artikel 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, aangenomen in New York op 20 november 1989;6° centrumstad : de grootsteden, de centrumsteden of de Vlaamse Gemeenschapscommissie,
artikel 4 van het decreet van 13 december 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/12/2002 pub. 29/01/2003 numac 2003035124 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds sluiten tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds;7° Jongerenwelzijn : het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 07/05/2004 pub. 02/06/2004 numac 2004035830 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot oprichting van het Intern Verzelfstandigd Agentschap Jongerenwelzijn type besluit van de vlaamse regering prom. 07/05/2004 pub. 07/06/2004 numac 2004035841 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap « Zorg en Gezondheid » sluiten tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn;8° Vlaamse coördinatoren opvoedingsondersteuning : de leden van de preventieteams binnen het agentschap Jongerenwelzijn;9° Kind en Gezin : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij het decreet van 30 april 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/04/2004 pub. 07/06/2004 numac 2004035799 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin sluiten. HOOFDSTUK 2. - De opvoedingswinkel Afdeling 1. - Organisatie, doelstellingen en opdrachten Art. 2.Een opvoedingswinkel bestaat uit minstens één contactpunt waar ouders en opvoedingsverantwoordelijken terechtkunnen voor een gediversifieerd aanbod opvoedingsondersteuning. De opvoedingswinkel wordt opgericht en uitgebaat, van bij de start en op continue basis, door een samenwerkingsverband dat bestaat uit actoren als
artikel 5, eerste lid, van het decreet, die zich verenigen om een concreet aanbod van opvoedingsondersteuning uit te werken op lokaal niveau. De deelnemers aan het samenwerkingsverband streven ernaar samen de verschillende vormen van opvoedingsondersteuning, over de verschillende leeftijden en ontwikkelingsfasen van kinderen te vertegenwoordigen. Art. 3.De opvoedingswinkel heeft de volgende doelstellingen : 1° de competenties, vaardigheden en draagkracht van opvoedingsverantwoordelijken actief versterken;2° de spanningen, moeilijkheden en draaglast van opvoedingsverantwoordelijken, zo veel mogelijk verminderen;3° het sociale netwerk rond opvoedingsverantwoordelijken en hun kinderen versterken. Art. 4.Elke opvoedingswinkel vervult minstens de opdrachten
artikel 6, § 1, 4°, van het decreet. De opvoedingswinkel die telefonische of elektronische dienstverlening organiseert, pleegt daarover overleg met het Vlaams Expertisecentrum Opvoedingsondersteuning. Art. 5.De opvoedingswinkel kan nieuwe initiatieven ontwikkelen in antwoord op specifieke regionale behoeften. Afdeling 2. - Werking van de opvoedingswinkel Art. 6.De deelnemers aan het samenwerkingsverband die samen een opvoedingswinkel oprichten en uitbaten, ondertekenen een engagements-verklaring en maken schriftelijke afspraken over het aandeel dat elke partner opneemt in de opvoedingswinkel en de praktische organisatie van het aanbod. Art. 7.Elke opvoedingswinkel heeft ten minste één fysiek contactpunt dat voldoet aan al de volgende voorwaarden : 1° het contactpunt is bemand door een of meer onthaalmedewerkers die beschikken over de nodige kwalificaties om cliënten basisinformatie over opvoeden te verlenen, toe te leiden naar het aanbod van de opvoedingswinkel en waar nodig door te verwijzen naar het aanbod van de netwerken rechtstreeks toegankelijke hulp binnen de integrale jeugdhulp;2° het contactpunt is laagdrempelig in de zin van vlot bereikbaar, is gevestigd in een toegankelijk gebouw, en hanteert gezinsvriendelijke openingsuren met voldoende spreiding en frequentie;3° het contactpunt is uitnodigend en herkenbaar en draagt actief bij tot de zichtbaarheid, profilering en naamsbekendheid van de opvoedingswinkel. Art. 8.Door de deelnemers aan het samenwerkingsverband wordt een coördinator aangewezen, die belast is met de volgende opdrachten : 1° de dagelijkse leiding van de opvoedingswinkel;2° de afstemming met het lokaal bestuur en het lokaal beleid inzake opvoedings-ondersteuning;3° de voortgangscontrole van beleidsontwikkelingen;4° de vertegenwoordiging van de opvoedingswinkel in werkgroepen, overleg, enzovoort;5° de voorbereiding en uitvoering van het beleidsplan van de opvoedingswinkel, in samenspraak met de deelnemers aan het samenwerkingsverband. De opvoedingswinkel kan op elk moment een beroep doen op vrijwilligers. Als de vrijwilligers belast worden met de uitvoering van een of meer van de opdrachten,
artikel 6, § 1, van het decreet, moeten de opvoedingswinkels (evenwel) aantonen dat de betrokken vrijwilligers over de nodige competenties beschikken, opdat de kwaliteit van de dienstverlening op elk moment gegarandeerd is. De minister kan daarom nadere regels bepalen. Art. 9.De opvoedingswinkel verzamelt, volgens de richtlijnen van het Vlaams Expertisecentrum Opvoedingsondersteuning, op een systematische,, gecoördineerde en geanonimiseerde wijze, de gegevens die betrekking hebben op de kenmerken en behoeften van de opvoedingsverantwoordelijken die een beroep doen op de opvoedingswinkel enerzijds, en het aanbod opvoedingsondersteuning dat ingezet wordt vanuit de opvoedingswinkel anderzijds. Art. 10.Het werkingsgebied van de opvoedingswinkel bestrijkt tenminste de centrumstad waarin de opvoedingswinkel is gevestigd. Het aanbod van de opvoedingswinkel staat evenwel open voor inwoners van omliggende gemeenten. Afdeling 3. - Kwaliteitsvoorwaarden Art. 11.De opvoedingswinkel realiseert zijn doelstellingen en opdrachten vanuit een positieve visie op het kind en zijn opvoeding. In het aanbod van de opvoedingswinkel staan de rechten van het kind centraal.De principes en bepalingen uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 1989 vormen daarvoor de leidraad. Art. 12.De opvoedingswinkel discrimineert bij de dienstverlening niemand op basis van geslacht, nationaliteit, geloofs- en politieke overtuiging, taal, vermogen of sociale afkomst, en streeft ernaar om voor alle culturen en bevolkingsgroepen even laagdrempelig en toegankelijk te zijn. De Vlaamse coördinatoren opvoedingsondersteuning ondersteunen het samenwerkingsverband bij de uitvoering van de kwaliteitsvoorwaarde,
paragraaf 1, door ook aandacht te besteden aan specifieke doelgroepen binnen het algemene aanbod van de opvoedingswinkel, ter uitvoering van artikel 6, § 1, 6° van het decreet. Art. 13.Bij de realisatie van de opdrachten,
artikel 6, § 1, van het decreet, hanteert de opvoedingswinkel de volgende kwaliteitscriteria : 1° gericht op lokale behoeften als
het lokaal sociaal beleidsplan inzake opvoedingsondersteuning;2° gebruik van wetenschappelijk onderbouwde methodieken;3° respect voor de subsidiariteit, waarbij, als verschillende vormen van opvoedingsondersteuning gelijkwaardig aan een opvoedingsvraag of behoefte kunnen beantwoorden, de minst ingrijpende vorm van opvoedingsondersteuning wordt aangeboden;4° vraaggericht, waarbij het aanbod zoveel mogelijk wordt afgestemd op de specifieke vragen, belangen en behoeften van de cliënten;5° multidisciplinair;6° gedifferentieerd volgens levensfasen en specifieke doelgroepen;7° laagdrempelig : eenvoudig toegankelijk voor alle personen en doelgroepen. Afdeling 4. - Beleidsplan Art. 14.§ 1. De opvoedingswinkel zorgt vijfjaarlijks voor een beleidsplan dat aangeeft op welke wijze het samenwerkingsverband voldoet aan de voorwaarden voor de organisatie en werking van de opvoedingswinkel, op welke wijze de opdrachten en doelstellingen van de opvoedingswinkel gerealiseerd worden, alsook op welke wijze de kwaliteitscriteria,
artikel 13, in de praktijk gebracht worden. §
het beleidsplan. De inhoud en omvang van die evaluatie worden bepaald in samenspraak met Kind en Gezin. HOOFDSTUK
artikel 14, is een noodzakelijke voorwaarde voor de toekenning van de subsidie-enveloppe,
artikel 6, § 1, van het decreet. Aan de hand van dat beleidsplan toont het samenwerkingsverband aan dat het voldoet aan de voorwaarden voor de organisatie en werking van de opvoedingswinkel, op welke wijze de opdrachten en doelstellingen van de opvoedingswinkel gerealiseerd worden, alsook op welke wijze de kwaliteitscriteria,
dit besluit, in de praktijk gebracht worden. De subsidie-enveloppe wordt toegekend voor onbepaalde termijn, op voorwaarde van een positieve evaluatie (cfr. Art. 15) van het beleidsplan na afloop van de vooropgestelde termijn van vijf jaar. Art. 17.In elke centrumstad van het Nederlandse taalgebied, alsook in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, kan telkens aan één samenwerkingsverband een subsidie-enveloppe toegekend worden overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. Art. 18.Als het samenwerkingsverband een subsidie-enveloppe ontvangt krachtens dit besluit, wordt door Kind en Gezin aan de betrokken opvoedingswinkel automatisch een kwaliteitslabel toegekend, als
artikel 7, eerste lid, van het decreet. Aan het samenwerkingsverband, dat uitgaat van een niet in een centrumstad georganiseerd lokaal overleg opvoedingsondersteuning, kan door Kind en Gezin een kwaliteitslabel toegekend worden, voor zover het samenwerkingsverband voldoet aan de voorwaarden,
artikel 6, § 1, met uitzondering van 1°, van het decreet. Het kwaliteitslabel,
, wordt aangevraagd door het samenwerkingsverband volgens de procedure,
artikel
artikel 14;2° een engagementsverklaring, ondertekend door de verschillende deelnemers aan het samenwerkingsverband, die samen zorgen voor de organisatie en werking van de betrokken opvoedingswinkel;3° het adres en een omstandige plaatsbeschrijving van het fysieke contactpunt van de opvoedingswinkel. § 2. Kind en Gezin onderzoekt of de aanvraag tot toekenning van de subsidie-enveloppe voldoet aan de voorwaarden,
dit besluit, en of het samenwerkingsverband dat de aanvraag heeft ingediend, voldoende kwalitatieve waarborgen biedt voor een adequate werking
artikel 2, §
dit besluit, in het bijzonder bij een negatieve evaluatie van het beleidsplan;2° het samenwerkingsverband een ernstige onregelmatigheid begaat, vooral met betrekking tot de bepalingen,
artikel 23 tot en met
artikel 7 tweede lid, van het decreet. § 2. De aanvraag wordt verstuurd per aangetekende brief en bevat minstens de volgende elementen : 1° een beleidsplan waarin aangegeven wordt op welke wijze de voorwaarden,
artikel 6, § 1, van het decreet, met uitzondering van 1°, door het samenwerkingsverband gerealiseerd worden;2° een engagementsverklaring, ondertekend door de verschillende deelnemers aan het samenwerkingsverband;3° het adres en een omstandige plaatsbeschrijving van de opvoedingswinkel. § 3. Kind en Gezin onderzoekt of de aanvraag tot toekenning van een kwaliteitslabel voldoet aan de voorwaarden,
dit besluit. Indien nodig kan Kind en Gezin aanvullende stukken of inlichtingen opvragen bij het samenwerkingsverband. §
en § 3, worden jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen. De bedragen zijn vastgesteld op basis van de gezondheidsindex van november 2007 met basisjaar 2004, namelijk 106,93. Art. 24.Het toegekende subsidiebedrag kan alleen aangewend worden voor en gerechtvaardigd worden door de werking van het project. Subsidies die aangewend worden voor uitgaven die niet te verantwoorden zijn in het kader van de opdrachten van de opvoedingswinkel, worden teruggevorderd. Alle bewijsstukken van de besteding van de subsidie worden door de opvoedingswinkel bewaard en kunnen door de administratie worden opgevraagd of kunnen ter plaatse worden gecontroleerd door de medewerkers van het agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Tijdens de controle,
het eerste lid, zal worden nagegaan of aan de bepalingen van het besluit werd voldaan. Als dat niet het geval is, kunnen Jongerenwelzijn en Kind en Gezin de subsidie terugvorderen. Art. 25.Als de subsidie die krachtens dit besluit toegekend is, meer bedraagt dan de reële uitgaven voor personeels- en werkingskosten, moet de opvoedingswinkel met het saldo reserves opbouwen. De vorming van reserves mag maximaal 10 % bedragen van de voor het hele jaar toegekende subsidie. De gecumuleerde reserves mogen maximaal 20 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse subsidie van de laatste drie jaar. De reserves moeten worden aangewend voor dezelfde doeleinden en onder dezelfde voorwaarden als de subsidie,
dit besluit. Art. 26.De opvoedingswinkel stelt jaarlijks een financieel verslag op en bezorgt dat uiterlijk op 15 april aan Kind en Gezin. Het verslag bevat minstens een overzicht van alle kosten en de inkomsten van de opvoedingswinkel. De originele, genummerde en gedateerde bewijsstukken die betrekking hebben op de subsidieperiode, worden voor controle ter beschikking gehouden. Ze kunnen door de administratie worden opgevraagd of ter plaatse gecontroleerd worden door de personeelsleden van het agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen Art. 27.De beslissingen die Kind en Gezin neemt ter uitvoering van dit besluit en die betrekking hebben op de toekenning van een subsidie-enveloppe of kwaliteitslabel, worden altijd genomen in overleg met Jongerenwelzijn. Art. 28.De opvoedingswinkels die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit als project gesubsidieerd worden door Kind en Gezin en Jongerenwelzijn, ontvangen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, de jaarlijkse subsidie-enveloppe,
artikel 23. De opvoedingswinkels
, moeten zo snel mogelijk, en uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, voldoen aan de voorwaarden,
dit besluit. Tijdens de overgangsperiode behouden ze hun subsidie-enveloppe op voorwaarde dat ze de bepalingen in de projectovereenkomst, gesloten met Kind en Gezin en Jongerenwelzijn, stipt blijven naleven. De opvoedingswinkels,
, stellen uiterlijk tegen 15 december 2010 een eerste maal een beleidsplan op als
hoofdstuk 2, afdeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.