← België

Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 6 mei 2014 houdende uitvoering van bijlagen V, IX en X van het besluit van de Brus

21 DECEMBER 2016. - Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 6 mei 2014Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 06/05/2014 pub. 11/09/2014 numac 2014031

§ 3

.2.3, moet ook het totale mechanische toevoerdebiet (systemen B en D) permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 35 % van de som van de minimaal geëiste afvoerdebieten. - Het afvoerdebiet moet in elke natte ruimte permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet van de ruimte.

§ 3

.2.3, moet ook het totale mechanische toevoerdebiet (systemen B en D) permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van de som van de minimaal geëiste afvoerdebieten. 3.3.1.2 Systemen met lokale detectie in de natte ruimten en regeling van de afvoer in de natte ruimten Elke ruimte waarin zich een toilet bevindt, moet minstens uitgerust zijn met één van de volgende concepten om aanwezigheid vast te stellen: o aanwezigheidsdetectie in de ruimte zelf; o detectie van VOC in de ruimte zelf of in een afvoerkanaal dat enkel de ruimte bedient; o koppeling met de lichtschakelaar van de ruimte, op voorwaarde dat er geen rechtstreekse daglichttoetreding in de ruimte is. Elke natte ruimte moet minstens uitgerust zijn met een detectie van de relatieve vochtigheid, tenzij het om een ruimte gaat die enkel als toilet dient. In de keuken kan hiervan afgeweken worden en volstaat een detectie van de CO2-concentratie. De betreffende detectoren moeten zich bevinden in de ruimte zelf of in een afvoerkanaal dat enkel de ruimte bedient. De regeling van de afvoer in de natte ruimten mag naar keuze lokaal of centraal gebeuren, zoals hieronder nader beschreven. 3.3.1.2.1 Lokale regeling van de afvoer in elke natte ruimte De afvoerdebieten van de natte ruimten moeten onafhankelijk van elkaar worden geregeld. Op het ogenblik dat aanwezigheid wordt vastgesteld in een ruimte met één van de hierboven vermelde concepten om aanwezigheid vast te stellen, moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste afvoerdebiet en dit gedurende minimaal de nalooptijd uit opmerking 3 van artikel 4.3.1.3 uit de norm NBN D 50-

  1. Het afvoerdebiet mag hoogstens 40 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet bedragen als geen aanwezigheid wordt vastgesteld. In elke ruimte met detectie van de relatieve vochtigheid, moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste afvoerdebiet als de relatieve vochtigheid die voor de ruimte wordt gedetecteerd hoger is dan 70 % tijdens de winterperiode. Het afvoerdebiet mag hoogstens 40 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet bedragen als de relatieve vochtigheid die voor de ruimte wordt gedetecteerd lager is dan 35 %. In keukens met detectie van de CO2-concentratie, moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste afvoerdebiet als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm. Het afvoerdebiet mag hoogstens 40 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm. 3.3.1.2.2 Centrale regeling van de afvoer Voor elke natte ruimte moet het afvoerdebiet centraal worden geregeld. De afvoerdebieten moeten worden geregeld op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in alle natte ruimten. Het totale afvoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste afvoerdebieten als minstens één van de volgende voorwaarden is vervuld: - aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere ruimten met één van de hierboven vermelde concepten om aanwezigheid vast te stellen; - de relatieve vochtigheid is hoger dan 70 % tijdens de winterperiode in één of meerdere ruimten met detectie van de relatieve vochtigheid; - de CO2-concentratie is hoger dan 950 ppm in één of meerdere keukens met detectie van de CO2-concentratie. Het totale afvoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste afvoerdebieten bedragen als elk van de volgende voorwaarden is vervuld: - in geen enkele ruimte met één van de hierboven vermelde concepten om aanwezigheid vast te stellen, wordt aanwezigheid vastgesteld; - de relatieve vochtigheid is in alle ruimten met detectie van de relatieve vochtigheid, lager dan 35 %; - de CO2-concentratie is in alle keukens met detectie van de CO2-concentratie, lager dan 550 ppm. 3.3.1.3 Andere systemen Volgende systemen vallen onder de categorie « Andere of geen detectie in de natte ruimten »: - alle andere systemen om de behoefte in natte ruimten vast te stellen (in het bijzonder systemen met centrale detectie van de relatieve vochtigheid in het gemeenschappelijk afvoerkanaal); - systemen die niet voldoen aan de eisen uit paragraaf § 3.3.1.2; - systemen zonder detectie van de behoefte in de natte ruimten. Opmerking: zie ook § 3.3.2.
  2. 3.3.2 Bijkomende eisen voor systemen met detectie van de behoefte in de droge ruimten (detectie van de CO2-concentratie of aanwezigheidsdetectie) 3.3.2.1 Systemen met enkel detectie van de behoefte in de droge ruimten Alle systemen die behoren tot de categorie « Andere of geen detectie in de natte ruimten » (de laatste kolom in Tabel 1) moeten bovendien voldoen aan de volgende eis. De toevoerdebieten die door de vraagsturing worden geregeld, moeten aan minstens één van de volgende eisen voldoen. - Het totale toevoerdebiet moet permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 35 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten.

§ 3

.2.3, moet ook het totale mechanische afvoerdebiet (systemen C en D) permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 35 % van het totale geëiste toevoerdebiet. - Het toevoerdebiet moet in elke droge ruimte permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van het minimaal geëiste toevoerdebiet van de ruimte.

§ 3

.2.3, moet ook het totale mechanische afvoerdebiet (systemen C en D) permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van het totale geëiste toevoerdebiet. 3.3.2.2 Systemen met lokale detectie in elke droge ruimte Alle droge ruimten moeten uitgerust zijn met hetzelfde type detector: o of detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf; o of aanwezigheidsdetector in de ruimte zelf. 3.3.2.2.1 Lokale regeling van de toevoer in elke droge ruimte De toevoerdebieten van de droge ruimten moeten onafhankelijk van elkaar worden geregeld. In elke droge ruimte moet het toevoerdebiet worden geregeld op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in de ruimte. Het toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste toevoerdebiet als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in de droge ruimte. Het toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van het minimaal geëiste toevoerdebiet bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in de droge ruimte. Opmerking: voor systemen A en C betekent dit dat de natuurlijke toevoeropeningen automatisch moeten worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van gemotoriseerde kleppen. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer in elke ruimte automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van gemotoriseerde kleppen of via verschillende ventilatoren voor elke ruimte. 3.3.2.2.2 Regeling van de toevoer in twee (dag/nacht) of meer zones De toevoerdebieten van alle droge ruimten moeten in minstens twee verschillende zones worden geregeld. In minstens één van de zones, de dagzone, mag zich geen enkele slaapkamer bevinden. In minstens één van de zones, de nachtzone, moeten zich alle slaapkamers bevinden. Bijkomende zones zijn toegestaan. In elke zone moeten de toevoerdebieten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in alle droge ruimten van die zone. Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere droge ruimten van de zone. Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in alle droge ruimten van de zone. Opmerking : voor systemen A en C betekent dit dat alle automatisch geregelde natuurlijke toevoeropeningen, bijvoorbeeld gemotoriseerde toevoeropeningen, van de zone tegelijk worden geregeld. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer in elke zone automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van een gemotoriseerde klep per zone. 3.3.2.2.3 Centrale regeling van de toevoer Voor elke droge ruimte moet het toevoerdebiet centraal worden geregeld. De toevoerdebieten moeten geregeld worden op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in alle droge ruimten. Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere ruimten. Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in alle ruimten van de zone. Opmerking: voor systemen A en C betekent dit dat alle automatisch geregelde natuurlijke toevoeropeningen, bijvoorbeeld gemotoriseerde toevoeropeningen, van de ventilatiezone z tegelijk moeten worden geregeld. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer van de ventilatiezone automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van een ventilator met debietsregeling. 3.3.2.3 Systemen met semi-lokale detectie in elke slaapkamer Alle slaapkamers moeten uitgerust zijn met hetzelfde type detector: o of detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf; o of aanwezigheidsdetector in de ruimte zelf. 3.3.2.3.1 Centrale regeling van de toevoer Voor elke droge ruimte moet het toevoerdebiet centraal worden geregeld. De toevoerdebieten moeten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in alle slaapkamers. Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere slaapkamers. Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in alle slaapkamers. Het totale toevoerdebiet moet permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten van alle droge ruimten. Opmerking: voor systemen A en C betekent dit dat alle automatisch geregelde natuurlijke toevoeropeningen, bijvoorbeeld gemotoriseerde toevoeropeningen, van de ventilatiezone z tegelijk moeten worden geregeld. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer van de ventilatiezone automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van een ventilator met debietsregeling. 3.3.2.4 Systemen met semi-lokale detectie in de belangrijkste leefruimte en in de belangrijkste slaapkamer De belangrijkste leefruimte en de belangrijkste slaapkamer moeten uitgerust zijn met hetzelfde type detector: o of detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf; o of aanwezigheidsdetector in de ruimte zelf. 3.3.2.4.1 Regeling van de toevoer in twee (dag/nacht) of meer zones De toevoerdebieten van alle droge ruimten moeten in minstens twee verschillende zones worden geregeld. In minstens één van de zones, de dagzone, mag zich geen enkele slaapkamer bevinden. Die dagzone moet ook de belangrijkste leefruimte bevatten. In minstens één van de zones, de nachtzone, moeten zich alle slaapkamers bevinden. Bijkomende zones zijn toegelaten op voorwaarde dat in elke zone één of meerdere ruimten zijn uitgerust met hetzelfde type detector als in de belangrijkste leefruimte en de belangrijkste slaapkamer. In elke zone moeten de toevoerdebieten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten van die zone, die zijn uitgerust met een detector. Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere droge ruimten van de zone, die zijn uitgerust met een detector. Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in alle droge ruimten van de zone, die zijn uitgerust met een detector. In elke zone waarin droge ruimten aanwezig zijn die niet zijn uitgerust met een detector, moeten de toevoerdebieten permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van de minimaal geëiste toevoerdebieten. Opmerking: voor systemen A en C betekent dit dat alle automatisch geregelde natuurlijke toevoeropeningen, bijvoorbeeld gemotoriseerde toevoeropeningen, van de zone tegelijk moeten worden geregeld. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer in elke zone automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van gemotoriseerde kleppen per zone. 3.3.2.4.2 Centrale regeling van de toevoer Voor elke droge ruimte moet het toevoerdebiet centraal worden geregeld. De toevoerdebieten moeten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten die zijn uitgerust met een detector. Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere droge ruimten die zijn uitgerust met een detector. Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in alle droge ruimten die zijn uitgerust met een detector. De toevoerdebieten moeten permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van de minimaal geëiste toevoerdebieten in alle droge ruimten. Opmerking: voor systemen A en C betekent dit dat alle automatisch geregelde natuurlijke toevoeropeningen, bijvoorbeeld gemotoriseerde toevoeropeningen, van de ventilatiezone z tegelijk moeten worden geregeld. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer van de ventilatiezone automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van een ventilator met debietsregeling. 3.3.2.5 Systemen met centrale detectie in het afvoerkanaal of de afvoerkanalen Elk afvoerkanaal of in voorkomend geval het gemeenschappelijk afvoerkanaal moet uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie. In dit geval is aanwezigheidsdetectie niet toegelaten. De toevoerdebieten moeten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de afvoerkanalen (of in het gemeenschappelijk afvoerkanaal). Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 650 ppm. Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 50 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 450 ppm. 3.3.2.6 Andere systemen Volgende systemen vallen onder de categorie « Andere of geen detectie in de droge ruimten »: - alle andere systemen om de behoefte in de droge ruimten vast te stellen (in het bijzonder systemen met andere types van detector, zoals detectoren voor VOC); - systemen die niet voldoen aan de eisen uit paragraaf § 3.3.2.2 tot 3.3.2.5; - systemen zonder detectie van de behoefte in de droge ruimten. Opmerking: zie ook § 3.3.1.1. 3.3.3 Bijkomende eisen voor systemen met detectie van de behoefte in de natte ruimten en detectie van de behoefte in de droge ruimten Voor alle systemen die detectie van de behoefte in natte ruimten combineren met de detectie van de behoefte in droge ruimten, geldt: - De afvoerdebieten worden prioritair bepaald op basis van de eisen in § 3.3.1; - De toevoerdebieten worden prioritair bepaald op basis van de eisen in § 3.3.2; - Het totale toevoerdebiet en het totale afvoerdebiet moeten daarnaast permanent aangepast zijn aan het hoogste van de twee, na toepassing van de bovenstaande regels. 3.4 Ventilatiesystemen C met een regeling op de afvoer in functie van de behoefte in de droge ruimten In het geval van een ventilatiesysteem C is het ook mogelijk om de afvoer te regelen op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten. Het is eveneens mogelijk om bijkomende mechanische afvoeropeningen te plaatsen in bepaalde droge ruimten (in allemaal of enkel in alle slaapkamers). Bij elk van deze systemen worden enkel de afvoeren geregeld door de vraagsturing. De toevoeren worden niet geregeld. Een regeling van de afvoer van de natte ruimten op basis van de behoefte in die natte ruimten, kan gecombineerd worden met deze systemen. Tabel 2 - freduc,vent,heat,zone z voor ventilatiesystemen C met een regeling op de afvoer in functie van de behoefte in de droge ruimten en eventueel in functie van de behoefte in de natte ruimten freduc,vent,heat,zonez freduc,vent,heat,zonez Type de détection dans les espaces secs Type de régulation de l'évacuation Détection locale dans les espaces humides avecrégulation de l'évacuation Autre ou aucune détection dans les espaces humides Type detectiein de droge ruimten Type regeling van de afvoer Lokale detectie in de natte ruimten met regeling van de afvoer Andere of geen detectie in de natte ruimten Régulation locale Niet-lokale regeling Lokale regeling Niet-lokale regeling CO2 - Locale :Un capteur ou plus dans chaque espace sec Locale, dans tous les espaces secs 0,43 0,47 0,51 CO2 - lokaal:één of meerdere sensoren in elke droge ruimte Lokaal, in alle droge ruimten 0,43 0,47 0,51 CO2 - Locale partielle :Un capteur ou plus dans chaque chambre à coucher Locale, dans toutes les chambres à coucher 0,50 0,55 0,59 CO2 - semi-lokaal:één of meerdere sensoren in elke slaapkamer Lokaal, in alle slaapkamers 0,50 0,55 0,59 CO2 - Locale partielle :Un capteur ou plus dans le conduit d'évacuation commun de toutes les chambres à coucher 1 zone, dans toutes les chambres à coucher 0,61 0,66 0,71 CO2 - semi-lokaal:één of meerdere sensoren in het gemeenschappelijk afvoerkanaal van alle slaapkamers 1 zone, in alle slaapkamers 0,61 0,66 0,71 CO2 - Locale partielle :Un capteur ou plus dans le séjour principal et un capteur ou plus dans la chambre à coucher principale 2 zones (jour/nuit) ou plus, dans les espaces secs ;Ou centrale, dans les espaces secs ou dans les espaces humides 0,79 0,85 0,91 CO2 - semi-lokaal:één of meerdere sensoren in de belangrijkste leefruimte en één of meerdere sensoren in de belangrijkste slaapkamer 2 (dag/nacht) of meer zones, in de droge ruimtenOf centraal, in de droge of de natte ruimten 0,79 0,85 0,91 CO2 - Centrale : un capteur ou plus dans le(

  1. s)conduit(
  2. s)d'évacuation Centrale, dans les espaces secs ou dans les espaces humides 0,81 0,87 0,93 CO2 - Centraal: één of meerdere sensoren in het afvoerkanaal of de afvoerkanalen Centraal, in de droge of de natte ruimten 0,81 0,87 0,93 Autre ou aucune détection dans les espaces secs aucune, locale, par zone ou centrale 0,90 0,95 1 Andere of geen detectie in de droge ruimten Geen, lokaal, per zone of centraal 0,90 0,95 1 3.4.1 Bijkomende eisen voor systemen met detectie van de behoefte in de natte ruimten Zie § 3.3.1 3.4.2 Bijkomende eisen voor systemen met detectie van de behoefte in de droge ruimten 3.4.2.1 Systemen met enkel detectie van de behoefte in de droge ruimten Alle systemen die behoren tot de categorie « Andere of geen detectie in de natte ruimten » (de laatste kolom in Tabel 2) moeten bovendien voldoen aan de volgende eis. Het totale afvoerdebiet van de natte ruimten moet permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 40 % van de som van de geëiste afvoerdebieten in de natte ruimten. 3.4.2.2 Systemen met lokale detectie in elke droge ruimte Elke droge ruimte moet uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf of, in voorkomend geval, in het afvoerkanaal van de ruimte. 3.4.2.2.1 Lokale regeling van de afvoer in alle droge ruimten (met bijkomende afvoeren) Alle droge ruimten moeten uitgerust zijn met een bijkomende mechanische afvoer. De afvoerdebieten van alle droge ruimten moeten onafhankelijk van elkaar worden geregeld. In elke droge ruimte moet het afvoerdebiet worden geregeld op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in de ruimte. Het afvoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 m®/h als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm. Het afvoerdebiet mag hoogstens 5 m®/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm. 3.4.2.3 Systemen met semi-lokale detectie in elke slaapkamer (met bijkomende afvoeren) Alle slaapkamers moeten uitgerust zijn met een bijkomende mechanische afvoer. Elke slaapkamer moet uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf of in het afvoerkanaal van de ruimte. 3.4.2.3.1 Lokale regeling van de afvoer in elke slaapkamer De afvoerdebieten van alle slaapkamers moeten onafhankelijk van elkaar worden geregeld. In elke slaapkamer moet het afvoerdebiet worden geregeld op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in de slaapkamer. Het afvoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 m®/h als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm. Het afvoerdebiet mag hoogstens 5 m®/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm. 3.4.2.4 Systemen met semi-lokale detectie in het gemeenschappelijk afvoerkanaal van alle slaapkamers (met bijkomende afvoeren) Alle slaapkamers moeten uitgerust zijn met een bijkomende mechanische afvoer. Het gemeenschappelijk afvoerkanaal dat enkel alle slaapkamers bedient, moet uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie. 3.4.2.4.1 Regeling van de afvoer in één zone voor alle slaapkamers De afvoerdebieten van alle slaapkamers moeten geregeld worden in één zone die minstens alle slaapkamers bevat. In deze zone moeten de afvoerdebieten van alle slaapkamers worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in het gemeenschappelijk afvoerkanaal van de slaapkamers. In elke slaapkamer van de zone moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 m®/h als de CO2-concentratie hoger is dan 650 ppm. In elke slaapkamer van de zone mag het afvoerdebiet hoogstens 5 m®/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 450 ppm. 3.4.2.5 Systemen met semi-lokale detectie in de belangrijkste leefruimte en in de belangrijkste slaapkamer De belangrijkste leefruimte en de belangrijkste slaapkamer moeten elk uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf of, in voorkomend geval, in het afvoerkanaal van de ruimte. 3.4.2.5.1 Regeling van de afvoer van de droge ruimten in twee (dag/nacht) of meer zones (met bijkomende afvoeren) Alle droge ruimten moeten uitgerust zijn met een bijkomende mechanische afvoer. De afvoerdebieten van alle droge ruimten moeten in minstens twee verschillende zones worden geregeld. In minstens één van de zones, de dagzone, mag zich geen enkele slaapkamer bevinden. Die dagzone moet ook de belangrijkste leefruimte bevatten. In minstens één van de zones, de nachtzone, moeten zich alle slaapkamers bevinden. Bijkomende zones zijn toegelaten op voorwaarde dat in elke zone minstens één of meerdere ruimten zijn uitgerust met hetzelfde type detector als in de belangrijkste leefruimte en de belangrijkste slaapkamer. In elke zone moeten de afvoerdebieten van de droge ruimten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten van die zone, die zijn uitgerust met een detector. In elke droge ruimte van de zone moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 m®/h als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm in één of meerdere droge ruimten van de zone, die zijn uitgerust met een detector. In elke droge ruimte van de zone mag het afvoerdebiet hoogstens 5 m®/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm in alle droge ruimten van de zone, die zijn uitgerust met een detector. 3.4.2.5.2 Centrale regeling van de afvoer van de droge ruimten of de natte ruimten Als alle droge ruimten zijn uitgerust met een bijkomende mechanische afvoer, moeten de debieten van deze afvoeren centraal geregeld worden, op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten die zijn uitgerust met een detector. In elke droge ruimte moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 m®/h als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm in één of meerdere droge ruimten die zijn uitgerust met een detector. In elke droge ruimte mag het afvoerdebiet hoogstens 5 m®/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm in alle droge ruimten die zijn uitgerust met een detector. Als één of meerdere droge ruimten niet zijn uitgerust met een bijkomende mechanische afvoer, moeten de afvoerdebieten van de natte ruimten centraal geregeld worden, op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten die zijn uitgerust met een detector. In elke natte ruimte moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste afvoerdebiet als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm in één of meerdere droge ruimten die zijn uitgerust met een detector. In elke natte ruimte mag het afvoerdebiet hoogstens 40 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm in alle droge ruimten die zijn uitgerust met een detector. 3.4.2.6 Systemen met centrale detectie in het gemeenschappelijk afvoerkanaal Het gemeenschappelijk afvoerkanaal van de ventilatiezone z moet uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie. 3.4.2.6.1 Centrale regeling van de afvoer van de droge ruimten of de natte ruimten Als alle droge ruimten zijn uitgerust met een bijkomende mechanische afvoer, moeten de debieten van deze afvoeren centraal geregeld worden, op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in het gemeenschappelijk afvoerkanaal. In elke droge ruimte moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 m®/h als de CO2-concentratie hoger is dan 650 ppm. In elke droge ruimte mag het afvoerdebiet hoogstens 5 m®/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 450 ppm. Als één of meerdere droge ruimten niet zijn uitgerust met een bijkomende mechanische afvoer, moeten de afvoerdebieten van de natte ruimten centraal geregeld worden, op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in het gemeenschappelijk afvoerkanaal. In elke natte ruimte moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste afvoerdebiet als de CO2-concentratie hoger is dan 650 ppm. In elke natte ruimte mag het afvoerdebiet hoogstens 50 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 450 ppm. 3.4.3 Bijkomende eisen voor systemen met detectie van de behoefte in de natte ruimten en detectie van de behoefte in de droge ruimten Voor alle systemen die detectie van de behoefte in natte ruimten combineren met de detectie van de behoefte in droge ruimten, geldt: - De afvoerdebieten van de natte ruimten worden bepaald op basis van de eisen in § 3.4.1; - De afvoerdebieten van de droge en/of natte ruimten worden bepaald op basis van de eisen in § 3.4.2; Indien de twee methodes tot een verschillend resultaat leiden, zijn de hoogste afvoerdebieten van toepassing. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 6 mei 2014Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 06/05/2014 pub. 11/09/2014 numac 2014031673 bron brussels hoofdstedelijk gewest Ministerieel besluit houdende uitvoering van bijlagen V, IX en X van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2007 tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen sluiten houdende uitvoering van bijlagen V, IX en X van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 21/12/2007 pub. 29/01/2008 numac 2008031011 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende goedkeuring van het investeringsplan voorgesteld door de CVBA Sibelga, distributienetbeheerder voor gas, voor de periode 2008-2012 type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 21/12/2007 pub. 30/01/2008 numac 2008031012 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende goedkeuring van het investeringsplan voorgesteld door de CVBA Sibelga, distributienetbeheerder voor elektriciteit, voor de periode 2008-2012 type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 21/12/2007 pub. 29/01/2008 numac 2008031010 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende goedkeuring van het investeringsplan voorgesteld door de NV Elia System Operator, beheerder van het gewestelijk transmissienet voor elektriciteit, voor de periode 2008-2015 sluiten tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen Brussel, 21 december 2016. De Minister van Huisvesting, Levenskwaliteit, Leefmilieu en Energie Céline FREMAULT

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.