, § 1,1°, maar die nog niet als dusdanig gevalideerd werden. Het propageren van een bepaalde levensvisie, hoe verwerpelijk deze ook is, of het aanhouden van een radicaal gedachtegoed zonder dat de voorwaarden cumulatief zijn vervuld, is dus niet voldoende om een opname en specifieke opvolging in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten te rechtvaardigen. De gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten bevat dus geenszins een overzicht van personen met een bepaald radicaal gedachtegoed. Tevens dienen te worden geregistreerd de gerechtelijke of administratieve gegevens, de gegevens van gerechtelijke politie, de gegevens van bestuurlijke politie en de niet-geclassificeerde inlichtingen met betrekking tot de entiteiten zoals bedoeld in artikel 6, § 1, 1°, en 2° en die verwerkt zijn door de basisdiensten en de partnerdiensten. Tot slot worden eveneens geregistreerd de gebruikersgegevens of -codes van de personen die toegang hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Het belang van een gemeenschappelijke gegevensbank bestaat er namelijk in dat elke dienst de gegevens aanbrengt waarover hij beschikt, om het de basisdienst die de entiteit heeft geregistreerd, mogelijk te maken zijn verantwoordelijkheid op te nemen aangaande de kwaliteit van de gegevens, en om niet simpelweg aan de operationeel verantwoordelijke een voorstel te doen omtrent een entiteit, zonder dat er voldoende elementen zijn voor een gefundeerde validering van de situatie van de betrokken entiteit. De in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten geregistreerde persoonsgegevens en informatie hebben betrekking op: 1° identificatiegegevens (naam, voornaam, adres, ondernemingsnummer, IP-adres van een website...); 2° eventuele gegevens van: - gerechtelijke aard (veroordeling voor terrorismefeiten, voorwaardelijk in vrijheid gesteld,...); - administratieve aard (beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken,...); - gerechtelijke politie (antecedenten inzake terrorisme,...); - bestuurlijke politie (lidmaatschap van een van terrorisme verdachte groepering,...); - inlichtingen (sociale media,...). In hun gezamenlijke voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 44/11/3bis, § 3, van de wet op het politieambt, zullen de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie aanduiden welke gegevens en informatie elke dienst moet doorzenden om de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten te voeden. Dit ontwerp sluit echter de van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten afkomstige geclassificeerde inlichtingen uit. De gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten is een gemeenschappelijke gegevensbank die ter beschikking is gesteld van talrijke partners. Er moet dus een blijvende aandacht zijn om sommige gegevens of informatie, die zodanig gevoelig zijn dat ze geclassificeerd werden, niet in gevaar te brengen, wat de uitsluiting van geclassificeerde informatie rechtvaardigt. Om het nagestreefde doel te bereiken, moet men namelijk komen tot een gemeenschappelijke terbeschikkingstelling van een maximum aan informatie en er tegelijk over waken om noch een persoon, noch een voor de veiligheid van de burgers belangrijk onderzoek, in gevaar te brengen. Bovendien dient men er eveneens aan te herinneren dat het doeleinde van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten onder meer bestaat uit het verzekeren van de opvolging van de haatpropagandisten. In het uiterste geval waarbij alle informatie over een haatpropagandist geclassificeerd is, zal een opvolging toch mogelijk zijn, maar op een andere manier. Wanneer het overgrote deel van de informatie geclassificeerd is, worden enkel de persoonlijke gegevens van de haatpropagandist vermeld in de gemeenschappelijke gegevensbank, doch met een indicatie over het bestaan van geclassificeerde informatie Er dient te worden herinnerd aan artikel 44/11/3ter, § 5, van de wet op het politieambt, wat de mogelijkheid biedt aan de bevoegde magistraat om, mits instemming van de federale procureur, de voeding van de gemeenschappelijke gegevensbank uit te stellen indien dit de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een persoon in het gedrang kan brengen. De federale procureur gaat op regelmatige tijdstippen de noodzaak tot behoud van het uitstel van de voeding van de gemeenschappelijke gegevensbanken na. Indien de leidinggevende van een inlichtingen- en veiligheidsdienst oordeelt dat de voeding van de gemeenschappelijke gegevensbank de veiligheid van een persoon in gevaar kan brengen of wanneer de informatie afkomstig is van een buitenlandse dienst die uitdrukkelijk gevraagd heeft deze niet aan andere diensten door te geven, wordt de verplichting tot voeding van de gemeenschappelijke gegevensbanken eveneens uitgesteld. Tot slot worden tevens de persoonsgegevens of - wat de leden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten betreft - de identificatiecodes van de gebruikers geregistreerd (oplijsting, logging) in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Dit is niet alleen interessant op operationeel vlak (weten wie een bepaald gegeven toegevoegd heeft, maakt het mogelijk de samenwerking tussen de verschillende partners te versterken) maar ook op het vlak van de beveiliging (wie heeft gewijzigd, uitgewist, wanneer, ...). Artikel 7 Wat de basisdiensten betreft, bepaalt artikel 44/11/3ter, § 1, van de wet op het politieambt dat zij rechtstreeks toegang hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbanken. De basisdiensten betreffen het OCAD, de Veiligheid van de Staat, de Algemene dienst voor Inlichtingen en Veiligheid en de geïntegreerde politie. Voor de partnerdiensten bepaalt de wetgever ofwel een rechtstreekse toegang, ofwel een toegang via rechtstreekse bevraging (soort HIT, NO HIT). Dit mechanisme is geïnspireerd op hetgeen voorzien is om een toegang te hebben tot de gegevens en de informatie van de A.N.G. Dit ontwerp van koninklijk besluit maakt een onderscheid tussen de verschillende partnerdiensten op basis van het belang van de bijdragen van ieder van hen aan de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Daarom wordt bepaald dat de gegevens en de informatie van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten rechtstreeks toegankelijk zouden zijn voor bepaalde partnerdiensten. Het gaat om de diensten bedoeld in artikel 44/11/3ter, § 2, van de wet op het politieambt, weliswaar beperkt tot het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen en de penitentiaire inrichtingen, het Openbaar Ministerie, de Cel voor Financiële Informatieverwerking (de frequente bewegingen van omvangrijke kapitalen kunnen bijvoorbeeld een element zijn om rekening mee te houden in de financiering van de radicaliserende entiteiten) en de Dienst Vreemdelingenzaken. Het betreft immers diensten die op het ogenblik van de redactie van dit ontwerp van koninklijk besluit, het meest lijken te kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de finaliteiten van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Zelfs wanneer deze diensten niet over dezelfde rechten beschikken als de basisdiensten (cf. artikel 9), moeten zij toch de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten voeden. Daarom is er voorzien dat deze diensten ook een rechtstreekse toegang hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Er dient in elk geval te worden opgemerkt, zoals aangegeven in de memorie van toelichting van de wet van 27 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/04/2016 pub. 09/05/2016 numac 2016009200 bron federale overheidsdienst justitie Wet inzake aanvullende maatregelen ter bestrijding van terrorisme sluiten inzake aanvullende maatregelen ter bestrijding van terrorisme, die onder meer de gemeenschappelijke gegevensbanken in leven roept, dat het Openbaar Ministerie, ook wanneer ze rechtstreekse toegang heeft tot de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten, niet verplicht is om deze gemeenschappelijke gegevensbank rechtstreeks te voeden. De wetgever heeft inderdaad rekening gehouden met het specifieke onafhankelijke statuut van het Openbaar Ministerie en heeft geoordeeld dat de gerechtelijke gegevens voornamelijk afkomstig zijn van de politiediensten. Bijgevolg is de verplichting voor de politiediensten om de gemeenschappelijke databank te voeden voldoende opdat de pertinente gerechtelijke gegevens worden geregistreerd. Ten slotte, om zich ervan te vergewissen dat de voeding van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten in dit kader goed wordt uitgevoerd, wordt er voorzien dat de gerechtelijke overheden de gepaste instructies versturen, onder andere via omzendbrieven. Overeenkomstig artikel 44/11/3ter, § 3, van de wet op het politieambt wordt de rechtstreekse toegang ook toegekend aan de Nationale Veiligheidsoverheid (NVO), daar deze bevoegd is voor de afgifte of de intrekking van de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, wat de reden is waarom de in de gegevensbank Haatpropagandisten opgenomen persoonsgegevens en informatie eveneens relevant zijn voor de NVO. Concreet moet het secretariaat van NVO in de mogelijkheid gesteld worden om de beslissingen van het College zelf in deze gemeenschappelijke gegevensbank in te brengen. Het spreekt van zelf dat dit enkel slaat op de beslissingen die betrekking hebben op de personen die reeds volgens de geëigende procedure in de gemeenschappelijke gegevensbank opgenomen werden. Om te antwoorden op de opmerking van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de finaliteit waarvoor de Nationale Veiligheidsoverheid een rechtstreekse toegang zal hebben, wordt gepreciseerd dat deze ligt in het voeden van de gegevensbank met zijn beslissingen genomen in het kader van zijn bevoegdheid inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Wat de basisdiensten betreft, bepaalt artikel 44/11/3ter, § 1 van de wet op het politieambt dat zij rechtstreeks toegang hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbanken. Voor de partnerdiensten, bepaalt de wetgever ofwel een rechtstreekse toegang, ofwel een toegang via rechtstreekse bevraging (soort HIT, NO HIT). De rechtstreekse bevraging zal slaan op het bestaan van gegevens over een haatpropagandist die voldoet aan
De rechtstreekse bevraging kan bovendien eveneens slaan op de gegevens van potentiële haatpropagandist bedoeld in artikel 6 § 1, 2°. Om te antwoorden op de opmerkingen van de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in haar advies nr. 05/2018 van 17 januari 2018, is de mogelijkheid om de aanwezigheid van potentiële haatpropagandisten (HIT, NO HIT) in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten rechtstreeks te bevragen gerechtvaardigd door een nood aan een betere informatiestroom waarbij de nadruk wordt gelegd op de coördinatie tussen de diensten. Aangezien er bij de rechtstreekse bevraging geen enkel gegeven getoond wordt aan de dienst die de gemeenschappelijke gegevensbank bevraagt, moet deze dienst een basisdienst contacteren die de beschikbare informatie kan contextualiseren, in functie van de noden van de betrokken diensten. Er is dus een menselijke tussenkomst om te vermijden dat beslissingen enkel of zelfs deels gebaseerd worden op niet-gevalideerde gegevens. De mogelijkheid om niet-gevalideerde gegevens te gebruiken wordt dus omkaderd door procedures. De aangebrachte wijziging wil vooral de voorgemelde coördinatie tussen de diensten toelaten, en ervoor zorgen dat de basisdiensten geïnformeerd worden wanneer andere diensten interesse hebben in personen die mogelijks behoren tot een van de personeelcategorieën die voorzien worden in voorliggend koninklijk besluit. Bij het vaststellen van een potentiële haatpropagandist in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten is het aan de betrokken dienst om na het verloop van de termijn van maximaal 6 maanden waarin de betrokken potentiële haatpropagandist ofwel geregistreerd wordt als haatpropagandist ofwel gewist wordt uit de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten omdat hij niet voldoet aan de criteria, de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten opnieuw te bevragen. Wat de toegangen voor de Gemeenschappen betreft, worden geen wijzigingen aangebracht. Er wordt opgemerkt dat de aangeduide diensten van de Gemeenschappen de gegevensbank voeden met de informatie die toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is en die voortkomt uit de wettelijke opdracht tot het uitvoeren van het mandaat van de gerechtelijke overheden. Wat de overige partnerdiensten vernoemd in het artikel 44/11/3ter, § 2, b), c), e) en i), van de wet op het politieambt betreft, zijnde de Algemene Directie Crisiscentrum, de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de Federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken, de Federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Directoraat-generaal Consulaire Zaken en de onderzoeks- en opsporingsdiensten van de Algemene Administratie der douane en accijnzen, is gebleken dat een toegang tot de gegevens van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten op basis van de rechtstreekse bevraging voldoende en nodig is. Als antwoord op de opmerkingen van de Commissie van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vermeld in haar advies 05/2018 van 17 januari 2018 wordt er benadrukt dat deze verschillende partnerdiensten zullen beschikken over een recht op rechtstreekse bevraging (hit/no hit) van de gegevensbank, met het oog op afstemming en een goede communicatie-uitwisseling. Het is bijvoorbeeld noodzakelijk dat het Directie-generaal Consulaire Zaken van de FOD Buitenlandse Zaken, in het kader van de afgifte van een visum, de gegevensbank zou kunnen raadplegen en in het geval van een `hit' contact opneemt met een van de basisdiensten om zo zijn beslissing aan te passen aan de opvolging die voor de betrokken persoon werd voorzien. Zo kan bijvoorbeeld kan het visum geweigerd worden. Zo heeft ook de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de FOD Binnenlandse Zaken, in het kader van een vraag tot afgifte van een toegangsbadge voor een luchthaven, er baat bij om te weten of de verzoekende persoon opgenomen is als haatpropagandist. De Algemene Directie Crisiscentrum heeft er belang bij deze gegevensbank rechtstreeks te bevragen om te weten of de administratieve maatregel die zij zou treffen tegen een gevalideerde of potentiële haatpropagandist, pertinent is gezien de informaties of persoonsgegevens die één of meerdere basisdiensten zouden meedelen ingevolge een `hit'.Ten slotte spreekt het voor zich dat het ook voor de opsporings- en onderzoeksdiensten van de Algemene Directie Douane en Accijnzen noodzakelijk is om een rechtstreeks bevraging te kunnen doen van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Zo zal er inderdaad, in geval van een `hit', een striktere controle kunnen plaatsvinden van de bagage van een haatpropagandist of kan er in tegendeel gevraagd worden om geen bagage te controleren van een haatpropagandist om geen argwaan bij de betrokken persoon te wekken. De Vaste commissie van de lokale politie heeft een uitsluitend strategische rol die geen toegang kan rechtvaardigen. Hoewel ze niet uitdrukkelijk genoemd wordt in de opsomming in artikel 44/11/3ter, § 2, van de wet op het politieambt, is er, conform artikel 44/11/3ter, § 3, eerste en tweede lid, van de wet op het politieambt, tevens voorgesteld om een toegang via rechtstreekse bevraging tot de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten toe te kennen aan de dienst Erediensten en Vrijzinnigheid van de FOD Justitie. De dienst Erediensten en Vrijzinnigheid van de FOD Justitie is bij wet bevoegd voor de erkenning van de erediensten en niet-confessionele organisaties. Daarnaast betaalt de dienst de wedden van de bedienaars van de erediensten en de afgevaardigden van niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen. In het kader van deze bevoegdheden is het noodzakelijk dat zij een rechtstreekse bevraging kan doen van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Het systeem van de rechtstreekse bevraging is een "HIT, NO HIT"-systeem betreffende het bestaan van een haatpropagandist in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Daar het om een gemeenschappelijke en dynamische databank gaat, is het duidelijk dat sommige informatie, bijgehouden door een dienst die een HIT heeft verkregen tijdens een rechtstreekse bevraging, relevant zal blijken om te worden geregistreerd in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. In dezelfde zin is het evenzeer mogelijk dat, in het kader van hun opdrachten, diensten soms complementaire informatie nodig hebben voor wat betreft de gegevens die een HIT hebben opgeleverd na rechtstreekse bevraging van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Daarom is er bepaald dat er contact wordt genomen met de dienst die eigenaar is van de informatie wanneer een partnerdienst die de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten rechtstreeks bevraagt, een HIT krijgt. Om de partnerdienst toe te laten gemakkelijk contact op te nemen met een basisdienst, ontvangt de partnerdienst de contactgegevens van de basisdiensten die gecontacteerd kunnen worden. In de praktijk heeft elke partnerdienst zijn eigen kanalen om een basisdienst te contacteren en kan de partnerdienst in gevallen van een HIT deze kanalen gebruiken. De contactgegevens van de basisdiensten worden gecommuniceerd indien de partnerdienst nog geen dergelijk geprivilegieerd kanaal heeft. In het kader van het fenomeen van het radicaliserinsproces, is het belangrijk gebleken om een rechtstreekse toegang te verlenen aan andere diensten dan diegene die voorzien zijn in artikel 44/11/3ter, §§ 1 en 2, van de wet op het politieambt. Het betreft de diensten die bevoegdheden hebben, bepaald in artikel 44/11/3ter, § 3, van de wet op het politieambt. Het is in dit kader en uitsluitend voor hun opvolgingsopdracht van personen voor wie zij een mandaat van de gerechtelijke overheden krijgen, dat de Algemene Administratie van Justitiehuizen van de Franse Gemeenschap, de algemene dienst van de overheidsinstellingen voor Jeugdbescherming van de Federatie Wallonië-Brussel, de dienst Justitiehuis van het Ministerie van de Duitstalige gemeenschap, de Afdeling Justitiehuizen van de bevoegde diensten van de Vlaamse overheid, Beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en het Vlaams Agentschap Jongerenwelzijn rechtstreeks toegang hebben tot de persoonsgegevens en de informatie van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. De raadpleging van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten zal voor deze diensten beperkt zijn tot de inlichtingenfiches van de personen die het voorwerp uitmaken van een maatregel die een begeleiding of een opvolging inhoudt door de Justitiehuizen en, voor wat Vlaanderen betreft, door de jeugdinstellingen. De rechtstreekse toegang is bijgevolg niet bestemd voor de andere opdrachten van deze diensten of voor andere diensten van de Franse Gemeenschap, van de Duitstalige Gemeenschap of van het Vlaamse Gewest. In de praktijk zal het aantal personen die binnen deze diensten een toegang zullen hebben, beperkt zijn. Wat het Vlaams Agentschap Jongerenwelzijn betreft, is het noodzakelijk om ook in een rechtstreekse toegang te voorzien voor de opvolging van jongeren aan wie een gerechtelijke maatregel wordt opgelegd en voor de opvolging van de maatregelen die genomen worden ten aanzien van een minderjarige die het voorwerp uitmaakt van een uithandengeving, die aan Vlaamse zijde toegekend wordt aan dit Agentschap. Net als de overige diensten die een rechtstreekse toegang hebben, moeten de Algemene Administratie van Justitiehuizen van de Franse Gemeenschap, de dienst Justitiehuis van het Ministerie van de Duitstalige gemeenschap, de Afdeling Justitiehuizen van de bevoegde diensten van de Vlaamse overheid, Beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en het Vlaams Agentschap Jongerenwelzijn de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten voeden overeenkomstig de bepalingen van artikel 44/11/3ter, §§ 4 en 5, van de wet op het politieambt. Deze diensten zullen de gemeenschappelijke gegevensbank voeden met de informatie die toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is en die voortkomt uit de wettelijke opdracht tot het uitvoeren van het mandaat van de gerechtelijke overheden. Om het beheer van de toegangen te vergemakkelijken, zal elke dienst zijn personeelsleden moeten identificeren die gemachtigd zijn om een rechtstreekse toegang te hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Elke dienst zal een lijst van deze personen moeten doorzenden aan de beheerder die de toegangen beheert. Het is duidelijk dat deze lijst, in voorkomend geval, ook ter beschikking gesteld zal kunnen worden van de veiligheidsconsulent en van de operationeel verantwoordelijke in het kader van hun respectieve bevoegdheden. Er wordt ook gepreciseerd dat de personeelsleden houder moeten zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau "geheim" om toegang te kunnen krijgen tot de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. De gegevens en informatie van deze gegevensbank, elk afzonderlijk beschouwd, zijn niet geclassificeerd. Echter, in hun globaliteit samengevoegd en met de contextualisering van de gevallen die gedeeld worden in de LTF's, vormen deze gegevens een geheel dat duidelijk veel gevoeliger is en dat een hogere bescherming vereist. Het gaat over de veiligheid van de gegevens. Dit zijn gerechtelijke gegevens, inlichtingen, gegevens over het gedrag van de entiteit in een penitentiaire instelling, gegevens verzameld bij de opvolgingen en gerechtelijke begeleidingen door de bevoegde diensten van de Gemeenschappen, gegevens meegedeeld in het kader van de sociale preventie door lokale actoren, die allemaal samengebracht zijn in eenzelfde gemeenschappelijke gegevensbank. De verplichting om over een veiligheidsmachtiging te beschikken wordt verantwoord door het feit dat er bij de opvolg van entiteiten, een rol of functie uitgeoefend wordt die kadert in het delen van cruciale - soms gevoelige - informatie. Het resultaat van deze functie is het kennis nemen van heel veel gegevens over een specifieke entiteit. Het minimum aan voorzorg is dus ervoor te zorgen dat de persoon die in de uitvoering van deze functie over dergelijke kennis beschikt, voldoende waarborgen biedt op het vlak van discretie, loyauteit en integriteit. De identificatiegegevens van de gebruikers bestaan uit hun naam, voornaam, titel, functie, dienst en RRN-nummer. Er wordt in een uitzondering voorzien voor de leden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Wat deze diensten betreft, zal de beheerder een lijst ontvangen die de identificatiecodes met betrekking tot de gebruikers zal bevatten, en niet hun namen of voornamen. Op het gebied van de oplijsting (logging), betekent dit dat de beheerder voor deze diensten niet de identiteit van de gebruiker zal kunnen weergeven maar enkel een code die identificatie mogelijk maakt. In het geval de identiteit gekend moet zijn, zal zij enkel kunnen verstrekt worden door de inlichtingendienst waartoe de gebruiker behoort. Er dient opgemerkt dat deze nominatieve lijst niettemin permanent ter beschikking zal moeten worden gehouden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van de specifieke controleorganen die het COC en het Comité I uitmaken. De aan de beheerder overgemaakte lijst zal door deze laatste ter beschikking van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het COC en het Comité I gehouden worden en zal jaarlijks door elke dienst opnieuw moeten worden geëvalueerd. Artikel 8 Om het de operationeel verantwoordelijke mogelijk te maken zijn opdrachten bepaald in de wet op het politieambt en in artikel 4 van dit ontwerp, zo goed mogelijk uit te voeren, wanneer hij zich baseert op gegevens en informatie die niet afkomstig zijn van zijn dienst, is het primordiaal dat er binnen de dienst zelf die een gegeven of een informatie doorzendt aan de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten, een eerste kwaliteitscontrole wordt uitgevoerd. Deze eerste interne validering van de eigen gegevens vormt een eerste garantie dat de doorgezonden gegevens of informatie overgemaakt werden in overeenstemming met de finaliteit van de gegevensbank Haatpropagandisten. Dit is tevens belangrijk voor elke verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevensbank die aan de oorsprong ligt van het gegeven of de informatie (de leverancier), omdat hij een verantwoordelijkheid heeft over de gegevens en de informatie die zijn diensten doorzenden aan de gegevensbank Haatpropagandisten (cf. artikel 16). Het valideringssysteem van elke dienst wordt meegedeeld aan de operationeel verantwoordelijke, die er van dan af rekening mee zal kunnen houden om zijn eigen evaluatie van de gegevens en informatie in de gegevensbank Haatpropagandisten uit te voeren, en om te kunnen valideren of een entiteit beschouwd moet worden als zijnde een haatpropagandist. De tweede paragraaf van dit artikel legt aan de aanleverende diensten van de gegevens en de informatie de verplichting op om de operationeel verantwoordelijke in kennis te stellen wanneer een van hun aan de gegevensbank Haatpropagandisten doorgezonden gegeven of informatie gewist werd uit hun eigen gegevensbank. In het belang van de in artikel 44/2, § 2, van de wet op het politieambt bedoelde opdrachten van de bevoegde overheden, zal het betrokken gegeven of de betrokken informatie niettemin behouden kunnen blijven. Ten slotte spreekt het voor zich dat elke dienst die, met naleving van de wet op de persoonlijke levenssfeer, wijzigingen en actualiseringen aanbrengt aan de eigen gegevens in zijn gegevensbank, tevens verplicht is de in de gegevensbank Haatpropagandisten geregistreerde gegevens te actualiseren door er de noodzakelijke wijzigingen aan aan te brengen. Artikel 9 Dit artikel bepaalt dat enkel de basisdiensten een inlichtingenfiche kunnen creëren, wat wil zeggen dat enkel zij een haatpropagandist in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten kunnen registreren. Gelet op het belangrijke aantal diensten die een rechtstreekse toegang hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten met het oog op de voeding ervan, is het nodig gebleken een onderscheid te maken tussen de diensten die meer op de hoogte zijn van de problematiek aangaande het radicaliseringsproces en de diensten die zich beperken tot het verrijken van de gegevens en de informatie. De andere diensten voegen bijkomende gegevens en informatie toe die de inlichtingenfiche van de betrokken entiteit zullen verrijken. Om een goed gegevensbeheer mogelijk te maken door te vermijden dat elke dienst om het even welk geregistreerd gegeven kan wijzigen, bepaalt artikel 9 dat enkel de dienst die een gegeven geregistreerd heeft het kan wijzigen, verbeteren of wissen. Als een andere dienst van mening is dat een gegeven gewijzigd, verbeterd of gewist moet worden, stelt hij de dienst die het gegeven geregistreerd heeft hiervan in kennis zodat deze, in voorkomend geval, tot de nodige aanpassingen kan overgaan. Indien er op dit vlak geen overeenstemming is, wordt de operationeel verantwoordelijke ervan in kennis gesteld en indien het geschil blijft voortduren, neemt de operationeel verantwoordelijke, na overleg met de betrokkene diensten de uiteindelijke beslissing. Artikel 10 De inlichtingenfiche is slechts toegankelijk voor de diensten die haar voeden. Teneinde te antwoorden op de opmerkingen in het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer nr. 05/2018 van 17 januari 2018, waar zij zich de vraag stelt waarom de toegang tot de "inlichtingenfiche" niet aan de voorwaarden onderworpen is dat elke toegangsgerechtigde persoon over een veiligheidsmachtiging dient te beschikken, terwijl deze voorwaarde nochtans wel voorzien is voor de toegang tot de `informatiekaart", wordt verwezen naar het artikel 7, § 2, van voorliggend ontwerp van koninklijk besluit, dat bepaalt dat elke dienst die beschikt over een rechtstreekse toegang tot de gemeenschappelijke gegevensbank, de leden van zijn organisatie aanwijst die een toegang hebben tot de persoonsgegevens en de informatie van de gegevensbank. Deze leden zijn houder van een veiligheidsmachtiging van het niveau "geheim". De personen die toegang hebben tot de inlichtingenfiche beschikken dus overeenkomstig deze bepaling wel degelijk over een veiligheidsmachtiging. Om de eventuele onderzoeken waarvan de betrokkene het voorwerp uitmaakt, niet in gevaar te brengen, wordt sommige gevoeligere informatie betreffende deze onderzoeken a priori niet hernomen op de inlichtingenfiche. Hetzelfde geldt voor de informatie met betrekking tot de methoden voor gegevensinzameling die door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in plaats gesteld zijn en die niet voorkomen op de inlichtingenfiche. Deze gegevens en informatie zijn dus a priori voorwerp van een embargo zoals voorzien in artikel 44/11/3ter, § 5, van de wet op het politieambt aangezien ze volgens de voorziene regels de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten niet zullen voeden. Artikel 11 Dit artikel kondigt het algemene principe aan volgens hetwelk geen enkele bestemmeling van een informatiekaart van een haatpropagandist, deze kaart in het dossier mag voegen op basis waarvan een administratieve beslissing wordt genomen. Er dient namelijk verhinderd te worden dat de gegevens en de informatie van dit document verspreid zouden worden aan personen of organismen - in de brede zin- die toegang hebben tot het dossier en die niet rechtstreeks gelinkt zijn aan de strijd tegen het terrorisme en dat het beschermingsmechanisme van gegevens die in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten beheerd worden, omzeild kan worden door een administratieve procedure. Wat betreft de lijsten die getrokken kunnen worden uit de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten, zijn enkel de diensten die een rechtstreekse toegang hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten gemachtigd om dit te doen, en dit enkel voor intern gebruik. Om te antwoorden op de opmerkingen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in haar advies nr 05/2018 van 17 januari 2018, wordt er benadrukt dat een lijst minstens de geanonimiseerde gegevens van Haatpropagandisten (statistieken) bevat en hoogstens de persoonsgegevens en informaties uit de informatiekaarten betreffende deze laatsten. Het begrip "lijst" moet begrepen worden in de gebruikelijke betekenis van het woord: een opsomming van persoonsgegevens (bijvoorbeeld: geboortedatum, E-ID-nummer,...) die betrekking hebben op meerdere personen. De lijst verschilt van de informatiekaart die slechts één persoon betreft, en die meer persoonsgegevens bevat over deze persoon. De mededeling door de basisdiensten van persoonsgegevens of informatie, onder de vorm van lijsten gehaald uit de informatiekaarten en betrekking hebbend op haatpropagandisten aan andere diensten of instellingen wordt dan ook niet toegestaan, met uitzondering van de gevallen zoals voorzien in artikel 44/11/3quater van de wet op het politieambt, zijnde indien de beheerder, de operationeel verantwoordelijke, het OCAD en de diensten bedoeld in artikel 44/11/3ter, § 1 van de wet op het politieambt, evalueren dat de mededeling noodzakelijk is voor een welbepaald doel waarmee de betrokken ontvanger belast werd. Om te antwoorden op de opmerking van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, wordt toegevoegd dat de lijsten gehaald uit de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten enkel mogen gecommuniceerd aan andere overheidsinstanties en openbare organen. Voor de toepassing van voorliggend koninklijk besluit moet onder "overheidsinstantie" en "openbaar orgaan" worden verstaan openbare instellingen in de zin van een overheidsinstelling die een openbare dienst verleent. Daarnaast mag de mededeling enkel gebeuren omwille van een welbepaald doel dat kadert in de wettelijke opdrachten van de betrokken ontvanger (bijvoorbeeld in het kader van een historische of statistische opzoeking). Deze lijsten mogen niet gebruikt worden voor een andere doelstelling. Ten slotte mogen de lijsten niet langer bewaard worden dan nodig voor het verwezenlijken van deze doelstelling. Hiermee willen we vermijden dat verschillende lijsten met persoonsgegevens verspreid raken op ongepaste wijze voor doeleinden die dit niet rechtvaardigen. Hernomen worden op een dergelijke lijst heeft immers zware gevolgen voor de betrokken personen. De informatiekaart bestaat uit een uittreksel van de inlichtingenfiche, met enkel die gegevens en informatie die noodzakelijk zijn voor het vervullen van zijn wettelijke opdrachten inzake de opvolging en preventie op het vlak van terrorisme. Het feit dat de informatiekaart niet kan dienen als bewijsstuk om een administratieve beslissing te motiveren is een praktisch obstakel tijdens het nemen van administratieve beslissingen, dat weggenomen moet worden. Het doel van de gemeenschappelijke databank is niet enkel om het delen van gegevens te verbeteren, maar ook om een kader te hebben voor het nemen van maatregelen, waartoe in overleg besloten wordt binnen de hiervoor voorziene platformen. Het is bijgevolg belangrijk om te preciseren dat de diensten die een rechtstreekse toegang hebben tot de gegevensbank Haatpropagandisten hun administratieve beslissingen kunnen steunen op de evaluatie van de dreiging geleverd door het OCAD overeenkomstig artikel 4 en ingevoerd in de databank Haatpropagandisten. Om een dubbele werklast te vermijden voor de diensten die de gegevensbank Haatpropagandisten voeden, is het voor hen dus mogelijk om de evaluatie van het OCAD, met officiële hoofding, datum en handtekening van de directeur van het OCAD, te printen. De nadere regels inzake de mededeling van de persoonsgegevens en informatie aan een derde overheid of een derde eenheid, d.w.z. aan overheden, organismen in de brede zin of aan personen die niet beantwoorden aan de voorwaarden voorzien in artikel 44/11/3ter van de wet op het politieambt, maar die kunnen worden beschouwd als actoren nuttig en noodzakelijk voor de preventie van en strijd tegen het terrorisme, worden, zoals voorzien in artikel 44/11/3quater van de wet op het politieambt, eveneens in dit artikel geregeld. Deze nadere regels bepalen dat: - enkel de basisdiensten gegevens mogen meedelen aan derde eenheden of overheden; - de mededeling slechts de gegevens betreft van entiteiten die beantwoorden aan de criteria om te worden beschouwd als een entiteit Haatpropagandisten; - de meegedeelde gegevens betreffen informatie van de informatiekaart of van een gedeelte ervan. Er dient te worden opgemerkt dat deze mededeling geen afbreuk mag doen aan de regels en procedures met betrekking tot de eigen gegevens en informatie die eigen zijn aan elke dienst. Artikel 12 Gelet op de bevoegdheden van de burgemeester op het gebied van veiligheid zoals wettelijk bepaald in de nieuwe gemeentewet, moet deze over de noodzakelijke informatie beschikken om zijn rol uit te oefenen op het vlak van het voorkomen van terrorisme. Als overheid van bestuurlijke politie moet hij tevens op de hoogte gehouden worden van de concrete opvolging van sommige aan zijn gemeente verbonden entiteiten. De burgemeester zal dus in kennis moeten worden gesteld wanneer een entiteit, waarvan de activiteiten zichtbare effecten hebben in zijn gemeente of die zijn woonplaats gevestigd heeft in zijn gemeente, deze regelmatig bezoekt, er één of meerdere activiteiten organiseert of plant te organiseren, om een radicaliserende invloed uit te oefenen, wordt opgevolgd in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Deze inkennisstelling van de burgemeester gebeurt door middel van de informatiekaart. De burgemeester zal deze gegevens en informatie, onder zijn verantwoordelijkheid, kunnen delen met de verschillende lokale actoren die de behoefte hebben om te kennen. Deze informatiedeling mag de operationele opdrachten die voortvloeien uit de exploitatie van de gegevens en informatie beheerd in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten uiteraard niet in gevaar brengen. Wanneer twijfel bestaat over het in gevaar brengen van een operationele opdracht, kan de burgemeester altijd contact opnemen met de korpschef van de politiedienst die hem de informatiekaart overmaakte. Artikel 13 Dit artikel heeft tot doel om de toepassing van de algemene regel voor het bewaren van gegevens, voorzien in artikel 44/11/3bis, § 5, van de wet op het politieambt, te bevestigen. Artikel 14 Dit artikel bepaalt dat het regime inzake archivering zoals voorzien in artikel 44/11/3bis, § 7, van de wet op het politieambt van toepassing is op de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Artikel 15 De internationale informatie-uitwisseling wordt voorbehouden aan de basisdiensten. Deze diensten beschikken namelijk al over hun eigen kanalen. Bovendien is het artikel 44/11/3quinquies van de wet op het politieambt sterk geïnspireerd door de regels die op internationaal niveau door deze diensten worden toegepast. Ter herinnering, de mededeling van gegevens en informatie wordt in artikel 44/11/4 van de wet op het politieambt omschreven als zijnde "het doorzenden, met welk middel ook, van persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/1, met inbegrip van deze vervat in artikel 44/2". De nadere regels met betrekking tot de mededeling bedoeld in artikel 44/11/3quinquies van de wet op het politieambt worden ook in dit artikel bepaald. Wat de partners van de politiediensten betreft, wordt er verwezen naar de nadere regels bepaald in de wet van 15 mei 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/05/2014 pub. 07/08/2014 numac 2014009414 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering en tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt type wet prom. 15/05/2014 pub. 13/01/2015 numac 2014000942 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering en tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. - Duitse vertaling sluiten tot wijziging van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering en tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten op het politieambt. Deze wet stelt het kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad van 18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsdiensten van de lidstaten van de Europese Unie, in werking. Zonder in detail te treden (voor meer informatie, zie de parlementaire werkzaamheden), beogen de erin voorgeschreven nadere regels de uitwisseling van gegevens en inlichtingen van de politiediensten met hun Europese partners te vergemakkelijken door een grotere autonomie voor deze Belgische diensten te voorzien. Het vergemakkelijken van de gegevens- en informatie-uitwisseling tussen partners die dezelfde doelen beogen, komt geheel overeen met de geest en het concept van de gemeenschappelijke gegevensbank. Niettemin bestaan er uitzonderingen op deze autonomie, zoals het geval van het embargo, de veiligheid van de Staat, de veiligheid van de strafvordering en de individuele veiligheid. Ter aanvulling van de bepalingen van deze wet van 2014 verwijst het voorliggend ontwerp naar de nadere regels die bepaald worden in het Koninklijk besluit van 30 oktober 2015Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/10/2015 pub. 20/11/2015 numac 2015000561 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken en federale overheidsdienst justitie Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden verbonden aan de mededeling van persoonsgegevens en informatie door de Belgische politiediensten aan de leden van Interpol en Interpol type koninklijk besluit prom. 30/10/2015 pub. 20/11/2015 numac 2015000559 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken en federale overheidsdienst justitie Koninklijk besluit betreffende de rechtstreekse toegang van het Vast Comité van toezicht op de politiediensten en van de Dienst Enquêtes ervan tot de gegevens en de informatie van de Algemene Nationale Gegevensbank bedoeld in artikel 44/7 van de wet op het politieambt type koninklijk besluit prom. 30/10/2015 pub. 20/11/2015 numac 2015000585 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken en federale overheidsdienst justitie Koninklijk besluit betreffende de rechtstreekse toegang van het Controleorgaan tot de gegevens en de informatie van de Algemene Nationale Gegevensbank bedoeld in artikel 44/7 van de wet op het politieambt type koninklijk besluit prom. 30/10/2015 pub. 20/11/2015 numac 2015000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken en federale overheidsdienst justitie Koninklijk besluit betreffende de rechtstreekse toegang van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de Dienst Enquêtes ervan tot de gegevens en de informatie van de Algemene Nationale Gegevensbank bedoeld in artikel 44/7 van de wet op het politieambt sluiten betreffende de voorwaarden verbonden aan de mededeling van persoonsgegevens en informatie door de Belgische politiediensten aan de leden van Interpol en Interpol, die zich, in tegenstelling tot de wet van 2014 tot wijziging van de internationale rechtshulp in strafzaken, niet beperken tot de Europese partners. Aangezien het bovenvermeld kaderbesluit niet van toepassing is op de gegevens of informatie die uitsluitend afkomstig zijn van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en met het oog op het eerbiedigen van de door deze diensten gebruikte informatie-uitwisselingskanalen, wordt er tevens verwezen naar de bepalingen die van toepassing zijn wanneer de gegevensuitwisseling betrekking heeft op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en het OCAD naar hun buitenlandse homologen en partners. Ten slotte, zelfs wanneer elke partner van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten normaliter het contactpunt blijft voor zijn buitenlandse corresponderende diensten, is het mogelijk dat een politiedienst bijvoorbeeld naar aanleiding van zijn mededeling naar een buitenlandse dienst, per kerende gegevens en informatie ontvangt die eerder een inlichting betreffen die door de Veiligheid van de Staat in de gegevensbank Haatpropagandisten werd ingevoegd. In dit geval, is het noodzakelijk dat de politiedienst de Veiligheid van de Staat hiervan in kennis stelt zodat deze laatste, in voorkomend geval, de eventuele impact kan beoordelen die deze van het buitenland afkomstige gegevens en informatie kunnen hebben op de in de gegevensbank Haatpropagandisten geregistreerde inlichting. Tot slot wordt de mededeling door de basisdiensten van persoonlijke gegevens en van informatie uit de informatiekaarten onder de vorm van een lijst naar andere diensten of instellingen niet toegelaten. Een uitzondering op dat verbod kan enkel mogelijk zijn in de gevallen bedoeld in artikelen 44/11/3quater en 44/11/3quinquies van de wet op het politieambt. Artikel 16 De gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten is een gemeenschappelijke gegevensbank die door verschillende partners gevoed wordt; daarom zijn regels inzake de verantwoordelijkheid voor de gegevensbescherming noodzakelijk. Op het vlak van de kwaliteit van de gegevens, komt het er op aan de verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke voor de verwerking van de dienst die een gegeven aan de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten doorzendt, te onderscheiden van de verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke voor de verwerking van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten zelf. Zo zal de verantwoordelijke voor de verwerking van de aanleverende dienst zijn verantwoordelijkheid behouden over de rechtmatigheid, overeenkomstig de wet persoonlijke levenssfeer, van het door hem doorgezonden gegeven, terwijl de verantwoordelijke voor de verwerking van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten er de verantwoordelijkheid voor is vanaf het ogenblik dat dit doorgezonden gegeven in zijn gegevensbank wordt geëxploiteerd. Het zou namelijk incoherent zijn dat de verantwoordelijke voor de verwerking van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten enige verantwoordelijkheid zou kunnen dragen over een foutief gegeven waarvan de verwerking uitgevoerd is geweest door een derde. Op dezelfde manier, zou de verantwoordelijke voor de verwerking van de aanleverende dienst niet verantwoordelijk kunnen gehouden worden voor een gegeven dat naar de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten doorgezonden werd en dat, als gevolg van zijn exploitatie, niet langer correct zou zijn. Ook op het gebied van de doorzending van de gegevens, moet elke verantwoordelijke voor de verwerking zijn verantwoordelijkheid dragen over de wettelijkheid van deze doorzending. De aanleverende verantwoordelijke voor de verwerking moet er over waken dat de doorzending van zijn gegeven met eerbied voor de wet gebeurt, terwijl de verantwoordelijke voor de verwerking van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten over de wettelijkheid moet waken wanneer het gegeven vanuit deze gegevensbank wordt doorgezonden. Er dient te worden opgemerkt dat deze regels op het gebied van de verantwoordelijkheid ook gegevens en informatie van een bepaalde dienst betreffen die door een andere dienst zouden geregistreerd worden in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Dit kan eventueel het geval zijn wanneer een basisdienst, na contactname, van mening is dat een gegeven van een partnerdienst die naar aanleiding van een rechtstreekse bevraging een HIT heeft verkregen, de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten zou kunnen verrijken. De kwaliteit van de aldus door de basisdienst geregistreerde informatie blijft de verantwoordelijkheid van de dienst die aan de bron ervan ligt, en niet de verantwoordelijkheid van de basisdienst. De verantwoordelijkheden van de verantwoordelijke voor de verwerking worden beschreven in de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, maar omwille van de duidelijkheid, legt het ontwerp het accent op bepaalde verplichtingen die moeten worden aangegaan door de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Er wordt er ook aan herinnerd dat de verantwoordelijke voor de verwerking van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten dient te waken over de goede technische en functionele werking van zijn gegevensbank, bijvoorbeeld door zich ervan te vergewissen dat een doorgezonden gegeven niet gewijzigd wordt door een technische storing. De verantwoordelijke van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten waakt eveneens over de integriteit, de beschikbaarheid en de vertrouwelijkheid van de gegevens en informatie die in de databank Haatpropagandisten geregistreerd zijn. Aangezien het in de praktijk niet de verantwoordelijke voor de verwerking is die de gegevensbank waarvan hij verantwoordelijk is, dagelijks beheert, bepaalt hij bij richtlijn de maatregelen die noodzakelijk zijn om zijn bevoegdheden te verzekeren. Artikel 17 Het ontwerp dat aan U wordt voorgelegd, bepaalt de inwerkingtreding van het besluit. Het ontwerp bevat belangrijke maatregelen inzake de goede uitvoering van bepaalde opdrachten toegekend aan meerdere diensten in het kader van de strijd tegen het terrorisme en brengt geen rechtstreekse gevolgen met zich mee voor onze burgers. De bepalingen van huidig ontwerp moeten bijgevolg zo snel mogelijk worden toegepast. Wij hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Vice-Eerste Minister, Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Justitie, K. GEENS 23 APRIL 2018. - Koninklijk besluit betreffende de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten en tot uitvoering van sommige bepalingen van de afdeling 1bis "Het informatiebeheer" van hoofdstuk IV van de wet op het politieambt FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 augustus 1992Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten op het politieambt, de artikelen 44/3, § 1/1, vijfde lid, 44/11/3bis, § 4, 44/11/3bis, § 8, 44/11/3bis, § 9, 44/11/3bis, § 10, 44/11/3bis, § 11, 44/11/3ter, § 2, tweede lid, 44/11/3ter, § 3, 44/11/3ter, § 4, 44/11/3quater en 44/11/3quinquies, derde lid, ingevoegd bij de wet van 27 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/04/2016 pub. 09/05/2016 numac 2016009200 bron federale overheidsdienst justitie Wet inzake aanvullende maatregelen ter bestrijding van terrorisme sluiten inzake aanvullende maatregelen ter bestrijding van terrorisme; Gelet op het advies nr. 05/2018 van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, gegeven op 17 januari 2018; Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 9 november 2017; Gelet op het advies 62.630/2 van de Raad van State, gegeven op 31 januari 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op de validatie door de Interministeriële Conferentie Justitiehuizen, op 4 oktober 2017; Gelet op artikel 8, § 2, 1° van de wet van 15 december 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging sluiten houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging, worden de voorontwerpen van regelgeving die de nationale veiligheid en de openbare orde aanbelangen uitgezonderd van de impactanalyse; Op de voordracht van de Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en van de Minister van Justitie, en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° "wet persoonlijke levenssfeer": de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;2° "wet op het politieambt": de wet van 5 augustus 1992Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten op het politieambt;3° "gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten": een gemeenschappelijke gegevensbank in de zin van artikel 44/2, § 2, van de wet op het politieambt;4° "beheerder": de beheerder bedoeld in artikel 44/11/3bis, § 9, van de wet op het politieambt;5° "operationeel verantwoordelijke": de operationeel verantwoordelijke bedoeld in artikel 44/11/3bis, § 10, van de wet op het politieambt;6° "consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer": de consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bedoeld in artikel 44/3, § 1/1, van de wet op het politieambt;7° "verantwoordelijke voor de verwerking": de verantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet persoonlijke levenssfeer;8° "basisdiensten": het Coördinatieorgaan voor de dreiginganalyse en de diensten bedoeld in artikel 44/11/3ter, § 1, van de wet op het politieambt;9° "partnerdiensten": de directies, diensten, organen, organismen, overheden of commissie bedoeld in artikel 44/11/3ter, § 2, eerste lid, van de wet op het politieambt;10° "entiteit": de natuurlijke personen, rechtspersonen, feitelijke verenigingen met inbegrip van alle aangewende middelen;11° "Haatpropagandist": de natuurlijke persoon, rechtspersoon, feitelijke vereniging en de door hen aangewende middelen, zoals bedoeld in artikel 6, § 1,1°, van dit besluit;12° "radicaliserende invloed": elke actie gepleegd door een entiteit met als doelstelling om een radicaliseringsproces te initiëren, te ondersteunen of ertoe bij te dragen;13° "radicaliseringsproces": elk proces waarbij een individu of een groep van individuen op dusdanige wijze wordt beïnvloedt, dat dit individu of deze groep van individuen mentaal gevormd wordt of bereid is tot het plegen van terroristische handelingen;14° "inlichtingenfiche": de fiche aangaande een entiteit, die, overeenkomstig de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens type wet prom. 11/12/1998 pub. 07/05/1999 numac 1999007004 bron ministerie van landsverdediging Wet betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen sluiten betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, alle niet-geclassificeerde persoonsgegevens en informatie bevat die afkomstig zijn van alle diensten die de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten voeden;15° "informatiekaart": de fiche aangaande een entiteit, die een uittreksel vormt van de inlichtingenfiche en die, overeenkomstig de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens type wet prom. 11/12/1998 pub. 07/05/1999 numac 1999007004 bron ministerie van landsverdediging Wet betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen sluiten betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, de niet-geclassificeerde persoonsgegevens en informatie bevat die strikt beperkt zijn tot de behoefte van de bestemmeling om te kennen voor de opvolging van de entiteiten bedoeld in artikel 6, § 1, 1°, van dit besluit. Art. 2.De gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten draagt bij tot de analyse, de evaluatie en de opvolging, waarin ook het nemen van maatregelen vervat zit, van de entiteiten bedoeld in artikel 6, § 1,1° en 2° van dit besluit en van de fenomenen op basis van een evaluatie van de dreiging, overeenkomstig de doelstellingen als bedoeld in artikel 44/11/3bis, § 2, van de wet op het politieambt. Art. 3.De federale politie wordt aangeduid als beheerder van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten en verzekert, naast de opdrachten bepaald in artikel 44/11/3bis, § 9, van de wet op het politieambt, meer in het bijzonder de volgende opdrachten: 1° het bijhouden van de lijst van de personen of de identificatiecodes bedoeld in artikel 7, § 3, van dit besluit;2° het waken over de oplijsting van de in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten uitgevoerde verwerkingen;3° het zo snel mogelijk ter kennis brengen van elk veiligheidsincident dat persoonlijk vastgesteld of gerapporteerd wordt, aan de operationeel verantwoordelijke, de consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en aan het Orgaan en het Comité bedoeld in artikel 44/6, tweede lid, van de wet op het politieambt. Art. 4.Het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse wordt aangeduid als operationeel verantwoordelijke van de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten en verzekert, naast de opdrachten bepaald in artikel 44/11/3bis, § 10, van de wet op het politieambt, meer in het bijzonder de volgende opdrachten: 1° het beoordelen van de gegevens van de inlichtingenfiche;2° het valideren als "Haatpropagandist" in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten indien aan
, § 1,1° is voldaan, binnen een tijdspanne van 15 dagen en op basis van gegevens en informatie opgeslagen in de gegevensbank Haatpropagandisten;3° het contactpunt vormen voor de verantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in artikel 44/11/3bis, § 1, van de wet op het politieambt en hem in kennis stellen van de eventuele gebreken of fouten die persoonlijk vastgesteld of gerapporteerd worden;4° het in kennis stellen van de dienst die de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten voedt wanneer het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse oordeelt dat het doorgezonden gegeven niet of niet meer toereikend, niet of niet meer ter zake dienend of overmatig geworden is in het licht van de in artikel 44/2, § 2, van de wet op het politieambt bedoelde opdrachten en de in artikel 44/11/3bis, § 2, van de dezelfde wet bedoelde doelstellingen en dat het gegeven dus geschrapt moet worden uit de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. De beoordeling van de informatie uit de inlichtingenfiche alsmede de erkenning als "Haatpropagandist" zijn gegevens die zichtbaar zijn in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten. Art. 5.In het kader van de uitoefening van zijn opdrachten organiseert de consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de nodige samenwerking met de beheerder en de operationeel verantwoordelijke alsook met de overheden, organen, organismen, diensten, directies of commissie bedoeld in artikel 44/11/3ter, van de wet op het politieambt. Te dien einde zijn de opdrachten van de consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de volgende: 1° waken over de bewustmaking van de gebruikers inzake bescherming van de persoonsgegevens en de veiligheid;2° samenwerken met de beheerder in het kader van het uitwerken van procedures;3° indien nodig samenwerken met de consulenten voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de diensten die de gegevens in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten verwerken. De consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer treedt daarbij op in alle onafhankelijkheid en met respect voor de bevoegdheden van de in het eerste lid bedoelde overheden, organen, organismen, diensten, directies of commissie. Art. 6.§ 1. De persoonsgegevens en de informatie verwerkt in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten zijn: 1° de identificatiegegevens aangaande de entiteiten, ongeacht hun nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging, en die voldoen aan volgende cumulative criteria:
Indien het bestaan van gegevens over een persoon bedoeld in artikel 6, § 1, 2° door een rechtstreekse bevraging bevestigd wordt, bevraagt de dienst die deze rechtstreekse bevraging heeft uitgevoerd, de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten opnieuw na het einde van de maximale bewaartermijn van 6 maanden bedoeld in artikel 13. Indien het bestaan van gegevens over een entiteit overeenkomstig
wordt bevestigd door rechtstreekse bevraging, neemt de dienst die de rechtstreekse bevraging heeft uitgevoerd, onmiddellijk contact op, met welk middel ook, met een van de basisdiensten. In het kader van hun wettelijke opdrachten van justitiële begeleiding en toezicht op daders van misdrijven, hebben het directoraat-generaal Justitiehuizen van de Franse Gemeenschap, de dienst Justitiehuis van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap, de Afdeling Justitiehuizen van de bevoegde diensten van de Vlaamse overheid behorende tot het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en het Vlaamse Agentschap Jongerenwelzijn een rechtstreekse toegang tot de persoonsgegevens en informatie in de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten en moeten ze deze voeden overeenkomstig de bepalingen van artikel 44/11/3ter, §§ 4 en 5, van de wet op het politieambt. Deze toegang is beperkt tot de persoonsgegevens en de informatie van de haatpropagansiten voor wie de dienst zijn opdracht van justitiële begeleiding en toezicht moet verzekeren. §
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.