § 3. Gezuiverd water uit de bestaande inrichtingen voldoet aan de emissievoorwaarden van bijlage VI. Art. 17.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2009. Art. 18.De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit. Namen, 25 september 2008. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN BIJLAGE I Begrip inwonerequivalent De nuttige capaciteit van het individuele zuiveringssysteem wordt bepaald op grond van het aantal inwonerequivalenten (IE) van de op het individuele zuiveringssysteem aangesloten woning of wooncomplexen. Ze bedraagt ministens 5 IE. Er wordt vanuit gegaan dat de dagelijks voortgebrachte vuilvracht voor eengezinswoningen die slechts huishoudelijk afvalwater voortbrengen, gelijk is aan een aantal inwonerequivalenten dat overeenstemt met het aantal bewoners. Als verschillende woningen op hetzelfde individueel zuiveringssysteem aangesloten zijn, wordt uitgegaan van minimum 4 IE per woning voor de berekening van de vuilvracht. Voor de andere gebouwen wordt het aantal inwonerequivalenten dat overeenstemt met de vuilvracht van het huishoudelijk afvalwater, berekend als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor de met een * aangeduide gebouwen of complexen wordt het op grond van de tabel berekend aantal IE verhoogd met 1/2 IE per personeelslid dat in de instelling tewerkgesteld is. Voor de bepaling van de vereiste nuttige capaciteit wordt rekening gehouden met een eventuele vermeerdering van het aantal gebruikers van het aangesloten gebouw of complex. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties. Namen, 25 september 2008. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN BIJLAGE II Bepalingen betreffende de elementen inzake voorbehandeling en slibopslag Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties. Namen, 25 september 2008. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN BIJLAGE III Controlevoorziening De controlevoorziening bedoeld in artikel 9 voldoet aan de volgende eisen : 1° een vlotte monsterneming van het geloosde gezuiverde water mogelijk maken;2° vlot toegankelijk zijn, zonder voorafgaande formaliteit;3° geïnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit, hetzij :
- a)geïntegreerd in het zuiveringscompartiment : ze wordt op de uitgangsvoorziening aangebracht.vlotte toegang vanaf het toegangsluik, ze bestaat uit een open leiding die een monsterneming van het water juist vóór de uitgang mogelijk maakt;
- b)hetzij in het mangat geïntegreerd op een afstand van maximum 2 meter na het laatste element van de behandeling : het mangat is voorzien van een opening met een nominale afmeting van 60 cm en laat de rechtstreekse monsterneming toe onder de leiding van het water dat in het mangat binnenkomt. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties. Namen, 25 september 2008. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN BIJLAGE IV Dimensionering van de afvoervoorzieningen via infiltratie De dimensionering van de afvoervoorziening via infiltratie maakt het voorwerp uit van een berekeningsnota waarin verschillende parameters betreffende de kenmerken van de bodem opgenomen worden. Als het regenwater langs dezelfde voorziening afgevoerd wordt, houden de dimensioneringsgrondslagen rekening met het bijkomende regenwaterdebiet.
- a)Bodemtype en infiltratiesnelheid : Zandbodem : infiltratiesnelheid tussen 4.10-3 m/s en 2.10-5 m/s. Zand-leembodem : infiltratiesnelheid tussen 2.10-5 m/s en 6.10-6 m/s. Leembodem : infiltratiesnelheid tussen 6.10-6 m/s en 10-6 m/s. De infiltratie kan niet overwogen worden voor infiltratiesnelheden hoger dan 4.10-3 m/s en lager dan 10-6 m/s. De infiltratiesnelheid wordt in situ gemeten via een permeabiliteitstest.
- b)Diepte van het grondwater : Als het grondwater niet dieper is dan 1 m, kan het gezuiverde water uitsluitend afgevoerd worden via een bovengrondse infiltratieheuvel of via een andere toegelaten afvoerwijze.
- c)Infiltratiesleuven of dispersiedraineerbuizen : Maximumlengte : 30 meter vanaf het voedingspunt. Minimale sectie van 0,6 m x 0,6 m De asafstand tussen elke sleuf of draineerbuis mag niet minder dan 2 m bedragen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties. Namen, 25 september 2008. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN BIJLAGE V Verplichte onderhoudsprestaties Al naar gelang van het soort uitrusting hebben de onderhoudsprestaties hoe dan ook betrekking op de volgende verificaties en controles, die in een exploitatiedagboek worden opgenomen : ? Verificatie van de datum van de laatste slibzuivering. ? Verificatie van de datum van het laatste onderhoud. ? Functionele controle van elk mechanisch en elektrotechnisch bestanddeel. ? Onderhoud van de onder water liggende luchtververser en van de pompen, reiniging van de pomp, verificatie van de dichtheid van de aansluitingen van de leidingen voor water, lucht, slib. ? Verificatie van het zuurstofgehalte van het afvalwater en, desgevallend, aanpassing van de diensttijd voor de onder water liggende luchtververser. ? Verificatie van het chemisch zuurstofverbruik (CZV). ? Verificatie van het slibvolume na de fase van secundaire zuivering en regeling van de hercirculatie (facultatief al naar gelang van het gebruikte procédé). ? Verificatie van de exacte hoogte van het slib in het opslagcompartiment waarbij aan de exploitant gevraagd wordt om, indien nodig, de procedure inzake afvoer van het slib door een erkende opruimer op te starten. ? Uitvoering van de algemene reinigingswerken, bijvoorbeeld verwijdering van afzettingen. De uitgevoerde onderhoudswerken en het resultaat van de analyse van het CZV in het dagboek voor de exploitatie opschrijven. De tussentijd tussen 2 onderhoudsbezoeken bedraagt hoogstens één jaar. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties. Namen, 25 september 2008. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN BIJLAGE IV Bestaande inrichtingen - Emissievoorwaarden
- a)Individuele zuiveringseenheid : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties. Namen, 25 september 2008. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN