(1)afgegeven certificaat inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen; of - in het geval van pleziervaartuigen die niet vallen onder de verdragen bedoeld onder het eerste streepje: een certificaat van de vlaggenstaat waaruit blijkt dat het vaartuig een toereikend veiligheidsniveau heeft. Afdeling 4. - Visitatiecommissie Art. 4.De leden van de visitatiecommissie worden benoemd door de minister in overeenstemming met de bepalingen van bijlage V van dit besluit. Afdeling 5. - Classificatie van binnenwateren Art. 5.§ 1 Voor de toepassing van dit besluit worden de waterwegen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geklasseerd in zones overeenkomstig bijlage I. § 2. De minister kan, na raadpleging van de Europese Commissie, de classificatie van de in paragraaf 1 bedoelde waterwegen wijzigen. Deze wijzigingen zullen uiterlijk zes maanden voor hun inwerkingtreding worden meegedeeld aan de Europese Commissie, die de andere lidstaten ervan op de hoogte zal brengen in overeenstemming met richtlijn 2016/1629. HOOFDSTUK 2. - Vaartcertificaten Afdeling 1. - Naleving van technische en veiligheidsvoorschriften Art. 6.De in artikel 3 van dit besluit bedoelde vaartuigen die op de in artikel 5 bedoelde binnenwateren van de Unie varen, worden gebouwd en onderhouden overeenkomstig de voorschriften in dit besluit. De naleving van lid 1 door een vaartuig wordt aangetoond met een overeenkomstig dit besluit afgegeven certificaat. Afdeling 2. - Uniebinnenvaartcertificaten Art. 7.Het Uniebinnenvaartcertificaat wordt door de visitatiecommissie afgegeven in overeenstemming met deze richtlijn. De visitatiecommissie controleert bij afgifte van een Uniebinnenvaartcertificaat of aan het betreffende vaartuig niet reeds een geldig certificaat is afgegeven, zoals bedoeld in artikel 12. Art. 8.Het Uniebinnenvaartcertificaat wordt opgesteld overeenkomstig het model in bijlage II. Art. 9.Het Uniebinnenvaartcertificaat wordt afgegeven aan vaartuigen na een technische inspectie die wordt verricht vóór de ingebruikneming van het vaartuig en waarbij wordt nagegaan of het vaartuig voldoet aan de technische voorschriften van de bijlagen II en V. Art. 10.De procedures volgens welke een inspectie wordt aangevraagd en de plaats en het tijdstip ervan worden vastgesteld, worden bepaald door de visitatiecommissie die het Uniebinnenvaartcertificaat afgeeft. De commissie bepaalt ook welke documenten moeten worden overgelegd. De procedure dient zodanig te verlopen dat de inspectie binnen een redelijke termijn na indiening van de aanvraag kan plaatsvinden. Deze termijn wordt vastgelegd door de visitatiecommissie. Art. 11.Op verzoek van de eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger geeft de visitatiecommissie voor een niet onder dit besluit vallend vaartuig een Uniebinnenvaartcertificaat af indien dat vaartuig aan de voorschriften van dit besluit voldoet. Afdeling 3. - Verplichting om een certificaat aan boord te hebben Art. 12.Vaartuigen die de in artikel 5 bedoelde binnenwateren van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevaren, hebben de volgende originele documenten aan boord: - een Uniebinnenvaartcertificaat of - een certificaat dat is afgegeven op grond van artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Afdeling 4. - Voorlopige Uniebinnenvaartcertificaten Art. 13.De visitatiecommissie kan een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat afgeven aan:
- a)vaartuigen die met toestemming van de bevoegde instantie naar een bepaalde plaats willen varen om een Uniebinnenvaartcertificaat te verkrijgen;
- b)vaartuigen waarvan het Uniebinnenvaartcertificaat verloren, beschadigd of tijdelijk ingetrokken is, zoals bedoeld in de afdelingen 8 en 10 van dit hoofdstuk of in de bijlagen II en V van dit besluit;
- c)vaartuigen waarvan het Uniebinnenvaartcertificaat na een inspectie met positief resultaat wordt voorbereid;
- d)vaartuigen die niet aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een Uniebinnenvaartcertificaat in overeenstemming met de bijlagen II en V hebben voldaan;
- e)vaartuigen die zodanige schade hebben geleden dat zij niet meer voldoen aan hun Uniebinnenvaartcertificaat;
- f)drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen, indien de voor bijzonder transport bevoegde instanties de vergunning voor een bijzonder transport hebben afhankelijk gesteld van het verkrijgen van een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat, zulks overeenkomstig de scheepvaartpolitiereglementen die van kracht zijn op de plaats van het transport;
- g)vaartuigen die een ontheffing genieten van de bijlagen II en V, overeenkomstig de artikelen 51 en 52 van dit besluit, in afwachting van de vaststelling van de toepasselijke uitvoeringshandelingen. Art. 14.Het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat wordt alleen afgegeven indien de deugdelijkheid van het vaartuig, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd blijkt. Het wordt opgesteld overeenkomstig het model in bijlage II. Art. 15.Het voorlopige Uniebinnenvaartcertificaat bevat de voorwaarden die door de visitatiecommissie noodzakelijk worden geacht en is geldig:
- a)in de in artikel 13, punten a), d),
- e)en f), bedoelde gevallen voor één bepaalde reis, te maken binnen een passende termijn die ten hoogste één maand bedraagt;
- b)in de in artikel 13, punten
- b)en c), bedoelde gevallen voor een passende duur;
- c)in de in artikel 13, punt g), genoemde gevallen gedurende zes maanden;het voorlopige Uniebinnenvaartcertificaat mag om de zes maanden worden verlengd, tot de desbetreffende uitvoeringshandeling is vastgesteld. Afdeling 5. - Geldigheid van Uniebinnenvaartcertificaten Art. 16.De geldigheidsduur van voor nieuwe vaartuigen afgegeven Uniebinnenvaartcertificaten wordt vastgesteld door de visitatiecommissie en bedraagt ten hoogste:
- a)vijf jaar voor passagiersschepen en snelle schepen;
- b)tien jaar voor alle andere vaartuigen. Art. 17.De geldigheidsduur wordt op het Uniebinnenvaartcertificaat vermeld. Art. 18.Voor vaartuigen die reeds vóór het plaatsvinden van de technische inspectie in bedrijf waren, wordt de geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat per geval, afhankelijk van de resultaten van de inspectie, vastgesteld door de visitatiecommissie. Deze geldigheidsduur mag evenwel niet langer zijn dan de in artikel 16 voorgeschreven termijn. Afdeling 6. - Uitzonderlijke verlenging van de geldigheid van Uniebinnenvaartcertificaten Art. 19.In uitzonderlijke omstandigheden kan de geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat door de visitatiecommissie die het heeft afgegeven of verlengd, zonder technische inspectie overeenkomstig de bijlagen II en V worden verlengd met maximaal zes maanden. De visitatiecommissie vermeldt de verlenging van de geldigheidsduur in dat certificaat. Afdeling 7. - Vernieuwing van Uniebinnenvaartcertificaten Art. 20.De visitatiecommissie vernieuwt het Uniebinnenvaartcertificaat na het verstrijken van de geldigheidsduur volgens de in artikel 6 tot 10 vastgestelde voorwaarden, na een technische inspectie waarmee wordt nagegaan of het vaartuig voldoet aan de technische voorschriften in de bijlagen II en V. Art. 21.Wanneer Uniebinnenvaartcertificaten worden vernieuwd, gelden de overgangsbepalingen van bijlage II voor de vaartuigen onder de in die bijlage genoemde voorwaarden. Afdeling 8. - Vervanging van Uniebinnenvaartcertificaten Art. 22.In het geval van verlies van een Uniebinnenvaartcertificaat brengt de eigenaar van het vaartuig de visitatiecommissie die het desbetreffende certificaat heeft afgegeven, daarvan op de hoogte. De visitatiecommissie stelt een verklaring van verlies op en overhandigt die aan de eigenaar van het vaartuig, die de verklaring ondertekent. De visitatiecommissie geeft vervolgens aan de eigenaar van het vaartuig een duplicaat af van het certificaat bedoeld in lid 1, en vermeldt daarbij dat het om een duplicaat gaat. Art. 23.Wanneer een Uniebinnenvaartcertificaat onleesbaar of onbruikbaar is geworden, stuurt de eigenaar van het vaartuig het terug naar de visitatiecommissie die het heeft afgegeven. Zij bezorgt hem een duplicaat van het certificaat bedoeld in lid 1 en vermeldt daarbij dat het om een duplicaat gaat. Afdeling 9. - Wezenlijke veranderingen aan of wezenlijke reparaties van vaartuigen Art. 24.Na iedere wezenlijke verandering of reparatie die gevolgen heeft voor de naleving door het vaartuig van de in de bijlagen II en V bedoelde technische voorschriften betreffende de structurele deugdelijkheid, de vaar- of manoeuvreereigenschappen of de bijzondere kenmerken ervan, wordt dat vaartuig aan de in artikel 9 bedoelde technische inspectie onderworpen voordat het weer in bedrijf wordt genomen. Art. 25.Op grond van die inspectie geeft de visitatiecommissie een nieuw Uniebinnenvaartcertificaat af met een precisering van de technische kenmerken van het vaartuig of past ze het bestaande certificaat dienovereenkomstig aan. Art. 26.In voorkomend geval stelt de visitatiecommissie de bevoegde instantie van de lidstaat die het certificaat had afgegeven of vernieuwd, daarvan binnen dertig dagen na afgiftedatum van het nieuwe certificaat in kennis. Afdeling 10. - Weigering van afgifte of vernieuwing van, en intrekking van Uniebinnenvaartcertificaten en mogelijkheden tot beroep Art. 27.Elk besluit om een Uniebinnenvaartcertificaat niet af te geven of niet te vernieuwen, wordt door de visitatiecommissie met redenen omkleed. Ze deelt haar besluit mee aan de eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger met vermelding van de mogelijkheden en toepasselijke termijnen om beroep aan te tekenen zoals bedoeld in artikel 29. Art. 28.Ieder geldig Uniebinnenvaartcertificaat dat door de visitatiecommissie werd afgegeven of vernieuwd, kan door de visitatiecommissie worden ingetrokken indien het vaartuig niet langer voldoet aan de in zijn certificaat uiteengezette technische voorschriften. Art. 29.De eigenaar kan beroep aantekenen tegen de beslissingen bedoeld in de artikelen 27 en 28 van dit besluit door een gemotiveerd verzoekschrift binnen veertig dagen na de dag waarop hij op de hoogte werd gebracht van de beslissing. Het verzoekschrift dat bij de minister wordt ingediend, wordt aangetekend verstuurd. Het verzoekschrift vermeldt de naam en de hoedanigheid van de verzoeker en bevat bovendien een kopie van de bestreden beslissing. Het beroep schort de uitvoering niet op. De minister doet uitspraak bij beslissing binnen zestig dagen na ontvangst van het verzoekschrift. Afdeling 11. - Erkenning van vaartcertificaten van vaartuigen uit derde landen Art. 30.In afwachting van de inwerkingtreding van overeenkomsten tussen de Unie en derde landen inzake de wederzijdse erkenning van vaartcertificaten kan de voorzitter van de visitatiecommissie de vaartcertificaten van vaartuigen van derde landen erkennen voor het varen op de binnenwateren van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De afgifte van Uniebinnenvaartcertificaten aan vaartuigen van derde landen moet conform de bepalingen van de artikelen 6 tot 10 gebeuren. Art. 31.De Minister bevoegd voor Mobiliteit en Openbare werken is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 16 mei 2019. Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Territoriale Ontwikkeling, Stedelijk Beleid, Monumenten en Landschappen, Studentenaangelegenheden, Toerisme, Openbaar Ambt, Wetenschappelijk Onderzoek en Openbare Netheid, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bevoegd voor Mobiliteit en Openbare Werken, P. SMET