← België

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 december 2016, gesloten in het Paritair Comit

12 NOVEMBER 2017. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 december 2016, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden van het kl

itiatieven te nemen door de in het paritair comité vertegenwoordigde organisaties, met het oog op de sociale en beroepsopleiding en op de uitwerking van in het paritair comité gemaakte en te maken collectieve arbeidsovereenkomsten;7° de uitkering van de bijdrage betaald overeenkomstig artikel 13, § 3 van deze statuten, ter financiering van het Instituut voor Vorming en Onderzoek in de Confectie en ter uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 februari 2014 betreffende vorming en tewerkstelling;8° het financieren van de codex houdende de collectieve arbeidsovereenkomsten, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf;9° het financieren van onderzoek uitgevoerd door de sociale partners uit de sector gericht op de sociaal-economische ontwikkelingen van de kleding- en confectiebedrijven, zowel op het nationale als op het mondiale vlak met het oog op het te voeren sectorbeleid;10° het innen van een bijdrage voor een sectorale hospitalisatieverzekering en het financieren en beheren daarvan. Art. 4.Het fonds is voor de duur van één jaar opgericht met ingang van 1 januari 1974. De duur ervan wordt telkens met één jaar verlengd, indien niet vóór 30 juni van het voorafgaande jaar een opzegging wordt betekend door ten minste vijf stemgerechtigde leden van het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf. HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied Art. 5.De bepalingen van deze statuten zijn van toepassing op de werkgevers van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf en op de door deze werkgevers tewerkgestelde bedienden. HOOFDSTUK III. - Syndicale premie Art. 6.§ 1. De in artikel 5 bedoelde bedienden, die lid zijn van één van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties welke op nationaal niveau zijn vertegenwoordigd, hebben recht op de bij artikel 7 vastgestelde syndicale premie voor zover zij op cumulatieve wijze de hierna onder a), vermelde voorwaarden en de beide onder

  1. b)opgesomde voorwaarden vervullen :
  2. a)In één van de ondernemingen bedoeld in artikel 5 zijn tewerkgesteld op 31 maart;
  3. b)1° Op 31 maart sinds tenminste 6 maanden zijn aangesloten bij één van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties welke op nationaal niveau zijn vertegenwoordigd;2° Van dit recht niet zijn uitgesloten ingevolge een verstoring van de sociale vrede.Deze uitsluiting wordt vastgesteld door een beperkt comité dat daartoe is aangesteld in de schoot van het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf. § 2. De in § 1 bedoelde bedienden die worden gepensioneerd tussen 31 maart van een jaar waarvoor zij de voorwaarden van toekenning van de syndicale premie vervullen en 31 maart van het volgend jaar, genieten eveneens de uitkering met betrekking tot dit laatste jaar. § 3. Hebben eveneens recht op de syndicale premie, de in § 1 bedoelde bedienden die lid zijn van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties welke op nationaal niveau zijn vertegenwoordigd, die in één of meerdere kleding- en confectiebedrijven tewerkgesteld zijn geweest tot na 31 maart van een bepaald jaar en die volledig en ononderbroken werkloos zijn gebleven tot 31 maart van het eerstvolgende jaar. § 4. Hebben eveneens recht op de syndicale premie, de in § 1 bedoelde bedienden die lid zijn van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties welke op nationaal niveau zijn vertegenwoordigd, die in één of meerdere kleding- en confectiebedrijven tewerkgesteld zijn geweest tot na 31 maart van een bepaald jaar en die volledig en ononderbroken werkloos zijn gebleven tot 31 maart van één van de twee volgende jaren na 31 maart van het eerstvolgende jaar werkloosheid, bedoeld in § 3 van dit artikel. § 5. De uitkering van de syndicale premie aan deze rechthebbenden tijdens een ononderbroken werkloosheidsperiode kan slechts worden opgevorderd indien zij, op het ogenblik van het indienen van de aanvraag tot uitkering van de syndicale premie, bij het uitbetalend organisme van hun keuze en ten behoeve van het fonds : - een attest inleveren, uitgaande van de werkgever van de kleding- en confectiesector die hen het laatst tewerkstelde en waaruit de datum van het ontslag blijkt; - een bewijs van ononderbroken werkloosheid voorleggen, uitgaande van het betaalorganisme van de wettelijke werkloosheidsvergoeding. Art. 7.Het bedrag van de syndicale premie, welke elk dienstjaar aan de rechthebbenden moet worden toegekend, wordt vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit. De syndicale premie wordt, in naam van het fonds, aan de belanghebbenden uitbetaald door de werknemersorganisatie waarbij zij zijn aangesloten tegen afgifte van een door het fonds uitgereikte titel. Deze titel wordt door het fonds aan de in artikel 5 bedoelde bedienden gezonden. De raad van beheer van het fonds stelt alle andere modaliteiten vast betreffende de uitreiking en de controle van de attesten. Art. 8.Vóór het einde van elk dienstjaar en op verplichtende wijze in de loop van de maand december, komt de raad van beheer van het fonds samen, op uitnodiging van zijn voorzitter, om vast te stellen of de sociale vrede al dan niet werd geëerbiedigd, zowel in het vlak van de bedrijfssectoren, als in dat van de ondernemingen. De raad van beheer stelt vervolgens de bedragen vast welke ter beschikking moeten worden gesteld van de meest representatieve werknemersorganisaties, welke zich met het uitkeren van bedoelde sommen aan de rechthebbenden belasten. Het bedrag van de syndicale premie, de voorwaarden van toekenning en de betaling worden vastgesteld, eventueel op voorstel van de raad van bestuur, door een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst. HOOFDSTUK IV. - Beheer Art. 9.Het fonds wordt door een paritaire raad van beheer beheerd. Deze raad is samengesteld uit vijf leden die de bedienden en uit vijf leden die de werkgevers vertegenwoordigen, die door het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf in zijn schoot worden aangeduid. De hoedanigheid van lid van de raad van beheer gaat verloren gelijktijdig met het verlies van de hoedanigheid van effectief of plaatsvervangend lid van het paritair comité. In dit geval duidt de betrokken organisatie een nieuw lid aan dat het mandaat van zijn voorganger beëindigt. Art. 10.Elk jaar stelt de raad van beheer in zijn schoot een voorzitter en een ondervoorzitter aan. Voor het voorzitterschap en het ondervoorzitterschap wordt een beurtregeling toegepast onder de vertegenwoordigers van de werkgevers en deze van de bedienden. Art. 11.De raad van beheer vergadert op uitnodiging van zijn voorzitter. De voorzitter dient de raad van beheer minstens éénmaal per semester bijeen te roepen en telkens als ten minste twee leden van de raad erom verzoeken. De uitnodiging vermeldt de bondige agenda. De notulen worden opgesteld door de directeur van het fonds en ondertekend door de voorzitter van de vergadering. De uittreksels uit de notulen worden door de voorzitter en één beheerder ondertekend. De beslissingen worden genomen met enkelvoudige meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. De stemming is geldig wanneer ten minste twee leden van elke paritaire groep aan de stemming hebben deelgenomen, en op voorwaarde dat het ter stemming gelegde punt duidelijk staat vermeld op de agenda van de vergadering. Art. 12.De raad van beheer heeft tot taak het fonds te beheren en alle voor zijn goede werking vereiste maatregelen te treffen. Hij beschikt over de ruimste machten voor het beheer en de leiding van het fonds. De raad van beheer verschijnt in rechte in naam van het fonds. De raad van beheer kan aan één of meer van zijn leden, of zelfs aan derden, bijzondere machten overdragen. Voor alle handelingen, andere dan deze waarvoor de raad bijzondere volmachten verleent, volstaat de gemeenschappelijke handtekening van twee beheerders, één van elke paritaire groep. De verantwoordelijkheid van de beheerders is beperkt tot de uitvoering van hun mandaat en hun beheer en behelst geen enkele persoonlijke verplichting ten aanzien van de verbintenissen van het fonds. HOOFDSTUK V. - Financiering Art. 13.§ 1. Het fonds beschikt over de door in artikel 5 van deze statuten bedoelde werkgevers verschuldigde bijdragen. § 2. Ter uitvoering van artikel 3, 4° van deze statuten maakt het fonds, onmiddellijk na ontvangst

§ 1

van dit artikel bedoelde bijdragen, aan het "Fonds voor bestaanszekerheid voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf" een als volgt vastgesteld bedrag over : - van 1 januari 2001 tot 31 maart 2015 : 1,20 pct.

§ 1

van dit artikel bedoelde bijdragen; - van 1 april 2015 tot 31 december 2017 : 1,02 pct.

§ 1van dit artikel bedoelde bijdragen.

§ 3. Ter uitvoering van artikel 3, 7° van deze statuten maakt het fonds, onmiddellijk na ontvangst

§ 1

van dit artikel bedoelde bijdragen, aan het Instituut voor Vorming en Onderzoek in de Confectie (IVOC) een als volgt vastgesteld bedrag over : - van 1 januari 2001 tot 31 maart 2015 : 36,14 pct.

§ 1

van dit artikel bedoelde bijdragen; - van 1 april 2015 tot 31 december 2017 : 30,61 pct.

§ 1van dit artikel bedoelde bijdragen.

Art. 14.Van 1 januari 2001 tot 31 maart 2015 worden de werkgeversbijdragen bepaald op 0,83 pct. van de bruto wedden der bedienden. Van 1 april 2015 tot 31 december 2017 worden de werkgeversbijdragen bepaald op 0,98 pct. van de bruto wedden der bedienden. Art. 15.De bijdragen worden geïnd en ingevorderd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, overeenkomstig artikel 7 van de wet van 7 januari 1958Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/01/1958 pub. 31/03/2011 numac 2011000170 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de fondsen voor bestaanszekerheid. Aan de door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan het sociaal fonds gestorte bedragen worden de door de raad van beheer aan het sociaal fonds vastgestelde beheer- en werkingskosten afgetrokken. HOOFDSTUK VI. - Begroting, rekeningen Art. 16.Het maatschappelijk dienstjaar vangt aan op 1 januari en eindigt op 31 december. Op laatstgenoemde datum worden de rekeningen afgesloten en onderzocht door de raad van beheer; vervolgens door een door het Paritair Comité voor de bedienden van de kleding- en het confectiebedrijf aangeduide accountant, welke ermede wordt belast ze te controleren. Vóór 1 mei worden de jaarrekeningen, het jaarverslag met betrekking tot het fonds voor bestaanszekerheid en het verslag van de revisor(

  1. en)of de accountant(
  2. s)overgemaakt aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf. Art. 17.Bij de aanvang van elk dienstjaar en vóór 1 mei, maakt de raad van beheer van het fonds een begroting voor het dienstjaar op. Deze begroting moet behelzen : 1° het bedrag van de onder de bedienden te verdelen sommen, indien de bij artikel 8 voorziene voorwaarden zijn vervuld;2° het bedrag van de sommen, welke toekomen aan de werkgevers- en werknemersorganisaties in verband met de initiatieven bedoeld in artikel 3, 6° van deze statuten;3° het voor de beheer- en werkingskosten voorbehouden bedrag;4° het ereloon van de accountant die met het nazicht van de rekeningen is belast. HOOFDSTUK VII. - Ontbinding, vereffening Art. 18.Het fonds kan worden ontbonden onder de in artikel 4 voorziene voorwaarden of ten alle tijde bij collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf. Het paritair comité stelt de vereffenaars aan en bepaalt de vereffeningsmodaliteiten. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 12 november 2017. De Minister van Werk, K. PEETERS

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.