, 1° en 2°, mogen andere monomeren en uitgangsstoffen worden gebruikt bij de fabricage van vernis bestemd om in contact te komen met levensmiddelen, dan deze die voorkomen in de lijst van bijlage I bij verordening (EU) nr.10/2011, en geëvalueerd met toepassing van de richtlijnen van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid, en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een gunstig advies van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid of een evenwaardige bevoegde wetenschappelijke instelling. 4°
, 1°, 2° en 3°, mogen monomeren en andere uitgangsstoffen opzettelijk worden gebruikt onder de volgende voorwaarden :
, 1° en 2°, mogen andere additieven worden gebruikt bij de fabricage van vernis bestemd om in contact te komen met levensmiddelen, dan deze die voorkomen in de lijst van bijlage I bij verordening (EU) nr.10/2011, en geëvalueerd met toepassing van de richtlijnen van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid, en die het voorwerp heben uitgemaakt van een gunstig advies van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid of een evenwaardige bevoegde wetenschappelijke instelling. 4°
, 1°, 2° en 3°, mogen additieven opzettelijk worden gebruikt onder de volgende voorwaarden :
(3)Referentienummer Omschrijving van de levensmiddelen Levensmiddelsimulanten A B C D1 D2 E 01 Dranken 01.01 Niet-alcoholhoudende dranken of alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte dan 6 % vol of minder : A. transparante dranken : water, cider, transparant niet-geconcentreerd of geconcentreerd vruchten- of groentesap, vruchtennectar, limonade, stroop, bitters, aftreksels, koffie, thee, bier, frisdrank, energiedranken en dergelijke, gearomatiseerd water, vloeibaar koffie-extract X(*) X B. niet-transparante dranken : sappen en nectars en frisdrank met vruchtenpulp, most met vruchten, vloeibare chocolade X(*) X 01.02 Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte tussen 6 % vol en 20 % vol X 01.03 Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 20 % en alle roomlikeuren X 01.04 Diversen : niet-gedenatureerde ethanol X(*) Vervangen door 95 % ethanol 02 Granen, van granen afgeleide producten, biscuits, gebak en banketbakkerswerk 02.01 Zetmeel X 02.02 Granen in ongewijzigde staat, in vlokken, in schilfers (popcorn, cornflakes en dergelijke daaronder begrepen) X 02.03 Meel en gries X 02.04 Droge deegwaren, bv. macaroni, spaghetti en dergelijke producten en verse deegwaren X 02.05 Bakkerijproducten, biscuits, gebak, brood en banketbakkerswerk, droog : A. met vetstoffen aan de oppervlakte X/3 B. overige X 02.06 Bakkerijproducten, gebak, brood, deeg en banketbakkerswerk, vers : A. met vetstoffen aan de oppervlakte X/3 B. overige X 03 Chocolade, suiker en daarvan afgeleide producten Suikerwerk 03.01 Chocolade, met chocolade bedekte producten, surrogaten en met surrogaten bedekte producten X/3 03.02 Suikerwerk : A. in vaste vorm : I. met vetstoffen aan de oppervlakte X/3 II. overige X B. in de vorm van een pasta : I. met vetstoffen aan de oppervlakte X/2 II. vochtig X 03.03 Suiker en producten op basis van suiker : A. in vaste vorm : kristal- of poedersuiker X B. melasse, suikerstroop, honing en dergelijke X 04 Groenten, fruit en verwerkte producten 04.01 Gehele vruchten, vers of gekoeld, met schil 04.02 Verwerkt fruit : A. gedroogde of gedehydrateerde vruchten, geheel, in stukken, of in de vorm van meel of van poeder X B. vruchten in de vorm van puree, conserven, pasta of op eigen sap of in suikerstroop (jam, compote en dergelijke producten) X(*) X C. in een vloeistof bewaarde vruchten : I. in olie X II. in alcoholhoudende vloeistof X 04.03 Vruchten in de schaal (aardnoten, kastanjes, amandelen, hazelnoten, walnoten, pijnboompitten en soortgelijke vruchten) : A. van de schaal ontdaan, droog, in schilfers of poeder X B. van de schaal ontdaan en geroosterd X C. in de vorm van pasta of crème X X 04.04 Gehele groenten, vers of gekoeld, met schil 04.05 Verwerkte groenten : A. gedroogde of gedehydrateerde groenten, geheel, in stukken of in de vorm van meel of van poeder X B. verse groenten, geschild of gesneden X C. groenten in de vorm van puree, conserven, pasta of op eigen sap (ook indien gepekeld of ingelegd) X(*) X D. groenteconserven : I. in olie X X II. in alcoholhoudende vloeistof X 05 Oliën en vetten 05.01 Natuurlijke of bewerkte dierlijke of plantaardige oliën en vetten (cacaoboter, reuzel en uitgesmolten boter daaronder begrepen) X 05.02 Margarine, boter en andere uit emulsies van water in olie bestaande vetten X/2 06 Dierlijke producten en eieren 06.01 Vis : A. vers, gekoeld, verwerkt, gezouten of gerookt, kuit daaronder begrepen X X/3(**) B. geconserveerde vis : I. in olie X X II. in water X(*) X 06.02 Schaal-, schelp- en weekdieren (onder meer oesters, mosselen en slakken) A vers in de schaal of schelp B van de schaal of schelp ontdaan, verwerkt, geconserveerd of in de schaal of schelp verhit : I. in olie X X II. in water X(*) X 06.03 Vlees van alle soorten dieren (pluimvee en wild daaronder begrepen) : A. vers, gekoeld, gezouten, gerookt X X/4(**) B. verwerkte vleesproducten (ham, salami, bacon, worst en andere) of in de vorm van pasta, crème X X/4(**) C. gemarineerde vleesproducten in olie X X 06.04 Geconserveerd vlees : A. in olie of vet X X/3 B. in water X(*) X 06.05 Eieren in de schaal, eigeel, eiwit A. in poedervorm of gedroogd of bevroren X B. vloeibaar en verhit X 07 Zuivelproducten 07.01 Melk : A. melk en dranken op basis van melk, vol, gedeeltelijk gedehydrateerd en geheel of gedeeltelijk afgeroomd X B. melkpoeder met inbegrip van zuigelingenvoeding (op basis van vollemelkpoeder) X 07.02 Gefermenteerde melk zoals yoghurt, karnemelk en soortgelijke producten X(*) X 07.03 Room en zure room X(*) X 07.04 Kaas : A. geheel, met niet-eetbare korst X B. natuurlijke kaas zonder korst of met eetbare korst (gouda, camembert en dergelijke) en smeltkaas X/3(**) C. verwerkte kaas (zachte kaas, cottage cheese en dergelijke) X(*) X D. geconserveerde kaas : I. in olie X X II. in water (feta, mozzarella en dergelijke) X(*) X 08 Diverse producten 08.01 Azijn X 08.02 Gebakken of geroosterde levensmiddelen : A. patates frites, oliebollen en dergelijke X X/5 B. van dierlijke oorsprong X X/4 08.03 Preparaten voor soepen, bouillons of sauzen in vloeibare, vaste of poedervorm (extracten, concentraten); gehomogeniseerde samengestelde producten voor menselijke consumptie, kant-en-klaarmaaltijden, gist en rijsmiddelen daaronder begrepen A. in poedervorm of gedroogd : I. vettige producten X/5 II. overige X B. niet in poedervorm of gedroogd : I. vettige producten X X(*) X/3 II. overige X(*) X 08.04 Sauzen : A. waterige producten X(*) X B. vettige producten, bv. mayonaise, van mayonaise afgeleide sauzen, slasaus en andere olie-watermengsels, bv. sauzen op basis van kokos X X(*) X 08.05 Mosterd (met uitzondering van mosterdpoeder bedoeld onder nummer 08.14) X X(*) X/3(**) 08.06 Sandwiches, toast, pizza en dergelijke, met allerlei soorten levensmiddelen : A. met vetstoffen aan de oppervlakte X X/5 B. overige X 08.07 Consumptie-ijs X 08.08 Gedroogde levensmiddelen : A. met vetstoffen aan de oppervlakte X/5 B. overige X 08.09 Bevroren en diepgevroren levensmiddelen X 08.10 Geconcentreerde extracten met een alcoholgehalte van 6 % vol of meer X(*) X 08.11 Cacao : A. cacaopoeder, ook indien met verlaagd of sterk verlaagd vetgehalte X B. cacaomassa X/3 08.12 Koffie, ook indien gebrand, cafeïnevrij of oplosbaar, koffiesurrogaat in korrel- of poedervorm X 08.13 Aromatische planten en andere planten zoals kamille, kaasjeskruid, munt, thee, lindebloesem en andere X 08.14 Specerijen en kruiderijen in natuurlijke staat, zoals kaneel, kruidnagelen, mosterdpoeder, peper, vanille, saffraan, zout en andere X 08.15 Specerijen en kruiderijen in olie zoals pesto, kerriepasta X
- Voor het bepalen van de totale migratie te gebruiken levensmiddelsimulanten Om voor alle soorten levensmiddelen aan te tonen dat aan de totale migratielimiet wordt voldaan, worden testen uitgevoerd met gedestilleerd water of water van gelijkwaardige kwaliteit of levensmiddelsimulant A en levensmiddelsimulant B en levensmiddelsimulant D
- Om voor alle soorten levensmiddelen met uitzondering van zure levensmiddelen aan te tonen dat aan de totale migratielimiet wordt voldaan, worden testen uitgevoerd met gedestilleerd water of water van gelijkwaardige kwaliteit of levensmiddelsimulant A en levensmiddelsimulant D
- Om voor alle waterige en alcoholhoudende levensmiddelen en melkproducten aan te tonen dat aan de totale migratielimiet wordt voldaan, worden testen uitgevoerd met levensmiddelsimulant D
- Om voor alle waterige, zure en alcoholhoudende levensmiddelen en melkproducten aan te tonen dat aan de totale migratielimiet wordt voldaan, worden testen uitgevoerd met levensmiddelsimulant D1 en levensmiddelsimulant B. Om voor alle waterige levensmiddelen en alcoholhoudende levensmiddelen met een alcoholgehalte tot 20 % aan te tonen dat aan de totale migratielimiet wordt voldaan, worden testen uitgevoerd met levensmiddelsimulant C. Om voor alle waterige en zure levensmiddelen en voor alcoholhoudende levensmiddelen met een alcoholgehalte tot 20 % aan te tonen dat aan de totale migratielimiet wordt voldaan, worden testen uitgevoerd met levensmiddelsimulant C en levensmiddelsimulant B. HOOFDSTUK
- - Migratietesten Om te bepalen of de migratie uit materialen en voorwerpen die vernis bevatten aan de voorschriften voldoet, gelden de volgende algemene regels. Paragraaf 1 : Bepaling van de specifieke migratie uit materialen en voorwerpen die al met levensmiddelen in contact komen 1.
- Monstervoorbehandeling Het materiaal of voorwerp wordt opgeslagen zoals op het etiket op de verpakking is aangegeven, of indien hiervoor geen aanwijzingen worden gegeven, onder voor het verpakte levensmiddel geschikte omstandigheden. Het levensmiddel moet vóór de houdbaarheidsdatum of andere door de fabrikant om redenen van kwaliteit of veiligheid aangegeven uiterste gebruiksdatum van het materiaal of voorwerp worden verwijderd. 1.
- Testomstandigheden Als het levensmiddel in de verpakking moet worden verhit, moeten de daarvoor op de verpakking gegeven aanwijzingen worden gevolgd. Delen van het levensmiddel die niet voor consumptie bedoeld zijn, moeten worden verwijderd en weggegooid. De rest wordt gehomogeniseerd en de migratie hierin wordt bepaald. De analyseresultaten moeten altijd worden uitgedrukt op basis van de voor consumptie bedoelde massa van het levensmiddel die met het desbetreffende materiaal in contact komt. 1.
- Analyse van gemigreerde stoffen De specifieke migratie in het levensmiddel wordt onderzocht met een analysemethode die in overeenstemming is met artikel 11 van Verordening (EG) nr. 882/
- 1.
- Bijzondere gevallen Ingeval er verontreiniging is uit andere bronnen dan materialen die bestemd zijn om met levensmiddelen in contact te komen, moet daar bij de controle op de naleving van de desbetreffende materialen rekening mee worden gehouden. Paragraaf 2 : Bepaling van de specifieke migratie uit materialen en voorwerpen die nog niet met levensmiddelen in contact komen 2.
- Controlemethode De controle of de migratie naar levensmiddelen aan de migratielimieten voldoet, vindt plaats onder de meest extreme in de praktijk te verwachten omstandigheden wat tijdsduur en temperatuur betreft, met inachtneming van de punten 1.4, 2.1.1, 2.1.6 en 2.1.
- De controle of de migratie naar levensmiddelsimulanten aan de migratielimieten voldoet, wordt uitgevoerd aan de hand van conventionele migratietesten overeenkomstig de regels in de punten 2.1.1 tot en met 2.1.
- 2.1.
- Monstervoorbehandeling Het materiaal of voorwerp wordt behandeld overeenkomstig de gebruiksaanwijzing of de verklaring van overeenstemming. De migratie wordt bepaald met het materiaal of voorwerp of, wanneer dit onpraktisch is, met een monster van het materiaal of voorwerp of een monster dat representatief is voor het materiaal of voorwerp. Voor elke levensmiddelsimulant of elk soort levensmiddel wordt een nieuw monster genomen. Alleen de delen van het monster die bestemd zijn om bij het feitelijke gebruik met levensmiddelen in contact te komen, worden met de levensmiddelsimulant of het levensmiddel in contact gebracht. 2.1.
- Keuze van de levensmiddelsimulant Materialen en voorwerpen die bestemd zijn om met alle soorten levensmiddelen in contact te komen, worden getest met de levensmiddelsimulanten A, B en D
- Als er echter geen stoffen aanwezig zijn die met zure levensmiddelsimulant of levensmiddelen kunnen reageren, kan de test met levensmiddelsimulant B achterwege worden gelaten. Materialen en voorwerpen die alleen voor specifieke soorten levensmiddelen bestemd zijn, worden getest met de levensmiddelsimulanten die in bijlage III voor de desbetreffende soorten levensmiddelen zijn aangegeven. 2.1.
- Contactomstandigheden bij het gebruik van levensmiddelsimulanten Het monster wordt met de levensmiddelsimulant in contact gebracht onder de ongunstigste te verwachten gebruiksomstandigheden wat betreft de contacttijd (zie tabel 1) en de contacttemperatuur (zie tabel 2). Indien wordt geconstateerd dat uitvoering van de testen onder de combinatie van de in de tabellen 1 en 2 gespecificeerde contactomstandigheden leidt tot fysische of andere veranderingen in het monster die niet optreden onder de ongunstigste te verwachten gebruiksomstandigheden voor het onderzochte materiaal of voorwerp, worden de migratietesten uitgevoerd onder de ongunstigste te verwachten gebruiksomstandigheden waarbij deze fysische of andere veranderingen zich niet voordoen. Tabel 1 - Contacttijd Contacttijd bij ongunstigst te verwachten gebruik Duur van de test t ? 5 min 5 min 5 min 0,5 uur 0,5 uur 1 uur 1 uur 2 uur 2 uur 6 uur 6 uur 24 uur 1 dag 3 dagen 3 dagen 10 dagen meer dan 30 dagen zie bijzondere voorwaarden Tabel 2 - Contacttemperatuur Contactomstandigheden bij ongunstigst te verwachten gebruik Testomstandigheden Contacttemperatuur Testtemperatuur T ? 5 ° C 5 ° C 5 ° C 20 ° C 20 ° C 40 ° C 40 ° C 70 ° C 70 ° C 100 ° C of refluxtemperatuur 100 ° C 121 ° C(*) 121 ° C 130 ° C(*) 130 ° C 150 ° C(*) 150 ° C 175 ° C(*) T > 175 ° C neem de werkelijke temperatuur op het contactvlak met het levensmiddel (*) (*) Deze temperatuur wordt alleen voor de levensmiddelsimulanten D2 en E gebruikt. Voor toepassingen waarbij verhitting onder druk vereist is, kan de migratietest onder druk bij de desbetreffende temperatuur worden uitgevoerd. Voor de levensmiddelsimulanten A, B, C en D1 kan deze test worden vervangen door een test bij 100 ° C of bij refluxtemperatuur gedurende viermaal de tijd die volgens tabel 1 zou moeten worden gekozen. 2.1.
- Bijzondere voorwaarden voor contacttijden van meer dan 30 dagen bij kamertemperatuur en lager In het geval van contacttijden van meer dan 30 dagen bij kamertemperatuur en lager wordt het monster onderzocht met een versnelde test bij verhoogde temperatuur, maximaal 10 dagen bij 60 |SNC. De duur van de test en de temperatuur worden als volgt berekend : t2 = t1 * Exp ((-Ea/R) *(1/T1-1/T2)), Ea is de activeringsenergie in het ongunstigste geval, 80 kJ/mol, R is een factor, namelijk 8,31 J/kelvin/mol, Exp -9627 * (1/T1-1/T2), t1 is de contacttijd, t2 is de duur van de test, T1 is de contacttemperatuur in kelvin. Voor opslag bij kamertemperatuur wordt hiervoor de waarde 298 K (25 ° C) genomen. Voor gekoelde en bevroren opslag wordt hiervoor de waarde 278 K (5 ° C) genomen. T2 is de testtemperatuur in kelvin. Voor alle opslagtijden in bevroren toestand geldt een test gedurende 10 dagen bij 20 ° C. Voor alle opslagtijden in gekoelde of bevroren toestand, inclusief verwarming tot 70 ° C gedurende maximaal 2 uur of tot 100 ° C gedurende maximaal 15 minuten geldt een test gedurende 10 dagen bij 40 ° C. Voor alle opslagtijden in gekoelde of bevroren toestand, inclusief verwarming tot 70 ° C gedurende maximaal 2 uur of tot 100 ° C gedurende maximaal 15 minuten en opslagtijden van maximaal zes maanden bij kamertemperatuur geldt een test gedurende 10 dagen bij 50 ° C. Voor opslag langer dan 6 maanden bij kamertemperatuur en lager, inclusief verwarming tot 70 ° C gedurende maximaal 2 uur of tot 100 ° C gedurende maximaal 15 minuten geldt een test gedurende 10 dagen bij 60 ° C. De maximale testtemperatuur wordt bepaald door de faseovergangstemperatuur van het polymeer. Het monster mag bij de testtemperatuur geen fysische veranderingen ondergaan. In geval van opslag bij kamertemperatuur kan de duur van de test worden teruggebracht tot 10 dagen bij 40 ° C als er wetenschappelijke aanwijzingen voor zijn dat de migratie van de desbetreffende stof in het polymeer onder deze testomstandigheden een evenwicht bereikt heeft. 2.1.
- Bijzondere voorwaarden voor combinaties van contacttijd en contacttemperatuur Indien een materiaal of voorwerp voor verschillende toepassingen met verschillende combinaties van contacttijd en temperatuur bestemd is, wordt de test beperkt tot de testomstandigheden die op grond van wetenschappelijke gegevens als het ongunstigst beschouwd worden. Indien het materiaal of voorwerp bestemd is om met levensmiddelen in contact te komen onder omstandigheden waarbij het achtereenvolgens aan twee of meer combinaties van tijden en temperaturen wordt blootgesteld, wordt de migratietest uitgevoerd door het monster achtereenvolgens te onderwerpen aan alle ongunstigste te verwachten omstandigheden die relevant zijn, steeds met één en dezelfde hoeveelheid levensmiddelsimulant. 2.1.
- Voorwerpen voor herhaald gebruik Indien het materiaal of voorwerp bestemd is om herhaaldelijk met levensmiddelen in contact te komen, worden de vereiste migratietesten driemaal uitgevoerd op eenzelfde monster, waarbij telkens een nieuwe hoeveelheid levensmiddelsimulant wordt gebruikt. Op basis van de resultaten van de derde test wordt bepaald of het materiaal of voorwerp aan de eisen ten aanzien van migratie voldoet. Als echter afdoende wordt aangetoond dat de migratie bij de tweede en derde test niet toeneemt en bij de eerste test de migratielimieten niet worden overschreden, is er geen verdere test nodig. Materialen en objecten dienen de specifieke migratie limieten te respecteren bij de eerste test wanneer "niet aantoonbaar" is aangegeven in bijlage I, tabel 1, kolom 8, of tabel 2, kolom 3 van de verordening (EU) nr. 10/2011 van de Commissie van 14 januari 2011 betreffende materialen en voorwerpen van kunststof bestemd om met levensmiddelen in contact te komen, en voor de niet in de lijst opgenomen stoffen zoals bedoeld in artikel 4, § 1, punt 4 en § 2, punt 4), die niet in aantoonbare hoeveelheden mogen migreren. 2.1.
- Analyse van migrerende stoffen Na afloop van de voorgeschreven contacttijd wordt de specifieke migratie in het levensmiddel of de levensmiddelsimulant bepaald met een analysemethode die in overeenstemming is met artikel 11 van Verordening (EG) nr. 882/
- 2.1.
- Controle van de overeenstemming aan de hand van het restgehalte per oppervlakte die met levensmiddelen in contact komt (QMA) In geval van stoffen die in een levensmiddelsimulant of levensmiddel instabiel zijn of waarvoor geen geschikte analysemethode beschikbaar is, wordt in bijlage I aangegeven dat de overeenstemming moet worden gecontroleerd door bepaling van het restgehalte per 6 dm2 contactoppervlakte. Voor materialen en voorwerpen met een inhoud tussen 500 ml en 10 l wordt de werkelijke contactoppervlakte genomen. Voor materialen en voorwerpen met een inhoud van minder dan 500 ml of meer dan 10 l en voor voorwerpen waarvoor de werkelijke contactoppervlakte lastig te berekenen is, wordt een contactoppervlakte van 6 dm2 per kg levensmiddel aangenomen. 2.
- Screeningsmethoden Om via screening na te gaan of een materiaal of voorwerp aan de migratielimieten voldoet, kan een van de volgende methoden worden gebruikt, die stringenter geacht worden dan de in punt 2.1 beschreven controlemethode. 2.2.
- Vervanging van de specifieke migratie door de totale migratie Voor screening op de specifieke migratie van niet-vluchtige stoffen kan de totale migratie worden bepaald, onder ten minste even stringente testomstandigheden als voor de specifieke migratie gelden. 2.2.
- Restgehalte Voor screening op de specifieke migratie kan de potentiële migratie worden berekend aan de hand van het restgehalte van de stof in het materiaal of voorwerp, waarbij wordt aangenomen dat deze hoeveelheid volledig migreert. 2.2.
- Migratiemodellen Voor screening op de specifieke migratie kan de potentiële migratie aan de hand van het restgehalte van de stof in het materiaal of voorwerp worden berekend met erkende diffusiemodellen op basis van wetenschappelijke gegevens, mits die een overschatting van de werkelijke migratie geven. 2.2.
- Vervanging van levensmiddelsimulanten Voor de screening op de specifieke migratie mogen vervangende levensmiddelsimulanten worden gebruikt, mits op grond van wetenschappelijke gegevens bekend is dat die vervangende levensmiddelsimulanten een hogere waarde voor de migratie opleveren dan de reguliere levensmiddelsimulanten. Als men vast stelt dat bij het gebruik van een vervangend levensmiddelsimultant fysieke of andere wijzigingen werden veroorzaakt in het teststaal die zich niet voordoen bij de slechtst mogelijke voorziene omstandigheden die te verwachten zijn bij het gebruik van het materiaal of voorwerp tijdens de test. Dan dient de vervangingssimulant gekozen te worden rekening houdend met de slechtst mogelijke omstandigheden waarbij deze fysieke of andere wijzigingen niet voorkomen. Het is in dit verband nuttig rekening te houden met het feit dat sommige soorten vernis, niet oplosbaar zijn in de gebruikte simulanten (met name ethanol in concentraties hoger dan 50% of iso-octaan). Paragraaf 3 : Bepaling van de totale migratie De totale migratie wordt bepaald onder de in dit paragraaf beschreven standaardtestomstandigheden. 3.
- Standaardtestomstandigheden De test ter bepaling van de totale migratie voor materialen en voorwerpen die bestemd zijn om onder de in tabel 3, kolom 3, beschreven omstandigheden met levensmiddelen in contact te komen, wordt uitgevoerd met inachtneming van de in kolom 2 gespecificeerde tijdsduur en temperatuur. Test OM5 kan worden uitgevoerd gedurende 2 uur bij 100 ° C (levensmiddelsimulant D2) of onder refluxen (levensmiddelsimulant A, B, C, D1) of gedurende 1 uur bij 121 ° C. De levensmiddelsimulant wordt overeenkomstig bijlage, hoofdstuk 1 van dit besluit gekozen. Indien wordt geconstateerd dat uitvoering van de testen onder de in tabel 3 gespecificeerde contactomstandigheden leidt tot fysische of andere veranderingen in het monster die niet optreden onder de ongunstigste te verwachten gebruiksomstandigheden voor het onderzochte materiaal of voorwerp, worden de migratietesten uitgevoerd onder de ongunstigste te verwachten gebruiksomstandigheden waarbij deze fysische of andere veranderingen zich niet voordoen. Tabel 3 - Standaardtestomstandigheden Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Nummer test Contacttijd in dagen of uur bij contacttemperatuur in |SNC Beoogde contactomstandigheden OM1 10 dagen bij 20 ° C Contact met bevroren en gekoelde levensmiddelen OM2 10 dagen bij 40 ° C Langdurige opslag bij kamertemperatuur of lager, inclusief verwarming tot 70 ° C gedurende maximaal 2 uur of tot 100 ° C gedurende maximaal 15 minuten OM3 2 uur bij 70 ° C Contact met verwarming tot 70 ° C gedurende maximaal 2 uur of tot 100 ° C gedurende maximaal 15 minuten, niet gevolgd door langdurige opslag bij kamertemperatuur of gekoeld OM4 1 uur bij 100 ° C Toepassingen bij hoge temperatuur voor alle levensmiddelsimulanten, tot maximaal 100 ° C OM5 2 uur bij 100 ° C of onder refluxen of 1 uur bij 121 ° C Toepassingen bij hoge temperatuur tot 121 ° C OM6 4 uur bij 100 ° C of onder refluxen Contact met levensmiddelsimulant A, B, C of D1 bij een temperatuur hoger dan 40 ° C OM7 2 uur bij 175° C Toepassingen bij hoge temperatuur met vette levensmiddelen waarbij de omstandigheden van OM5 worden overschreden Test OM7 omvat ook de bij OM1 tot en met OM5 beschreven contactomstandigheden. Dit zijn de ongunstigste omstandigheden voor vette levensmiddelsimulanten die met niet-polyolefinen in contact komen. Indien het technisch niet mogelijk is OM7 met levensmiddelsimulant D2 uit te voeren, kan de test vervangen worden zoals beschreven in punt 3.
- Test OM6 omvat ook de bij OM1 tot en met OM5 beschreven contactomstandigheden. Dit zijn de ongunstigste omstandigheden voor de levensmiddelsimulanten A, B en C die met niet-polyolefinen in contact komen. Test OM5 omvat ook de bij OM1 tot en met OM4 beschreven contactomstandigheden. Dit zijn de ongunstigste omstandigheden voor alle levensmiddelsimulanten die met niet-polyolefinen in contact komen. Test OM2 omvat ook de bij OM1 en OM3 beschreven contactomstandigheden. 3.
- Vervangende test voor OM7 met levensmiddelsimulant D2 Indien het technisch NIET mogelijk is OM7 met levensmiddelsimulant D2 uit te voeren, kan de test vervangen worden door OM8 of OM
- Voor elk van deze twee testomstandigheden moet een nieuw monster worden genomen. Nummer test Testomstandigheden Beoogde contactomstandigheden Omvat de contactomstandigheden van OM8 Levensmiddelsimulant E gedurende 2 uur bij 175 ° C en levensmiddelsimulant D2 gedurende 2 uur bij 100 ° C Alleen toepassingen bij hoge temperatuur OM1, OM3, OM4, OM5 en OM6 OM9 Levensmiddelsimulant E gedurende 2 uur bij 175 ° C en levensmiddelsimulant D2 gedurende 10 dagen bij 40° C Toepassingen bij hoge temperatuur met langdurige opslag bij kamertemperatuur OM1, OM2, OM3, OM4, OM5 en OM6 3.
- Voorwerpen voor herhaald gebruik Indien het materiaal of voorwerp bestemd is om herhaaldelijk met levensmiddelen in contact te komen, wordt de migratietest driemaal uitgevoerd op eenzelfde monster, waarbij telkens een nieuwe hoeveelheid levensmiddelsimulant wordt gebruikt. Op basis van de resultaten van de derde test wordt bepaald of het materiaal of voorwerp aan de eisen ten aanzien van migratie voldoet. Als echter afdoende wordt aangetoond dat de migratie bij de tweede en derde test niet toeneemt en als tevens de totale migratielimiet bij de eerste test niet wordt overschreden, is er geen verdere test nodig. 3.
- Screeningsmethoden Om via screening na te gaan of een materiaal of voorwerp aan de migratielimieten voldoet, kan een van de volgende methoden worden gebruikt, die stringenter geacht worden dan de in de punten 3.1 en 3.2 beschreven controlemethode. 3.4.
- Restgehalte Voor screening op de totale migratie kan de potentiële migratie worden berekend aan de hand van het restgehalte van potentieel migrerende stoffen zoals bepaald door volledige extractie van het materiaal of voorwerp. 3.4.
- Vervanging van levensmiddelsimulanten Voor de screening op de totale migratie mogen levensmiddelsimulanten worden vervangen, mits op grond van wetenschappelijke gegevens bekend is dat de vervangende levensmiddelsimulanten een hogere waarde voor de migratie opleveren dan de reguliere levensmiddelsimulanten. Paragraaf 4 : Correctiefactoren voor het vergelijken van de resultaten van migratietesten met de migratielimieten 4.
- Correctie van de specifieke migratie in levensmiddelen met een vetgehalte van meer dan 20 % met behulp van de vetreductiecoëfficiënt (Fat Reduction Factor, FRF). Bij lipofiele stoffen waarvoor in bijlage I in kolom 7 van de verordening (EU) nr. 10/2011 van de Commissie van 14 januari 2011betreffende materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen is aangegeven dat de FRF van toepassing is, kan de specifieke migratie met de FRF gecorrigeerd worden. De FRF wordt bepaald met de formule FRF = (g vet in levensmiddel/kg levensmiddel)/200 = (% vet x 5)/
- Voor toepassing van de FRF gelden de volgende regels. De resultaten van de migratietesten worden door de FRF gedeeld voordat zij met migratielimieten worden vergeleken. Deze correctie met de FRF geldt niet : a) als het materiaal of voorwerp bestemd is om in contact te komen of al in contact komt met levensmiddelen voor zuigelingen en peuters zoals omschreven in het koninklijk besluit van 18 februari 1991 betreffende voedingsmiddelen bestemd voor bijzondere voeding;b) voor materialen en voorwerpen waarvoor het verband tussen de oppervlakte en de hoeveelheid levensmiddel die daarmee in contact komt, niet te schatten is, bijvoorbeeld als gevolg van de vorm of de wijze van gebruik ervan, zodat de migratie wordt berekend aan de hand van de conventionele oppervlakte/volumeconversiefactor van 6 dm2/kg. Toepassing van de FRF mag niet tot gevolg hebben dat een specifieke migratie hoger is dan de totale migratielimiet. 4.
- Correctie van de migratie naar levensmiddelsimulant D2 Voor de levensmiddelencategorieën waarbij in bijlage, hoofdstuk 1, tabel 2, kolom 3, subkolom D2, een getal achter het kruisje staat, wordt het testresultaat van de migratie naar levensmiddelsimulant D2 door dit getal gedeeld. De resultaten van de migratietesten worden door de correctiefactor gedeeld voordat zij met migratielimieten worden vergeleken. De correctie geldt niet voor de specifieke migratie van de lijst in bijlage I van de verordening (EU) nr. 10/2011 van de Commissie van 14 januari 2011 betreffende materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen opgenomen stoffen waarvoor in kolom 8 een specifieke migratielimiet "niet aantoonbaar" is aangegeven, die niet in de lijst zijn opgenomen en voor de niet in de lijst opgenomen stoffen als bedoeld in artikel 4, § 1, punt 4 en § 2, punt 4, die niet in aantoonbare hoeveelheden mogen migreren. 4.
- Combinatie van de correctiefactoren 4.1 en 4.2 De onder 4.1 en 4.2 beschreven correctiefactoren kunnen worden gecombineerd voor de migratie van stoffen waarvoor een FRF geldt wanneer de test in levensmiddelsimulant D2 wordt uitgevoerd; daartoe worden beide factoren met elkaar vermenigvuldigd. De toegepaste factor mag niet groter zijn dan
- Paragraaf 5 : Bepaling van de specifieke migratie voor vernis voor toepassingen van hoge capaciteit in de voedingsmiddelenindustrie en voor vernis voor materialen en voorwerpen in metaal. 3% azijnzuur als simulant voor zure voedingsmiddelen is onvoldoende voor vernis voor toepassingen van hoge capaciteit in de voedingsmiddelenindustrie en voor vernis voor materialen en voorwerpen in metaal door het feit dat een significant deel van het substraat kan worden gecorrodeerd en kan bijdragen in de globale migratielimiet. Indien de globale migratielimiet wordt overschreden met de levensmiddelsimulant azijnzuur 3%, dan is het mogelijk om de bijdrage van het metaal bij de globale migratie in te schatten, dit door het kwantificeren van het metalen deel in het extract. Als deze fractie significant en groter is dan de globale migratielimiet dan kan men een extractie met chloroform uitvoeren op de organische fractie van het residu van de migratie. De massa van dit extract wordt vervolgens vergeleken met de limiet van de globale migratie van 10 mg/dm|F
- Migratieproeven voor vernis voor toepassingen van hoge capaciteit in de voedingsmiddelenindustrie Toegepaste methode : - De monsters worden geëvalueerd overeenkomstig, Hoofdstuk 2, lid 2 en lid 5 en Hoofdstuk 3 van deze bijlage. |b2 Het bakken van de vernis wordt uitgevoerd in overeenstemming met het aantal dagen en de condities vermeld in de technische fiche, 7-14 dagen aan 23° C, 50 % relatieve vochtigheid, beurtelings op hoge temperatuur, 5 dagen aan 40 tot 60° C. |b2 De braadpannen worden direct na het bakken gewassen met stoom gedurende 1 uur. |b2 Rapport van het geteste oppervlak : volume van de simulant - 100 cm|F2 : 100 ml Toegepaste methode : De proef omvat de volgende bepalingen : |b2 Bepaling van de globale migratie in 10% ethanol, na een contactperiode van 10 dagen bij 40° C. |b2 Bepaling van de globale migratie in olijfolie, na een contactperiode van 10 dagen bij 70° C. |b2 Als alternatief voor olijfolie kan iso-octaan gebruikt worden (2 dagen bij 20° C). |b2 Bepaling van de specifieke migratie van solventen (xyleen, benzylalcohol, ethylbenzeen, butanol/isobutanol) in 10% ethanol. Om de globale en specifieke migratie van monsters in waterige simulanten te bepalen, worden de te testen monsters ondergedompeld in de voedingssimulator, 3% azijnzuur en 10% ethanol, en opgeslagen gedurende 10 dagen bij 40° C. Na de contactperiode worden de te testen monsters gereinigd en wordt de procedure twee maal herhaald, met gebruikmaking van hetzelfde paneel en telkens met verse simulant. Na elke opslagperiode worden de globale migratiegraad bepaald door gebruikmaking van methodes die de methode CEN ENV 1186-3 (versie mei 1994) (waterige simulant) zo dich mogelijk benaderen. Om de globale graad van migratie van de monsters in olijfolie te bepalen, worden de te testen monsters ondergedompeld in de voedingsimulant en opgeslagen gedurende 10 dagen bij 70° C, 20 dagen bij 70° C en 30 dagen bij 70° C, als volgt : |b2 1 paneel gedurende 10 jours |b2 1 paneel gedurende 20 jours |b2 1 paneel gedurende 30 jours. HOOFDSTUK 3 : - Informatie die in de verklaring van overeenstemming bevat moet worden De schriftelijke verklaring bedoeld in artikel 5 moet de volgende informatie bevatten : 1) de identiteit en het adres van de exploitant die de vernismaterialen of de voor de vervaardiging van die materialen of voorwerpen bestemde stoffen produceert of importeert;2) de identiteit van de vernissen of de voor de vervaardiging van die materialen en voorwerpen bestemde stoffen;3) de datum van de verklaring;4) de bevestiging dat vernissen voldoen aan de desbetreffende voorschriften van dit besluit en van Verordening (EG) nr.1935/2004; 5) adequate informatie over gebruikte stoffen waarvoor in dit besluit beperkingen en/of specificaties zijn vastgelegd, zodat de exploitanten verderop in de keten kunnen waarborgen dat aan die beperkingen en/of specificaties wordt voldaan;6) adequate informatie over de stoffen waarvoor in levensmiddelen een beperking geldt, verkregen op grond van experimentele gegevens of theoretische berekeningen, over de specifieke migratie van die stoffen alsmede, waar van toepassing, zuiverheidseisen overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 juli 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 14/07/1997 pub. 23/10/1997 numac 1997022659 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit betreffende zuiverheidseisen voor additieven die in voedingsmiddelen mogen worden gebruikt sluiten betreffende zuiverheidseisen voor additieven die in voedingsmiddelen mogen worden gebruikt, zodat de gebruiker van deze materialen en voorwerpen de desbetreffende communautaire bepalingen of, bij ontbreken daarvan, de nationale bepalingen met betrekking tot levensmiddelen kan naleven;7) de specificaties voor het gebruik van het materiaal of voorwerp, zoals : i) de soort(en) levensmiddelen waarmee het bedoeld is om in aanraking te komen; ii) de duur en de temperatuur van de behandeling en opslag waarbij het met de levensmiddelen in aanraking komt; iii) de verhouding tussen de oppervlakte die met levensmiddelen in aanraking komt en het volume, op grond waarvan is bepaald dat het materiaal of voorwerp aan de voorschriften voldoet; 8) De verklaring van het beginsel van non-migratie, indien dit principe wordt gebruikt.Het gebruik van dit principe brengt met zich mee dat de substantie niet migreert aan een detectielimiet van 10|Gmg/kg in de voedingsmiddelen of simulatoren van voedingsmiddelen, en niet CMR is (cancerogeen, mutageen, toxisch voor de reproductie). Aan de hand van de schriftelijke verklaring moeten de materialen, voorwerpen of stoffen waarvoor deze is afgegeven, gemakkelijk kunnen worden geïdentificeerd; ingeval de migratie door wezenlijke wijzigingen in de productie verandert of er nieuwe wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn, moet een nieuwe verklaring worden afgegeven. Indien er geen wijzigingen optreden bij de grondstoffen, bij de verwerking ervan, bij het gebruik, bij het productieproces ed. kan een verklaring van overeenstemming voor een periode van maximaal 5 jaar geldig blijven. Natuurlijk kan de verantwoordelijke voor het product steeds beslissen, om zelfs in gelijkblijvende omstandigheden, de verklaring van overeenstemming te vernieuwen. Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 25 september 2016 betreffende vernis dat bestemd is om in aanraking te worden gebracht met voedingsmiddelen. FILIP Van Koningswege : De Minister van Volksgezondheid, Mevr. M. DE BLOCK De Minister van Landbouw, W. BORSUS