artikel 127 van de Grondwet. Art. 2.In de zin van dit decreet wordt verstaan onder : 1° « jongeren » : de personen die tussen 3 en 30 jaar oud zijn; 2° « J.O. » de jeugdorganisaties die overeenkomstig artikel 3 erkend zijn; 3° « studentenraden » : de studentenraden zoals die bepaald zijn in het decreet van 12 juni 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/06/2003 pub. 10/07/2003 numac 2003029362 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot bepaling en organisatie van de deelneming van de studenten aan het leven van de universitaire instellingen en tot instelling van de deelneming van de studenten aan het leven van de gemeenschap sluiten houdende bepaling en organisatie van de deelneming van studenten binnen de universitaire instellingen en tot instelling van de deelneming van studenten op gemeenschapsvlak, het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen en het decreet van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten;4° « activiteiten » : de acties bestemd voor jongeren, die uit verschillende fasen kunnen bestaan, waarbij rekening wordt gehouden met de voorbereidingen, evaluaties en animatiemodules met de deelnemers, de creatie van pedagogische of informatie-instrumenten, de opleidingsmodules, het opstellen van analysen en studies, de sensibiliseringscampagnes, de vertegenwoordigings- coördinatie- en mutualiseringsopdrachten, waarbij het collectief beheer van de activiteiten of de werkers mogelijk wordt gemaakt;5° « actiezones » : de volgende zones : a) zone 1 : het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;b) zone 2 : de provincie Waals-Brabant;c) zone 3 : de provincie Henegouwen;d) zone 4 : de provincie Namen;e) zone 5 : de provincie Luik, met uitzondering van de gemeenten van de Duitstalige Gemeenschap;f) zone 6 : de provincie Luxemburg;g) zone 7 : de zone buiten de grondgebieden van het Frans taalgebied en het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;6° « Permanente opvoeding » : proces betreffende het niet-formeel leren, zoals dit bepaald wordt door de Europese Unie
artikel 4, 7° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, en anderzijds, in verband met één van de gebieden
artikel 4, 8°, 9°, 10°, 12°, en 14° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen;8° « Regering » : de Regering van de Franse Gemeenschap; 9° « A.C.J.O. » : de adviescommissie voor de jeugdorganisaties, opgericht bij artikel 37; 10° « Administratie » : de door de Regering aangewezen diensten;11° « beheersorganen » : de maatschappelijke organen van een vereniging zonder winstoogmerk, namelijk de algemene vergadering en de raad van bestuur;12° « leden van een jeugdbeweging » : de aangesloten personen die aan de activiteiten van een in artikel 7 bedoelde jeugdbeweging deelnemen, voor wie bijdragen door de beweging rechtstreeks of onrechtstreeks werden ontvangen, en waarvan het aantal elk jaar op 31 augustus wordt vastgesteld;13° « leden van een thematische beweging » : de aangesloten leden die deelnemen aan een in artikel 6 bedoelde thematische beweging, waarvan het aantal elk jaar op 31 augustus wordt vastgesteld;14° « lokale groepen » : de groepen die samengesteld zijn uit regelmatig ingeschreven jongeren, die, eventueel verdeeld volgens leeftijdscategorieën, lid zijn van een erkende jeugdbeweging die gemeenschappelijke activiteiten op het grondgebied van een gemeente of een wijk voor en door jongeren uitoefent;15° « werkers » : de personen die bij een arbeidsovereenkomst of in statutair verband worden aangeworven en die werkprestaties binnen de jeugdorganisatie verrichten in het kader van haar vierjarig actieplan, uitgedrukt in voltijds equivalent op jaarbasis;16° « permanente werkers » : de werkers
artikel 9, 1° van het decreet van 24 oktober 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten2 tot bepaling van de voorwaarden voor de subsidiëring van de tewerkstelling in de sociaal-culturele sectoren van de Franse Gemeenschap en gesubsidieerd overeenkomstig artikel 16 van het voormelde decreet van 24 oktober 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten2;17° « vrijwilligers » : de natuurlijke personen die vrijwilligersprestaties binnen de jeugdorganisatie verrichten overeenkomstig de wet van 3 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten betreffende de rechten van vrijwilligers;18° « cultuurpactwet » : de wet van 16 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/07/1973 pub. 15/06/2011 numac 2011000326 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt;19° « vierjarige perioden » : vierjarige perioden waarvan de eerste begin te lopen vanaf 1 januari van het jaar van inwerkingtreding van dit decreet. HOOFDSTUK II. - Erkenning van de jeugdorganisaties Art. 3.De Regering erkent en subsidieert, binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, de jeugdorganisaties die werkzaam zijn in het kader van het jeugdbeleid en het sociaal-cultureel beleid, die de doelstellingen
artikel 4 in acht nemen, en die, onverminderd de bijzondere voorwaarden
de artikelen 6 tot 10, aan de in artikel 5 bedoelde algemene erkenningsvoorwaarden voldoen. Afdeling I. - Doelstellingen Art. 4.De jeugdorganisaties zijn verenigingen van natuurlijke personen of van rechtspersonen die de volgende doelstellingen nastreven : 1° de ontwikkeling van een verantwoordelijk, actief, kritisch en solidair burgerschap bij jongeren bevorderen door de bewustwording en de kennis van de realiteiten van de samenleving, van verantwoordelijkheid en actieve deelneming aan het maatschappelijke, economische, culturele en politieke leven alsook de invoering en de bevordering van sociaal-culturele activiteiten en van activiteiten inzake permanente opvoeding;2° gelijkheid, rechtvaardigheid, gemengdheid, democratie en solidariteit nastreven, waarbij iedereen de rechten en beginselen moet kunnen genieten die vervat zijn in :
artikel 2, eerste lid, 5°,
het eerste lid, 11°; § 2. Onverminderd de andere bepalingen van dit decreet en, inzonderheid, artikel 12, eerste lid, omvat het vierjarig actieplan
, 4°, ten minste de volgende belangrijke gegevens : 1° de categorie van de jeugdorganisatie, de financieringsklasse bedoeld binnen die categorie en het financieringscijfer bepaald door de jeugdorganisatie;2° een verzamelstaat waarbij wordt bevestigd dat aan alle algemene en bijzondere erkenningsvoorwaarden voldaan wordt;3° de voorstelling van het publiek waartoe de activiteiten zich richten;4° de actiezones waarin de activiteiten zullen worden uitgeoefend;5° de kenmerken van de activiteiten op grond van de specifieke erkenningscriteria in verband met de categorie van de jeugdorganisatie;6° het (de) animatieteam(s) waarover de jeugdorganisatie beschikt;7° in voorkomend geval, een evaluatieverslag van het vervallen vierjarig actieplan;8° de programmering van activiteiten voor de komende vierjarenperiode;9° de nadere regels voor de werkelijke deelneming van jongeren aan het bereiken van de doelstellingen van de jeugdorganisatie. De Regering kan de belangrijke gegevens
het eerste lid nader bepalen en aanvullen. §
artikel 2, eerste lid, 5°,
de artikelen 4 tot 10 alsook in hoofdstuk III en betreffende de bijzondere stelsels
hoofdstuk IV;2° de nadere regels voor het indienen van een beroep tegen een beslissing tot weigering of intrekking van een erkenning, tot klasse-afdaling of tot weigering van klasse-opklimming in één van de klasseringen
hoofdstuk III, tot weigering of stopzetting van de toelating tot één van de bijzondere stelsels
hoofdstuk IV, tot schorsing van het recht op de toekenning van de werkingssubsidies
hoofdstuk VI; 3° de regels voor het indienen van de aanvraag om advies aan de A.C.J.O. in het kader van de beroepen; 4° de mogelijkheid, voor de jeugdorganisatie, om gehoord te worden in het kader van de beroepen;5° de nadere regels volgens welke de beslissingen moeten worden genomen tot toekenning, weigering, intrekking van de erkenning, tot klasse-afdaling of klasse-opklimming in één van de klasseringen
hoofdstuk III, tot toelating, weigering of stopzetting van de toelating tot één van de bijzondere stelsels
hoofdstuk IV. Art. 12.Het vierjarig actieplan van de gedurende een vierjarige periode erkende jeugdorganisaties heeft betrekking op het saldo van de te dekken vierjarige periode. Op het einde van elke vierjarige periode, voeren de erkende jeugdorganisaties een interne evaluatie van hun vierjarig actieplan in verband met de afgelopen periode uit en maken een nieuw vierjarig actieplan op. De vierjarige actieplannen van het geheel van de jeugdorganisaties worden onderzocht op het einde van elke vierjarige periode in het kader van een evaluatieprocedure betreffende de algemene en bijzondere voorwaarden voor hun erkenning. De Regering bepaalt de nadere regels voor die procedure na het advies van de A.C.J.O. te hebben ingewonnen. Art. 13.Op het einde van elke vierjarige periode, kijkt de administratie na of het vierjarig actieplan van de jeugdorganisaties in overeenstemming is alsook of de in artikel 5 bedoelde algemene erkenningsvoorwaarden en de bijzondere erkenningsvoorwaarden betreffende hun categorie, zoals bepaald in de artikelen 6 tot 10, vervuld zijn; Een verandering van financieringsklasse kan slechts één keer plaatsvinden gedurende de periode waarop het vierjarig actieplan betrekking heeft en na evaluatie door de administratie en advies van de A.C.J.O. Die kan, binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, slechts in de twee onmiddellijk lagere of hogere financieringsklassen plaatsvinden. De jeugdorganisaties kunnen vóór 30 juni een verandering van financieringscijfer voor het volgende begrotingsjaar aanvragen. Die verandering van cijfer wordt door de administratie geëvalueerd binnen de zestig dagen na de indiening van de aanvraag. HOOFDSTUK III. - Rangschikking binnen de categorieën van jeugdorganisaties : thematische bewegingen, jeugdbewegingen, jeugddiensten, federaties van jeugdorganisaties en federaties van jeugdcentra Art. 14.§ 1. De jeugdorganisaties vragen, binnen de categorieën
de artikelen 6 tot 10, hun rangschikking aan in één van de 50 financieringsklassen volgens de criteria en tabellen bepaald in de paragrafen 2 tot 6 en kiezen één van de volgende 8 financieringscijfers op grond van hun aantal werkers en de criteria die specifiek zijn voor elke categorie :
artikel 59 en de subsidies
de artikelen 33 tot
dit artikel, wordt elke jeugdorganisatie gerangschikt in een financieringsklasse en kiest een financieringscijfer wanneer ze het cijfer bereikt dat die rangschikking verantwoordt, zonder het cijfer van de hogere klasse of van het hogere cijfer te bereiken. HOOFDSTUK IV. - De bijzondere stelsels Art. 15.Gedurende de uitvoering van een vierjarig actieplan, kan een jeugdorganisatie alleen tot één van de in de artikelen 16 tot 30 bedoelde stelsels worden toegelaten. Afdeling I. - Bijzonder stelsel voor ondersteuning van de gedecentraliseerde en permanente acties van de jeugdbewegingen Art. 16.Tot het bijzonder stelsel voor ondersteuning van de gedecentraliseerde en permanente acties van de jeugdbewegingen, hierna « het stelsel » genoemd, worden de jeugdbewegingen toegelaten die, in het kader van hun vierjarig actieplan, een programmering van specifieke acties voor de lokale groepen en hun ondersteuningsstructuren ontwerpen en uitvoeren. Art. 17.Het vierjarig actieplan, opgemaakt met inachtneming van artikel 5, § 2, wordt aangevuld met de volgende gegevens : 1° een analyse van het publiek van de jongeren die in de bestaande lokale groepen werkzaam zijn en een analyse van het potentieel publiek;2° de identificatie van de partners en van de hulpmiddelen die de vernetwerking met andere jongerenverenigingen of de vestiging in de kansarme wijken van de lokale groepen mogelijk maken;3° een beschrijving van de bestaande lokale groepen, hun aanvragen, behoeften en hulpmiddelen. Het programma van de specifieke acties, gevoegd bij het vierjarig actieplan, vermeldt de projecten die tot doel hebben de opdrachten van de gedecentraliseerde actie uit te oefenen en de aan te wenden middelen. Art. 18.De specifieke acties moeten voldoen aan de volgende opdrachten : 1° interne medewerkingsverbanden tussen de lokale groepen en de jeugdbewegingen leggen of ontwikkelen;2° de lokale groepen begeleiden en ondersteunen;3° de opening en de oprichting van de lokale groepen ontwikkelen. Afdeling II. - Bijzonder stelsel voor ondersteuning van opleidingsacties en pedagogische expertisen Art. 19.Tot het bijzonder stelsel voor ondersteuning van opleidingsacties en pedagogische expertisen, hierna « het stelsel » genoemd, worden de jeugdorganisaties toegelaten die, in het kader van hun vierjarig actieplan, een programmering van specifieke opleidingsacties voor de jeugdorganisaties en andere groepen dan deze ontwerpen en uitvoeren. Art. 20.Het vierjarig actieplan, opgemaakt met inachtneming van artikel 5, § 2, wordt aangevuld met de volgende gegevens : 1° de specifieke opleidingsacties die reeds werden gevoerd in het kader van het vorige vierjarig actieplan;2° het bewijs van de machtiging als organisator van de theoretische opleiding van animatoren of coördinators van vakantiecentra, gekregen krachtens het decreet van 17 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 17/05/1999 pub. 30/11/1999 numac 1999029361 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de vakantiecentra sluiten betreffende de vakantiecentra;3° de productie van pedagogische instrumenten;4° ofwel :
artikel 4 wordt opgevat, en die afwijken van de in de artikelen 5, 4°, 9° bedoelde voorwaarden;2° ofwel internationale jeugdorganisaties zijn die hun centraal secretariaat of hun zetel in België hebben en waarbij één of meer erkende jeugdorganisaties aangesloten zijn;3° ofwel sectororganisaties zijn die als doel hebben de beroepspraktijken van de sector en de verordeningskaders waardoor ze worden geregeld, te verdedigen en te herwaarderen. Op advies van de A.C.J.O. kan de Regering die jeugdgroeperingen een specifieke subsidie toekennen die niet hoger mag liggen dan de subsidie die voortvloeit uit de eerste financieringsklasse die de jeugdorganisaties kunnen genieten met toepassing van de bepalingen van hoofdstuk III. Die erkenning kan om de twee jaar worden vernieuwd en te allen tijde worden ingetrokken. HOOFDSTUK VII. - De Adviescommissie voor de jeugdorganisaties en haar susbcommissies Afdeling I. - De Adviescommissie voor de jeugdorganisaties (A.C.J.O.) Art. 37.§ 1. Er wordt een Adviescommissie voor de jeugdorganisaties opgericht, die alle vragen behandelt en die alle opdrachten uitoefent die vallen onder de toepassing van artikel 6 van de schoolpactwet en die betrekking hebben op de jeugdorganisaties en de jeugdgroeperingen. § 2. De vragen en opdrachten
inzonderheid ermee belast wordt : 1° te worden geraadpleegd over de ontwerpen van decreet of besluit van de Franse Gemeenschap die worden opgesteld op het gebied van de jeugdorganisaties;2° adviezen uit te brengen of voorstellen in te dienen :
hoofdstuk IV en van de aanvragen om verandering van rangschikking zoals
hoofdstuk III;c) in het kader van de beroepen
artikel 11;
het eerste lid, 2°, op tien vastgesteld. In dit geval, worden de jeugdorganisaties die geen lid zijn van een erkende federatie van jeugdorganisaties fictief beschouwd als een groep jeugdorganisaties, die in aanmerking komt voor de verdeling
het eerste lid, 2°. De Commissie kan niet samengesteld zijn uit meer dan 2/3 van vertegenwoordigers van hetzelfde geslacht. § 2. De leden van de A.C.J.O.
, eerste lid, 1° en 2°, worden door de Regering benoemd op de voordracht van de federaties van jeugdorganisaties
artikel 9. De leden van de A.C.J.O.
, eerste lid, 3°, alsook deze die, in voorkomend geval, zitting hebben krachtens de toepassing van § 1, derde lid, worden door de Regering benoemd op de voordracht va het geheel van de jeugdorganisaties
Deze verklaren de Administratie voorafgaandelijk dat ze geen lid zijn van een erkende federatie van jeugdorganisaties. Het huishoudelijk reglement van de Commissie bepaalt de nadere regels voor het overleg van alle jeugdorganisaties
De leden
, eerste lid, 4°, worden door de Regering benoemd op de voordracht van de A.C.J.O. §
, eerste lid, 1° en 3°, moet minder dan vijfendertig jaar oud zijn bij de inwerkingtreding van zijn benoeming. § 5. Om lid van de A.C.J.O. te zijn, zoals
, eerste lid, 1° en 2°, moet men worden gemachtigd door de federatie van jeugdorganisaties die beschikt over het recht om te worden vertegenwoordigd, behalve de jeugdorganisaties die geen lid zijn van een erkende federatie van jeugdorganisaties, in het geval
De hoedanigheid van lid van de A.C.J.O. is onverenigbaar met de volgende ambten : 1° lid van een executieve, een parlement, een ministerieel kabinet, of Parlementsattaché bij het Parlement van de Franse Gemeenschap;2° onverminderd de bepalingen van artikel 44, statutair of contractueel personeelslid van het Ministerie van de Franse Gemeenschap, het Commissariaat-Generaal voor Internationale Betrekkingen van de Franse Gemeenschap van België of de Dienst Geboorte en Kind, of die, wegens zijn ambt, dossiers onderzoeken betreffende de erkenning, de subsidiëring en de werking van de jeugdorganisaties die krachtens dit decreet erkend zijn; 3° voor de leden van de A.C.J.O.
§ 6. Niemand kan tot lid van de A.C.J.O. worden benoemd als hij werd veroordeeld of lid is van een instelling of een vereniging die werd veroordeeld krachtens een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, wegens niet-naleving van de democratische beginselen zoals die vermeld zijn in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in de Grondwet, in de wet van 30 juli 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1981 pub. 20/05/2009 numac 2009000343 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden of door de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd. Dat verbod eindigt tien jaar na de voormelde rechterlijke beslissing, als bewezen kan worden dat de persoon of de vereniging zijn/haar negatieve houding tegenover de democratische beginselen vermeld in de bepalingen van vorig lid openlijk heeft opgegeven. Het eindigt één jaar na de voormelde rechterlijke beslissing, indien de persoon de vereniging zijn ontslag heeft aangeboden wegens en onmiddellijk na de veroordeling van deze wegens niet-naleving van de democratische beginselen vermeld in de bepalingen
het eerste lid. § 7. Het mandaat van werkend en plaatsvervangend lid duurt vier jaar. Het kan twee keer worden hernieuwd. Het mandaat van de werkende en plaatsvervangende leden eindigt : 1° door het vervallen van de termijn;2° door vrijwillig ontslag of door overlijden; 3° door intrekking van het mandaat, schriftelijk meegedeeld aan het secretariaat van de A.C.J.O., op initiatief van de mandaatgever; 4° door intrekking of weigering van de erkenning uitgesproken ten aanzien van een federatie van jeugdorganisaties of van een mandaatgevende organisatie die het recht had daar krachtens § 1 vertegenwoordigd te zijn; 5° door verlies van het recht zitting te hebben in de A.C.J.O., voortvloeiend uit de vooraf niet verantwoorde afwezigheid van het lid gedurende drie opeenvolgende vergaderingen of de helft van de jaarlijkse vergaderingen; 6° indien het lid
In het geval
het eerste lid, 5°, kan de Regering, op aanvraag van de mandaatgever en na advies van de A.C.J.O. beslissen dat het lid zijn lopende mandaat opnieuw kan uitoefenen. Het werkend lid of het plaatsvervangend lid waarvan het mandaat eindigt vóór de termijn van vier jaar, wordt vervangen door een persoon die wordt benoemd volgens dezelfde voorwaarden om het mandaat te voleindigen. §
afdeling 2. Art. 44.Een vertegenwoordiger van de administratie wordt met adviserende stem uitgenodigd op de vergaderingen van de A.C.J.O., de subcommissies en de werkgroepen. Een vertegenwoordiger van het waarnemingscentrum voor het cultuurbeleid, ingesteld bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 26 april 2001 tot oprichting van het Waarnemingscentrum voor het cultuurbeleid, en een vertegenwoordiger van het Waarnemingscentrum voor Kind, Jeugd en Hulpverlening aan de Jeugd, ingesteld bij het decreet van 12 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten0 houdende de oprichting van het " Observatoire de l'Enfance, de la Jeunesse et de l'Aide à la Jeunesse " (Waarnemingscentrum voor Kind, Jeugd en Hulpverlening aan de Jeugd), als waarnemer binnen de A.C.J.O. De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een presentiegeld en reisvergoedingen worden toegekend aan de leden van de A.C.J.O. en aan de personen die door haar worden uitgenodigd om hun adviezen te geven. Art. 45.De Regering stelt de werkings- en personeelsmiddelen vast die ze de A.C.J.O. toekent. Ze verleent haar de steun en verschaft haar de inlichtingen die ze nuttig acht. De administratie wordt ermee belast het secretariaat van de A.C.J.O. en van drie subcommissies waar te nemen, waarvan de keuze door de A.C.J.O. wordt gedaan, en voor de betrekkingen van de A.C.J.O. met de andere betrokken administraties te zorgen. Afdeling II. - Subcommissies Onderafdeling I. - Subcommissie « lokaal jeugdbeleid » Art. 46.Binnen de A.C.J.O. wordt een subcommissie voor het lokaal jeugdbeleid, hierna de « subcommissie » genoemd, opgericht, die de volgende opdrachten heeft : 1° tot nadenken aanmoedigen, voorstellen doen en de ontwikkeling bevorderen van projecten die transversale praktijken tussen de jeugdorganisaties en de jongerencentra mogelijk maken; 2° een antwoord geven op de aanvragen om advies van de A.C.J.O. in het kader van de bijzondere stelsels waarbij de betrekkingen tussen de jeugdorganisaties en de jeugdcentra kunnen worden ondersteund; 3° op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, moties uitbrengen betreffende de initiatieven die te ontwikkelen zijn op het vlak van het lokaal jeugdbeleid, om de betrekkingen tussen de jeugdorganisaties en de jongerencentra te bevorderen. De subcommissie deelt elk jaar een activiteitenverslag mee aan de A.C.J.O., die het bij zijn verslag
artikel 38, § 8 voegt. Art. 47.De subcommissie is samengesteld uit : 1° drie vertegenwoordigers van jeugdorganisaties die erkend zijn in de categorie van de federaties van jongerencentra;2° drie vertegenwoordigers van jeugdorganisaties die erkend zijn in de categorie van de jeugdbewegingen;3° drie vertegenwoordigers van jeugdorganisaties die erkend zijn in de categorie van de jeugddiensten;4° drie vertegenwoordigers van jeugdorganisaties die erkend zijn in de categorie van de thematische bewegingen;5° twee vertegenwoordigers van de administratie. Onderafdeling II. - Subcommissie « Kind » Art. 48.Binnen de A.C.J.O. wordt een subcommissie « kind », hierna de « subcommissie » genoemd, opgericht, die de volgende opdrachten heeft : 1° tot nadenken aanmoedigen, voorstellen doen en de ontwikkeling bevorderen van projecten die de herwaardering en de ontwikkeling van praktijken in verband met het kind in de jeugdorganisaties mogelijk maken; 2° een antwoord geven op de aanvragen om advies van de A.C.J.O. in het kader van de bijzondere stelsels waarbij de door de jeugdorganisaties gevoerde acties kunnen worden ondersteund; 3° op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, moties uitbrengen betreffende de initiatieven die te ontwikkelen zijn in verband met het kind. De subcommissie deelt elk jaar een activiteitenverslag mee aan de A.C.J.O., die het bij zijn verslag
artikel 38, § 8 voegt. Art. 49.De subcommissie is samengesteld uit : 1° twee vertegenwoordigers van elke erkende federatie van jeugdorganisaties;2° twee vertegenwoordigers van jeugdorganisaties die niet in een federatie opgenomen zijn, behalve de jeugdorganisaties die niet bedoeld zijn in de punten 3° en 4°;3° twee vertegenwoordigers van jeugdorganisaties die erkend zijn in de categorie van de jeugddiensten;4° twee vertegenwoordigers van jeugdorganisaties die erkend zijn in de categorie van de jeugddiensten;5° twee vertegenwoordigers van de administratie. Onderafdeling III. - Subcommissie « opleiding » Art. 50.Binnen de A.C.J.O. wordt een subcommissie « opleiding », hierna de « subcommissie » genoemd, opgericht, die de volgende opdrachten heeft : 1° tot nadenken aanmoedigen, voorstellen doen en de ontwikkeling bevorderen van projecten die de herwaardering en de ontwikkeling van de opleiding van de beroepswerkers en van de vrijwilligers binnen de jeugdorganisaties mogelijk maken; 2° een antwoord geven op de aanvragen om advies van de A.C.J.O. in het kader van de bijzondere stelsels waarbij de door de jeugdorganisaties gevoerde acties kunnen worden ondersteund; 3° op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, moties uitbrengen betreffende de initiatieven die te ontwikkelen zijn in verband met de opleiding. De subcommissie deelt elk jaar een activiteitenverslag mee aan de A.C.J.O., die het bij zijn verslag
artikel 38, § 8 voegt. Art. 51.De subcommissie is samengesteld uit : 1° een vertegenwoordiger van elke erkende federatie van jeugdorganisaties alsook een vertegenwoordiger van de jeugdorganisaties die niet in een federatie opgenomen zijn;2° tien vertegenwoordigers van erkende jeugdorganisaties, waaronder minstens een vertegenwoordiger per categorie van erkende jeugdorganisaties met uitzondering van de federaties van jeugdorganisaties, waarbij die jeugdorganisaties een opleidingswerkzaamheid uitvoeren die in de vierjarige actieplannen ontwikkeld wordt;3° twee vertegenwoordigers van de administratie. Onderafdeling IV. - Subcommissie « jeugdbewegingen » Art. 52.Binnen de A.C.J.O. wordt een subcommissie « jeugdbewegingen », hierna de « subcommissie » genoemd, opgericht, die de volgende opdrachten heeft : 1° tot nadenken aanmoedigen, voorstellen doen en de ontwikkeling bevorderen van projecten die de herwaardering en de ontwikkeling van de actie van de jeugdbewegingen mogelijk maken; 2° een antwoord geven op de aanvragen om advies van de A.C.J.O. in het kader van de bijzondere stelsels waarbij de door de jeugdbewegingen gevoerde decentralisatieactie kan worden ondersteund; 3° op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, moties uitbrengen betreffende de initiatieven die te ontwikkelen zijn in verband met de jeugdbewegingen. De subcommissie deelt elk jaar een activiteitenverslag mee aan de A.C.J.O., die het bij zijn verslag
artikel 38, § 8 voegt. Art. 53.De subcommissie is samengesteld uit : 1° twee vertegenwoordigers van elke erkende jeugdbeweging;2° twee vertegenwoordigers van de administratie. Onderafdeling V. - Subcommissie « tewerkstelling » Art. 54.Binnen de A.C.J.O. wordt een subcommissie « tewerkstelling », hierna de « subcommissie » genoemd, opgericht, die de volgende opdrachten heeft : 1° tot nadenken aanmoedigen, voorstellen doen die de herwaardering en de ontwikkeling van de tewerkstelling van de jeugdorganisaties mogelijk maken;2° adviezen uitbrengen in het kader van de verdeling van de pedagogisch gedetacheerden en ermee gelijkgestelde betrekkingen die aanleiding geven tot een gesubsidieerde loonaanvulling;3° op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, moties uitbrengen betreffende de initiatieven die te ontwikkelen zijn in verband met het tewerkstellingsbeleid in de sector van de jeugdorganisaties. De subcommissie bepaalt de criteria voor de toekenning van de pedagogisch gedetacheerden en andere ermee gelijkgestelde betrekkingen en legt die de Regering ter goedkeuring voor. Het feit dat een organisatie niet beschikt over een post van pedagogisch gedetacheerde maakt een voorrangscriterium uit. Op grond van een lijst van de toegekende en vacante posten die door de administratie worden toegekend, kan de subcommissie de volgende beslissingen nemen : 1° aanwijzing van een onbeklede post van pedagogisch gedetacheerde voor een jeugdorganisatie die daarover niet beschikt.Een post wordt als onbekleed beschouwd wanneer hij vacant blijft, nadat drie mogelijkheden tot indiening van een kandidatuur, die de Regering in september en januari van elk jaar ter beslissing wordt voorgelegd, niet benut werden; 2° toekenning van een ermee gelijkgestelde post waarvoor een loonaanvulling wordt toegekend;3° beslissing tot niet aanwijzing van een post
de punten 1° en 2°. De subcommissie deelt ieder jaar een activiteitenverslag aan de A.C.J.O. mee, die het voegt bij het verslag
artikel 38, § 8. Art. 55.De subcommissie is samengesteld uit : 1° twee vertegenwoordigers van elke federatie van jeugdorganisaties;2° twee vertegenwoordigers van jeugdorganisaties die niet bij een federatie aangesloten zijn;3° twee vertegenwoordigers van de administratie. Onderafdeling VI. - De subcommissie « acties tot sensibilisering voor burgerdeelneming, democratie en strijd tegen extremisme » Art. 56.Binnen de A.C.J.O. wordt een subcommissie « acties tot sensibilisering voor burgerdeelneming, democratie en strijd tegen extremisme », hierna de « subcommissie » genoemd, opgericht, die de volgende opdrachten heeft : 1° tot nadenken aanmoedigen, ontmoetingen organiseren en gemeenschappelijke voorstellen doen die de herwaardering en de ontwikkeling van het politiek engagement van jongeren in de samenleving mogelijk maken;2° de actie van de politieke jeugd coördineren met het oog op de bevordering ervan ten aanzien van de jongeren met het oog op pluralisme bij het politiek engagement van jongeren;3° op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, moties uitbrengen betreffende de initiatieven die te ontwikkelen zijn in verband met de bijzondere stelsels die open zijn voor de jeugdorganisaties die erkend worden door een democratische politieke fractie die in het Parlement van de Franse Gemeenschap vertegenwoordigd wordt en die het burgerengagement kunnen bevorderen. De subcommissie deelt elk jaar een activiteitenverslag mee aan de A.C.J.O., die het bij zijn verslag
artikel 38, § 8 voegt. Art. 57.De subcommissie is samengesteld uit : 1° twee vertegenwoordigers van elke jeugdorganisatie waarvan de representativiteit vastgesteld zou worden op grond van artikel 3, § 2, van de schoolpactwet;2° twee vertegenwoordigers van de administratie. Art. 58.De A.C.J.O. wijst de leden van de subcommissies
de artikelen 46 tot 57 aan op de voordracht van hun mandaatgevers. De leden die de jeugdorganisaties vertegenwoordigen, zijn stemgerechtigd en de leden die de administratie vertegenwoordigen hebben een adviserende stem. De artikelen 38 tot 45 zijn van overeenkomstige toepassing op de subcommissie
afdeling 2. De Regering kan, op de voordracht van de A.C.J.O., andere subcommissies oprichten. De A.C.J.O. kan werkgroepen oprichten en samenstellen. Onverminderd de bepalingen van artikel 38, wordt de voorzitter van een subcommissie door de A.C.J.O. aangewezen uit de leden van die subcommissie. De A.C.J.O., de subcommissies en werkgroepen kunnen externe personen hun werkzaamheden laten bijwonen. HOOFDSTUK VIII. - Toekenning van de subsidies Afdeling I. - Jaarlijkse gewone subsidies voor de jeugdorganisaties Art. 59.De erkende jeugdorganisaties genieten jaarlijkse gewone subsidies, bestaande, enerzijds, uit een vast bedrag bestemd voor het dekken van het geheel of een deel van de werkingskosten, en anderzijds, uit een tegemoetkoming in de kosten voor de bezoldiging van de permanente werkers, bepaald op grond van hun rangschikking in de categorie waartoe ze behoren en van de rangschikking zoals
hoofdstuk III. Het bedrag van de tegemoetkoming in de kosten voor de bezoldiging van de permanente werkers is minstens gelijk aan de tegemoetkoming in die kosten zoals bepaald krachtens het decreet van 24 oktober 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten2 tot bepaling van de voorwaarden voor de subsidiëring van de tewerkstelling in de socioculturele sectoren van de Franse Gemeenschap, met dien verstande dat de barema van de permanente werkers bedoeld bij de cijfers.1 tot.7, in afwijking van artikel 9, 1° van het decreet van 24 oktober 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten2, verschillend zal kunnen zijn van deze die voortvloeit uit de toepassing van voormeld artikel 9, 1°. Het bedrag van de tegemoetkoming in de kosten voor de bezoldiging van de permanente werkers wordt bepaald op grond van het aantal permanente werkers die overeenstemmen met de 8 financieringscijfers. Dat aantal permanente werkers wordt vastgesteld als volgt :
artikel 59, onderverdeeld overeenkomstig de volgende tabel : Financieringsklassen Aantal « deskundigen opening » Van 1 tot 9 0,5 Van 10 tot 19 1 Van 20 tot 25 1,5 Van 26 tot 35 2 Van 36 tot 50 2,5 2° een bedrag voor de financiering van permanente werkers, « lokale deskundigen-adviseurs » genoemd, berekend op dezelfde wijze als de tegemoetkoming
artikel 59, onderverdeeld overeenkomstig de volgende tabel : Aantal leden Aantal « lokale deskundige-adviseurs » Minder dan 2500 0 Van 2501 tot 7500 0,5 Van 7501 tot 12500 1 Van 12501 tot 17500 1,5 Van 17501 tot 22500 2 Van 22501 tot 27500 2,5 Van 27501 tot 32500 3 Van 32501 tot 37500 3,5 Van 37501 tot 42500 4 Van 42501 tot 47500 4,5 Van 47501 tot 52500 5 Van 52501 tot 57500 5,5 Van 57501 tot 62500 6 Van 62501 tot 67500 6,5 Vanaf 67501 7 3° een vast bedrag van twee euro voor elk lid, bestemd voor de financiering van het geheel of een deel van de lasten in verband met de ondersteuning van de lokale groepen;4° een vast bedrag bestemd voor de financiering van de solidariteits- en openingsacties, berekend als volgt : a) als de jeugdbeweging minder dan 4500 leden telt : (aantal leden/5) X 90 euro;b) als de jeugdbeweging meer dan 4500 leden telt : [(aantal leden/5 - 900) X 35] + 81000 euro. De bedragen
het eerste lid, 3° en 4° worden aangepast opdat de kredieten bepaald in het begin van het eerste lid niet zouden worden overschreden. Art. 62.In het kader van de bijzondere stelsels
de artikelen 19 tot 32, genieten de jeugdorganisaties een jaarlijkse vaste subsidie van 7.250 euro en een tegemoetkoming in de bezoldiging van een halftijdse permanente werker, dit is de helft van de tegemoetkoming
artikel 59, die moet dienen voor de werving van die permanente werker. Het minimumaantal jeugdorganisaties die in de bijzondere stelsels worden opgenomen, buiten het bijzonder stelsel bepaald in afdeling I van hoofdstuk IV, wordt op 18 voor de jaren 2009 tot 2012, en op 25 vanaf het jaar 2013 vastgesteld. Art. 63.Vanaf 2010, worden de bedragen vastgesteld in de artikelen 33 tot 35, 59 tot 62, 67 tot 69 en 81 aangepast aan de schommelingen van het gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen, door die bedragen te vermenigvuldigen met een aanpassingscijfer berekend volgens de formule : « GI van december van het betrokken begrotingsjaar Gedeeld door : GI van december 2008 ». Art. 64.Onverminderd de bepalingen van het decreet van 24 oktober 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten2 tot bepaling van de voorwaarden voor de subsidiëring van de tewerkstelling in de sociaal-culturele sectoren van de Franse Gemeenschap en houdende verschillende bepalingen, stellen de erkende jeugdorganisaties permanente werkers tewerk voor wie ze subsidies ontvangen overeenkomstig het tweede lid van artikel 59. Afdeling III. - Samenvoeging van jeugdorganisaties Art. 65.Bij samenvoeging van verschillende erkende jeugdorganisaties, blijft de jeugdorganisatie die uit de samenvoeging is ontstaan, gedurende de resterende vierjarenperiode, het geheel van de subsidies en tegemoetkomingen genieten in de bezoldigingen van de permanente werkers die de erkende jeugdorganisaties die samengevoegd zijn, bij of krachtens dit decreet, genoten. De jeugdorganisatie die uit de samenvoeging is ontstaan, geniet gedurende de volgende vierjarenperiode, een financieringsklasse en -cijfer dat overeenstemt met het bedrag van een subsidie en tegemoetkoming in de bezoldigingen van de permanente werkers, zoals
artikel 59, dat minstens gelijk is aan het bedrag dat ze krachtens het eerste lid genoot. De jeugdorganisatie die uit de samenvoeging is ontstaan, geniet de in het eerste en tweede lid bedoelde middelen op voorwaarde dat haar activiteitsvolume niet op aanzienlijke wijze daalt. Als dat activiteitsvolume op aanzienlijke wijze daalt, wordt het bedrag van de globale subsidie door de Regering verminderd op de voordracht van de administratie na advies van de A.C.J.O. De jeugdorganisatie die uit de samenvoeging is ontstaan, blijft gedurende de perioden
het eerste en tweede lid de door de Franse Gemeenschap in vast verband benoemde leden van het onderwijzend personeel genieten die ter beschikking werden gesteld van de samengevoegde erkende jeugdorganisaties. HOOFDSTUK IX. - Steun voor tewerkstelling in de jeugdorganisaties Art. 66.Er wordt een lid van het onderwijzend personeel dat door de Franse Gemeenschap in vast verband wordt benoemd, kosteloos ter beschikking gesteld van elke erkende jeugdorganisatie. Art. 67.Op de voordracht van de A.C.J.O., kent de Regering vaste aanvullende subsidies van 8.000 euro aan de jeugdorganisaties voor betrekkingen waarvan het aantal door de Regering wordt vastgesteld en die een steun genieten die bepaald wordt door het decreet van het Waalse Gewest van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs en de commerciële sector. Art. 68.§ 1. Er wordt een bedrag van 400.000 euro jaarlijks verdeeld over de jeugdorganisaties waarvan het aantal werknemers bedoeld bij het decreet van 19 oktober 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten1 betreffende de invoering van een geïnformatiseerde databank voor tewerkstelling in de non-profit sector van de Franse Gemeenschap, met inbegrip van de betrekkingen bedoeld bij artikel 69 van de wet van 16 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, ter beschikking gesteld van een jeugdorganisatie door een groepering sociale Maribel die vóór 31 december 2003 werd opgericht, hoger is dan of gelijk is aan zes, met uitzondering van de werkers
artikel 44, § 1, 1°, e) van het voormelde decreet van 20 juli 2000Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/2000 pub. 26/08/2000 numac 2000029296 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot bepaling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van jeugdhuizen, van ontmoetings- en accommodatiecentra, van jongeren informatiecentra en van hun federaties sluiten. Het bedrag van die aanvullende subsidie wordt evenredig vastgesteld door het aantal bovenvermelde werkers van elke jeugdorganisatie met zes eenheden te verminderen. § 2. Zolang het gebruik van de databank
niet mogelijk is met toepassing van artikel 41, tweede lid, van het voormelde decreet van 19 oktober 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten1, zijn de nadere regels voor de verdeling van het bedrag
paragraaf 1 de volgende : - de telling van de werkers die door de verenigingen worden tewerkgesteld, wordt verricht in de loop van het jaar 2009 door de dienst die door de Regering wordt aangesteld, op grond van de toestand van de werkers op 31 maart 2009; - elke vereniging deelt de door de Regering aangestelde dienst de toestand van haar werkers uiterlijk binnen de 45 dagen na de inwerkingtreding van dit decreet mee; - vanaf 1 januari 2010, stelt de door de Regering aangestelde dienst op 31 januari het aantal werkers vast op wie deze paragraaf van toepassing is; - als de verenigingen de door de Regering aangestelde dienst niet op de hoogte brengen van de toestand van haar werkers en van de wijziging van hun aantal, wordt het aantal werkers van het voorafgaande jaar door de door de Regering aangestelde dienst in aanmerking genomen voor de toepassing van deze paragraaf. Art. 69.Op de voordracht van de A.C.J.O. en volgens de nader door haar te bepalen regels, kan de Regering de jeugdorganisaties die werkers tewerkstellen in het kader van het voormelde decreet van 24 oktober 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten2, een aanvullende subsidie tot beloop van één punt per werker toekennen, naar rata van twee werkers die de steun genieten zoals bedoeld bij het decreet van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs en de commerciële sector. HOOFDSTUK X. - Uitbetaling, verantwoording, schorsing of intrekking van de subsidies Art. 70.De Regering betaalt in één enkele schijf, voor uiterlijk 31 maart, de werkingssubsidies
de artikelen 33 tot 35, 59 tot 67, en 85 % van de tegemoetkomingen in de bezoldigingen van de permanente werkers
de artikelen 59 tot 62, 68 en 69, uit, waarbij het saldo van deze laatste in één enkele schijf uiterlijk binnen de drie maanden volgend op het neerleggen bij de administratie van de documenten
artikel 71 wordt uitbetaald. De Regering trekt van de uitbetaling van die schijven de delen af van de subsidies in verband met de voorafgaande burgerlijke jaren waarvan de jeugdorganisaties de aanwending ervan niet zouden hebben kunnen verantwoorden. Art. 71.De subsidie die voor een jaar wordt toegekend, heeft betrekking op hetzelfde burgerlijk jaar. Die subsidie wordt verantwoord door het resultatenrekening van datzelfde burgerlijk jaar. De lasten worden in aanmerking genomen op grond van een rekenplichtige vastlegging gedurende datzelfde burgerlijk jaar. De vereniging moet voor uiterlijk 31 juli de Regering haar jaarlijkse rekeningen voorleggen die door haar algemene vergadering worden goedgekeurd en die betrekking hebben op het voorafgaande burgerlijk jaar. Die jaarrekeningen bestaan uit de balans en de resultatenrekening volgens het schema bepaald door de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1921 pub. 19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. De lasten die in de resultatenrekening opgenomen zijn, anders dan deze die betrekking hebben op de loonlasten die door andere subsidies gedekt worden, verantwoorden de forfaitaire subsidies
de artikelen 33 tot 35, 59 tot 62 en 67 tot 69. Art. 72.De jeugdorganisaties bewaren gedurende vijf jaar, vanaf de eerste januari van het jaar volgend op het jaar waarin de subsidies worden toegekend, alle boekhoudkundige stukken tot staving van de aanwending van de toegekende subsidies en houden die ter beschikking van de administratie voor nazicht, krachtens de wet van 16 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2003 pub. 25/06/2003 numac 2003003343 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof type wet prom. 16/05/2003 pub. 30/07/2015 numac 2015000394 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. Art. 73.Vóór de procedure betreffende de intrekking en volgens de nadere regels die door de Regering na advies van de A.C.J.O. te bepalen zijn, kan de Regering de uitbetaling van de jaarlijkse subsidies
afdeling I van hoofdstuk VI schorsen voor een maximumduur van één jaar. Die beslissing kan niet worden hernieuwd gedurende een vierjarenperiode. Art. 74.De jeugdorganisaties waarvan de erkenning wordt ingetrokken of waarvan de toelating tot de bijzondere stelsels ophoudt, genieten de subsidies
hoofdstuk VI prorata temporis voor de periode die loopt vanaf de eerste januari van het lopende jaar tot de datum van uitwerking van de intrekking van de erkenning. Art. 75.Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kent de Regering eveneens een uitzonderlijke subsidie, berekend op grond van de klasse van de jeugdorganisaties, die een periode van hoogstens zes maanden dekt, met ingang van de datum van uitwerking van de intrekking van de erkenning of van de stopzetting van de toelating tot één van de bijzondere stelsels. Die uitzonderlijke subsidie dekt uitsluitend de werkingslasten en de personeelslasten. Die uitzonderlijke subsidie wordt verantwoord overeenkomstig artikel
de artikelen 15 tot 32 uitgevoerd voor 1 januari 2012. Die evaluatie wordt de Regering en het Parlement van de Franse Gemeenschap meegedeeld binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn van vijf jaar
het eerste lid. De Regering zorgt, door toedoen van haar diensten, voor de bekendmaking van die evaluatie. HOOFDSTUK XI. - Bescherming van de benamingen Art. 77.Alleen de erkende jeugdorganisaties worden ertoe gemachtigd de benaming « door de Franse Gemeenschap erkende jeugdorganisatie » te gebruiken. Met geldboete van 250 tot 500 euro wordt gestraft, hij die de bij het eerste lid bedoelde benaming gebruikt in overtreding van die bepaling. De hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie wordt toegekend aan de beëdigde ambtenaren van niveau 1 van de door de Regering aangestelde diensten, om de inbreuken
het tweede lid vast te stellen. HOOFDSTUK XII. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen Art. 78.Artikel 3 van het decreet van 12 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten0 tot oprichting van het « Observatoire de l'Enfance, de la Jeunesse et de l'Aide à la Jeunesse (Waarnemingscentrum voor Kind, Jeugd en Hulpverlening aan de Jeugd) wordt aangevuld als volgt : « 8° het uitvoeren van de evaluatie
artikel 76 van het decreet van 26 maart 2009 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van de jeugdorganisaties. ». In artikel 9, tweede lid, van hetzelfde decreet, wordt punt 8° vervangen door de volgende bepaling : « 8° een vertegenwoordiger van de A.C.J.O., opgericht bij artikel 37 van het decreet van 26 maart 2009 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van de jeugdorganisaties. ». Art. 79.Het decreet van 20 juni 1980 tot vaststelling van de erkenning en de subsidiëring van de jeugdorganisaties, gewijzigd bij het decreet van 8 november 2001, het decreet van 17 december 2003, het decreet van 19 mei 2004 en het decreet van 24 oktober 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten2, wordt opgeheven. Art. 80.De Regering bepaalt in welke decreten en besluiten die verwijzen naar het opschrift « decreet van 20 juni 1980 tot vaststelling van de erkenning en de subsidiëring van de jeugdorganisaties » dient te worden verwezen naar dit decreet. Art. 81.De jeugdorganisaties die, op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, subsidies genoten die door of krachtens het voormelde decreet van 20 juni 1980 werden toegekend, blijven, gedurende een periode van vier jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit decreet, een gewaarborgde subsidie genieten die gelijk is aan, ofwel, de tegemoetkoming in de bezoldiging van een permanente werker, opgeteld bij het maximumbedrag tussen de werkingssubsidies die in 2007 ontvangen zijn, ofwel, aan het gemiddelde van de werkingssubsidies die werden ontvangen gedurende de jaren 2005 tot 2007, naargelang de ene of de andere van de voormelde formules de voordeligste is voor de jeugdorganisatie, op voorwaarde dat hun activiteitsvolume niet op aanzienlijke wijze daalt. Als dat activiteitsvolume gedurende die periode van vier jaar op aanzienlijke wijze daalt, wordt het bedrag van de globale subsidie door de Regering verminderd, op de voordracht van de administratie, na het advies van de A.C.J.O. te hebben ingewonnen. Die gewaarborgde subsidies worden met 5,98 % op 1 januari 2009 geïndexeerd. Art. 82.§
artikel 81 en door de Regering bevestigd naar aanleiding van de bepaling van de financieringsindex
het volgende lid. De indexeringsindex wordt bepaald door de Regering, op de voordracht van elke vereniging
, uitgedrukt op grond van het aantal werkers
artikel 14 en, in voorkomend geval, van de criteria die specifiek zijn voor elke categorie en op eensluidend advies van de A.C.J.O.. § 3. In afwijking van paragraaf 2 van dit artikel en onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 84, worden de verenigingen die van ambtswege erkend zijn als federaties van jeugdorganisaties of federaties van jongerencentra gerangschikt in de financieringsklassen
de tabellen van artikel 14, § 5 en 6, op grond van het aantal leden van het financieringscijfer « .0 ». In afwijking van het eerste lid van dit artikel, worden de federaties van jeugdhuizen gedurende het eerste vierjarenplan gerangschikt als volgt : 1° die met meer dan 10 leden en minder dan 30 leden worden gerangschikt in de financieringsklasse 2;2° die met meer dan 30 leden en minder dan 50 worden gerangschikt in de financieringsklasse 5;3° die met meer dan 50 leden worden gerangschikt in de financieringsklasse
artikel 59, als die bedragen hoger zijn dan de bedragen van de gewaarborgde subsidies
artikel 81. De federaties van jeugdorganisaties en de federaties van jongerencentra genieten 94 % in 2009, 96 % in 2010, 98 % in 2011 en 100 % in 2012 van de in artikel 59 bedoelde geïndexeerde subsidies. Art. 84.In afwijking van het voormelde decreet van 24 oktober 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten2 en van dit decreet, kunnen de jeugdorganisaties die op 1 januari 2009 alleen één werker tellen die op eigen fondsen wordt bezoldigd en waarvan de gewaarborgde subsidie
artikel 81 hoger is dan 70.000 euro, de sprong van één of meer financieringscijfers genieten door gesubsidieerde betrekkingen gelijk te stellen met betrekkingen van permanente werkers, tot beloop van hoogstens twee werkers. De jeugdorganisaties die minstens zes werkers tellen en die de bepalingen van het eerste lid hebben gebruikt, kunnen, voor de volgende vierjarenperiode het voordeel genieten van : - de sprong van één financieringsklasse, indien zij het aantal werkers die op eigen fondsen bezoldigd worden, met één eenheid vermeerderen in vergelijking met het aantal werkers
het eerste lid; - de sprong van twee financieringsklassen, als zij het aantal werkers die op eigen fondsen bezoldigd worden, met twee eenheden vermeerderen in vergelijking met het aantal werkers
het eerste lid. Art. 85.De verenigingen die in het kader van het voormelde decreet van 20 juni 1980 werden erkend, genieten een uitzonderlijke vaste subsidie die betrekking heeft op de periode die loopt tussen 1 juli 2008 en 31 december 2008. Het totale bedrag van de uitzonderlijke subsidies wordt forfaitair op 3.500.000 euro vastgesteld en verdeeld over de verenigingen
het eerste lid in verhouding tot de gewaarborgde subsidies
artikel 81. De uitbetaling van dat totale bedrag wordt verricht ter aanvulling van de subsidies
de artikelen 50 tot 52 en 56 tot 58 als volgt : 1° 450.000 euro worden uiterlijk op 30 juni 2009 uitbetaald; 2° 1.000.000 euro worden uiterlijk op 30 juni 2010 uitbetaald; 3° 1.000.000 euro worden uiterlijk op 30 juni 2011 uitbetaald; 4° 1.050.000 euro worden uiterlijk op 30 juni 2012 uitbetaald. Die uitzonderlijke forfaitaire subsidie wordt toegekend binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten en verantwoord overeenkomstig de bepalingen van artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.