5 DECEMBER 2008. - Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de installaties voor de hergroepering of de sortering van afgewerkte oliën De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning, inzonderheid op de artikelen 4, 5, 7, 8 en 9; Gelet op het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater; Gelet op het advies 43.986/4 van de Raad van State, gegeven op 30 januari 2008, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat de voorschriften van het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, die aanvankelijk zijn genomen ter uitvoering van artikel 3, § 1, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, nu opgeheven, voortaan hun wettelijke grondslag vinden in de bepalingen van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning op grond waarvan de Regering bevoegd is om algemene voorwaarden in de zin van hoofdstuk I, afdeling III, van dit decreet vast te leggen; Overwegende dat de Regering, wanneer ze sectorale voorwaarden vastlegt, krachtens artikel 5, § 2, derde lid, van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten slechts van de algemene voorwaarden mag afwijken voor zover ze die afwijking motiveert; Overwegende dat het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 nu gedeeltelijk verouderd is; dat sommige van de bepalingen ervan immers zijn opgenomen in Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt (hoofdstuk VI - Algemeen reglement voor de sanering van het stedelijk afvalwater) wat betreft het huishoudelijk afvalwater en in het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027815 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning sluiten tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitaie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning; Overwegende dat sommige parameters bedoeld in het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 tegenwoordig niet meer relevant zijn, niet meer toepasselijk zijn op het geheel van de activiteitensectoren of verwijzen naar analysemethodes die nu verboden zijn, o.a. : - de ontbindingstest met methyleenblauw, een parameter die niet meer wordt gebruikt; - de met tetrachloorkoolstof afscheidbare koolwaterstoffen, waarvan de analyse nu verboden is en waarvoor een andere methode wordt gebruikt; Overwegende tenslotte dat de niet-toepassing van het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 als gevolg heeft dat het aantal reglementaire teksten die op een inrichting toepasselijk zijn beperkt wordt en zodoende beantwoordt aan de wil van de Waalse Regering om een programma voor administratieve rationalisering en vereenvoudiging aan te nemen; Overwegende dat dit besluit aan de Europese Commissie meegedeeld werd overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij; dat de Europese Commissie een omstandig advies heeft uitgebracht; dat haar een antwoord werd gegeven; Op de voordracht van de Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme; Na beraadslaging, Besluit : Titel I - Gemeenschappelijke bepalingen HOOFDSTUK I - Toepassingsgebied en begripsomschrijving Artikel 1.Deze sectorale voorwaarden zijn van toepassing op de installaties voor de hergroepering en de sortering van afgewerkte oliën zoals bedoeld in artikel 1, 1°, van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 9 april 1992 betreffende de afgewerkte oliën bedoeld in rubriek 37.20.08 van bijlage 1 bij het besluit van Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten. Art. 2.Voor de toepassing van deze voorschriften wordt verstaan onder : 1° bovengrondse tank : tank die in de openlucht, in een al dan niet ondergronds lokaal of in een niet opgehoogde kuil geplaatst kan worden.Een ontoegankelijke bovengrondse tank is een tank met minstens één onzichtbare wand; 2° ingegraven tank : tank die zich geheel of gedeeltelijk onder de grond bevindt en waarvan de wanden in rechtstreeks contact zijn met de omliggende aarde of met het ophogingsmateriaal;3° verplaatsbaar recipiënt : vat, bus of container bestemd voor de opslag van afgewerkte oliën;4° bevoegde deskundige : persoon of technische dienst geaccrediteerd volgens de norm ISO/CEI 17020 of deskundige erkend in het vak "opslaginstallatie" overeenkomstig artikel 681/73 van titel III van het Algemeen reglement op de arbeidsbescherming;5° erkende technicus : technicus erkend overeenkomstig artikel 634ter/4 van titel III van het Algemeen reglement op de arbeidsbescherming;6° bestaande inrichting : inrichting die behoorlijk vergund is vóór de inwerkingtreding van dit besluit.De inrichting waarvoor de vergunningsaanvraag vóór de inwerkingtreding van dit besluit is ingediend, wordt met een bestaande inrichting gelijkgesteld. De verbouwing of uitbreiding van een inrichting die de uitbater vóór de inwerkingtreding van dit besluit vermeld heeft in het register bedoeld in artikel 10, § 2, van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning type decreet prom. 11/03/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999031161 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 1999 sluiten betreffende de milieuvergunning wordt met een bestaande inrichting gelijkgesteld. HOOFDSTUK II. - Vestiging en bouw Art. 3.De inrichting mag niet gevestigd worden : 1. op minder dan 10 meter van een oppervlaktewater, een piëzometer, een inlaat van een openbare riolering;2. in een waterwingebied zoals bedoeld in de artikelen R.147, R. 157, R. 159, § 1,1°, en R. 160 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt. Art. 4.Het terrein is omgeven door een rij inheemse gewassen en wordt zo aan het zicht onttrokken, behalve in geval van natuurlijke begrenzing. Art. 5.De opslagplaatsen worden ontworpen en ingericht zodat : 1° ongevallen voorkomen kunnen worden bij de opslaghandelingen en het laden van de voertuigen;2° afvalverspreiding voorkomen kan worden. Art. 6.De afgewerkte oliën worden opgeslagen in tanks bestand tegen corrosie of inbijting door de producten die ze inhouden. Art. 7.Elke ruimte voor de opslag van afgewerkte oliën in de openlucht gelegen op een plaats die toegankelijk is voor personen die niets te maken hebben met de opslagsite, is afgesloten met een omheining van minimum twee meter hoog. Andere materiële, stevige en vaste middelen kunnen aangewend worden voor zover ze dezelfde graad van bescherming en veiligheid als de omheining garanderen. De voertuigen van de regionale brandweerdienst hebben vanaf de openbare weg vlotte toegang tot de opslagplaats. Art. 8.De stabiliteit van de mobiele tanks en recipiënten wordt onder alle omstandigheden gegarandeerd. Ze worden geïnstalleerd zodat ze niet kunnen omslaan of scheuren ingevolge extreme druk of verzakkingen. Art. 9.De mobiele tanks en recipiënten worden geplaatst zodat ze makkelijk gecontroleerd en onderhouden kunnen worden, zowel van buiten als van binnen. Art. 10.De vulopeningen worden aangebracht in een lekvrije voorziening voor de opvang van de vloeistoffen die niet rechtstreeks op de riolering, een gewoon oppervlaktewater of een kunstmatige afvloeiingsweg aangesloten is. Art. 11.Elke tank wordt onder het toezicht van een bevoegde deskundige vervoerd, geplaatst en aangesloten overeenkomstig de voorschriften van de in de volgende artikelen bedoelde norm die erop toepasselijk is. Art. 12.Bij de vulopening van elke tank wordt een bestendige, goed zichtbare en vlot leesbare identificatieplaat aangebracht waarop de volgende gegevens voorkomen : 1° het bouwnummer en -jaar;2° de capaciteit van de tank in m3 of in liters;3° het product dat zich in de tank bevindt;4° de datum van de dichtheidstest en de geldigheidsduur ervan. Art. 13.Alle toebehoren, zoals leidingen, kleppen en pompen, bevinden zich loodrecht boven opvangvoorzieningen en zijn ingericht zodat alle lekkages naar die voorziening geleid worden. Art. 14.Om een eventuele lekkage van de leidingen tegen te houden en om de verspreiding van afgewerkte oliën in de grond te voorkomen, beschikken die over hetzij een dubbele wand, hetzij een enkele wand, geplaatst in een sleuf die geen afgewerkte oliën doorlaat. Vanaf de sleuf worden de oliën via een doorlopende lichte helling afgevoerd naar een vlot toegankelijke opvangvoorziening. Er worden maatregelen genomen om die leidingen te beschermen tegen vervormingen die te wijten zijn aan de eventuele doorgang van de voertuigen. Art. 15.Elke ingegraven metalen leiding wordt keurig tegen corrosie afgeschermd door minstens een laag antiroestverf en een omhulling waterdichte en zelfklevende speciale isoleerband of door elk ander gelijkwaardig beschermingsmiddel. Art. 16.Elke tank wordt aangesloten op een luchtleiding die in de openlucht uitmondt en die voorzien is van een systeem dat regenwater, afvloeiend water en/of elk voorwerp tegenhoudt. Die luchtkoker is gedimensioneerd zodat alle over- of onderdruk binnen de tank voorkomen wordt. HOOFDSTUK III. - Exploitatie Art. 17.De maximumhoeveelheid afgewerkte oliën opgeslagen op de exploitatiesite wordt vastgelegd in de bijzondere voorwaarden. Art. 18.De exploitant is verplicht over een werkplan te beschikken. Dat werkplan bevat hoe dan ook : 1° de instructies voor het personeel in geval van brand of ongeval;2° de instructies betreffende de hantering, de opslag en de verwijdering van de afgewerkte oliën met inachtneming van deze voorwaarden en van de bepalingen van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 9 april 1992 betreffende de gevaarlijke afvalstoffen. Art. 19.De dagen en uren waarop afgewerkte oliën worden aangenomen liggen in de bijzondere voorwaarden vast. Art. 20.De handelingen tot hergroepering en sortering van afgewerkte oliën mogen slechts verricht worden in aanwezigheid en onder toezicht van een aangestelde die beschikt over alle vereiste instructies inzake ongevallen- en brandpreventie. Art. 21.Voor elke vermenging van afgewerkte oliën afkomstig van verschillende producenten of houders voert de exploitant een test met een representatief monster uit om pcb's op te sporen. De exploitant laat de aangewende methodes voor de monsterneming en de opsporing van pcb's valideren door een laboratorium erkend krachtens het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 9 juli 1987 betreffende het toezicht op de uitvoering van de bepalingen inzake afval en giftige afval. HOOFDSTUK IV. - Ongevallen- en brandpreventie Art. 22.Vóór de tenuitvoerlegging van het project en vóór elke wijziging van de plaats en/of de exploitatieomstandigheden die de risico's voor brand of voor de verspreiding ervan zouden kunnen wijzigen, verstrekt de exploitant de territoriaal bevoegde brandweerdienst informatie over de getroffen maatregelen en de aangewende uitrustingen inzake de preventie en de bestrijding van brand en ontploffingen, met inachtneming van de bescherming van de bevolking en het leefmilieu. HOOFDSTUK V. - Water Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 23.§ 1. De wateren die door afgewerkte oliën verontreinigd zijn of zouden kunnen worden, met inbegrip van het regenwater dat uit de inkuipingen, retentiebakken en kuilen afgevoerd wordt, mogen niet in de ondergrondse wateren geloosd worden. § 2. Het water voor de binnenreiniging van de mobiele tanks en recipiënten mag niet geloosd worden en wordt afgevoerd naar een installatie die vergund is om het te behandelen. Art. 24.Het systeem voor de opvang van de wateren die door afgewerkte oliën verontreinigd zijn of zouden kunnen worden, is strikt gescheiden van het systeem voor de opvang van het huishoudelijk afvalwater en het regenwater dat niet door de afgewerkte oliën verontreinigd is of kan worden. Art. 25.In geval van accidentele lozing mogen de op de grond verspreide vloeistoffen geenszins geloosd worden in een openbare riolering, in een gewoon oppervlaktewater, in een kunstmatige afwateringsweg of in de ondergrondse wateren. Ze worden onmiddellijk geneutraliseerd, vernietigd en/of afgevoerd. Art. 26.Elke rechtstreekse verbinding tussen de voorziening voor de retentie van de vloeistoffen van de aflaad- of laadruimtes of de afvoerput en de openbare riolering, een gewoon oppervlaktewater of een kunstmatige afwateringsweg is verboden. Wanneer geen station voor de zuivering van het verontreinigde water met de site verbonden is, mag het regenwater pas uit de retentiekuipen of afvoerputten afgevoerd worden als de kwaliteit ervan gecontroleerd is. Een betrouwbaar systeem belet de accidentele afvoer van de vloeibare effluenten bij gebrek aan een gepaste behandeling. Onder betrouwbaar systeem wordt verstaan een systeem voor opvang d.m.v. een pomp die met de hand ingeschakeld wordt vanaf een plek waar geoordeeld kan worden over de kwaliteit van de vloeibare effluenten. Regenwater dat eventueel behandeld moet worden, mag niet geloosd worden en wordt afgevoerd naar een installatie die vergund is om het te lozen of beheerd als afval. Wanneer een station voor de zuivering van het verontreinigde water met de site verbonden is, mag het regenwater continu naar het zuiveringsstation afgevoerd worden. Afdeling 2. - Lozingsvoorwaarden Onderafdeling 1. - Voorwaarden voor het lozen in gewone oppervlaktewateren of in kunstmatige afwateringskanalen Art. 27.Het in gewoon oppervlaktewater of in een kunstmatige afvloeiingsweg geloosde water dat door afgewerkte oliën verontreinigd is of kan worden voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° de pH is niet hoger dan 9 of niet lager dan 6,5;2° de temperatuur bedraagt hoogstens 30 °C;3° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter;4° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 15 mg per liter;5° het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter;6° een representatief monster van het geloosde water is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen 7° het bevat geen van de stoffen die bedoeld worden in de artikelen R. 131 tot R. 141 en de desbetreffende bijlagen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt. Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor het lozen in openbare rioleringen Art. 28.Het in openbare rioleringen geloosde water dat door afgewerkte oliën verontreinigd is of kan worden voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° de pH is niet hoger dan 9 of niet lager dan 6,5;2° de temperatuur bedraagt hoogstens 45 °C;3° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 1 000 mg per liter;4° de zwevende stoffen mogen niet groter zijn dan 1 cm.Vanwege hun structuur mogen ze de werking van de opvang- en zuiveringsstations niet schaden; 5° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 15 mg per liter;6° het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen is niet hoger dan 500 mg per liter;7° het geloosde water bevat geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken;8° het afvalwater bevat geen stoffen die :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.