artikel 8, § 1 tot en met § 4, van het Mestdecreet dat moet motiveren; Overwegende dat de afwijking van het op of in de bodem brengen van stikstof uit kunstmest bij overkapte landbouwgronden,
artikel 8, § 5, eerste lid, 1°, van het Mestdecreet gemotiveerd wordt door het feit dat er vanuit die overkapte landbouwgronden nauwelijks risico op uitspoeling van nitraten is, aangezien de landbouwer de hoeveelheid water die op die gronden terechtkomt, controleert, en dat daarenboven door de overkapping het groeiseizoen verlengd wordt, waardoor de planten die op die gronden geteeld worden, ook in de winterperiode voedingsstoffen opnemen; Overwegende dat de mogelijkheid om voor specifieke teelten af te wijken van de uitrijperiode,
artikel 8, § 5, eerste lid, 2°, van het Mestdecreet de teelt van fruitbomen, naar teelttechniek, eigen kenmerken vertoont, waardoor het wenselijk was om, voor die teelt, bij de uitwerking van de afwijking een andere werkwijze te hanteren; dat fruitbomen in het najaar, na de oogst van de vruchten, bloemknoppen aanleggen; dat door de op te brengen hoeveelheid te beperken tot 40 kg stikstof die aanvullende bemesting milieukundig verantwoord is; dat, opdat de bloemknoppen van voldoende kwaliteit zouden zijn, het nodig is om extra stikstof toe te dienen in het najaar, aangezien de hoeveelheid stikstof die na de oogst van vruchten nog in de bodem resteert, zeer beperkt is doordat met de oogst van de vruchten een grote hoeveelheid voedingsstoffen, waaronder stikstof, is afgevoerd; Overwegende dat voor de overige specifieke teelten de afwijking van de opbrenging van meststoffen in het najaar verantwoord wordt door het feit dat die afwijking enkel toegepast kan worden als de landbouwer via een bodemanalyse met bijbehorend bemestingsadvies aantoont dat er onvoldoende stikstof beschikbaar is en dat bijgevolg een aanvullende bemesting met stikstof verantwoord is; dat de betreffende teelten, als ze in het najaar geteeld worden, vaak behoefte hebben aan een aanvullende bemesting met stikstof om een goed oogstresultaat te verkrijgen; dat door enerzijds die aanvullende bemesting te beperken tot de hoeveelheden, die volgens de bodemanalyse met bijbehorend bemestingsadvies vereist zijn, en anderzijds de in het najaar op te brengen hoeveelheid te beperken tot 100 kg stikstof, waarvan maximaal 60 kg per periode van twee weken, die aanvullende bemesting milieukundig verantwoord is; Overwegende dat voor de overige specifieke teelten de afwijking van de opbrenging van meststoffen in het voorjaar verantwoord wordt door het feit dat de lage temperatuur van de bodem in het vroege voorjaar (periode van 16 januari tot en met 15 februari) maakt dat de mineralisatie uit de bodemvoorraad beperkt is; dat de specifieke teelten, als ze in het voorjaar geteeld worden, stikstof nodig hebben, en dat door de beperkte mineralisatie in die periode, die stikstof niet uit de bodemvoorraad geleverd kan worden, waardoor een aanvullende bemesting met stikstof verantwoord is; dat door de in het voorjaar op te brengen hoeveelheid te beperken tot 50 kg stikstof die aanvullende bemesting milieukundig verantwoord is; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 2 juli 2008; Gelet op het advies nr. 44.971/3 van de Raad van State, gegeven op 16 september 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Definities Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° erkend laboratorium : een laboratorium dat krachtens artikel 62, § 6, van het Mestdecreet erkend is geworden;2° een erkend praktijkcentrum : een praktijkcentrum in de plantaardige sector als
artikel 2, 1°, van het ministerieel besluit van 15 oktober 2007Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 15/10/2007 pub. 19/10/2007 numac 2007023400 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Ministerieel besluit tot wijziging van de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten sluiten tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2007 betreffende steun aan investeringen in de omkaderingssector van land- en tuinbouw;3° een erkende telersvereniging : een organisatie van producenten erkend door de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, op grond van de Verordening (EG) nr.1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 van voor de sector groenten en fruit geldende bepalingen ter uitvoering van de Verordeningen (EG)nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007; 4° perceelsgroep : een perceelsgroep als
artikel 1, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 15/02/2008 pub. 11/03/2008 numac 2008035403 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende nadere bepalingen aangaande de inventarisatie van gegevens in het kader van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten houdende nadere bepalingen aangaande de inventarisatie van gegevens in het kader van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;5° verzamelaanvraag : de verzamelaanvraag,
artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 09/02/2007 pub. 13/04/2007 numac 2007035539 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het mestbeleid en van het landbouwbeleid;6° zandgronden : zandgronden als
artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 tot uitvoering van artikelen 8, § 3, en 13, § 2, van het Mest decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten;7° poldergronden : al de gronden die in de landbouwstreek Polders liggen;8° specifieke andere meststoffen : de andere meststoffen,
, Afdeling II van de bijlage die als bijlage I Tabel van de meststoffen, bodemverbeterende middelen, teeltsubstraten, aanverwante producten en zuiveringsslib, gevoegd is bij het koninklijk besluit van 7 januari 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/01/1998 pub. 11/06/1998 numac 1998016030 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de handel in meststoffen, bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten sluiten betreffende de handel in meststoffen, bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten.9° exploitantnummer : het nummer dat bij de registratie van de betrokken exploitant in het GBCS aan die exploitant werd toegekend;10° exploitatienummer : het nummer dat bij de registratie van de betrokken exploitatie in het GBCS aan die exploitatie werd toegekend;11° GBCS : het GBCS, als
artikel 2, 14°, van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, waarbij het GBCS de afkorting is van het Geïntegreerd Beheers- en Controlesysteem. HOOFDSTUK II. - Afwijkingen van de uitrijperiode Afdeling I. - Afwijkingen van de uitrijperiode voor overkapte landbouwgronden Art. 2.Ter uitvoering van artikel 8, § 5, eerste lid, 1°, van het Mestdecreet is het opbrengen van stikstof uit kunstmest op overkapte landbouwgronden steeds toegestaan. Afdeling II. - Afwijkingen van de uitrijperiode voor specifieke teelten Onderafdeling I. - Fruitbomen Art. 3.Ter uitvoering van artikel 8, § 5, eerste lid, 2°, van het Mestdecreet is het verboden om op percelen landbouwgrond waarop fruitbomen staan, stikstof uit kunstmest op te brengen van 15 november tot en met 15 februari. Van 1 september tot en met 14 november kan er maximaal 40 kg stikstof uit kunstmest per hectare opgebracht worden. Bij de opbrenging van stikstof uit kunstmest van 1 september tot en met 14 november zorgt de landbouwer dat de bemestingsnormen, die overeenkomstig het Mestdecreet op het betreffende perceel van toepassing zijn, niet overschreden worden. Onderafdeling II. - Andere specifieke teelten dan fruitbomen Art. 4.§ 1. Ter uitvoering van artikel 8, § 5, eerste lid, 2°, van het Mestdecreet is het verboden om op percelen landbouwgrond waarop andere specifieke teelten dan fruitbomen geteeld worden, stikstof uit kunstmest of uit specifieke andere meststoffen op te brengen van 15 november tot en met 15 januari. § 2. Als stikstof uit kunstmest of uit specifieke andere meststoffen wordt opgebracht van 1 september tot en met 14 november, moet eveneens voldaan zijn aan de volgende voorwaarden : 1° voor de bemesting is van het betreffende perceel een bodemanalyse met bijbehorend bemestingsadvies aanwezig op het bedrijf;2° per periode van twee weken mag er per hectare maximaal 60 kg stikstof uit kunstmest of uit specifieke andere meststoffen opgebracht worden. § 3. De hoeveelheid stikstof uit kunstmest of uit specifieke andere meststoffen die van 1 september tot en met 14 november opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid, bepaald in het bemestingsadvies,
, met dien verstande dat in die periode maximaal 100 kg N uit kunstmest per hectare opgebracht mag worden. § 4. De bodemanalyse en het bijbehorende bemestingsadvies,
, 1°, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° de bodemanalyse is uitgevoerd door een erkend laboratorium en het bijbehorende bemestingsadvies is opgemaakt door een erkend laboratorium of een erkend praktijkcentrum of een erkende telersvereniging;2° de bodemanalyse is minstens uitgevoerd voor stikstof en het bijbehorende bemestingsadvies is minstens uitgedrukt in kg N;3° de staalname waarop de bodemanalyse is uitgevoerd, is na 15 augustus verricht;4° het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniakale stikstof wordt bepaald per bodemlaag van 30 cm.De gehalten worden uitgedrukt in kg NO3-N/ha en in kg NH4-N/ha; 5° voor de opmaak van het bemestingsadvies moet men : a) alle gegevens opvragen aan de betrokken landbouwer die vereist zijn om een onderbouwd bemestingsadvies te formuleren, minstens over de oogstresten die achtergebleven zijn, de teelt of teelten die dat najaar op het betreffende perceel aanwezig zullen zijn en de dierlijke mest, kunstmest of andere meststoffen die in de loop van het betreffende kalenderjaar werden toegediend;b) rekening houden met de aanwezige stikstof in het bodemprofiel,
4°;
het eerste lid, 4°, het staal genomen worden tot op een diepte van 30 cm : 1° aardbeien;2° chrysanten;3° courgettes;4° ijsbergsla;5° kruiden;6° peterselie;7° radijs;8° raketsla;9° sla;10° snijbloemen;11° snijplanten;12° spinazie;13° veldsla;14° vroege bladgroenten;15° vroege uien;16° winterbloeiende halfheesters. Voor de volgende gewassen moet, voor de bepaling van het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniakale stikstof,
het eerste lid, 4°, het staal genomen worden tot op een diepte van 60 cm : 1° andijvie;2° bladselder;3° bleekselder;4° bloemkool;5° boerenkool;6° bonen;7° broccoli;8° Chinese kool;9° doperwten;10° erwten;11° graszoden;12° groene selder;13° knolselder;14° knolvenkel;15° koolraap;16° koolrabi;17° prei;18° rode biet;19° rodekool;20° savooikool;21° stamslabonen;22° venkel;23° vroege aardappelen;24° vroege wortelen;25° wittekool;26° wortelen. Voor de volgende gewassen moet, voor de bepaling van het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniakale stikstof,
het eerste lid, 4°, het staal genomen worden tot op een diepte van 90 cm : 1° schorseneren;2° spruitkool;3° witloof. §
artikel 23 van het Mestdecreet. De landbouwer specificeert daarbij of de opbrenging in het voorjaar of het najaar heeft plaatsgevonden. HOOFDSTUK III. - Het opbrengen van fosfaat uit kunstmest Art. 6.§
, aan de Mestbank, met vermelding van het unieke referentienummer of de X-Y-coördinaten van het perceel, waarvoor de toestemming gevraagd wordt om fosfaat uit kunstmest op te brengen. De Mestbank meldt binnen drie weken na de ontvangst van de bodemanalyse of er op het betreffende perceel fosfaat uit kunstmest opgebracht mag worden en voor welke periode de toestemming geldt. De toestemming om fosfaat uit kunstmest op het betreffende perceel op te brengen, geldt : 1° vanaf de ontvangst van de brief van de Mestbank waarin de toestemming wordt gegeven,
het eerste lid;2° tot en met 31 december van het zesde kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse uitgevoerd is. Art. 7.De landbouwer die, ter uitvoering van artikel 13, § 7, eerste lid, 4°, van het Mestdecreet, fosfaat uit kunstmest wil opbrengen, kan dat alleen op percelen landbouwgrond waarop de hoofdteelt, overeenkomstig zijn verzamelaanvraag, andere leguminosen dan erwten en bonen is. HOOFDSTUK IV. - Het opbrengen van compost op percelen met een te laag koolstofgehalte Art. 8.§ 1. De landbouwer mag, boven op de toegestane hoeveelheden meststoffen, overeenkomstig artikel 13 van het Mestdecreet, tot 10 ton GFT-compost per hectare of tot 15 ton groencompost per hectare extra opbrengen voor de percelen waarvoor hij beschikt over : 1° een door een erkend laboratorium, in de periode van 1 oktober tot en met 15 november van het voorgaande kalenderjaar, uitgevoerde nitraatresidustaalname, waarvan het resultaat niet hoger is dan de nitraatresiduwaarde,
artikel 14 van het Mestdecreet;2° een bepaling van het koolstofgehalte, uitgevoerd door een erkend laboratorium op de bovenste bodemlaag tot 23 cm, die maximaal drie jaar oud is, en waaruit blijkt dat het perceel in kwestie een te laag koolstofgehalte heeft. Het analyseverslag van de nitraatresidustaalname,
het eerste lid, 1°, en van de bepaling van het koolstofgehalte,
het eerste lid, 2°, moet op aanvraag aan de Mestbank bezorgd worden binnen de dertig kalenderdagen die volgen op de aanvraag. De landbouwer duidt op zijn verzamelaanvraag het perceel of de percelen aan waarvoor hij wil gebruikmaken van de mogelijkheid om een extra hoeveelheid compost op te brengen. Als op een perceel in een bepaald kalenderjaar gebruik gemaakt is van de mogelijkheid om een extra hoeveelheid compost op te brengen, dan kan op dit zelfde perceel pas het derde volgende kalenderjaar opnieuw gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid om een extra hoeveelheid compost op te brengen. §
het eerste lid, 3°, b), voldaan als de spuistroom bestemd is om gelost te worden in een gemeente die dezelfde is als of aangrenzend is aan de gemeente waar de exploitatie van de aanbieder van de spuistroom ligt. Op basis van het exploitatieadres van de exploitatie wordt de gemeente bepaald waar de exploitatie van de aanbieder van de spuistroom ligt. Art. 11.§ 1. Als het vervoer behoort tot het type,
artikel 10,eerste lid, 3°, b), moet voorafgaand aan het vervoer een schriftelijke overeenkomst tussen de betrokken partijen opgemaakt zijn. De schriftelijke overeenkomst wordt uiterlijk één week voor het transport gemeld aan de Mestbank. Tijdens het transport moet het bewijs van verzending of overhandiging van de overeenkomst aan de Mestbank op eenvoudig verzoek van de met toezicht belaste ambtenaar onmiddellijk voorgelegd worden. Als de overeenkomst niet of onvolledig wordt uitgevoerd, moet dat worden gemeld aan de Mestbank. § 2. De schriftelijke overeenkomst,
, moet minstens de volgende gegevens bevatten : 1° de voor- en achternaam, de handtekening, het exploitantnummer en het bijbehorende exploitatieadres en exploitatienummer van de aanbieder van de spuistroom;2° de naam, de handtekening, het exploitantnummer en het bijbehorende exploitatieadres en exploitatienummer van de afnemer van de spuistroom;3° de gemeente of gemeentes waar de spuistroom gelost zal worden;4° het jaar en de periode waarin de overeenkomst uitgevoerd zal worden.Die periode moet steeds binnen één kalenderjaar liggen; 5° de hoeveelheid spuistroom, uitgedrukt in m3, in kg N en in kg P2O5, die vervoerd zal worden.Als de spuistroom in verschillende gemeentes gelost zal worden, moet er per gemeente aangegeven worden welke hoeveelheid spuistroom er gelost zal worden. Als de spuistroom bestemd is voor bepaalde, door de Vlaamse minister van Leefmilieu aangewezen afnemers, moet op de overeenkomst,
het tweede lid, eveneens een of meer perceelsnummers van de percelen waarop de spuistroom opgebracht zal worden, vermeld worden. § 3. De overeenkomst wordt opgemaakt in drie exemplaren. Eén exemplaar wordt per brief, per fax, of door overhandiging tegen afgifte van een ontvangstbewijs, bezorgd aan de Mestbank door de aanbieder, als
Eén exemplaar wordt bewaard door de aanbieder, als
, 1°, en één exemplaar wordt bewaard door de afnemer, als
§ 4. De overeenkomst kan op zijn vroegst aan de Mestbank gemeld worden op 1 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de overeenkomst uitgevoerd zal worden. De Mestbank registreert elke overeenkomst en geeft er een uniek identificatienummer aan. De Mestbank zendt aan de aanbieder en de afnemer,
, 1° respectievelijk 2°, een bewijs van de registratie van de overgemaakte overeenkomst waarop het unieke identificatienummer vermeld is. Tijdens elk vervoer ter uitvoering van de ingediende overeenkomst heeft de bestuurder van het transportmiddel een kopie van het door de Mestbank verzonden bewijs van de registratie van de ingediende overeenkomst bij zich. § 5. Als de overeenkomst niet of niet volledig wordt uitgevoerd zoals gemeld, moet zo snel mogelijk en uiterlijk een maand na het einde van de in de overeenkomst in kwestie vermelde periode, per aangetekend schrijven, per fax, of door overhandiging tegen ontvangstbewijs, aan de Mestbank worden gemeld welk deel van de overeenkomst niet wordt uitgevoerd. Naast de vermelding van het deel van de overeenkomst dat niet wordt uitgevoerd, moeten ook minstens de volgende gegevens vermeld worden : 1° het unieke identificatienummer van de overeenkomst die gewijzigd wordt,
, tweede lid;2° de handtekening van de aanbieder en van de afnemer,
§
de tabel,
het vierde lid. In afwijking daarvan, wordt voor de forcerie van witloofwortelen de benodigde opslagcapaciteit niet bepaald op basis van het overeenkomstige aantal hectaren, maar wordt de benodigde opslagcapaciteit per exploitatie bepaald op 36 m3 voor systemen zonder recirculatie, en op 0 m3 voor systemen met recirculatie. De som van al de met toepassing van het tweede lid verkregen resultaten, is de opslagcapaciteit die de betreffende landbouwer moet aantonen. Tabel van de benodigde mestopslagcapaciteit naargelang de teelt en het teeltsysteem. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor landbouwers die op basis van een bedrijfsdoorlichting, uitgevoerd door een erkend praktijkcentrum, aantonen dat de hoeveelheid spuistroom, die op hun bedrijf geproduceerd wordt in de maanden september tot en met februari, lager is dan het resultaat van de som,
, tweede lid, wordt de benodigde opslagcapaciteit beperkt tot de hoeveelheid, bepaald in het onderbouwde verslag van de bedrijfsdoorlichting. Zij voegen daartoe, bij hun dossier,
het eerste lid, een kopie van het onderbouwde verslag van de bedrijfsdoorlichting. Art. 13.§ 1. Als de opslagcapaciteit van spuistroom op de exploitatie, vermeld op de aangifte, overeenkomstig artikel 23, § 5, 3°, van het Mestdecreet, minstens gelijk is aan het resultaat van de som,
artikel 12, § 2, tweede lid, of de benodigde opslagcapaciteit, bepaald in het onderbouwde verslag van de bedrijfsdoorlichting,
artikel 12, § 2, vijfde lid, beschikt de betrokken landbouwer over voldoende mestopslagcapaciteit, overeenkomstig artikel 9, § 2, van het Mestdecreet. § 2. De landbouwer die op basis van de opslagcapaciteit van mest, vermeld op de aangifte, over onvoldoende mestopslagcapaciteit, overeenkomstig artikel 9, § 2, van het Mestdecreet beschikt, kan in zijn dossier enerzijds aantonen dat hij over mogelijkheden beschikt om spuistroom op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze te verwijderen of anderzijds dat hij over meer mestopslagcapaciteit beschikt dan de opslagcapaciteit,
de aangifte. § 3. De mogelijkheden om spuistroom op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze te verwijderen als
artikel 9, § 2, derde lid, van het Mestdecreet betreffen : 1° het lozen van de betreffende spuistroom, overeenkomstig de voorwaarden,
de milieuvergunning;2° het opbrengen van de spuistroom gedurende de periode
artikel 8, § 1, van het Mestdecreet op basis van een geldig attest als
artikel 4, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 09/03/2007 pub. 27/04/2007 numac 2007035582 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;3° het opbrengen van de spuistroom, via rechtstreekse doorsijpeling, op het perceel landbouwgrond waarop houtig kleinfruit en aardbeien op groeimedium geteeld wordt. De landbouwer die over een lozingsvergunning als
het eerste lid, 1°, beschikt, voegt een kopie van die vergunning bij zijn dossier. De hoeveelheid spuistroom die op basis van een lozingsvergunning als
het eerste lid, 1°, verwijderd kan worden, is beperkt tot de hoeveelheden,
die lozingsvergunning. De hoeveelheid spuistroom die op basis van opbrenging door rechtstreekse doorsijpeling, als
het eerste lid, 3°, kan verwijderd worden, is beperkt tot : 1° maximaal 100 l/m2 groeimedium/jaar;2° maximaal 20 l/m2 groeimedium in de periode van september tot en met februari.3° maximaal de hoeveelheden kunstmest die overeenkomstig de bemestingsnormen, als
de tabel in artikel 13, § 1, van het Mestdecreet, op grasland mogen opgebracht worden. § 4. De landbouwer kan op een van de volgende wijzen aantonen dat hij over meer mestopslagcapaciteit beschikt dan de mestopslagcapaciteit
de aangifte : 1° het bezorgen van een of meer overeenkomsten met landbouwers die over voldoende mestopslagcapaciteit beschikken als
artikel 10, eerste lid, 1°, van het Mestdecreet;2° het aangeven van de exploitaties of inrichtingen die de landbouwer zelf geheel of gedeeltelijk uitbaat en waar hij over een extra opslagcapaciteit beschikt als
artikel 10, eerste lid, 2°, van het Mestdecreet;3° het bezorgen van een of meerdere overeenkomsten met mestverwerkingseenheden, waarbij gewaarborgd wordt dat de hoeveelheid spuistroom die opgeslagen zou moeten worden, verwerkt wordt als
artikel 10, eerste lid, 3°, van het Mestdecreet;4° het aangeven van de exploitaties of inrichtingen die de landbouwer zelf geheel of gedeeltelijk uitbaat en waar hij spuistroom verwerkt als
artikel 10, eerste lid, 4°, van het Mestdecreet. In de overeenkomsten,
het eerste lid, 1° en 3°, moeten minstens de volgende gegevens vermeld zijn : 1° het adres van de exploitatie waar de spuistroom geproduceerd wordt en de naam van de exploitant van die exploitatie, evenals het overeenkomstige exploitatienummer en exploitantnummer;2° het adres van de exploitatie of de inrichting waar de spuistroom opgeslagen of verwerkt zal worden en ofwel de naam van de exploitant van de exploitatie, ofwel de naam van de uitbater van de inrichting, evenals hetzij het overeenkomstige exploitatienummer en exploitantnummer, hetzij het overeenkomstige uitbatingsnummer en uitbaternummer;3° de hoeveelheid spuistroom, uitgedrukt in m3, die jaarlijks verwerkt of opgeslagen zal worden;4° het kalenderjaar of de kalenderjaren waarvoor de overeenkomst geldt. De landbouwer die over overeenkomsten als
het eerste lid, 1° en 3°, beschikt, voegt een kopie van die overeenkomsten bij zijn dossier. De landbouwer die gebruikmaakt van de mogelijkheden,
het eerste lid, 2° of 4°, moet eveneens aangeven hoeveel spuistroom, uitgedrukt in m3, jaarlijks verwerkt of opgeslagen zal worden. § 5. De landbouwer die beschikt over een attest als
, eerste lid, 2°, beschikt over voldoende mestopslagcapaciteit, overeenkomstig artikel 9, § 2, van het Mestdecreet. § 6. Voor landbouwers die niet beschikken over een attest als
, eerste lid, 2°, wordt de som gemaakt van de volgende componenten : 1° de mestopslagcapaciteit op de exploitatie, vermeld op de aangifte, overeenkomstig artikel 23, § 5, 3°, van het Mestdecreet;2° de hoeveelheid spuistroom die op basis van een lozingsvergunning als
, eerste lid, 1°, verwijderd kan worden;3° de hoeveelheid spuistroom die op basis van een of meer overeenkomsten als
, eerste lid, 1° of 3°, verwerkt of opgeslagen zal worden;4° de hoeveelheid spuistroom waarvan de landbouwer aantoont dat hij die zelf zal opslaan of verwerken als
Als de som van al de componenten,
het eerste lid, minstens gelijk is aan hetzij het resultaat van de som,
artikel 12, § 2, tweede lid, hetzij de benodigde opslagcapaciteit, bepaald in het onderbouwde verslag van de bedrijfsdoorlichting,
artikel 12, § 2, vijfde lid, beschikt de betrokken landbouwer over voldoende mestopslagcapaciteit, overeenkomstig artikel 9, § 2, van het Mestdecreet. Art. 14.§ 1. Het dossier,
artikel 12, § 2, eerste lid, wordt met een aangetekende brief bezorgd aan de Mestbank. De Mestbank beoordeelt het dossier. Binnen drie maanden na de ontvangst van het dossier laat de Mestbank aan de betrokken landbouwer weten of die op basis van het ingediende dossier over voldoende mestopslagcapaciteit beschikt, overeenkomstig artikel 9, § 2, van het Mestdecreet. § 2. De landbouwer moet een nieuw dossier als
artikel 12, § 2, eerste lid, indienen als : 1° de mogelijkheden waarover hij beschikt om spuistroom op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze te verwijderen, gewijzigd zijn ten opzichte van zijn eerdere dossier;2° hij voor het realiseren van zijn mestopslag gebruikmaakt van andere mogelijkheden als
artikel 13, § 4, eerste lid, dan de mogelijkheden
zijn eerdere dossier;3° de benodigde opslagcapaciteit, berekend overeenkomstig artikel 12, § 2, hoger is dan op het moment van het indienen van het eerdere dossier, en de in het eerdere dossier aangetoonde opslagcapaciteit lager is dan de hogere benodigde opslagcapaciteit. § 3. De landbouwer die na 1 januari 2011 voor het eerst gebruikmaakt van een groeimedium voor de teelt onder permanente overkapping, moet uiterlijk bij zijn eerstvolgende aangifte, aan de Mestbank aantonen dat hij beschikt over een opslagcapaciteit die minstens overeenstemt met de hoeveelheid spuistroom, geproduceerd in de maanden september tot en met februari. Hij dient daarvoor eveneens een dossier als
artikel 12, § 2, eerste lid, in bij de Mestbank. Afdeling II. - De bouwvoorschriften voor de opslag van spuistroom Art. 15.§
artikel 13, § 4 van hetzelfde decreet. » Art. 17.In artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 09/03/2007 pub. 27/04/2007 numac 2007035582 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen worden tussen de woorden "mag voor" en de woorden "de teelten vermeld" de woorden "de teelt van fruit, uitgezonderd aardbeien, evenals voor" ingevoegd. Art. 18.In artikel 4, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 09/03/2007 pub. 27/04/2007 numac 2007035582 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « In afwijking van het eerste lid, zijn attesten die betrekking hebben op spuistroom die voldoet aan de voorwaarden,
artikel 3, § 2, geldig van de dag dat de betrokken aanvraag positief werd bevonden tot en met 31 juli van het derde volgende kalenderjaar. » Art. 19.In artikel 4, § 6, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 09/03/2007 pub. 27/04/2007 numac 2007035582 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « In afwijking van het tweede lid, zijn attesten die betrekking hebben op spuistroom die voldoet aan de voorwaarden,
artikel 3, § 2, geldig van 1 augustus van het lopende kalenderjaar tot en met 31 juli van het derde volgende kalenderjaar. » Art. 20.In bijlage 4.1. "Lijst van afvalstoffen die in aanmerking komen voor gebruik als secundaire grondstoffen" van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, wordt aan de tabel
afdeling 1, een rij toegevoegd, die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen Art. 21.Dit besluit treedt in werking op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad met uitzondering van de artikelen 2, 3, 4 en 16 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2008. Art. 22.De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 10 oktober 2008. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS BIJLAGE BEVATTENDE DE TECHNISCHE BOUWVOORSCHRIFTEN VOOR DE OPSLAG VAN SPUISTROOM HOOFDSTUK I. - Regels van goed vakmanschap voor het bouwen van kelders voor spuistroom § 1. Grondplaat De grondplaat is een betonplaat, die minstens licht gewapend moet zijn en een dikte heeft van minimum 15 cm. Zij moet worden ontworpen en uitgevoerd volgens NBN N 15-001, NBN B 15-103 en NBN B 15-104. Voor de berekening mag eveneens gebruik gemaakt worden van ENV 1992 (Eurocode 2). De ontwerper dient rekening te houden met de draagkracht en de zettingsgevoeligheid van de grond en met al de krachten, die zullen aangrijpen op de plaat. Met betrekking tot de duurzaamheid moet zij o.a. voldoen aan al de volgende voorwaarden : 1° een cement met een hoge sulfaatbestendigheid en low alkali moet gebruikt worden;2° het beton moet beantwoorden aan de duurzaamheidseisen met betrekking tot blootstellingsklasse 5b (matig agressieve omgeving); maximum water-cementfaktor van 0,5 en een minimum cementgehalte van 300 kg per m3; 3° het beton behoort minstens tot sterkteklasse C 25/30; 4° het beton dient nabehandeld te worden zoals voorgeschreven in hoofdstuk 10.6 van NBN B 15-001. Het beton moet drager zijn van het merk van overeenkomstigheid van BENOR. § 2. Opstaande muur 1° De dikte en de constructie zijn zodanig dat zowel aan de druk van de omliggende grond als aan deze van de spuistroom kan worden weerstaan zonder vorming van scheuren welke infiltratie zouden toelaten.2° De opstaande muren bestaan uit hetzij : ? metselwerk van betonblokken met een dikte van minimum 19 cm (voor meer dan 80 cm diepte) en minimum 29 cm (voor meer dan 120 cm diepte). De betonblokken moeten beantwoorden aan de norm NBN B 21-001, zijn vol, en behoren tot klasse f20 of hoger. Zij zijn geschikt voor buiten- en grondmetselwerk. Met betrekking tot de hygrometrische krimp en opzwelling behoren zij tot de klasse 0,4. Zij dragen het BENOR-merk. De metselmortel beantwoordt aan NBN B 14-001 en is van categorie M2. Zij is op basis van cement met een hoge sulfaatbestendigheid. Omwille van de vereiste vloeistofdichtheid moet de mortel tussen de blokken onderling en tussen de blokken en andere construktiedelen met de nodige zorg worden aangebracht. De voegen moeten steeds vol zijn; ? metselwerk op basis van holle betonnen stapelblokken, die achteraf met wapening en beton gevuld worden. Deze stenen worden aanzien als een verloren bekisting. Voor de eisen met betrekking tot het beton, zie "opstaande muur uit gewapend beton"; ? metselwerk op basis van baksteen met een dikte van minimum 19 cm (voor meer dan 80 cm diepte) en minimum 29 cm (voor meer dan 120 cm diepte). De bakstenen moeten beantwoorden aan de norm NBN B 23-003 en behoren tot klasse f20 of hoger. Zij zijn van de soort "zeer vorstbestand" en geschikt voor buiten- en grondmetselwerk. Zij dragen het BENOR-merk. De metselmortel beantwoordt aan NBN B 14-001, is van categorie M2 en op basis van cement met een hoge sulfaatbestendigheid. Omwille van de vereiste vloeistofdichtheid moet de mortel tussen de stenen onderling en tussen de stenen en andere constructiedelen met de nodige zorg worden aangebracht. De voegen moeten steeds vol zijn; ? metselwerk van kalkzandsteen, volle of holle blokken met een dikte van minimum 19 cm (voor meer dan 80 cm diepte) en minimum 29 cm (voor meer dan 120 cm diepte). De stenen moeten beantwoorden aan de norm NBN B 21-003 en dragen het BENOR-merk. Met betrekking tot de hygrometrische krimp behoren zij tot de klasse epsilon 0,4. De metselmortel beantwoordt aan de norm NBN B 14-001, is van categorie m3 of van categorie M2 en M1 op voorwaarde dat een cement met een hoge sulfaatbestendigheid wordt gebruikt. Omwille van de vereiste vloeistofdichtheid moet de mortel tussen de blokken onderling en tussen de blokken en andere constructiedelen met de nodige zorg worden aangebracht. De voegen moeten steeds vol zijn; ? kalkzandsteen-metselwerk met blokken of elementen, vol of hol, met lijmmortel verwerkt. De dikte bedraagt minimum 14 cm (voor meer dan 80 cm diepte) en minimum 19 cm (voor meer dan 120 cm diepte). De stenen moeten beantwoorden aan de norm NBN B 21-003 en dragen het BENOR-merk. Met betrekking tot de hygrometrische krimp behoren zij tot de klasse epsilon 0,4. De lijmmortel bevat cement als bindmiddel, alsook specifieke vul- en toeslagstoffen. De druksterkte bedraagt minimum 12,5 N/mm2; de hechtsterkte bedraagt minimum 0,4 N/mm2; ? gewapend beton : . ontwerp en uitvoering volgens NBN B 15-001, NBN B 15-103 (of EN 1992) en NBN B 15-004.Minimale dikte : 10 cm; . het beton beantwoordt aan de duurzaamheidseisen met betrekking tot blootstellingsklasse 5 b, wanneer de bewaarplaats niet afgesloten is, en 5 c, wanneer ze wel afgesloten is : . 5 b (matig agressieve omgeving) : W/C 3° De aansluiting tussen de grondplaat en de opstaande muren is met een bepleistering op een aan beide delen vastgemaakt roestvrij versterkingsnet of een andere gelijkwaardige methode dichtgemaakt.4° Binnen de beschermingszones mogen alleen kelders met bodem en opstaande muren uit gewapend beton overeenkomstig de hoger vermelde normen en voorschriften worden opgericht. Een duurzame verbinding tussen de grondplaat en de opstaande muren wordt verwezenlijkt door een aangepaste wapening. § 3. Afwerking In geval van metselwerk wordt aan beide zijden een cementpleister aangebracht welke ofwel door zijn dikte en samenstelling een vloeistofdichtheid verzekert ofwel voorzien wordt van een speciale afdichtingslaag. De afwerking moet bestand zijn tegen sulfaten en is in afgesloten bewaarplaatsen zuurbestendig. In geval van metselwerk van kalkzandsteen met mortel van categorie m3 of met lijmmortel, wordt enkel aan de buitenzijde een cementpleister aangebracht welke ofwel door zijn dikte en samenstelling een vloeistofdichtheid verzekert ofwel voorzien wordt van een speciale afdichtingslaag. In geval van stortbeton zal het al dan niet aanbrengen van een afdichtingslaag (2 tot 6
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.