het decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/05/2004 pub. 09/06/2004 numac 2004035898 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap « Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen » sluiten tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid artikel 20; Gelet op het decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/05/2004 pub. 09/06/2004 numac 2004035898 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap « Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen » sluiten tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, gewijzigd bij het decreet van 27 april 2008, inzonderheid op de artikelen 5, §§ 1 en 2, en 28 tot en met 30; Gelet op het decreet van 10 juli 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 10/07/2008 pub. 03/10/2008 numac 2008203342 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap sluiten betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 77, 79 en 81; Gelet op het advies van de raad van bestuur van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen gegeven op 26 juni 2008; Gelet op het advies van de praktijkcommissie van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen gegeven op 5 juni 2008; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 23 oktober 2008; Gelet op advies nr. 45.470/1 van de Raad van State, gegeven op 11 december 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° het decreet : het decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/05/2004 pub. 09/06/2004 numac 2004035898 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap « Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen » sluiten tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;2° het decreet leren en werken : het decreet van 10 juli 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 10/07/2008 pub. 03/10/2008 numac 2008203342 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap sluiten betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;3° Syntra Vlaanderen : het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, opgericht bij artikel 3 van het decreet;4° de raad van bestuur : de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen,
artikel 7 tot en met 12 van het decreet;5° de praktijkcommissie : de praktijkcommissie van Syntra Vlaanderen,
artikel 13 tot en met 18 van het decreet;6° de leertrajectbegeleider : de leersecretaris,
artikel 39 en 40 van het decreet;7° de centra : de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen,
artikel 36 tot en met 38 van het decreet;8° het begeleidingsteam : het begeleidingsteam
artikel 75 van het decreet leren en werken;9° de leerlingen : de jongeren die een opleiding of een cursus in de leertijd volgen;10° de ondernemersopleiding : een basisvorming die voorbereidt op het algemeen technisch, commercieel, financieel en administratief uitoefenen van een zelfstandig beroep en het beheer van een kleine en middelgrote onderneming,
artikel 31 tot en met 33 van het decreet;11° de cursist-stagiair : de cursist in de ondernemersopleiding, verbonden door een stageovereenkomst;12° opleiding : een opleiding in een beroep, die leidt tot een certificaat;13° opleidingstraject : een opleiding in een beroep die of het geheel van opleidingen in een beroep dat leidt tot een getuigschrift leertijd.Het opleidingstraject wordt ingedeeld in opleidingsjaren; 14° opleidingsprogramma : het opleidingsprogramma van de praktijkopleiding zoals bepaald door de praktijkcommissie en opgenomen in het curriculum van de opleiding dat de raad van bestuur heeft vastgelegd. Art. 2.De leertijd is een stelsel van leren en werken als
artikel 4 van het decreet leren en werken, dat een component werkplekleren en een component leren omvat. De component werkplekleren wordt ingevuld door een praktijkopleiding in een onderneming of een voortraject. De component leren wordt ingevuld door een theoretische vorming in een centrum. De theoretische vorming bestaat overeenkomstig artikel 31 van het decreet leren en werken uit een algemene vorming en een beroepsgerichte vorming. De praktijkcommissie bepaalt de duur van de praktijkopleiding in een onderneming per opleiding of groep van opleidingen in een beroep. De raad van bestuur bepaalt aan de hand daarvan de duur van de theoretische vorming per opleiding of groep van opleidingen in een beroep. Behoudens artikel 9 van dit besluit mag een opleidingstraject niet meer dan drie jaar praktijkopleiding omvatten. Art. 3.De leertijd kan overeenkomstig artikel 20 van het decreet leren en werken worden georganiseerd voor de opleidingen die voorkomen in de lijst van opleidingen die de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 22 van het decreet leren en werken heeft vastgelegd. Art. 4.§
artikel 21;6° de verwijzing naar wettelijke, verordenende en conventionele bepalingen met betrekking tot de sociale verzekering, en de arbeidsreglementering en -bescherming die van toepassing zijn op de leerling;7° de verwijzing naar artikel 25 van dit besluit met betrekking tot de aansprakelijkheid van het ondernemingshoofd-opleider en de leerling;8° de verbintenis van het ondernemingshoofd-opleider om bij een uitsluiting overeenkomstig artikel 35 een vergoeding als
artikel 36, te betalen. Bij de leerovereenkomst moeten inzonderheid de volgende documenten gevoegd zijn : 1° het opleidingsprogramma;2° de rechten en plichten van de leerling en van het ondernemingshoofd-opleider, met inbegrip van hun rechten en plichten op moreel en pedagogisch vlak;3° de bepalingen van dit besluit met betrekking tot de schorsing en het einde van de leerovereenkomst;4° het takenboek waarin alle partijen overeenkomstig de richtlijnen van de praktijkcommissie het verloop van de leertijd evalueren. Art. 9.De duur van de leerovereenkomst moet overeenstemmen met de duur van de opleiding in een beroep waarop de overeenkomst slaat. De duur mag niet minder dan een volledig cursusjaar en niet meer dan drie jaar bedragen. In afwijking van het eerste lid kan de praktijkcommissie, ambtshalve of op voorstel van de leertrajectbegeleider en/of het begeleidingsteam, na onderzoek : 1° de duur van een leerovereenkomst tot minimaal zes maanden verminderen als de vooropleiding, de vorderingen tijdens de leertijd of de leeftijd van de leerling dat rechtvaardigen;2° met het oog op de normale voltooiing van de leertijd, na een verandering van ondernemingshoofd-opleider, de duur van een nieuwe leerovereenkomst verminderen tot minder dan zes maanden;3° de duur van een leerovereenkomst verlengen met toepassing van artikel 30, derde lid, van dit besluit en artikel 77 van het decreet leren en werken. Art. 10.Met behoud van de toepassing van artikel 31, eindigt de leerovereenkomst op 30 juni van het jaar waarin de opleiding waarop de overeenkomst slaat, verstrijkt. Ambtshalve of op voorstel van de leertrajectbegeleider en na onderzoek kan de praktijkcommissie een andere einddatum van de leerovereenkomst bepalen. Art. 11.De leerovereenkomst moet een proeftijd bevatten die, overeenkomstig de richtlijnen van de praktijkcommissie, niet minder dan één maand en niet meer dan drie maanden mag duren. Bij schorsing van de uitvoering van de leerovereenkomst tijdens de proefperiode, wordt de proefperiode verlengd met een periode gelijk aan de duur van de schorsing. Met behoud van de toepassing van de wijzen waarop de verbintenissen in het algemeen eindigen, komt aan de leerovereenkomst tijdens de proeftijd een einde op verzoek van een van de partijen. Er moet dan wel een opzeggingstermijn van zeven kalenderdagen in acht genomen worden, die ingaat op de dag die volgt op de dag waarop de opzegging schriftelijk werd gegeven. Het ondernemingshoofd-opleider deelt dat binnen tien kalenderdagen schriftelijk mee aan de leertrajectbegeleider. Een schorsing van de uitvoering van de leerovereenkomst vóór of tijdens de opzeggingstermijn schorst de opzeggingstermijn niet. Art. 12.§ 1. Om erkend te kunnen worden moet de leerovereenkomst beantwoorden aan de bepalingen van dit besluit, onverminderd de bijzondere bepalingen die de praktijkcommissie voor een opleiding of een groep van opleidingen kan opleggen. § 2. De leertrajectbegeleider moet het verzoek tot erkenning van de leerovereenkomst, binnen een redelijke termijn na de ondertekening ervan, samen met een advies aan de praktijkcommissie bezorgen. § 3. Op basis van het verzoek en het advies van de leertrajectbegeleider moet de praktijkcommissie in het bijzonder kunnen nagaan : 1° of de leerovereenkomst gesloten werd in een opleidingsplaats die voldoet aan de vereisten,
artikel 14 tot en met 18, en of de leerling voldoet aan de voorwaarden,
artikel 4;2° of de leerovereenkomst voldoet aan de vereisten,
dit besluit. § 4. Voldoet de leerovereenkomst niet aan de bepalingen,
De beslissing daarover moet uiterlijk binnen een maand na indiening van het verzoek tot erkenning, schriftelijk betekend worden aan de leertrajectbegeleider. De leertrajectbegeleider brengt de betrokken partijen daarvan schriftelijk op de hoogte. §
§ 3. Ambtshalve of op voorstel van de leertrajectbegeleider en na onderzoek kan de praktijkcommissie afwijken van de vereiste inzake praktijk in het beroep,
, 1° b), als het ondernemingshoofd het bewijs levert van een vooropleiding die past binnen de aard van het beroep. § 4. Als het ondernemingshoofd niet persoonlijk de praktijkopleiding van een leerling waarneemt of niet voldoet aan de voorwaarden,
, 1°, en § 2, moet het ondernemingshoofd, op voorwaarde dat de onderneming ongeacht haar rechtspersoonlijkheid twee jaar bestaat, onder de personeelsleden een monitor aanwijzen die, met uitzondering van de twee jaar praktijk in het beroep als ondernemingshoofd, de voorwaarden,
Op voorstel van de leertrajectbegeleider en na onderzoek kan de praktijkcommissie afwijken van de vereiste dat de onderneming 2 jaar moet bestaan. De monitor neemt de praktijkopleiding en de pedagogische begeleiding van een leerling waar, onder de verantwoordelijkheid van het ondernemingshoofd en overeenkomstig de richtlijnen van de praktijkcommissie. § 5. Ambtshalve of op voorstel van de leertrajectbegeleider en na onderzoek kan de praktijkcommissie het ondernemingshoofd-opleider of, in voorkomend geval, de monitor verplichten een bijscholing te volgen om als opleider van een leerling te kunnen optreden of blijven optreden. Art. 15.Als de onderneming een rechtspersoon is, zijn de bepalingen,
artikel 14 van toepassing op de natuurlijke persoon die met de werkelijke leiding belast is en die gemachtigd is de rechtspersoon te verbinden. Art. 16.De praktijkcommissie onderzoekt of de opleidingsplaats voldoet aan de voorwaarden,
artikel 14. Als de praktijkcommissie oordeelt dat de opleidingsplaats niet voldoet aan de voorwaarden,
artikel 14, dan kan het ondernemingshoofd binnen veertien kalenderdagen na kennisgeving bij aangetekend schrijven van de beslissing tot niet-erkenning een verzoek tot herziening bij de praktijkcommissie indienen. Na onderzoek en na het horen van het ondernemingshoofd doet de praktijkcommissie zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek, een uitspraak. Art. 17.Het ondernemingshoofd-opleider of, in voorkomend geval, de monitor die een eerste maal een leerling of cursist-stagiair opleidt, kan tijdens het eerste jaar hoogstens één leerling of cursist-stagiair opleiden. Ambtshalve of op voorstel van de leertrajectbegeleider en na onderzoek beslist de praktijkcommissie, of het ondernemingshoofd-opleider of, in voorkomend geval, de monitor na een eerste opleidingsjaar van één leerling of één cursist-stagiair, twee leerlingen of cursisten-stagiairs of een leerling en een cursist-stagiair gelijktijdig mag opleiden. Binnen eenzelfde onderneming kan de praktijkcommissie ambtshalve of op voorstel van de leertrajectbegeleider en na onderzoek beslissen dat meer dan twee leerlingen en cursisten-stagiairs gelijktijdig opgeleid worden, op voorwaarde dat het ondernemingshoofd een of meer monitors overeenkomstig artikel 14, § 4, onder de personeelsleden aanwijst. De bepalingen,
het eerste tot en met het derde lid, gelden per afzonderlijke uitbatingzetel. Art. 18.Elke wijziging met betrekking tot de beroepsactiviteit of de uitbatingzetel, die gevolgen heeft voor de opleiding van de leerling, moet door het ondernemingshoofd binnen tien kalenderdagen aan de leertrajectbegeleider meegedeeld worden. Ambtshalve of op voorstel van de leertrajectbegeleider en na onderzoek kan de praktijkcommissie naar aanleiding van een dergelijke wijziging besluiten de erkenning van de leerovereenkomst op te heffen. Die beslissing moet aan het ondernemingshoofd schriftelijk meegedeeld worden. Het ondernemingshoofd kan bij de praktijkcommissie een verzoek tot herziening indienen binnen veertien kalenderdagen na kennisgeving bij aangetekend schrijven van de beslissing. Na onderzoek en na het horen van het ondernemingshoofd doet de praktijkcommissie zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek, uitspraak. Onderafdeling III. - Rechten en plichten van de partijen Art. 19.Het ondernemingshoofd-opleider en de leerling moeten respectvol met elkaar omgaan. Gedurende de uitvoering van de leerovereenkomst moeten zij de welvoeglijkheid en de goede zeden in acht nemen en waarborgen. Art. 20.De leerling is verplicht : 1° de leerovereenkomst te sluiten en uit te voeren met de bedoeling de leertijd te voleindigen;2° behoudens vrijstelling, de theoretische vorming te volgen en deel te nemen aan de daaraan verbonden examens en praktische proeven;3° het takenboek,
artikel 8, tweede lid, 4°, nauwgezet bij te houden en in te vullen;4° de opgedragen taken zorgvuldig, eerlijk en nauwgezet te verrichten op de tijd, plaats en wijze die is overeengekomen;5° te handelen volgens de richtlijnen die het ondernemingshoofd-opleider, de aangestelden en lasthebbers of, in voorkomend geval, de monitor geeft;6° zich te onthouden van al wat schade kan berokkenen aan de eigen veiligheid, de veiligheid van de werkmakkers, het ondernemingshoofd-opleider of derden;7° het toevertrouwde gereedschap, de werkkledij en de ongebruikte grondstoffen in goede staat aan het ondernemingshoofd-opleider terug te geven;8° tijdens en na de proeftijd de leerovereenkomst alleen te beëindigen overeenkomstig de bepalingen,
artikel 31;9° de leertrajectbegeleider onmiddellijk te waarschuwen als problemen rijzen bij de uitvoering van de leerovereenkomst;10° zowel tijdens de uitvoering als na de beëindiging van de leerovereenkomst :
§ 3. De leervergoedingen,
, worden de eerste januari van elk jaar aangepast aan de evolutie van het gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november die voorafgaat, met dien verstande dat de eerste aanpassing pas plaatsheeft op 1 januari
artikel 8, tweede lid, 1°. Daartoe is het ondernemingshoofd in het bijzonder verplicht : 1° als een goed huisvader ervoor te zorgen dat de praktijkopleiding plaatsvindt in behoorlijke omstandigheden met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid van de leerling overeenkomstig de voorschriften van de wetgeving betreffende het welzijn op het werk;2° de leertrajectbegeleider en de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling overeenkomstig dit besluit en de richtlijnen van de praktijkcommissie op de hoogte te houden van het verloop van de praktijkopleiding;3° aan de leerling de nodige hulp, gereedschappen, grondstoffen, werk- en veiligheidskleding ter beschikking te stellen zonder dat dit beschouwd mag worden als een voordeel in natura;4° de nodige aandacht te besteden aan de opvang en de integratie van de leerling in het beroepsmilieu;5° de leerling geen taken te laten verrichten die niets te maken hebben met het beroep, die gevaarlijk of schadelijk kunnen zijn of die krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen verboden zijn;6° de leerling behoorlijk te huisvesten en gezond en voldoende voedsel te verstrekken, als hij de verbintenis heeft aangegaan om de leerling kost en inwoning te verschaffen. Art. 23.Samen met de leertrajectbegeleider moet het ondernemingshoofd-opleider erover waken dat de leerling nauwgezet het takenboek,
artikel 8, tweede lid, 4°, bijhoudt en, behoudens vrijstelling, de theoretische vorming volgt en aan alle examens en praktische proeven deelneemt. Het ondernemingshoofd moet in het bijzonder de leerling in staat stellen zich naar de cursussen van de theoretische vorming, de examens en de praktische proeven te begeven. Als de cursussen, de examens en de praktische proeven niet op een arbeidsdag plaatsvinden, moet het ondernemingshoofd binnen een termijn van vijf werkdagen aan de leerling een hele of een halve compensatiedag toekennen overeenkomstig de duur van de cursussen, de examens of praktische proeven. Het ondernemingshoofd moet de leerling in staat stellen om zich ook tijdens de arbeidsuren naar de leertrajectbegeleider te begeven. Art. 24.Het ondernemingshoofd moet zich schikken naar alle wettelijke, reglementerende en conventionele bepalingen, inzonderheid met betrekking tot voorzieningen van sociale zekerheid, arbeidswetgeving, welzijnswetgeving en verzekeringen, die opgelegd zijn aan het ondernemingshoofd dat een erkende leerovereenkomst heeft ondertekend. Het ondernemingshoofd moet ten aanzien van de leerling de wetgeving op de jaarlijkse vakantie naleven. Aan de leerling die tijdens een bepaald jaar wettelijk geen of slechts gedeeltelijk recht op vakantie heeft, moet het ondernemingshoofd een niet-betaalde vakantie verlenen, die de leerling kan opnemen zoals de wettelijke vakantie. De betaalde en niet-betaalde vakantie moeten samen ten minste 24 dagen bedragen voor twaalf maanden uitvoering van de leerovereenkomst tijdens het lopende kalenderjaar. Bovendien moet het ondernemingshoofd aan de leerling één niet-betaalde vakantiedag toekennen per volledige kalendermaand van uitvoering van de leerovereenkomst in zijn onderneming. Met uitvoering van de leerovereenkomst worden gelijkgesteld, alle periodes van schorsing,
artikel 28 en 29. Die vakantiedagen zijn niet overdraagbaar naar een andere onderneming en naar een volgend kalenderjaar. Het ondernemingshoofd moet zich schikken naar het dagelijkse en wekelijkse werkrooster, zoals bepaald door het arbeidsreglement. Dat werkrooster mag de maximumgrens, vastgesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst of, bij gebrek aan een collectieve arbeidsovereenkomst, de maximumgrens, vastgelegd door de arbeidswetgeving, niet overschrijden. Art. 25.Als de leerling bij de uitvoering van de leerovereenkomst het ondernemingshoofd-opleider of derden schade berokkent, is hij alleen aansprakelijk ingeval van bedrog of zware schuld. Voor lichte schuld is hij alleen aansprakelijk als die schuld eerder gewoonlijk dan toevallig bij hem voorkomt. De leerling is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of de sleet die toe te schrijven is aan het regelmatig gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallige verlies ervan. Als het werk eenmaal in ontvangst is genomen, is de leerling niet meer aansprakelijk voor het gebrekkige werk. Art. 26.Het ondernemingshoofd-opleider of, in voorkomend geval, de monitor moeten de leertrajectbegeleider behulpzaam zijn als die laatste overeenkomstig artikel 39, 6°, van het decreet toezicht uitoefent op de door zijn bemiddeling gesloten leerovereenkomst in de onderneming. Het ondernemingshoofd-opleider of, in voorkomend geval, de monitor moeten de door Syntra Vlaanderen aangewezen personeelsleden behulpzaam zijn als zij overeenkomstig artikel 42 van het decreet, toezicht uitoefenen op de bepalingen van het decreet en van dit besluit. Art. 27.Op verzoek van de leerling is het ondernemingshoofd verplicht een verklaring te bezorgen waarop de begin- en de einddatum van de leerovereenkomst en de aard van de praktijkopleiding worden vermeld. Onderafdeling IV. - Schorsing van de uitvoering van de leerovereenkomst Art. 28.De leerling heeft het recht om tijdens de uitvoering van de leerovereenkomst afwezig te zijn, met behoud van de leervergoeding, ter gelegenheid van de gebeurtenissen en onder dezelfde voorwaarden als
artikel 30 van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten. Art. 29.§
artikel 14, §
artikel 32, § 1, van het decreet leren en werken, en die de opleiding in een beroep beogen. Ze is aanvullend op en onlosmakelijk verbonden met de praktijkopleiding in een onderneming. §
artikel 50 van het decreet leren en werken. Het centrumreglement moet ter goedkeuring aan de raad van bestuur worden voorgelegd. Art. 41.Om erkend te kunnen worden moet elke cursus van de algemene en beroepsgerichte vorming aan de volgende vereisten beantwoorden : 1° opgenomen zijn in een organisatieplan van het centrum dat door de raad van bestuur goedgekeurd is;2° voldoen aan de bepalingen van het decreet leren en werken;3° overeenstemmen met de leerplannen en curricula, vastgelegd overeenkomstig de bepalingen,
artikel 38 en 42;4° gegeven worden voor groepen van leerlingen waarvan het maximumaantal beantwoordt aan de bepalingen,
artikel 47;5° gegeven worden door lesgevers die voldoen aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1991 tot bepaling van de werkvoorwaarden en de geldelijke regeling van de lesgevers in de leertijd en in de gecertificeerde opleidingen. Art. 42.De cursussen van de algemene vorming en de beroepsgerichte vorming moeten overeenstemmen met de curricula zoals vastgesteld door de raad van bestuur. De curricula bevatten de toelatingsvoorwaarden en vrijstellingsvoorwaarden, de vereiste infrastructuur en uitrusting van de centra en het programma. Het programma omvat de minimale doelstellingen, de leerinhouden, de methodische richtlijnen, de richtlijnen voor de evaluatie en de puntenverdeling. Met behoud van de toepassing van artikel 32 en 33 van het decreet leren en werken kan de raad van bestuur, na onderzoek, wijzigingen aan de vastgelegde curricula toestaan om het invoeren van pedagogische of inhoudelijke vernieuwingen mogelijk te maken. Art. 43.Om erkend te kunnen worden moet elke aanvullende taalcursus aan de volgende vereisten beantwoorden : 1° opgenomen zijn in een organisatieplan van het centrum dat door de raad van bestuur goedgekeurd is;2° gegeven worden voor groepen van leerlingen waarvan het maximumaantal beantwoordt aan de bepalingen,
artikel 47. Art. 44.Het organisatieplan,
artikel 41, 1°, en artikel 43, 1°, moet voldoen aan de vereisten en ingediend worden overeenkomstig de procedure vastgelegd door de raad van bestuur. Art. 45.Elke cursus van de theoretische vorming groepeert leerlingen van eenzelfde opleidingsjaar. Leerlingen van verschillende opleidingsjaren kunnen, na goedkeuring door Syntra Vlaanderen, samengevoegd worden. Het programma moet dan dermate gespreid zijn dat een onderdeel ervan niet tweemaal aan dezelfde leerlingen wordt gegeven. Art. 46.Elke cursus beroepstechnische vorming groepeert leerlingen van eenzelfde opleiding in een beroep of van een groep van verwante opleidingen in een beroep. Leerlingen van verschillende opleidingen in een beroep of van verschillende groepen van verwante opleidingen in een beroep kunnen, na goedkeuring door Syntra Vlaanderen, samengevoegd worden. Art. 47.§
Art. 48.De erkenning van een cursus kan opgeheven worden als die cursus niet meer beantwoordt aan de vereisten,
artikel 41 en
artikel 38, § 1, tweede lid, van dit besluit. Art. 54.De leertrajectbegeleider bepaalt het opleidingstraject en het traject algemene vorming op basis van de intake en de screening. Hij pleegt, naargelang van de situatie, overleg met andere betrokkenen. Hij licht de leerling en de wettelijke vertegenwoordiger in over de passende cursussen theoretische vorming en de lesplaatsen waar deze georganiseerd worden. Op basis van de inlichtingen van de leertrajectbegeleider en afhankelijk van het opleidingstraject en het traject algemene vorming kiezen de leerling en de wettelijke vertegenwoordiger de lesplaats. Overeenkomstig artikel 39 van het decreet schrijft de leertrajectbegeleider de leerling in in de passende cursus. Als dat nodig is, kan Syntra Vlaanderen de betrokken leerling verwijzen naar een meer passende cursus in een ander centrum. Afdeling III. - Het volgen van de lessen Art. 55.De leerlingen volgen de theoretische vorming integraal, dus zowel de algemene als de beroepsgerichte vorming, in hetzelfde centrum en op eenzelfde cursusdag per week. In overleg met het centrum, kan Syntra Vlaanderen een afwijking verlenen op het eerste lid. Art. 56.Elke leerling volgt de cursussen van de theoretische vorming in overeenstemming met zijn traject algemene vorming en zijn opleidingstraject. Art. 57.Voor leerlingen die verbonden zijn door een erkende leerovereenkomst en die kiezen voor een opleiding in een beroep waarvoor geen cursus beroepsgerichte vorming wordt georganiseerd, kan Syntra Vlaanderen na grondig onderzoek, in overleg met het centrum een alternatief programma beroepsgerichte vorming opstellen. De leerlingen,
het eerste lid, moeten aan de theoretische examens beroepsgerichte vorming en de praktische proeven deelnemen. Art. 58.Syntra Vlaanderen coördineert de pedagogische en didactische begeleiding van de leerlingen en houdt er in samenwerking met de centra toezicht op dat ze de lessen volgen. Leerlingen moeten regelmatig les volgen. Het begeleidingsteam kan maatregelen nemen op pedagogisch vlak en kan in voorkomend geval de praktijkcommissie voorstellen om de erkenning van de leerovereenkomst op te heffen. HOOFDSTUK IV. - De begeleiding,evaluatie en studiebekrachtiging Afdeling I. - Begeleiding Art. 59.De leerlingen worden integraal en permanent begeleid en geëvalueerd overeenkomstig de bepalingen van het decreet leren en werken, de bepalingen van dit besluit en de richtlijnen van de raad van bestuur en de praktijkcommissie wat haar bevoegdheid betreft. Art. 60.De bepalingen en richtlijnen,
artikel 59, worden door de raad van bestuur gebundeld in een examenreglement. Het centrum bezorgt aan elke leerling dat examenreglement. Art. 61.De praktijkopleiding bij het ondernemingshoofd-opleider moet inzonderheid aandacht krijgen en gevolgd worden door de bespreking van het takenboek, de verslagen van de betrokken leertrajectbegeleider en andere evaluatie-instrumenten, vastgelegd door de praktijkcommissie. Afdeling II. - Evaluatie Onderafdeling I. - Algemene vorming Art. 62.De algemene vorming wordt overeenkomstig artikel 77 van het decreet leren en werken per opleidingsjaar op de volgende twee manieren geëvalueerd. 1° door een examen;2° door tussentijdse evaluaties die aan de hand van attitude, taken en toetsen de vorderingen van de leerling tijdens de lessen algemene vorming van het cursusjaar beoordelen. Art. 63.Elk centrum moet een examen algemene vorming organiseren op het einde van elk cursusjaar en in elke lesplaats waar die cursus wordt georganiseerd. Op verzoek van het centrum kan Syntra Vlaanderen beslissen dat het examen,
het eerste lid, gedeeltelijk plaatsvindt op een ander tijdstip tijdens het cursusjaar. Art. 64.De examens moeten betrekking hebben op het programma,
artikel 42, eerste lid. Art. 65.De examens zijn schriftelijk en worden opgesteld en beoordeeld door de lesgevers van de cursussen algemene vorming. Op verzoek van het centrum kan Syntra Vlaanderen beslissen dat de examens mondeling zijn. Om te slagen voor de algemene vorming moet de leerling in elk opleidingsjaar de helft van het totale aantal punten behalen na samenvoeging van de tussentijdse evaluaties en het examen. De tussentijdse evaluaties worden beoordeeld op 30 % van het totale aantal punten voor algemene vorming. Het examen wordt beoordeeld op 70 % van het totale aantal punten voor algemene vorming. Onderafdeling II. - Praktijkopleiding en beroepsgerichte vorming Art. 66.De praktijkopleiding en de beroepsgerichte vorming worden per opleidingsjaar op drie manieren geëvalueerd : 1° door een praktische proef over de praktijkopleiding;2° door een theoretisch examen over de beroepsgerichte vorming;3° door tussentijdse evaluaties die aan de hand van attitude, taken en toetsen de vorderingen van de leerling tijdens de lessen beroepsgerichte vorming van het cursusjaar beoordelen. Art. 67.Elk centrum moet een praktische proef organiseren op het einde van elk cursusjaar. De praktische proef moet afgestemd zijn op de competenties van het beroep dat het voorwerp is van de leerovereenkomst. De praktijkcommissie bepaalt per opleidingsjaar de te meten competenties. Bij ontstentenis van een praktische proef, vastgelegd door Syntra Vlaanderen, wordt de proef opgesteld door de lesgever beroepsgerichte vorming. Behoudens afwijkingen, bepaald door Syntra Vlaanderen, wordt de praktische proef beoordeeld door een lesgever van de cursus beroepsgerichte vorming. De laatste praktische proef van het opleidingstraject wordt beoordeeld door twee juryleden, van wie minstens één geen lesgever is van de betrokken leerling. Art. 68.Elk centrum moet een theoretisch examen beroepsgerichte vorming organiseren op het einde van elk cursusjaar en in elke lesplaats waar die cursus wordt georganiseerd. Op verzoek van het centrum kan Syntra Vlaanderen beslissen dat het examen,
het eerste lid, gedeeltelijk plaatsvindt op een ander tijdstip tijdens het cursusjaar. Art. 69.Het theoretische examen moet betrekking hebben op het programma van de beroepgerichte vorming,
artikel 42, eerste lid. Bij de vraagstelling moet de verbondenheid met de praktijkopleiding zo veel mogelijk tot uiting komen. Art. 70.De theoretische examens zijn schriftelijk. Bij ontstentenis van een theoretisch examen, vastgelegd door de raad van bestuur, wordt het examen opgesteld door de lesgevers beroepsgerichte vorming. Het theoretische examen wordt beoordeeld door de lesgevers van de cursus beroepsgerichte vorming. Op verzoek van het centrum kan Syntra Vlaanderen beslissen dat de examens mondeling zijn. Art. 71.Om te slagen voor de praktijkopleiding en de beroepsgerichte vorming moet de leerling : 1° de helft van het totale aantal punten behalen na samenvoeging van de tussentijdse evaluaties, het theoretische examen en de praktische proef;2° de helft van het aantal punten behalen op de praktische proef. In afwijking van het eerste lid kan de praktijkcommissie voor bepaalde beroepen beslissen dat de leerling om te slagen in een opleidingsjaar bovendien de helft van het aantal punten op onderdelen van de praktische proef moet behalen. De praktijkcommissie legt die onderdelen vast. De tussentijdse evaluaties worden beoordeeld op 10 % van het totale aantal punten voor praktijkopleiding en beroepsgerichte vorming. Het theoretische examen wordt beoordeeld op 30 % van het totale aantal punten voor praktijkopleiding en beroepsgerichte vorming. De praktische proef wordt beoordeeld op 60 % van het totale aantal punten voor praktijkopleiding en beroepsgerichte vorming. Onderafdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 72.§ 1. Bij het einde van elk cursusjaar beraadslaagt het begeleidingsteam in het bijzonder over het verdere verloop van de leertijd van de leerlingen die onvoldoende punten hebben behaald overeenkomstig de bepalingen,
onderafdeling I en II. § 2. Na beraadslaging kan het begeleidingsteam de volgende voorstellen in verband met het verder verloop van de leertijd van de leerlingen,
, aan de praktijkcommissie bezorgen overeenkomstig artikel 77 van het decreet leren en werken : 1° de leerling zet de leertijd zoals overeengekomen verder;2° de duur van de leerovereenkomst van de leerling wordt met een jaar verlengd;3° de erkenning van de leerovereenkomst wordt opgeheven. De voorstellen kunnen voor de leerling gepaard gaan met begeleidende maatregelen op pedagogisch vlak. Art. 73.Ter uitvoering van artikel 79 van het decreet leren en werken wordt de beroepsprocedure tegen een beslissing van de praktijkcommissie vastgesteld op de wijze,
het tweede tot en met het zesde lid. De gemotiveerde beslissing van de praktijkcommissie wordt schriftelijk medegedeeld aan de partijen. De leerling of zijn wettelijke vertegenwoordiger en het ondernemingshoofd-opleider kunnen individueel of gezamenlijk binnen 14 dagen na kennisneming van de gemotiveerde beslissing van de praktijkcommissie met een aangetekende brief een bezwaar aantekenen bij Syntra Vlaanderen. Dat bezwaar heeft geen opschortende werking. Syntra Vlaanderen hoort de partijen en bezorgt aan de praktijkcommissie een advies, samen met een schriftelijk verslag van het verhoor van de partijen. De praktijkcommissie spreekt zich uit binnen twee maanden na ontvangst van het bezwaar. De zittingsdatum van de praktijkcommissie, alsook het voorstel van beslissing wordt aan de partijen meegedeeld. Zij kunnen inzage vragen in het dossier, een schriftelijke verdediging neerleggen, of persoonlijk hun inzichten verwoorden tijdens de zitting. Syntra Vlaanderen brengt zo vlug mogelijk de partijen op de hoogte van de beslissing van de praktijkcommissie. Art. 74.De uitslagen van de examens en de praktische proeven worden meegedeeld aan de leerlingen of hun wettelijke vertegenwoordiger en aan het ondernemingshoofd-opleider van de betrokken leerling. Art. 75.Het centrum stelt een planning op voor de examens en de praktische proeven. Het centrum houdt de vragenlijsten van de examens, de opdrachten van de praktische proeven, de richtlijnen voor de verbetering en beoordeling, alsook de examens en het verslag van de examens zelf ter beschikking van Syntra Vlaanderen. Art. 76.Het centrum zorgt voor een goed en regelmatig verloop van de examens. Het centrum schikt zich naar het pedagogisch-didactisch en algemeen toezicht, uitgeoefend door Syntra Vlaanderen. Art. 77.Tot de examens en praktische proeven worden toegelaten : 1° de leerlingen die ingeschreven zijn in een centrum en, wat de toelating tot de examens betreft, behoudens afwijkingen die door Syntra Vlaanderen verleend worden, in minstens twee derde van de desbetreffende lessen aanwezig waren;2° de leerlingen die tijdens een vorig cursusjaar hebben deelgenomen aan een examen of praktische proef, maar die niet geslaagd waren en zich uiterlijk binnen drie jaar na dat examen of die praktische proef hebben ingeschreven in het centrum voor dit examen of die praktische proef.De leerlingen moeten zich schriftelijk en uiterlijk op 31 januari van het lopende cursusjaar inschrijven. Uiterlijk op 31 maart bezorgt het centrum de inschrijvingslijst van de leerlingen die deelnemen aan de examens en praktische proeven aan Syntra Vlaanderen. Art. 78.§
artikel 23 van het decreet leren en werken, is artikel 66, 1°, alleen van toepassing op de opleidingstrajecten waarvoor in het programma praktische proeven zijn vastgelegd. Voor alle andere opleidingstrajecten wordt alleen in het laatste opleidingsjaar een praktische proef georganiseerd. §
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.