27 APRIL 2018. - Koninklijk besluit tot goedkeuring van het reglement van de Nationale Bank van België van 10 april 2018 op het eigen vermogen van de betalingsinstellingen FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België sluiten tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, artikel 12bis, § 2; Gelet op de wet van 11 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/03/2018 pub. 26/03/2018 numac 2018030643 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen sluiten betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen, artikel 33, § 2; Op de voordracht van de Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Het bij dit besluit gevoegde reglement van de Nationale Bank van België van 10 april 2018 op het eigen vermogen van de betalingsinstellingen, wordt goedgekeurd. Art. 2.Dit besluit treedt in werking op de dag dat het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 3.De minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 27 april 2018. FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT Bijlage bij het koninklijk besluit van 27 april 2018 tot goedkeuring van het reglement van 10 april 2018 van de Nationale Bank van België op het eigen vermogen van de betalingsinstellingen De Nationale Bank van België, Gelet op artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België sluiten tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België; Gelet op de wet van 11 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/03/2018 pub. 26/03/2018 numac 2018030643 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen sluiten op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, inzonderheid artikel 33; Gelet op Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG, de artikelen 8 en 9, Besluit : Afdeling 1. - Algemene bepaling, definities en toepassingsgebied Artikel 1.Dit reglement heeft de gedeeltelijke omzetting tot doel van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG. Art. 2.Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder : 1° "de wet" : de wet van 11 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/03/2018 pub. 26/03/2018 numac 2018030643 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen sluiten op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;2° "de Bank" : de Nationale Bank van België;3° "Verordening nr.575/2013" : Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; 4° "Reglement van 4 maart 2014" : Reglement van de Nationale Bank van België van 4 maart 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr.575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013; 5° "groep" : een groep ondernemingen in de zin van 2, 42° van de wet. Art. 3.De bepalingen van dit reglement zijn van toepassing op de betalingsinstellingen naar Belgisch recht. Afdeling 2. - Eigen vermogen Art. 4.Het eigen vermogen van de betalingsinstelling moet te allen tijde minstens gelijk zijn aan het bedrag van het aanvangskapitaal dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 17 van de wet. Art. 5.Worden als in aanmerking komende en kwalificerende eigenvermogensbestanddelen beschouwd, de bestanddelen die als dusdanig zijn gedefinieerd in Deel 2 van Verordening nr. 575/2013 en berekend worden volgens de modaliteiten van die Verordening. De artikelen 5 en 34 van het Reglement van 4 maart 2014 zijn van toepassing. Art. 6.Ten minste 75 % van het tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal als bedoeld in artikel 50 van Verordening nr. 575/2013. Het tier 2-kapitaal maakt hoogstens een derde uit van het tier 1-kapitaal. Art. 7.Onverminderd de bepalingen van de artikelen 8 tot 10 van dit reglement, beoordeelt de Bank de solvabiliteit van de betalingsinstelling rekening houdend met al haar werkzaamheden, met inbegrip van hybride werkzaamheden als bedoeld in artikel 44 van de wet. Art. 8.Indien een betalingsinstelling rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden verricht dan die vermeld in bijlage I.A van de wet, kan de Bank bepalen welke maatregelen die instelling moet nemen ter voorkoming van het meervoudige gebruik van elementen die voor de berekening van het eigen vermogen in aanmerking komen. Wat meer specifiek het verlenen van kredieten in verband met betalingsdiensten betreft, indien die kredietverleningsactiviteit voldoet aan de voorwaarden van artikel 44, § 3 van de wet, ziet de Bank erop toe, overeenkomstig artikel 44, § 3, 4° van de wet, dat de betalingsinstelling aan deze activiteit een eigen vermogen toewijst dat minstens gelijk is aan 8 % van het gewogen risicovolume berekend volgens de standaardmethode, overeenkomstig Deel 3, Titel III, Hoofdstuk II van Verordening nr. 575/2013. Wanneer de instelling er na goedkeuring van de Bank voor kiest om het gewogen volume van de kredietrisico's niet op basis van de standaardmethode te berekenen, wordt op de risicopositiewaarde als gedefinieerd in Deel 3, Titel III, Hoofdstuk II van Verordening nr. 575/2013 een risicoweging van 100 % toegepast. Wat de kredietverleningsactiviteit betreft die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 44, § 3 van de wet, beoordeelt de Bank de solvabiliteit op grond van de bepalingen van Deel 3, Titel III, Hoofdstuk II van Verordening nr. 575/2013. Afdeling 3. - Solvabiliteitscoëfficiënten en -normen Art. 9.§ 1. Het eigen vermogen van de betalingsinstelling moet te allen tijde minstens gelijk zijn aan de solvabiliteitsvereisten zoals berekend volgens een van de in paragraaf 2 bepaalde methodes. De Bank bepaalt de methode die kan worden toegepast door een betalingsinstelling na overleg met de betrokken betalingsinstelling. § 2. 1° Methode A Het eigen vermogen van de betalingsinstelling is een bedrag van ten minste 10 % van de algemene kosten van het voorgaande jaar. De Bank mag dit vereiste aanpassen in geval van een materiële wijziging in de werkzaamheden van de betalingsinstelling sinds het voorgaande jaar. Wanneer de betalingsinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, bedraagt het eigenvermogensvereiste 10 % van de in haar bedrijfsplan geraamde algemene kosten, tenzij de Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Voor de toepassing van deze methode omvatten de algemene kosten die in aanmerking genomen worden :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.