van de comités voor bijzondere jeugdzorg sluiten betreffende de organisatie en de
van de comités voor bijzondere jeugdzorg, gewijzigd bij de Besluiten van de Vlaamse Regering van 13 december 2002, 31 maart 2006, 8 december 2006 en 15 december 2006; Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 13/12/2002 pub. 11/02/2003 numac 2003035201 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende financiële bepalingen inzake uitgaven voor
skosten van de comités voor bijzondere jeugdzorg, de bemiddelingscommissies voor bijzondere jeugdbijstand, de sociale diensten van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbanken en de regionale diensten van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand en inzake uitgaven voor de preventiewerking van de comités voor bijzondere jeugdzorg en de regionale preventiewerking van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand sluiten houdende financiële bepalingen inzake uitgaven voor
skosten van de comités voor bijzondere jeugdzorg, de bemiddelingscommissies voor bijzondere jeugdbijstand, de sociale diensten van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbanken en de regionale diensten van het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn en inzake uitgaven voor de preventiewerking van de comités voor bijzondere jeugdzorg en de regionale preventiewerking van het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn, gewijzigd bij het Besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006, 8 december 2006 en 15 december 2006; Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 07/05/2004 pub. 02/06/2004 numac 2004035830 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot oprichting van het Intern Verzelfstandigd Agentschap Jongerenwelzijn type besluit van de vlaamse regering prom. 07/05/2004 pub. 07/06/2004 numac 2004035841 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap « Zorg en Gezondheid » sluiten tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn, inzonderheid op artikel 16; Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2007 pub. 16/08/2007 numac 2007036382 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de capaciteit van de gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand sluiten tot vaststelling van de capaciteit van de gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand; Gelet op het advies van Inspectie van Financiën, gegeven op 25 januari 2008; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 20 mei 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - DEFINITIES Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° administrateur-generaal : het personeelslid dat belast is met de leiding van het agentschap en het Fonds.2° agentschap : het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn, vermeld in artikel 59 van het decreet;3° bemiddelingscommissie : de bemiddelingscommissie voor bijzondere jeugdbijstand, vermeld in artikel 26 van het decreet;4° betrokken partijen : de minderjarige, de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige of de minderjarige onder hun bewaring hebben en degenen die in het raam van de jeugdbijstandsregeling eveneens bij de hulpverlening zijn betrokken;5° bureau : het bureau voor bijzondere jeugdbijstand, vermeld in artikel 16, § 1, van het decreet;6° comité : het comité voor bijzondere jeugdzorg, vermeld in artikel 12 van het decreet;7° consulenten : personeelsleden van het agentschap, vermeld in artikel 21, § 1, van het decreet;8° decreet : het decreet betreffende de bijzondere jeugdbijstand van 7 maart 2008;9° erkende voorzieningen : voorzieningen die met toepassing van artikel 49 van het decreet zijn erkend door de Vlaamse Gemeenschap;10° Fonds : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Fonds Jongerenwelzijn, vermeld in artikel 54 van het decreet;11° gelijkgestelde voorzieningen : voorzieningen, gelijkgesteld met erkende voorzieningen voor wat betreft de toelating om minderjarigen op te nemen;12° handelingsplan : het handelingsplan, vermeld in artikel 46, eerste lid van het decreet;13° jeugdbijstandsregeling : het decreet en het geheel van de wetten betreffende de opgave van maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, vermeld in punt 26°;14° kaderdecreet : het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003;15° minderjarige : elke natuurlijke persoon die jonger is dan achttien jaar.Voor de toepassing van dit besluit wordt de persoon die de maximumleeftijden, vermeld in artikel 36, § 2, van het decreet niet heeft bereikt, gelijkgesteld met een minderjarige; 16° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;17° preventiecel : de Preventiecel, vermeld in artikel 18 van het decreet van 7 maart 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/03/2008 pub. 15/04/2008 numac 2008201168 bron vlaamse overheid Decreet inzake bijzondere jeugdbijstand sluiten;18° problematische opvoedingssituatie : een toestand waarin de fysieke integriteit, de affectieve, morele, intellectuele of sociale ontplooiingskansen van minderjarigen in het gedrang komen door bijzondere gebeurtenissen, door relationele conflicten of door de omstandigheden waarin zij leven;19° regio : het grondgebied van een provincie.Het grondgebied van de provincie Vlaams-Brabant en het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest vormen samen één regio; 20° regioverantwoordelijke : een directeur (A2) van het agentschap die belast is met het operationele management van een regio;21° secretaris : het personeelslid van het agentschap dat de leiding heeft van het secretariaat van de bemiddelingscommissie;22° sociale diensten : de sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand en de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand;23° sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand : de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand, vermeld in artikel 44 van het decreet;24° sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand : de sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand, vermeld in artikel 20 van het decreet 25° teamverantwoordelijke : de persoon, vermeld in artikel 21, § 3, van het decreet;26° voorzieningen : initiatieven die hulp- of dienstverlening aanbieden aan minderjarigen en gezinnen;27° wet betreffende de opgave van maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd : een wet die een aangelegenheid regelt, vermeld in artikel 5, § 1, II, 6°, d, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen. BOEK II. - INTERN VERZELFSTANDIGD AGENTSCHAP JONGERENWELZIJN TITEL I. - Benaming, doel en taakstelling van het agentschap Art. 2.In het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Jongerenwelzijn opgericht. Het agentschap wordt opgericht voor de uitvoering van het beleid inzake welzijn en volksgezondheid. Het agentschap behoort tot het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Art. 3.Het agentschap heeft als missie om samen met zijn partners, op grond van een behoefte of een vraag, een continuum van zorg aan te bieden aan de doelgroep om zo de ontplooiingskansen van de doelgroep te vrijwaren. De doelgroep van de activiteiten van het agentschap wordt gevormd door : 1° jeugd voor wie de maatschappelijke integratie en participatie in het gedrang is of dreigt te komen door een problematische leefsituatie, door een verschillende leefcultuur of door andere, maatschappelijk niet aanvaardbare situaties;Met jeugd wordt bedoeld, kinderen en jongeren tot de leeftijd van 25 jaar; 2° personen die worden onderworpen aan maatregelen als vermeld in de federale wetten houdende maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;3° de ouders, de opvoedingsverantwoordelijken en de natuurlijke personen die bij de personen, vermeld in punt 1° en 2° inwonen of die met die personen een affectieve band hebben, of die in de buurt ervan wonen of die er geregeld contact mee hebben, onder meer bij het schoolgaan, in de werksituatie of tijdens de vrijetijdsbesteding. Bij het uitvoeren van zijn missie stelt het agentschap de volgende uitgangspunten centraal : 1° respect tonen voor de rechten van de doelgroep en van de personen die deel uitmaken van de doelgroep;2° maximaal een beroep doen op de eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de doelgroep en van de personen die deel uitmaken van de doelgroep;3° zich richten op het behoud of het herstel van de maatschappelijke integratie van de personen die deel uitmaken van de doelgroep en hun participatie aan de samenleving. Het agentschap en de aangestuurde voorzieningen eerbiedigen bij hun optreden de ideologische, filosofische en godsdienstige overtuiging van de personen waartoe ze zich richten. Art. 4.De kerntaken van het agentschap omvatten : 1° het organiseren van een kwaliteitsvolle hulpverlening aan de doelgroep;2° het uitvoeren en coördineren van taken met toepassing van het beleid betreffende de integrale jeugdhulp, als vermeld in het decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/05/2004 pub. 11/10/2004 numac 2004036482 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de integrale jeugdhulp sluiten betreffende de integrale jeugdhulp;3° het uitvoeren van een beleid ten aanzien van jeugddelinquentie;4° het uitvoeren van het preventiebeleid om te voorkomen dat de doelgroep in een problematische leefsituatie terechtkomt;5° het beheren van het Fonds. Art. 5.De taken, vermeld in artikel 4, omvatten in elk geval : 1° het uitvoeren van taken met toepassing van het decreet;2° het organiseren en het beheren van de gemeenschapsinstellingen;3° het uitvoeren van opdrachten inzake opvang, oriëntatie, observatie en begeleiding van personen tot de leeftijd van maximaal 20 jaar, bepaald in een federale wet houdende opgave van maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;4° het organiseren van de hulpverlening in de door de federale overheid georganiseerde gesloten centra voor opvang van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;5° de programmatie, de erkenning en de subsidiëring van voorzieningen en van de pleegzorg, en de subsidiëring van projecten. Art. 6.Overeenkomstig artikel 9, § 1, 1°, van het kaderdecreet regelt de beheersovereenkomst de concretisering van de kwalitatieve en kwantitatieve wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen, met strategische en operationele doelstellingen, beschreven aan de hand van meetbare criteria. Art. 7.Bij het uitoefenen van zijn missie en taken treedt het agentschap op namens de rechtspersoon Vlaamse Gemeenschap. Bij het uitoefenen van de taak, vermeld in artikel 4, 5°, treedt het agentschap op namens het Fonds. Art. 8.Onverminderd de behandeling van klachten met betrekking tot de eigen
en dienstverlening, vermeld in het decreet van 1 juni 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 01/06/2001 pub. 17/07/2001 numac 2001035718 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende toekenning van een klachtrecht ten aanzien van bestuursinstellingen sluiten houdende toekenning van een klachtrecht ten aanzien van bestuursinstellingen, moet het agentschap klachten, geuit ten aanzien van de voorzieningen die het erkend heeft, opnemen en behandelen. Art. 9.§
en de vertegenwoordiging van het agentschap, onverminderd de mogelijkheid tot delegatie en subdelegatie van die bevoegdheid. Het hoofd van het agentschap wordt bijgestaan door een algemeen directeur. TITEL III. - Delegatie van beslissingsbevoegdheden Art. 15.Het hoofd van het agentschap heeft delegatie van beslissingsbevoegdheid voor de aangelegenheden die zijn vastgesteld het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/10/2003 pub. 01/12/2003 numac 2003202028 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid sluiten tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid. Met betrekking tot de aangelegenheden, vermeld in het eerste lid, wordt aan het hoofd van het agentschap een aanvullende delegatie verleend voor het toekennen van gereglementeerde subsidies waarvoor de reglementering geen vast recht instelt voor de mogelijke begunstigden. De algemene delegatie aan het hoofd van het agentschap betreffende de toezichts-, controle- en inspectietaken, vermeld in artikel 16, 6°, van het besluit, vermeld in het eerste lid, wordt, ter uitvoering van artikel 17 van voormelde besluit, beperkt tot de taken die niet uitgeoefend worden door het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Art. 16.Naast de delegaties betreffende de aangelegenheden, vermeld in artikel 14, worden aan het hoofd van het agentschap de volgende specifieke delegaties verleend : 1° het beheren van het Fonds;2° het beslissen tot toevoeging van vrijwillige consulenten aan :
sprincipes Art. 24.De vrijwillige hulpverlening binnen de bijzondere jeugdbijstand steunt op principes, methodieken en referentiekaders die wetenschappelijk gedocumenteerd kunnen worden. Ze bevordert de eigen mogelijkheden van de minderjarigen, hun participatie in de hulpverlening en hun maatschappelijke integratie. Art. 25.De vrijwillige hulpverlening binnen de bijzondere jeugdbijstand verloopt gecoördineerd en planmatig, met respect voor de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van de betrokken partijen en van derden. Ze draagt bij tot het oplossen van de problemen die de minderjarige en zijn of haar gezin hebben geformuleerd. TITEL II. - Comité voor bijzondere jeugdzorg HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling I. - Oprichting, werkgebied en zetel Art. 26.In de onderstaande tabel zijn de opgerichte comités opgenomen, samen met hun werkgebied. COMITE WERKGEBIED 1° Aalst bestuurlijk arrondissement Aalst 2° Antwerpen-1 bestuurlijk arrondissement Antwerpen 3° Antwerpen-2 bestuurlijk arrondissement Antwerpen 4° Brugge bestuurlijk arrondissement Brugge 5° Brussel bestuurlijk arrondissement Brussel 6° Dendermonde bestuurlijk arrondissement Dendermonde 7° Gent bestuurlijk arrondissement Gent-Eeklo 8° Halle-Vilvoorde bestuurlijk arrondissement Halle-Vilvoorde 9° Hasselt bestuurlijk arrondissement Hasselt 10° Ieper bestuurlijk arrondissement Ieper 11° Kortrijk bestuurlijk arrondissement Kortrijk 12° Leuven bestuurlijk arrondissement Leuven 13° Maaseik bestuurlijk arrondissement Maaseik 14° Mechelen bestuurlijk arrondissement Mechelen 15° Oostende bestuurlijk arrondissement Oostende 16° Oudenaarde bestuurlijk arrondissement Oudenaarde 17° Roeselare bestuurlijk arrondissement Roeselare-Tielt 18° Sint-Niklaas bestuurlijk arrondissement Sint-Niklaas 19° Tongeren bestuurlijk arrondissement Tongeren 20° Turnhout bestuurlijk arrondissement Turnhout 21° Veurne bestuurlijk arrondissement Veurne-Diksmuide De minister bepaalt de zetel van het comité. Art. 27.Met het oog op een optimale bereikbaarheid voor het publiek organiseert de teamverantwoordelijke, na overleg met het comité, zitdagen op de plaatsen waar de probleemconcentraties inzake bijzondere jeugdzorg dat rechtvaardigen. Art. 28.Aanvragen om bijstand en hulp kunnen bij eender welk comité worden ingediend. Het verder organiseren van bijstand en hulp gebeurt, in de hieronder bepaalde volgorde, door het comité van het werkgebied waarin : 1° de minderjarige zijn verblijfplaats heeft;2° de ouders of de personen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen of die de minderjarige onder hun bewaring hebben, hun verblijfplaats hebben;3° de minderjarige wenst te verblijven;4° de minderjarige wordt aangetroffen. In onderling overleg tussen de betrokken comités en de betrokken partijen kan bij uitzondering worden afgeweken van de volgorde, vermeld in het tweede lid. Aanvragen om voortgezette hulpverlening als vermeld in artikel 36, § 3, van het decreet, worden in de hieronder bepaalde volgorde ingediend bij en behandeld door : 1° het comité dat al bijstand en hulp heeft georganiseerd;2° het comité van het werkgebied waarin de minderjarige verblijft;3° het comité van het werkgebied waarin de minderjarige wenst te verblijven. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing. Art. 29.De taken van de preventiecel, vermeld in artikel 19 van het decreet kunnen door verscheidene comités samen worden georganiseerd. Afdeling II. - Leden Onderafdeling. - Benoemingsvoorwaarden Art. 30.Onverminderd de toepassing van artikel 13, § 1, eerste en tweede lid, van het decreet moeten personen die tot lid van een comité worden benoemd, voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden : 1° tussen achttien en vijfenzestig jaar zijn bij de benoeming;2° sedert ten minste vijf jaar in het Vlaamse Gewest of Brussel-Hoofdstad wonen;3° wonen of werken in de regio van het comité in kwestie;4° een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, bestemd voor een openbaar bestuur, kunnen voorleggen;5° de Nederlandse taal beheersen;6° beantwoorden aan het profiel inzake verwachtingen en functie-eisen, bepaald door de minister. Art. 31.Ten minste een derde van de leden van het comité is van hetzelfde geslacht. Als in het werkgebied van het comité meer dan tienduizend allochtonen verblijven die afkomstig zijn uit landen die niet tot de Europese Unie behoren, of als die allochtonen ten minste vijf procent van de bevolking uitmaken, moet minstens één van de leden van het comité een allochtoon zijn, afkomstig uit een land dat niet tot de Europese Unie behoort. Art. 32.De minister vraagt aan het comité een advies over de kandidaatstellingen voor het lidmaatschap van het comité. Dat advies houdt rekening met het profiel, vermeld in artikel 30, 6°, en komt tot stand na een gesprek tussen de kandidaat, de voorzitter van het comité, een door het comité aangewezen lid en de teamverantwoordelijke. Art. 33.Onverminderd de toepassing van artikel 16, § 2, tweede lid, van het decreet is het lidmaatschap van het comité onverenigbaar met : 1° de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat;2° een mandaat bij een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;3° een ambt van magistraat of het lidmaatschap van de federale politie;4° een ambt bij het agentschap;5° het lidmaatschap van een bemiddelingscommissie;6° de aanstelling als vrijwillig consulent. Onderafdeling II. - Beëindiging van het mandaat Art. 34.§ 1. De minister kan aan het mandaat van voorzitter, van ondervoorzitter of van lid een einde stellen : 1° op verzoek van de betrokkene;2° als de betrokkene : a) door zijn gedrag het vertrouwen van het publiek schokt ofwel de eer of de waardigheid van zijn mandaat in opspraak brengt;b) zich niet gedraagt naar de beleidsbeginselen van de regering inzake bijzondere jeugdbijstand;c) driemaal na elkaar zonder kennisgeving of gedurende een periode van meer dan drie maanden al dan niet met kennisgeving, afwezig is op een vergadering van het comité, de preventiecel of het bureau. § 2. Als de minister overweegt om met toepassing van § 1, 2°, een einde te stellen aan een mandaat, brengt hij de betrokkene daarvan op de hoogte via een aangetekende brief. De betrokkene kan binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de brief, de minister verzoeken om door hem te worden gehoord. In dat geval roept de minister de betrokkene schriftelijk op binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van diens brief. De oproepingsbrief vermeldt de plaats en het tijdstip waarop de betrokkene zich moet aanmelden. Als de betrokkene overeenkomstig het tweede lid heeft verzocht om te worden gehoord, kan de minister zijn of haar mandaat pas beëindigen na hem of haar te hebben gehoord, tenzij hij of zij geen passend gevolg heeft gegeven aan de oproeping. Art. 35.De minister stelt ambtshalve een einde aan het mandaat van voorzitter, van ondervoorzitter of van lid van het comité, als de betrokkene zich bevindt in een situatie als vermeld in artikel 33 of als hij niet meer aan de benoemingsvoorwaarden beantwoordt. Art. 36.Als een mandaat van voorzitter, van ondervoorzitter of van lid vroegtijdig vacant wordt, dan wordt onverwijld een titularis benoemd, die het mandaat van zijn voorganger voleindigt. Afdeling III. -
.Het comité stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het, net als elk voorstel tot wijziging ervan, ter goedkeuring voor aan de minister. In het huishoudelijk reglement worden ten minste de volgende aangelegenheden geregeld : 1° de wijze waarop de voorzitter in zijn hoedanigheid van voorzitter van het comité, van het bureau en van de preventiecel wordt vervangen als hij afwezig of verhinderd is;2° de wijze waarop het comité, de preventiecel en het bureau worden bijeengeroepen door de voorzitter;3° de wijze waarop de voorzitter een gedeelte van zijn bevoegdheden kan delegeren. Art. 38.Het comité vergadert minstens driemaal per jaar. Het oriënteert en stimuleert de
van de preventiecel en van het bureau en de samenwerking tussen beide. Art. 39.De voorzitter leidt de werkzaamheden van het comité. Hij vertegenwoordigt het comité in zijn externe relaties binnen het mandaat dat het comité hem heeft gegeven. Hij ondertekent, samen met de teamverantwoordelijke of een personeelslid dat de teamverantwoordelijke heeft aangewezen, de documenten met betrekking tot de beslissingen van het comité. Art. 40.De vergaderingen van het comité vinden plaats met gesloten deuren. Het comité vergadert in aanwezigheid van de teamverantwoordelijke, de consulenten van wie de taak verband houdt met de te bespreken agendapunten en een personeelslid van het secretariaat, vermeld in artikel 25 van het decreet, tenzij het comité er anders over beslist. Als het comité dat nodig vindt, kunnen voor welbepaalde punten andere deskundige personen worden uitgenodigd. Art. 41.Het comité beraadslaagt en beslist op geldige wijze als de meerderheid van de leden aanwezig is. Als die meerderheid niet is bereikt, dan kan het comité, na een nieuwe schriftelijke bijeenroeping op geldige wijze over hetzelfde onderwerp beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden. Art. 42.Het comité beslist collegiaal. Alleen als over een bepaald agendapunt geen overeenstemming wordt bereikt, wordt bij gewone meerderheid van stemmen beslist. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Art. 43.In samenwerking met de sociale dienst wordt jaarlijks vóór 1 maart een jaarverslag opgemaakt over de
van het bureau en de preventiecel tijdens het afgelopen jaar. In dat verslag worden eveneens de evoluties van de hulpvragen vermeld, de knelpunten die een optimale
van het comité beletten, alsook alle nuttige elementen waarover het comité beschikt en die betrekking hebben op de gegevens, vermeld in artikel 7 van het decreet van 15 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/07/1997 pub. 07/10/1997 numac 1997036194 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instelling van het kindeffectrapport en de toetsing van het regeringsbeleid aan de naleving van de rechten van het kind sluiten houdende instelling van het kindeffectrapport en de toetsing van het regeringsbeleid aan de naleving van de rechten van het kind. Onverminderd de toepassing van artikel 14, § 1, van het decreet, wordt het jaarverslag opgemaakt overeenkomstig een model dat het agentschap heeft uitgewerkt. Het agentschap verwerkt de verschillende jaarverslagen van de comités in een globaal verslag, dat voor 1 juni van hetzelfde jaar aan de minister wordt overhandigd. Afdeling IV. - Vergoeding Art. 44.De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden van het comité kunnen per vergadering die ze als lid van het comité, de preventiecel of het bureau bijwonen, aanspraak maken op : 1° een presentiegeld als vermeld in artikel 9, c), van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 1996 tot wijziging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 1988 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de toelagen en presentiegelden aan commissarissen, gemachtigden van financiën, afgevaardigden van de regering, voorzitters en leden van niet-adviserende bijzondere commissies of van raden van bestuur van instellingen en ondernemingen die onder de Vlaamse Regering ressorteren.Dat presentiegeld wordt, per vergadering van minstens twee uren, als volgt vastgesteld :
Art. 47.De voorzitter kan in dringende gevallen beslissingen, als vermeld in artikel 52, nemen namens het bureau. Over die beslissingen brengt de voorzitter op de eerstvolgende vergadering van het bureau verslag uit. Art. 48.De voorzitter leidt de werkzaamheden van het bureau. Hij ondertekent samen met de teamverantwoordelijke of een personeelslid dat de teamverantwoordelijke heeft aangewezen, de documenten met betrekking tot de beslissingen van het bureau. Art. 49.De vergaderingen van het bureau vinden plaats met gesloten deuren. Artikel 40 is van overeenkomstige toepassing. Art. 50.Het bureau beraadslaagt en beslist op geldige wijze als ten minste drie leden aanwezig zijn. Als aan die vereiste niet is voldaan, dan kan het bureau na een nieuwe schriftelijke bijeenroeping op geldige wijze over hetzelfde onderwerp beslissen als ten minste twee leden aanwezig zijn. Art. 51.Het bureau beslist collegiaal. Alleen als over een bepaald agendapunt geen overeenstemming wordt bereikt, wordt bij gewone meerderheid van stemmen beslist. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Afdeling II. - Bekrachtigingen en beslissingen Art. 52.Het bureau bekrachtigt binnen de mogelijkheden van de regelgeving de schriftelijke voorstellen van de sociale dienst over : 1°hulpverleningsaanvragen die niet kunnen worden ingewilligd of een hulpverleningsaanbod dat niet kan worden uitgevoerd wegens het ontbreken van één van de vereiste instemmingen, vermeld in artikel 10 van het decreet. 2° hulpverleningsaanvragen en oplossingsvoorstellingen als vermeld in artikel 22, derde lid en vijfde lid en artikel 36, § 3, van het decreet. Het bureau neemt onverwijld een beslissing. Het kan evenwel aan de sociale dienst opdracht geven aanvullende informatie in te winnen of een alternatief oplossingsvoorstel uit te werken. Art. 53.Het agentschap moet een bekrachtiging door het bureau van een oplossingsvoorstel met financiële gevolgen goedkeuren met toepassing van artikel 69, eerste lid, 1°. Voor residentiële opvang bedraagt de toelage per dag maximaal het bedrag, vastgesteld in het erkennings- en subsidiëringsbesluit voor private personen die minderjarigen in hun gezin opnemen. Nadat het bureau kennis heeft genomen van het voorstel van de sociale dienst, vermeld in artikel 52, eerste lid, 4°, kan het beslissen bij de bemiddelingscommissie een bemiddelingsverzoek in te dienen. Art. 54.De beslissingen waarbij het bureau bijstand en hulp organiseert door tussenkomst van een voorziening, een persoon of gezin, of waarbij het een dergelijke bijstand en hulp beëindigt, worden onverwijld en schriftelijk meegedeeld aan die voorziening, die persoon of dat gezin. De beslissingen van het bureau met financiële gevolgen voor het Fonds worden onverwijld en schriftelijk meegedeeld aan het agentschap. De beslissingen van het bureau met betrekking tot een en met een hulpverleningsaanvraag als vermeld in artikel 52, eerste lid, 2° tot 4°, worden onverwijld en schriftelijk meegedeeld aan degene die de aanvraag heeft ingediend. Art. 55.Als het bureau overeenkomstig de artikelen 36, § 4, of 66, tweede lid, van het decreet een beslissing heeft genomen over de bijdrage van de minderjarige en van de onderhoudsplichtige personen, wordt die schriftelijk meegedeeld aan : 1° degenen die ze verschuldigd zijn;2° het agentschap. De beslissing die het bureau overeenkomstig artikel 66, tweede lid, van het decreet heeft genomen over de bestemming die aan het loon van de minderjarige zal worden gegeven, wordt schriftelijk meegedeeld aan : 1° de minderjarige;2° degenen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen of de minderjarige onder hun bewaring hebben;3° het agentschap. HOOFDSTUK III. - Preventiecel Art. 56.Die cel vergadert minstens zes maal per jaar. Art. 57.De voorzitter leidt de werkzaamheden van de preventiecel. Hij ondertekent samen met de teamverantwoordelijke of een personeelslid dat de teamverantwoordelijke heeft aangewezen, de documenten met betrekking tot de beslissingen van de preventiecel. Hij bepaalt in overleg met de teamverantwoordelijke de samenwerkingsverbanden tussen de preventiecel en de consulenten die belast zijn met opdrachten als vermeld in artikel 19 van het decreet. Art. 58.De preventiecel vergadert in aanwezigheid van de teamverantwoordelijke, de consulenten van wie de taak verband houdt met de te bespreken agendapunten en een personeelslid van het secretariaat, vermeld in artikel 25 van het decreet, tenzij de preventiecel er anders over beslist. Als de preventiecel dat nodig vindt, kunnen voor welbepaalde punten andere deskundige personen worden uitgenodigd. Art. 59.De preventiecel beraadslaagt en beslist op geldige wijze als ten minste vier leden aanwezig zijn. Art. 60.De preventiecel beslist collegiaal. Alleen als over een bepaald agendapunt geen overeenstemming wordt bereikt, wordt bij gewone meerderheid van stemmen beslist. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Art. 61.De preventiecel kan werkgroepen oprichten die de opdracht krijgen de besprekingen en de beslissingen van de cel voor te bereiden. Van die werkgroepen kunnen eveneens externe deskundigen deel uitmaken. HOOFDSTUK IV. - Sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand Afdeling I. - Zetel Art. 62.De sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand heeft zijn zetel op het comité. Afdeling II. - Leden Art. 63.Onverminderd de toepassing van artikel 21, § 3, tweede lid, van het decreet is de teamverantwoordelijke belast met de organisatie van de werkzaamheden van de sociale dienst en met de taakverdeling tussen de consulenten. De teamverantwoordelijke of een door hem aangewezen consulent vertegenwoordigt de sociale dienst in zijn externe relaties. Art. 64.Vrijwillige consulenten als vermeld in artikel 21, § 4, van het decreet kunnen worden toegevoegd na beslissing van de administrateur-generaal op gemotiveerde voordracht van de teamverantwoordelijke. Art. 65.Binnen het kader van hun opdracht moet de burgerlijke aansprakelijkheid van de vrijwillige consulenten verzekerd zijn. Voor zover die aansprakelijkheid nog niet verzekerd is, zijn de kosten van de verzekeringspolis voor rekening van de begroting van het Fonds. Aan de vrijwillige consulenten kunnen deeltaken worden toevertrouwd, die worden uitgevoerd onder de leiding en de verantwoordelijkheid van de consulent die met het dossier belast is. De vrijwillige consulenten hebben recht op terugbetaling van hun reis- en verblijfkosten in het kader van hun opdrachten, volgens de normen die gelden voor de consulenten. Afdeling III. - Taken Onderafdeling I. - Caseonderzoek Art. 66.Onverminderd de toepassing van artikel 4, § 1, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, informeert de consulent die met het dossier belast is, bij de aanmelding, de hulpvrager, de minderjarige en de personen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen of de minderjarige onder hun bewaring hebben over : 1° de mogelijkheden binnen de eerstelijnszorg en de
van de bijzondere jeugdbijstand;2° de rechten en de plichten van de ouders en van de minderjarigen;3° de bestaande klachtenprocedures;4° de regelgeving met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Verder licht de consulent de personen, vermeld in het eerste lid, erover in dat : 1° de hulpverlening gedurende het volledig verloop ervan een vrijwillig karakter heeft;2° als de sociale dienst de hulpvraag afwijst, de hulpvraag schriftelijk wordt voorgelegd aan het bureau;3° de betrokken partijen een bemiddelingsverzoek kunnen indienen bij de bevoegde bemiddelingscommissie.De consulent geeft hen dan tevens inlichtingen over hoe een dergelijk verzoek moet worden ingediend. Art. 67.Elke beslissing om binnen de bijzondere jeugdbijstand vrijwillige hulpverlening te organiseren wordt voorbereid door een screening, een diagnose, een hulpverleningsprogramma en een indicatiestelling. In de screening verzamelt de consulent zo veel mogelijk relevante gegevens, inzonderheid over de minderjarige, zijn gezin, zijn school of werksituatie, zijn bredere sociale omgeving en de al eerder georganiseerde hulpverlening. In de diagnose geeft de consulent in een beschrijvend en een besluitend rapport een duidelijk beeld van de problematische opvoedingssituatie, waarbij de hulpvraag, de problematieken en de aangrijpingspunten voor een mogelijke oplossing in een zinvol verband worden gebracht. Het hulpverleningsprogramma vermeldt de doelstellingen die binnen een bepaalde termijn met de vrijwillige hulpverlening worden beoogd. De indicatiestelling bepaalt het aangepaste kader voor de realisatie van het hulpverleningsprogramma. Met abstractie van het bestaande hulpaanbod wordt in volgorde van prioriteit vastgesteld welk hulpaanbod geëigend is. Art. 68.Bij de uitwerking van een voorstel tot hulpverlening, tot verlenging of tot wijziging ervan, worden de onderstaande beginselen, in volgorde van belang in acht genomen : 1° de rechtstreeks betrokkenen worden gestimuleerd om zelf bij te dragen tot de oplossing van de problematische opvoedingssituatie;2° als al hulpverleners bij de problematische opvoedingssituatie betrokken zijn, wordt eerst met hen overleg gepleegd, na akkoord van de personen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen en van de min-twaalfjarige, rekening houden met zijn leeftijd en maturiteit, als blijkt dat de minderjarige tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is of van de minderjarige die twaalf jaar of ouder is;3° als twee vormen van hulpverlening even doeltreffend worden geacht, wordt de voorkeur gegeven aan de minst ingrijpende tussenkomst, die erop gericht is de jongere in zijn milieu te houden en het gezin waartoe hij behoort pedagogisch te begeleiden en psychosociaal te ondersteunen;4° als uitzonderlijk toch wordt voorgesteld de jongere uit zijn milieu te verwijderen, moet uit de gegevens blijken dat de pedagogische draagkracht van het natuurlijk milieu onvoldoende waarborgen biedt;5° bij de eventuele aanwijzing van een erkende voorziening die met de uitvoering van de hulpverlening kan worden belast, moeten de geraamde duur en de kostprijs van de voorgestelde hulpverlening in acht worden genomen;6° zo nodig wordt aan het bureau een advies gegeven met betrekking tot de bijdrage van de jongere en van de onderhoudsplichtige personen in de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten, rekening houdend met de besluiten, genomen ter uitvoering van artikel 66 van het decreet.Met toepassing van punt 4° moet een gezinsgerichte
mogelijk zijn, onder meer door de beperking van de afstand tussen de plaats van uitvoering van de hulpverlening en de verblijfplaats van de jongere. Art. 69.Onverminderd de toepassing van artikel 22, tweede lid, van het decreet kan een beslissing tot hulpverlening, tot verlenging of tot wijziging ervan, erin bestaan dat : 1° een specifieke hulpverlening wordt georganiseerd, die erop gericht is de draagkracht van de minderjarige en van het gezin waartoe hij behoort, te versterken;2° voor ten hoogste één jaar de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort, wordt begeleid door een erkende voorziening of, bij uitzondering, door de sociale dienst;3° de minderjarige, eventueel samen met de personen die over de minderjarige het ouderlijke gezag uitoefenen of hem of haar onder hun bewaring hebben, voor ten hoogste zes maanden kan deelnemen aan een project als vermeld in artikel 38, § 1, 4°, van het decreet, georganiseerd door een organisatie die daartoe een overeenkomst heeft afgesloten met de minister;4° de minderjarige voor ten hoogste één jaar een erkende semi-residentiële voorziening kan bezoeken;5° de minderjarige die de leeftijd van zeventien jaar heeft bereikt en over voldoende inkomsten zal beschikken, voor ten hoogste één jaar zelfstandig kan wonen onder de begeleiding van een erkende voorziening;6° de minderjarige die de leeftijd van zeventien jaar heeft bereikt, voor ten hoogste één jaar, onder het permanente toezicht van een erkende voorziening, op kamers kan wonen;7° de minderjarige voor ten hoogste dertig dagen voor onthaal en oriëntatie onder begeleiding van een daartoe erkende voorziening wordt gesteld;8° de minderjarige voor ten hoogste zestig dagen voor observatie onder de begeleiding van een daartoe erkende voorziening wordt gesteld;9° de minderjarige voor ten hoogste één jaar wordt toevertrouwd aan een betrouwbaar persoon of gezin, onder de begeleiding van een erkende voorziening of bij uitzondering onder de begeleiding van de sociale dienst;10° de minderjarige bij uitzondering en voor ten hoogste één jaar wordt toevertrouwd aan een erkende residentiële voorziening of een gelijkgestelde voorziening;11° de minderjarige voor ten hoogste één jaar wordt toevertrouwd aan een psychiatrisch ziekenhuis of aan een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis, als dat na een psychiatrische expertise noodzakelijk blijkt. De maatregelen, vermeld in § 1, eindigen na het verstrijken van de maximumtermijn, tenzij ze worden verlengd, telkens voor een termijn die niet langer mag zijn dan de gestelde maximumperiode. De maatregel, vermeld in het eerste lid, 3°, kan niet worden verlengd. De maatregelen, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, kunnen maar eenmaal worden verlengd. Onderafdeling II. - Casemanagement Art. 70.De consulent die met het dossier belast is, bezorgt onverwijld alle nuttige gegevens aan de voorziening die met de uitvoering van de hulpverlening belast is. Het betreft in het bijzonder de gegevens die betrekking hebben op : 1° de initiële hulpvraag;2° de minderjarige, het gezin waartoe de minderjarige behoort en zijn bredere sociale omgeving;3° de diagnose, vermeld in artikel 67, derde lid;4° een kopie van het hulpverleningsprogramma, vermeld in artikel 67, vierde lid. De consulent, vermeld in het eerste lid, licht de verstrekte gegevens en de doelstellingen van het hulpverleningsprogramma mondeling toe. Tevens vraagt hij overeenkomstig artikel 23, eerste lid, van het decreet aan de voorziening een handelingsplan dat de inhoudelijke invulling is van de hulpverlening. Hij neemt deel aan een gesprek over de opties betreffende de uitvoering van de hulpverlening. Het handelingsplan ligt ter inzage van de leden van het bureau. Art. 71.Onverminderd de toepassing van artikel 23, tweede lid, van het decreet waakt de consulent die met het dossier belast is over de uitvoering van de hulpverlening door : 1° een regelmatig contact met de voorziening, de persoon of het gezin, belast met de uitvoering van de hulpverlening;2° een regelmatig nazicht van de verslagen die de voorziening in kwestie aan de sociale dienst dient over te maken overeenkomstig de bepalingen van het erkennings- en subsidiëringsbesluit;3° een regelmatig onderhoud met de andere betrokken partijen;4° een regelmatige evaluatie van het verloop van de hulpverlening volgens het hulpverleningsprogramma, in samenspraak met de andere betrokken partijen. Art. 72.De evolutieverslagen die de erkende voorzieningen hebben opgemaakt zijn ter kennis van het bureau. De consulent die met het dossier belast is, brengt bij het bureau verslag uit over het verloop van de hulpverlening : 1° voor het verstrijken van de termijnen, vermeld in artikel 69;2° zodra de personen, vermeld in artikel 10 van het decreet, niet meer instemmen met de vrijwillige hulpverlening;3° bij gewijzigde omstandigheden of bij ernstige gebeurtenissen. Als daartoe aanleiding bestaat, formuleert de consulent, vermeld in het eerste lid, voorstellen aan het bureau tot verlenging, wijziging of intrekking van de beslissingen tot vrijwillige hulpverlening. Art. 73.Het hulpverleningsprogramma, vermeld in artikel 67, vierde lid, wordt bijgestuurd : 1° op grond van de gegevens, vermeld in artikel 71;2° overeenkomstig de beslissingen van het bureau tot verlenging of tot wijziging van de hulpverlening. HOOFDSTUK V. - Secretariaat Art. 74.Het secretariaat, vermeld in artikel 25 van het decreet, heeft zijn zetel op het comité. Onder de leiding van de teamverantwoordelijke ondersteunt het de goede
van het comité. Art. 75.Op het secretariaat wordt een dossier bijgehouden voor elke minderjarige voor wie het comité hulpverlening organiseert. Naargelang van het geval bevat het dossier, vermeld in het eerste lid, de volgende stukken : 1° het stuk of de stukken waaruit de instemming met de vrijwillige hulpverlening blijkt als vermeld in artikel 10 van het decreet;2° de screening, de diagnose, het hulpverleningsprogramma en de indicatiestelling, vermeld in artikel 67;3° de beslissingen van het bureau;4° de gevoerde briefwisseling;5° andere nuttige gegevens, zoals de financiële rekening van de minderjarige, zijn ziekteverzekering en de betrokken compensatiekas voor kinderbijslagen;6° de verslagen, vermeld in artikel 72, tweede en derde lid;7° een kopie van het handelingsplan en van de evolutieverslagen die de erkende voorzieningen hebben opgemaakt. De dossiers worden bijgehouden en de gegevens worden verwerkt overeenkomstig de wet van 8 december 1992 voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van de persoonsgegevens en de richtlijnen van het agentschap. Art. 76.Het secretariaat is belast met de bewaring van de dossiers. Afgesloten dossiers worden bewaard tot vijf jaar na de datum waarop de betrokken minderjarige meerderjarig is geworden. Art. 77.Op het secretariaat worden de verslagen en de presentielijsten bijgehouden van elke vergadering van het comité, het bureau, de preventiecel of de werkgroepen, vermeld in artikel
.De bemiddelingscommissie stelt haar huishoudelijk reglement op en brengt de minister onverwijls op de hoogte van dat reglement, alsook van de wijzigingen ervan, die de minister binnen twee maanden goedkeurt. Art. 87.De voorzitter leidt de werkzaamheden van de bemiddelingscommissie. Als de voorzitter niet aanwezig is, wordt hij vervangen door de plaatsvervangend voorzitter, of als ook die niet aanwezig is, door een lid dat door de voorzitter is aangewezen. Art. 88.De bemiddelingscommissie houdt minstens tweemaal per maand zitting op een vaste plaats in de gemeente waar haar zetel gevestigd is. Als ze dat voor de uitoefening van haar taak nuttig of noodzakelijk acht, kan zij evenwel op een andere plaats zitting houden. Art. 89.De leden van de bemiddelingscommissie komen minstens tweemaal per jaar in algemene vergadering bijeen om de algemene
van de commissie te bespreken. Art. 90.Om de zaak te kunnen behandelen kan de bemiddelingscommissie het comité verzoeken alle noodzakelijke informatie mee te delen. Ze kan eveneens een verzoek tot informatie of onderzoek richten : 1° aan de sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand, als het comité of het bureau niet betrokken is bij de aan het bemiddelingsverzoek ten grondslag liggende problematische opvoedingssituatie;2° aan een andere deskundige, dan een magistraat, een lid van het comité of een ambtenaar van het agentschap;3° aan een erkende voorziening of aan een persoon of team die aan een dergelijke voorziening verbonden is. Art. 91.In de gevallen, vermeld in artikel 90, bepaalt de bemiddelingscommissie op welke wijze en binnen welke termijn over de toevertrouwde opdracht verslag uitgebracht moet worden. Als het verslag niet binnen de gestelde termijn wordt uitgebracht, kan de bemiddelingscommissie de opdracht intrekken en aan anderen toevertrouwen. Afdeling IV. - Vergoeding Art. 92.De voorzitter en de leden van de bemiddelingscommissie kunnen per zitting aanspraak maken op : 1° een presentiegeld, als vermeld in artikel 9, c, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 1996 tot wijziging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 1988 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de toelagen en presentiegelden aan commissarissen, gemachtigden van financiën, afgevaardigden van de Vlaamse Regering, voorzitters en leden van niet adviserende bijzondere commissies of van raden van bestuur van instellingen en ondernemingen die onder de Vlaamse Regering ressorteren;Dat presentiegeld wordt, per zitting van minstens twee uur, als volgt bepaald :
.Het secretariaat, vermeld in artikel 30 van het decreet, is samengesteld uit personeelsleden van het agentschap. Zij vervullen de opdrachten die hen door de bemiddelingscommissie worden toevertrouwd overeenkomstig de bepalingen van het decreet, van dit besluit en van het huishoudelijk reglement. Art. 105.Het secretariaat is elke werkdag telefonisch bereikbaar, ten minste van 10 tot 12 uur en van 14 tot 16 uur. Afdeling II. - Registratie Art. 106.§
mogelijk moet zijn, onder meer door de beperking van de afstand tussen de plaats van uitvoering van de maatregel en de woonplaats van de minderjarige, tenzij wordt aangetoond dat het uitsluitend belang van de minderjarige het anders vereist;4° de geraamde duur en de kostprijs van de voorgestelde hulpverlening worden in acht genomen. Bij de uitwerking van een voorstel of verzoek als vermeld in het eerste lid : 1° wordt zo nodig een advies gegeven met betrekking tot de bijdrage van de minderjarige en van de onderhoudsplichtige personen in de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten, rekening houdend met de Besluiten van de Vlaamse Regering, genomen ter uitvoering van artikel 66 van het decreet;2° worden zo nodig de aanvullende voorwaarden en de verplichtingen opgesomd, die kunnen worden opgelegd.Daarbij wordt rekening gehouden met de Besluiten van de Vlaamse Regering met betrekking tot de regeling van de bezoeken, de briefwisseling, het opvoedingsregime en het pedagogisch concept en programma van de erkende voorzieningen. § 2. Het naleven van de beginselen, vermeld in § 1, eerste lid, 1° tot en met 4°, wordt regelmatig geëvalueerd in dienstvergaderingen als vermeld in artikel 114, tweede lid, 4°. TITEL II. - Sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand HOOFDSTUK I. - Zetel Art. 113.De zetel van de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand bevindt zich in de hoofdplaats van het gerechtelijk arrondissement dat zijn werkgebied uitmaakt. De consulenten hebben hun standplaats op de zetel van de sociale dienst. HOOFDSTUK II. - Leden en
.De teamverantwoordelijke organiseert de sociale dienst en vertegenwoordigt die in zijn externe relaties. De teamverantwoordelijke is voornamelijk belast met : 1° de organisatie van de permanenties, vermeld in artikel 116;2° het in ontvangst nemen vanwege de betrokken magistraten van de opdrachten, vermeld in artikel 117, 1°, 2° en 3°, en de aanwijzing van de consulent die de opdracht zal uitvoeren;3° de centralisatie van de verslaggevingen;4° de organisatie van regelmatige dienstvergaderingen;5° de ontvangst en de vorming van de nieuwe consulenten en het stimuleren van de permanente vorming;6° het bewaken van de kwaliteit van het gepresteerde werk en het toezicht op de regelmatige uitvoering ervan;7° de leiding van het secretariaat, vermeld in artikel
skosten Art. 135.Binnen de grenzen van de begroting van het Fonds kan de regioverantwoordelijke, conform de reglementering inzake de administratieve controle en de begrotingscontrole voor zijn regio uitgaven doen voor de preventiewerking van de comités en de regionale preventiewerking van het agentschap. De administrateur-generaal beslist jaarlijks over de verdeling over de verschillende regio's van de middelen die op de begroting van het Fonds zijn vastgelegd voor de uitgaven, vermeld in het eerste lid. De regioverantwoordelijke wordt aangesteld tot ordonnateur. Art. 136.Op de begroting van het agentschap wordt jaarlijks 100.000 euro aan geldvoorschotten ter beschikking gesteld voor de
van de regionale diensten, de comités, de bemiddelingscommissies en de sociale diensten voor gerechtelijke jeugdbijstand. Regionale diensten zijn diensten van het agentschap waarvan de
zich over een hele regio uitstrekt. De administrateur-generaal beslist jaarlijks over de verdeling van de geldvoorschotten, vermeld in het eerste lid, over de verschillende regio's. Die voorschotten kunnen, conform de reglementering inzake de administratieve begroting en de begrotingscontrole, uitsluitend worden aangewend om de volgende uitgaven te doen : 1° beperkte verbruikersuitgaven in verband met het betrekken en het onderhouden van lokalen;2° levering van goederen en diensten die dringend nodig zijn en waarvan de betaling niet kan worden uitgesteld;3° vergader- en ontvangstkosten;4° vertaal- en tolkkosten. TITEL II. - Spaargelden Art. 137.Als de minderjarige bij het beëindigen van de hulpverlening één of meer spaarboekjes heeft, licht de consulent die met het dossier belast is, de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige - en vanaf de leeftijd van twaalf jaar, de minderjarige zelf - in van het bestaan van die spaarboekjes. BOEK VII. - SLOTBEPALINGEN Art. 138.De toelagen en presentiegelden, vermeld in artikel 44, eerste lid, 1°, en 92, eerste lid, 1° zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex van januari 2008, zijnde 107.85. De herziening gebeurt telkens na een vaste periode van twee jaar in januari. Art. 139.De volgende besluiten worden opgeheven : 1° het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 1988 houdende oprichting en werkwijze van de bemiddelingscommissies voor bijzondere jeugdbijstand en van het administratief secretariaat;2° het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1991 houdende de organisatie en werkwijze van de sociale diensten van de jeugdrechtbanken bij de Vlaamse Gemeenschap;3° het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 08/12/1998 pub. 27/03/1999 numac 1999035300 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende de organisatie en de
van de comités voor bijzondere jeugdzorg sluiten betreffende de organisatie en de
van de comités voor bijzondere jeugdzorg;4° het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 13/12/2002 pub. 11/02/2003 numac 2003035201 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende financiële bepalingen inzake uitgaven voor
skosten van de comités voor bijzondere jeugdzorg, de bemiddelingscommissies voor bijzondere jeugdbijstand, de sociale diensten van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbanken en de regionale diensten van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand en inzake uitgaven voor de preventiewerking van de comités voor bijzondere jeugdzorg en de regionale preventiewerking van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand sluiten houdende financiële bepalingen inzake uitgaven voor
skosten van de comités voor bijzondere jeugdzorg, de bemiddelingscommissies voor bijzondere jeugdbijstand, de sociale diensten van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbanken en de regionale diensten van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand en inzake uitgaven voor de preventiewerking van de comités voor bijzondere jeugdzorg en de regionale preventiewerking van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand;5° het Besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 07/05/2004 pub. 02/06/2004 numac 2004035830 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot oprichting van het Intern Verzelfstandigd Agentschap Jongerenwelzijn type besluit van de vlaamse regering prom. 07/05/2004 pub. 07/06/2004 numac 2004035841 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap « Zorg en Gezondheid » sluiten tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn.6° het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2007 pub. 16/08/2007 numac 2007036382 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de capaciteit van de gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand sluiten tot vaststelling van de capaciteit van de gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand. Art. 140.De bepalingen van het decreet inzake bijzondere jeugdbijstand van 7 maart 2008 treden in
gelijktijdig met de inwerkingtreding van de bepalingen van dit besluit. Dit besluit treedt in
op de dag van de bekendmaking ervan in het Staatsblad. Art. 141.De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 24 oktober 2008. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, S. VANACKERE
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.