verstuurd. Art. 1.
overeenkomstig het MLC-Verdrag zijn afgegeven;2° relevante onderdelen van het MLC-Verdrag: de onderdelen van het MLC-Verdrag waarvan de inhoud geacht wordt overeen te komen met de bepalingen in de bijlage bij richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 en tot wijziging van richtlijn 1999/63/EG;3° Dienst Vlaggenstaat: de bevoegde autoriteit van België overeenkomstig richtlijn 2009/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de naleving van vlaggenstaatverplichtingen. Art. 2.
er door de genoemde staat ontdekte tekortkomingen
veiligheidsproblemen zijn die onopgelost zijn gebleven. Wanneer een andere vlaggenstaat informatie vraagt over een zeeschip dat voorheen de Belgische vlag voerde, verstrekt de Dienst Vlaggenstaat onverwijld bijzonderheden over nog te verhelpen tekortkomingen en andere relevante veiligheidsinformatie aan de vlaggenstaat die de informatie vraagt. Art. 2.
neen, aanhoudingen: ja
neen);6° informatie over ongevallen op zee overeenkomstig hoofdstuk 7 van titel 7 van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;7° identificatie van de zeeschepen die in de voorbije twaalf maanden hebben opgehouden de Belgische vlag te voeren. §
volgens een gelijkwaardige norm teneinde te garanderen dat de daartoe vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 13 juni 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2014 pub. 11/07/2014 numac 2014204102 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer, federale overheidsdienst justitie, federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Wet tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006 sluiten tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid, 2006. Het personeel van de Dienst Vlaggenstaat dat gemachtigd is inspecties uit te voeren overeenkomstig dit hoofdstuk en de wet van 13 juni 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2014 pub. 11/07/2014 numac 2014204102 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer, federale overheidsdienst justitie, federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Wet tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006 sluiten tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006, en belast is met de controle op de correcte tenuitvoerlegging van de relevante onderdelen van het MLC-Verdrag, krijgt de opleiding en beschikt over de competentie en de onafhankelijkheid die nodig
wenselijk zijn om die controle te kunnen uitvoeren en om te zorgen voor de handhaving van de relevante onderdelen van het MLC-Verdrag. Art. 2.8. In het geval dat België zou voorkomen op de zwarte,
twee jaar na elkaar op de grijze lijst in het meest recente jaarverslag van het Memorandum van Overeenstemming van Parijs inzake havenstaatcontrole (MOU van Parijs), dient de Dienst Vlaggenstaat uiterlijk vier maanden na de bekendmaking van het jaarverslag van het MOU van Parijs een verslag over hun prestaties als vlaggenstaat in bij de Commissie. Dit verslag stelt de voornaamste redenen voor het gebrek aan naleving dat tot aanhoudingen en tekortkomingen heeft geleid, met de zwarte
grijze status als gevolg, vast en analyseert deze. HOOFDSTUK 3. - DELEGATIE Afdeling 1. - Delegatie aan erkende organisaties Art. 3.1. Deze afdeling voorziet in de omzetting van: - richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties; - uitvoeringsrichtlijn 2014/111/EU van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/15/EG, wat betreft de vaststelling door de IMO van bepaalde codes en de bijbehorende wijzigingen van bepaalde verdragen en protocollen. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van: - richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid, 2006. Art. 3.2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
namens een vlaggenstaat is afgegeven overeenkomstig de internationale verdragen; d) Resolutie A.847
alle andere middelen, rechtens
feitelijk, die afzonderlijk
in combinatie de mogelijkheid verlenen om beslissende invloed uit te oefenen op een juridische entiteit,
die entiteit in staat te stellen taken uit te voeren die binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen;g) organisatie: een juridische entiteit, haar dochterondernemingen en alle andere entiteiten waarover zij zeggenschap heeft, die gezamenlijk
afzonderlijk taken uitvoeren die binnen het toepassingsgebied van deze afdeling vallen; h) machtiging: een handeling waarbij de minister aan een erkende organisatie een recht verleent
bevoegdheid delegeert overeenkomstig artikel 3.3, § 2 en/
een bepaalde dienst;o) lidstaat: een lidstaat van de EER. Art. 3.
gedeeltelijke uitvoering van inspecties en controles in verband met wettelijk voorgeschreven certificaten, met inbegrip van die voor het beoordelen van de naleving van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement en, wanneer van toepassing, tot het afgeven en vernieuwen van de betrokken certificaten,
2° organisaties te belasten met het volledig
gedeeltelijk uitvoeren van de onder 1° bedoelde inspecties en controles, vertrouwt de minister deze taken alleen toe aan erkende organisaties. Voor de eerste afgifte van certificaten van vrijstelling is in ieder geval de goedkeuring van de Scheepvaartcontrole vereist. De in de bepaling onder 1° bedoelde machtiging kan echter niet de afgifte van het certificaat van deugdelijkheid bedoeld in artikel 2.2.3.10 van het Belgisch Scheepvaartwetboek omvatten. §
wenselijk zijn om die controle te kunnen uitvoeren en om te zorgen voor de handhaving van het MLC-Verdrag. De bepalingen van dit lid doen geen afbreuk aan de bepalingen van bijlage I van Verordening (EG) nr. 391/
, heeft genomen neemt, stelt de minister een werkafspraak vast voor de relatie tussen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer en de in naam van de minister optredende organisaties. De werkafspraak wordt vastgesteld in de vorm van een formele en niet-discriminerende overeenkomst waarin de door de organisaties uit te voeren specifieke taken en functies worden omschreven en die minimaal behelst: 1° de bepalingen van aanhangsel II bij Resolutie A.739
naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het verlies van
schade aan goederen, persoonlijk letsel
dood ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een opzettelijk handelen dan wel verzuim
grove nalatigheid van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers
anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de erkende organisatie in de mate waarin voormeld verlies, schade, letsel
dood naar het oordeel van die rechtbank, door de erkende organisatie werd veroorzaakt;b) indien de overheid definitief en onherroepelijk door een rechtbank
naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het persoonlijk letsel
de dood ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een nalatige
roekeloze handeling dan wel verzuim van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers
anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de erkende organisatie in de mate waarin genoemd persoonlijk letsel
de dood naar het oordeel van die rechtbank door de erkende organisatie werd veroorzaakt;het door de erkende organisatie te betalen maximumbedrag kan worden beperkt, maar een dergelijk bedrag moet ten minste 4 miljoen euro bedragen; c) indien de overheid definitief en onherroepelijk door een rechtbank
naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het verlies van
schade aan goederen ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een nalatige
roekeloze handeling dan wel verzuim van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers
anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de erkende organisatie in de mate waarin het verlies
de schade naar het oordeel van die rechtbank door de erkende organisatie werd veroorzaakt;het door de erkende organisatie te betalen maximumbedrag kan worden beperkt, maar een dergelijk bedrag moet ten minste 2 miljoen euro bedragen; 3° een periodieke controle door de Scheepvaartcontrole
door een door de overheid benoemd onpartijdig extern orgaan van de wijze waarop de door haar gemachtigde organisaties hun taken uitvoeren, als bedoeld in artikel 3.6; 4° de mogelijkheid van willekeurige en gedetailleerde inspecties van zeeschepen;5° de verplichte rapportering van belangrijke gegevens betreffende de door hen geklasseerde vloot, en de wijziging, schorsing
intrekking van de klassering van vaartuigen. 6° voor welke verdragen bedoeld in artikel 1.1.1.1 van het Belgische Scheepvaartwetboek dat de erkende organisatie wordt gemachtigd naast de internationale verdragen bedoeld in artikel 3.2, onder a. § 2. In de overeenkomst kan als voorwaarde worden gesteld dat de erkende organisatie die door de minister overeenkomstig artikel 3.3, § 2 en/
, gemachtigd werd, een plaatselijke vertegenwoordiging heeft op Belgisch grondgebied. Een plaatselijke vertegenwoordiging voldoet aan die voorwaarde wanneer zij overeenkomstig de Belgische wetgeving rechtspersoonlijkheid heeft, zetel heeft in België en onder de rechtsbevoegdheid van de Belgische rechtbanken valt. §
intrekken. In dat geval stelt de minister de Europese Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van zijn met redenen omklede besluit. Art. 3.6. De Scheepvaartcontrole vergewist zich ervan dat erkende organisaties de taken waartoe zij voor de toepassing van artikel 3.3, § 2 en/
, werden gemachtigd, daadwerkelijk uitvoeren ten genoegen van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. Om de in het eerste lid bedoelde taak uit te voeren, controleert de Scheepvaartcontrole minstens om de twee jaar elke namens de minister optredende erkende organisatie en legt zij uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarin die controles werden verricht een verslag over de resultaten van die controles voor aan de andere lidstaten en de Europese Commissie. Art. 3.
dat een zeeschip met een geldig klassecertificaat een tekortkoming heeft die valt onder de in het certificaat vermelde kenmerken. Alleen gevallen van zeeschepen die een ernstig gevaar betekenen voor veiligheid en milieu
die tekenen vertonen van ernstige nalatigheid van de kant van de erkende organisaties, worden binnen de doelstellingen van dit artikel gemeld. De erkende organisatie in kwestie wordt bij de eerste inspectie op deze situatie gewezen, zodat zij onmiddellijk de nodige vervolgmaatregelen kan treffen. Art. 3.
, gemachtigd werden, bij de ontwikkeling van de voorschriften en procedures van de erkende organisaties. Zij overlegt met de erkende organisaties om te komen tot een consistente interpretatie van de internationale verdragen. Afdeling
naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het verlies van
schade aan goederen, persoonlijk letsel
dood ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een opzettelijk handelen dan wel verzuim
grove nalatigheid van de onderneming, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers
anderen die namens de onderneming optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de onderneming in de mate waarin voormeld verlies, schade, letsel
dood naar het oordeel van die rechtbank, door de onderneming werd veroorzaakt;b) indien de overheid definitief en onherroepelijk door een rechtbank
naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het persoonlijk letsel
de dood ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een nalatige
roekeloze handeling dan wel verzuim van de onderneming, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers
anderen die namens de onderneming optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de onderneming in de mate waarin genoemd persoonlijk letsel
de dood naar het oordeel van die rechtbank door de erkende onderneming werd veroorzaakt;het door de onderneming te betalen maximumbedrag kan worden beperkt, maar een dergelijk bedrag moet ten minste even hoog zijn als het bedrag bepaald door de minister bij de toekenning bedoeld in artikel 3.11. c) indien de overheid definitief en onherroepelijk door een rechtbank
naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het verlies van
schade aan goederen ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een nalatige
roekeloze handeling dan wel verzuim van de onderneming, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers
anderen die namens de onderneming optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de onderneming in de mate waarin het verlies
de schade naar het oordeel van die rechtbank door de erkende onderneming werd veroorzaakt;het door de onderneming te betalen maximumbedrag kan worden beperkt, maar een dergelijk bedrag moet ten minste de helft zijn van het bedrag bedoeld in de bepaling onder b; 2° een periodieke controle door de Scheepvaartcontrole
door een door de overheid benoemd onpartijdig extern orgaan van de wijze waarop de door haar gemachtigde organisaties hun taken uitvoeren, als bedoeld in artikel 3.6; 3° de mogelijkheid van willekeurige en gedetailleerde inspecties van zeeschepen;4° de verplichte rapportering. Afdeling
meer van de verdragen van toepassing zijn, varend onder een andere vlag dan die van de havenstaat;6° Schip/haven-raakvlak: de interacties die plaatsvinden wanneer een schip rechtstreeks en onmiddellijk betrokken is bij de acties die gepaard gaan met de verplaatsing van personen
goederen, dan wel de verlening van havendiensten aan
vanuit het schip;7° Schip voor een ankerplaats: een schip in een haven
in een ander gebied onder de jurisdictie van een haven dat niet aan de kade ligt en een schip/haven-raakvlak uitvoert;8° Inspecteur: de scheepvaartcontroleur aangeduid om havenstaatcontroles in de zin van dit besluit uit te voeren;9° Bevoegde autoriteit: maritieme overheid die overeenkomstig Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole verantwoordelijk is voor de havenstaatcontrole;10° Nachttijd: de tijd tussen 20 uur `s avonds en 6 uur 's ochtends; 11° Eerste inspectie: een bezoek door een inspecteur aan boord van een schip teneinde na te gaan
wordt voldaan aan de geldende verdragen en voorschriften waarbij ten minste de in artikel 4.12, 1, vermelde controles worden uitgevoerd; 12° Meer gedetailleerde inspectie: een inspectie waarbij het schip, de uitrusting en de bemanning, geheel
, voor zover van toepassing, gedeeltelijk onder de in artikel 4.12, 3, beschreven omstandigheden worden onderworpen aan een grondig onderzoek, dat de constructie van het schip, de uitrusting, de personeelssterkte, de leef- en werkomstandigheden en de naleving van de operationele voorschriften aan boord omvat; 13° Uitgebreide inspectie: een inspectie die tenminste de in bijlage VII opgesomde onderdelen omvat.Een uitgebreide inspectie kan een meer gedetailleerde inspectie omvatten indien daarvoor op grond van artikel 4.12, 3, gegronde redenen zijn; 14° Klacht: informatie
rapport ingediend door een persoon
organisatie die een legitiem belang heeft bij de veiligheid van het schip, met inbegrip van de veiligheids- en gezondheidsrisico's voor bemanning, leef- en werkomstandigheden aan boord en de voorkoming van verontreiniging;15° Aanhouding: het formele verbod voor een schip om uit te varen omdat er tekortkomingen zijn geconstateerd die afzonderlijk
gezamenlijk maken dat het schip niet zeewaardig is;16° Besluit tot weigering van de toegang: een besluit dat aan de kapitein van het schip, de verantwoordelijke maatschappij en de vlaggenstaat wordt overhandigd waarbij wordt meegedeeld dat het schip de toegang tot alle havens en ankerplaatsen van de EER wordt geweigerd;17° Stopzetting van een activiteit: het formele verbod voor een schip om een activiteit voort te zetten omdat er tekortkomingen zijn geconstateerd die afzonderlijk
gezamenlijk maken dat voortzetting van deze activiteit gevaarlijk is;18° Maatschappij: de eigenaar van het schip
een andere organisatie
persoon, zoals de bedrijfsvoerder
rompbevrachter, die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip heeft overgenomen van de eigenaar en er daardoor mee heeft ingestemd alle door de Internationale Veiligheidsmanagementcode (ISM-code) voorgeschreven taken en verantwoordelijkheden op zich te nemen;19° Wettelijk voorgeschreven certificaat: een door
namens een vlaggenstaat overeenkomstig internationale verdragen afgegeven certificaat;20° Klassecertificaat: een document waarin wordt bevestigd dat wordt voldaan aan SOLAS-Verdrag, hoofdstuk II-1, deel A-1, voorschrift 3-1;21° Inspectiedatabank: het informatiesysteem dat ontwikkeld, onderhouden en bijgewerkt wordt door de Europese Commissie en dat bijdraagt tot de uitvoering van de regeling inzake het havenstaatcontrolestelsel in de Europese Unie en betreffende de gegevens van inspecties uitgevoerd in de Europese Unie en in het onder het MOU van Parijs vallende gebied;22° lidstaat: een lidstaat van de EER;23° ro-ro-passagiersschip: een schip dat de nodige voorzieningen heeft om weg-
spoorvoertuigen het schip op en af te laten rijden, en dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;24° hogesnelheidspassagiersschip: een schip als omschreven in hoofdstuk X, voorschrift 1, van het SOLAS-verdrag van 1974, dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;25° geregelde dienst: een reeks oversteken van een ro-ro-passagiersschip
een hogesnelheidspassagiersschip ten behoeve van het verkeer tussen dezelfde twee
meer havens,
een reeks reizen van en naar dezelfde haven zonder tussen liggende aanloophavens, welke plaatsvinden: i) Volgens een gepubliceerde dienstregeling;
ii) Met een zodanige regelmaat
frequentie dat zij een herkenbare systematische reeks vormen. Alle verwijzingen in dit hoofdstuk naar de verdragen, internationale codes en resoluties, waaronder voor certificaten en andere documenten, worden beschouwd als verwijzingen naar de actuele versies van die verdragen, internationale codes en resoluties. Art. 4.3. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op ieder schip en zijn bemanning dat een Belgische haven
ankerplaats aandoet om een interactie schip/haven-raakvlak te verrichten. Indien een inspecteur een schip inspecteert dat zich bevindt in de onder de jurisdictie van België vallende wateren op een andere plaats dan in een haven, wordt deze inspectie beschouwd als een inspectie voor de toepassing van dit hoofdstuk. Dit artikel laat het recht om op te treden waarover een inspecteur op grond van de relevante internationale verdragen beschikt, onverlet. Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op inspecties van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidsschepen die worden uitgevoerd buiten een haven
ankerplaats tijdens een geregelde dienst overeenkomstig artikel 4.
het milieu. Bij de toepassing van deze paragraaf nemen de inspecteurs bijlage 1 van het MOU van Parijs als richtsnoer. §
ankerplaatsen aandoen, Onverminderd de percentages in het eerste lid, onder 1° en 2° wordt voorrang gegeven aan inspecties van schepen die volgens de informatie van de inspectiedatabank niet vaak havens in de EER aandoen. Onverminderd de percentages vermeld in het eerste lid, onder 1° en 2° wordt voor schepen van prioriteitsklasse I bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, onder 1° die ankerplaatsen aandoen, voorrang gegeven aan inspecties van schepen met een hoog risicoprofiel die volgens de informatie van de inspectiedatabank niet vaak havens in de EER aandoen. Art. 4.
in het onder het MOU van Parijs vallende gebied heeft aangedaan en het uitstel niet meer dan 15 dagen bedraagt,
2° indien de inspectie binnen 15 dagen kan worden uitgevoerd in een andere haven die in de EER
in het onder het MOU van Parijs vallende gebied wordt aangedaan, op voorwaarde dat de staat waar die haven gelegen is, zich vooraf bereid heeft verklaard de inspectie uit te voeren. Indien een inspectie wordt uitgesteld overeenkomstig de bepalingen vermeld in het eerste lid, onder 1°
2°, en in de inspectiedatabank wordt geregistreerd, wordt die inspectie niet als een niet-uitgevoerde inspectie gerekend. Wanneer een inspectie van een schip van prioriteitsklasse I als bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, onder 1° niet is uitgevoerd in een haven van de EER, is het betrokken schip niet van inspectie vrijgesteld indien de volgende haven die aangedaan wordt een Belgische haven is. § 2. Onder de volgende uitzonderlijke omstandigheden wordt een om operationele redenen niet-uitgevoerde inspectie van schepen van prioriteitsklasse I als bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, onder 1° niet als niet-uitgevoerde inspectie aangerekend, mits de reden voor het niet uitvoeren van de inspectie in de inspectiedatabank wordt geregistreerd: 1° indien het uitvoeren van de inspectie naar het oordeel van de Scheepvaartcontrole een gevaar oplevert voor de veiligheid van de inspecteurs, het schip, de bemanning ervan
de haven,
voor het mariene milieu,
2° indien het schip alleen gedurende de nachttijd de haven aandoet.De Scheepvaartcontrole neemt in dit geval echter de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat schepen die regelmatig gedurende de nachttijd een haven aandoen, eventueel kunnen worden geïnspecteerd. § 3. Indien een in ankerplaats liggend schip niet wordt geïnspecteerd, wordt zulks niet als niet-uitgevoerde inspectie aangerekend, indien: 1° het schip binnen 15 dagen in een andere haven
ankerplaats in de EER
in het onder het MOU van Parijs vallende gebied wordt geïnspecteerd overeenkomstig bijlage I;
2° het schip alleen gedurende de nachttijd de haven aandoet,
gedurende een zodanig korte tijd de haven aandoet dat de inspectie niet naar behoren kan worden uitgevoerd, en de reden voor het niet uitvoeren van de inspectie in de inspectiedatabank wordt geregistreerd;
3° het uitvoeren van de inspectie naar het oordeel van de Scheepvaartcontrole een gevaar oplevert voor de veiligheid van de inspecteurs, het schip, de bemanning ervan
de haven,
voor het mariene milieu, en de reden voor het niet uitvoeren van de inspectie in de inspectiedatabank wordt geregistreerd. Art. 4.8. De exploitant, agent
kapitein van een schip dat overeenkomstig artikel 4.14 voor een uitgebreide inspectie in aanmerking komt en op weg is naar een Belgische haven
ankerplaats dient de aankomst daarvan te melden overeenkomstig de bepalingen van bijlage III. Indien mogelijk geschiedt communicatie als bedoeld in dit artikel elektronisch. De met het oog op bijlage III ontwikkelde procedures en formulieren dienen te voldoen aan de betreffende bepalingen van het koninklijk besluit van 17 september 2005 tot omzetting van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van richtlijn 93/75/EEG van de Raad. Art. 4.9. Aan elk schip dat een Belgische haven
ankerplaats aandoet, wordt in de inspectiedatabank een scheepsrisicoprofiel toegekend, dat bepalend is voor de voorrang voor inspectie, de termijnen tussen de inspecties en de reikwijdte van de inspectie. Het risicoprofiel van een schip wordt bepaald door een combinatie van de volgende algemene en historische risicoparameters: 1° algemene parameters Overeenkomstig bijlage I, deel I.1 en bijlage II, worden de algemene parameters gebaseerd op het type, de ouderdom, de vlaggenstaat, de betrokken erkende organisaties en de prestatie van de maatschappij. 2° historische parameters Overeenkomstig bijlage I, deel I.2 en bijlage II, worden de historische parameters gebaseerd op het aantal tekortkomingen en aanhoudingen over een bepaalde periode. Art. 4.10. Schepen die een Belgische haven
ankerplaats aandoen, worden als volgt aan een periodieke
een aanvullende inspectie onderworpen: 1° schepen worden afhankelijk van hun risicoprofiel met vooraf vastgestelde tussenpozen aan een periodieke inspectie onderworpen, overeenkomstig bijlage I, deel I.De termijn tussen twee periodieke inspecties neemt toe naarmate het risico afneemt. Voor schepen met een hoog risicoprofiel is deze termijn nooit langer dan zes maanden; 2° ongeacht de datum waarop de laatste periodieke inspectie heeft plaatsgevonden, worden schepen als volgt aan een aanvullende inspectie onderworpen: - de Scheepvaartcontrole zorgt ervoor dat schepen waarvoor dwingende factoren gelden als bedoeld in bijlage I, deel II.2A, worden geïnspecteerd; - schepen waarvoor onverwachte factoren gelden als bedoeld in bijlage I, deel II. 2B, kunnen worden geïnspecteerd. Het besluit om een aanvullende inspectie te verrichten, wordt overgelaten aan het professionele oordeel van de Scheepvaartcontrole. Art. 4.11. De Scheepvaartcontrole zorgt ervoor dat schepen voor inspectie worden geselecteerd op basis van hun risicoprofiel als bedoeld in bijlage I, deel I, dan wel, indien dwingende
onverwachte factoren optreden, overeenkomstig bijlage I, deel II. 2A en 2B. Met het oog op de inspectie van schepen: 1° selecteert de Scheepvaartcontrole schepen die aan een verplichte inspectie moeten worden onderworpen, "schepen van prioriteitsklasse I" genoemd, volgens de in bijlage I, deel II.3A, beschreven selectieregeling; 2° kan de Scheepvaartcontrole schepen selecteren die voor inspectie in aanmerking komen, "schepen van prioriteitsklasse II" genoemd, overeenkomstig bijlage I, deel II.3B. Art. 4.12. De Scheepvaartcontrole zorgt ervoor dat schepen die overeenkomstig artikel 4.11
artikel 4.15 voor inspectie zijn geselecteerd, als volgt aan een eerste
meer gedetailleerde inspectie worden onderworpen: 1° Bij elke eerste inspectie van een schip zorgt de Scheepvaartcontrole ervoor dat de inspecteur ten minste:
de tekortkomingen die een lidstaat
een staat die het MOU van Parijs heeft ondertekend bij een vorige inspectie heeft vastgesteld zijn verholpen;
aan de operationele voorschriften aan boord wordt voldaan wanneer er, na de in de bepaling onder 1° bedoelde inspecties, gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de toestand van het schip
zijn uitrusting
bemanning op belangrijke punten niet voldoet aan de relevante voorschriften van een verdrag. Er bestaan gegronde redenen indien de inspecteur feiten ontdekt die naar zijn beroepsmatige oordeel een meer gedetailleerde inspectie van het schip, de uitrusting
de bemanning rechtvaardigen. Voorbeelden van gegronde redenen zijn opgenomen in bijlage V. De inspecteur moet overgaan tot een meer gedetailleerde inspectie, indien wordt vastgesteld dat de leef- en werkomstandigheden waarvan geoordeeld
aangevoerd wordt dat deze niet conform de bepalingen van het MLC-Verdrag zijn, een reëel gevaar kunnen betekenen voor de veiligheid, de gezondheid
de beveiliging van de zeevarenden
wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat elke tekortkoming een ernstige inbreuk is op de bepalingen van het MLC-Verdrag, met inbegrip van de rechten van de zeevarenden. Wanneer er een klacht is overeenkomstig norm A5.2.1.1(d) van het MLC-Verdrag, is de inspectie in het algemeen beperkt tot het voorwerp van de klacht, tenzij de klacht
het onderzoek ervan gegronde redenen oplevert om aan te nemen dat de leef- en werkomstandigheden aan boord van het schip niet overeenstemmen met de bepalingen van het MLC-Verdrag. In dat geval wordt tot een meer gedetailleerde inspectie overgegaan. Wanneer een meer gedetailleerde inspectie wordt verricht op basis van de in norm A5.2.1.1, (a), (b)
(c), van de in het MLC-Verdrag genoemde omstandigheden, moet deze inspectie in beginsel op de in Bijlage A5-III van het MLC-Verdrag vermelde punten betrekking hebben. Art. 4.13. Bij elke inspectie van een schip kan de inspecteur overgaan tot het bemonsteren van het ballastwater van het schip in overeenstemming met de toepasselijke richtsnoeren opgesteld door de IMO. De tijd die nodig is voor het analyseren van de monsters mag evenwel niet worden gebruikt als grond voor onnodige vertraging van de exploitatie, verplaatsing
het vertrek van het schip. De inspecteur mag het ballastwaterjournaal aan boord van een schip controleren en een afschrift maken van de vermeldingen en van de kapitein verlangen dat deze het afschrift voor eensluidend waarmerkt. De controle van een ballastwaterjournaal en het maken van een gewaarmerkt afschrift dienen zo spoedig mogelijk plaats te vinden zonder te leiden tot onnodige vertraging van het schip. Art. 4.14. § 1. De volgende categorieën schepen komen in aanmerking voor een uitgebreide inspectie overeenkomstig bijlage I, deel II. 3A en 3B: 1° schepen met een hoog risicoprofiel;2° passagiersschepen, olietankers, gas-
chemicaliëntankers
bulkschepen ouder dan 12 jaar;3° schepen met een hoog risicoprofiel
passagiersschepen, olietankers, gas-
chemicaliëntankers
bulkschepen ouder dan 12 jaar, in het geval van dwingende
onverwachte factoren; 4° schepen die aan een nieuwe inspectie moeten worden onderworpen nadat overeenkomstig artikel 4.17 een besluit tot weigering van toegang is uitgevaardigd. § 2. De exploitant
kapitein van het schip staat ervoor in dat genoeg tijd beschikbaar is in de exploitatieplanning om toe te laten dat een uitgebreide inspectie wordt uitgevoerd. Onverminderd de om beveiligingsredenen uit te voeren controlemaatregelen, blijft het schip in de haven totdat de inspectie is afgerond. §
hogesnelheidsschepen naar behoren rekening met het vaar- en onderhoudsschema van het ro-ro-passagiersschip
hogesnelheidspassagiersschip. Wanneer een ro-ro-passagiersschip
een hogesnelheidspassagiersschip overeenkomstig bijlage XII aan een inspectie is onderworpen, wordt die inspectie in de inspectiedatabank geregistreerd en in aanmerking genomen voor de toepassing van de artikelen 4.9, 4.10, 4.11 en om de naleving van de inspectieverplichting van elke lidstaat te berekenen. De inspectie wordt meegeteld voor het totale aantal jaarlijkse inspecties dat elke lidstaat overeenkomstig artikel 4.5 moet uitvoeren. Artikel 4.8, eerste lid, artikel 4.10, tweede lid, 1° en artikel 4.14 zijn niet van toepassing op ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersschepen op een geregelde dienst die overeenkomstig dit artikel wordt geïnspecteerd. De Scheepvaartcontrole zorgt ervoor dat ro-ro-passagiersschepen
hogesnelheidspassagiersschepen die overeenkomstig artikel 4.10, 2°, aan een aanvullende inspectie worden onderworpen, worden geselecteerd voor een inspectie overeenkomstig bijlage I, deel II, punten 3A, c), en 3B, c). Overeenkomstig onderhavig lid uitgevoerde inspecties laten het inspectie-interval zoals bepaald in punt 2 van bijlage XII onverlet. De inspecteur kan ermee instemmen om tijdens een inspectie van een ro-ro-passagiersschip
hogesnelheidspassagiersschip door een havenstaatinspecteur van een andere lidstaat als waarnemer te worden vergezeld. Indien de vlaggenstaat van het schip een lidstaat is, nodigt de havenstaat op verzoek een vertegenwoordiger van de vlaggenstaat uit om bij de inspectie als waarnemer aanwezig te zijn. Art. 4.
ankerplaats aandoet. Art. 4.
ankerplaats van een lidstaat
een staat die het MOU van Parijs heeft ondertekend,
- Vaart onder de vlag van een staat met een aanhoudingsgraad in de grijze lijst, vastgesteld overeenkomstig het MOU van Parijs op basis van in de inspectiedatabank geregistreerd informatie die jaarlijks door de Commissie wordt bekendgemaakt, en dat meer dan twee keer is aangehouden in de loop van de afgelopen 24 maanden in een haven
ankerplaats van een lidstaat
een staat die het MOU van Parijs heeft ondertekend. De eerste paragraaf is niet van toepassing in de in artikel 4.24, paragraaf 6, genoemde omstandigheden. De weigering van toegang geldt zodra het schip de haven
ankerplaats heeft verlaten waar het voor een derde keer is aangehouden en waar een weigering van toegang is uitgevaardigd. §
ankerplaats in de EER leidt tot een besluit tot weigering van toegang tot alle havens en ankerplaatsen in de EER. Dit derde besluit tot weigering van toegang kan uitsluitend worden ingetrokken nadat een periode van 24 maanden sinds de uitvaardiging van de weigering is verstreken, en indien: 1° het schip vaart onder de vlag van een staat met een aanhoudingsgraad die niet onder de in paragraaf 1 bedoelde zwarte
grijze lijst valt;2° de wettelijk voorgeschreven certificaten en de classificatiecertificaten van het schip zijn afgegeven door een organisatie
organisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EG) nr.391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties; 3° het schip wordt geëxploiteerd door een maatschappij die goed presteert overeenkomstig bijlage I, deel I.1; 4° aan de voorwaarden van bijlage VIII, onder 3 tot en met 9 is voldaan. Elk schip dat 24 maanden na uitvaardiging van de weigering niet aan de in deze paragraaf neergelegde criteria voldoet, wordt permanent de toegang tot de havens en ankerplaatsen in de EER geweigerd. § 4. Elke aanhouding in een haven
ankerplaats in de EER volgend op de derde weigering van toegang leidt tot een permanente weigering van de toegang tot alle havens en ankerplaatsen in de EER. §
een uitgebreide inspectie stelt de inspecteur een rapport op conform bijlage IX. De kapitein van het schip ontvangt een kopie van het inspectierapport. Indien uit een meer gedetailleerde inspectie blijkt dat de leef- en werkomstandigheden aan boord niet voldoen aan de vereisten van het MLC-Verdrag, brengt de inspecteur de tekortkomingen onmiddellijk onder de aandacht van de kapitein van het schip en stelt hij de termijnen waarbinnen deze tekortkomingen moeten worden verholpen. Als de inspecteur deze tekortkomingen aanzienlijk vindt
als zij betrekking hebben op een mogelijke klacht als bedoeld in punt 19 van deel A van bijlage V, brengt de inspecteur de tekortkomingen ook onder de aandacht van de betrokken Belgische organisaties van reders en zeevarenden en kan de inspecteur:
aangewezen worden geacht om ervoor te zorgen dat die informatie wordt opgeslagen en onder de aandacht wordt gebracht van partijen die mogelijk gebruik willen maken van de relevante beroepsprocedures. Art. 4.19. Wanneer schepen gedurende twee
meer opeenvolgende verslagperiodes niet hebben voldaan aan de monitoring- en rapportagevoorschriften overeenkomstig Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en andere handhavingsmaatregelen er niet toe hebben geleid dat die voorschriften worden nageleefd, kan de Scheepvaartcontrole een verwijderingsbevel afgeven dat zal worden gemeld aan de Europese Commissie, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), de overige lidstaten van de EER en de betrokken vlaggenstaat. Indien nodig, zal dit eveneens aan het betrokken gewest worden gemeld. Indien een andere lidstaat van de EER een verwijderingsbevel afgeeft, zal de toegang tot een Belgische haven voor het betrokken schip geweigerd worden, totdat de maatschappij overeenkomstig de artikelen 11 en 18 van Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG voldoet aan de monitoring- en rapportageverplichtingen. Het voldoen aan die verplichtingen wordt bevestigd door de kennisgeving van een geldig conformiteitsdocument aan de Scheepvaartcontrole (in geval het schip de Belgische vlag voert)
de bevoegde nationale autoriteit van de lidstaat van de EER die het verwijderingsbevel heeft afgegeven (in geval het schip een vreemde vlag voert). Dit lid laat de internationale maritieme regels die van toepassing zijn op gevallen van schepen in nood onverlet. De maatschappij, scheepseigenaar
de exploitant van een schip
zijn vertegenwoordiger in de lidstaten van de EER kan beroep aantekenen tegen een verwijderingsbevel overeenkomstig het eerste lid bij de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart overeenkomstig artikel 4.2.1.28 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en wordt daarover naar behoren geïnformeerd door de Scheepvaartcontrole. Art. 4.20. Alle klachten worden snel aan een eerste toetsing door de Scheepvaartcontrole onderworpen. Met deze toetsing kan worden vastgesteld
de klacht met reden omkleed is. Als dat het geval is, neemt de Scheepvaartcontrole naar aanleiding van de klacht passende maatregelen, met name dat alle andere direct bij die klacht betrokken personen hun standpunt kenbaar kunnen maken. Indien de Scheepvaartcontrole van oordeel is dat de klacht kennelijk ongegrond is, brengt zij de indiener van de klacht op de hoogte van haar beslissing en motivering daarvan. De identiteit van de persoon die de klacht heeft ingediend wordt niet bekendgemaakt aan de kapitein
de eigenaar van het betrokken schip. De inspecteur neemt de gepaste stappen om de vertrouwelijkheid van door zeevarenden ingediende klachten te garanderen, onder andere door de vertrouwelijkheid bij elk gesprek met zeevarenden te waarborgen. De Scheepvaartcontrole brengt de administratie van de vlaggenstaat op de hoogte, met indien passend, een afschrift aan de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), van klachten die niet kennelijk ongegrond zijn en de maatregelen die na de klacht zijn genomen. Art. 4.
aan boord de klachtenprocedures zijn gevolgd waarin voorschrift 5.1.5 van het MLC-Verdrag voorziet. De inspecteur kan ook een meer gedetailleerde inspectie in overeenstemming met artikel 4.12 van dit hoofdstuk verrichten. § 3. De inspecteur tracht, in voorkomend geval, een oplossing voor de klacht aan boord te bevorderen. § 4. Indien het onderzoek
de inspectie een onder artikel 4.22 vallende inbreuk uitwijst, is dat artikel van toepassing. §
aan het licht gekomen tekortkomingen in overeenstemming met de verdragen worden
zullen worden verholpen. § 2. Wanneer sprake is van tekortkomingen die een duidelijk gevaar inhouden voor de veiligheid, de gezondheid
het milieu, ziet de Scheepvaartcontrole erop toe dat het schip wordt aangehouden
dat de activiteit in verband waarmee de tekortkomingen aan het licht zijn gekomen, wordt stopgezet. De aanhouding
de stopzetting van de activiteit wordt pas opgeheven wanneer het gevaar is weggenomen
wanneer de Scheepvaartcontrole bepaalt dat, op bepaalde voorwaarden, het schip mag uitvaren dan wel de activiteit mag worden hervat zonder dat dit gevaar oplevert voor de veiligheid en gezondheid van passagiers
bemanning
voor andere schepen
zonder onredelijk groot gevaar voor schade aan het mariene milieu. § 3. Bij leef- en werkomstandigheden aan boord die een manifest gevaar voor de veiligheid, de gezondheid
de beveiliging van de zeevarenden inhouden
bij tekortkomingen die een ernstige
herhaalde inbreuk op de voorschriften van het MLC-Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden) vormen, moet de Scheepvaartcontrole, erop toezien dat het schip wordt aangehouden
dat de nog in gang zijnde operatie waarop die tekortkomingen betrekking hebben, wordt stopgezet. De aanhouding van het schip
de stopzetting van een operatie wordt pas opgeheven wanneer deze tekortkomingen verholpen zijn
wanneer de Scheepvaartcontrole een actieplan om de betrokken tekortkomingen te verhelpen, heeft aanvaard en zich ervan heeft vergewist dat het actieplan spoedig zal worden uitgevoerd. Alvorens een actieplan te aanvaarden, kan de inspecteur de vlaggenstaat raadplegen. § 4. Bij zijn beroepsmatige beoordeling van de vraag
een schip al dan niet moet worden aangehouden, past de inspecteur de in bijlage X vervatte criteria toe. § 5. De Scheepvaartcontrole zorgt ervoor dat het schip wordt aangehouden indien uit de inspectie blijkt dat het schip niet is uitgerust met een functionerende reisgegevensrecorder, terwijl het gebruik daarvan op grond van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad verplicht is. Wanneer deze tekortkoming niet zonder meer in de haven van aanhouding kan worden verholpen, kan de Scheepvaartcontrole het schip toestaan verder te reizen naar de geschikte reparatiewerf die zich het dichtst bij de haven van aanhouding bevindt en waar de tekortkoming wel zonder meer kan worden verhopen,
kan zij verlangen dat de tekortkomingen worden verholpen binnen een termijn van ten hoogste 30 dagen als bepaald in de in het MOU van Parijs opgenomen richtsnoeren. Daartoe zijn procedures van artikel 4.24 van toepassing. §
, wanneer dit niet mogelijk is, de consul,
, bij diens afwezigheid, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiger van die staat in kennis te stellen van het geheel van omstandigheden waarin optreden noodzakelijk werd geacht. Bovendien moeten, indien relevant, ook de aangewezen inspecteurs
de erkende organisaties die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van de classificatiecertificaten
de wettelijk voorgeschreven certificaten die overeenkomstig verdragen worden afgegeven, worden ingelicht. Indien een schip niet kan uitvaren wegens ernstige
herhaalde inbreuk op de voorschriften van het MLC-Verdrag, met inbegrip van de rechten van zeevarenden,
indien de leef- en werkomstandigheden aan boord een duidelijk gevaar voor de veiligheid, de gezondheid
de beveiliging van zeevarenden vormen, stelt de Scheepvaartcontrole voorts de vlaggenstaat daarvan onverwijld in kennis met een verzoek aan een vertegenwoordiger van de vlaggenstaat om, indien mogelijk, aanwezig te zijn, en verlangt hij dat de vlaggenstaat binnen een voorgeschreven termijn antwoordt. De Scheepvaartcontrole brengt de betrokken organisaties van reders en zeevarenden in de havenstaat waar de inspectie is uitgevoerd onverwijld op de hoogte. §
opgehouden. § 10. Om havencongestie te vermijden kan de Scheepvaartcontrole toestemming verlenen om een aangehouden schip naar een ander deel van de haven te verplaatsen indien dat op een veilige manier kan gebeuren. Het risico op havencongestie is echter geen criterium om te beslissen
een schip al dan niet blijft aangehouden. De Scheepvaartcontrole werkt samen met de bevoegde dienst van het bevoegde gewest om te voorzien in faciliteiten voor de opvang van aangehouden schepen. §
de exploitant van een schip,
zijn vertegenwoordiger, ingediend beroep
verzoek een aanhoudingsbevel
weigering van toegang wordt opgeheven
gewijzigd: 1° zorgt de Scheepvaartcontrole ervoor dat de inspectiedatabank onverwijld wordt aangepast;2° brengt de Scheepvaartcontrole binnen 24 uur na die beslissing de Europese Commissie op de hoogte van deze beslissing. Art. 4.
voor andere schepen,
zonder onredelijk groot gevaar voor schade aan het mariene milieu. § 2. Wanneer een schip naar een reparatiewerf wordt gestuurd vanwege tekortkomingen bij de naleving van IMO-resolutie A.744
tekortkomingen, kan de Scheepvaartcontrole eisen dat in de haven van aanhouding de nodige diktemetingen worden uitgevoerd voordat het schip toestemming krijgt om uit te varen. §
ankerplaatsen in de EER wordt geweigerd aan schepen als bedoeld in § 1: 1° die uitvaren zonder te voldoen aan de voorwaarden die gesteld zijn door de Scheepvaartcontrole,
2° die uitvaren en weigeren te voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van de verdragen door zich niet naar de aangegeven reparatiewerf te begeven. De weigering blijft van kracht totdat de eigenaar
de exploitant ten genoegen van de Scheepvaartcontrole, heeft aangetoond dat het schip volledig aan alle van toepassing zijnde voorschriften van de verdragen voldoet. §
om prevalerende beveiligingsmaatregelen
om het gevaar van vervuiling te beperken
te minimaliseren
tekortkomingen te verhelpen, tot een Belgische haven
ankerplaats toegang worden verleend door de Scheepvaartcontrole op voorwaarde dat de eigenaar, de exploitant
de kapitein van het schip ten genoegen van de Scheepvaartcontrole afdoende maatregelen voor een veilige binnenkomst heeft genomen. Art. 4.25. De inspecties mogen uitsluitend worden uitgevoerd door inspecteurs die voldoen aan de in bijlage XI vermelde kwalificaties en door het Directoraat gemachtigd zijn tot uitvoering van havenstaatcontroles. Wanneer de Scheepvaartcontrole niet de noodzakelijke beroepsbekwaamheid kan bieden, mag de inspecteur worden bijgestaan door een persoon met de vereiste beroepsbekwaamheid. De Scheepvaartcontrole, de inspecteurs die de havenstaatcontrole verrichten en de personen die hun bijstaan, mogen geen commerciële belangen hebben in de haven van inspectie, noch in de geïnspecteerde schepen. De inspecteurs mogen evenmin werknemer zijn van
opdrachten uitvoeren voor niet-gouvernementele organisaties die wettelijk voorgeschreven certificaten en klassecertificaten afgeven
de noodzakelijke onderzoeken uitvoeren voor het afgeven van die certificaten aan schepen. Iedere inspecteur is houder van een persoonlijk document in de vorm van een identiteitskaart die in overeenstemming met Richtlijn 96/40/EG van de Commissie van 25 juni 1996 houdende het vaststellen van een gemeenschappelijk model voor een identiteitskaart voor inspecteurs die de havenstaatcontrole verrichten, die wordt afgegeven door de Scheepvaartcontrole. Het Directoraat ziet erop toe dat wordt nagegaan
de inspecteurs voldoen aan de voorwaarden inzake bekwaamheid en aan de minimumcriteria als bedoeld in bijlage XI, zulks voordat de inspecteurs worden gemachtigd tot uitvoering van inspecties en vervolgens op gezette tijden, in het licht van de uniforme communautaire regeling inzake opleiding en beoordeling van de bekwaamheid van de inspecteurs inzake havenstaatcontrole door de lidstaten. Het Directoraat ziet erop toe dat de inspecteurs worden bijgeschoold met betrekking tot de wijzigingen van het in de EER toegepaste havenstaatcontrolestelsel als vastgesteld in dit hoofdstuk en eventuele wijzigingen in de verdragen. Art. 4.26. De inspecteurs zorgen ervoor dat passende maatregelen worden genomen na de melding van klaarblijkelijke anomalieën door loodsen en de door de bevoegde gewesten aangewezen havenautoriteiten
haveninstanties en stellen een rapport op van de genomen maatregelen. Art. 4.27. De inspecteurs zorgen ervoor dat de gegevens in verband met inspecties die overeenkomstig dit hoofdstuk worden uitgevoerd, worden overgebracht naar de inspectiedatabank zodra het inspectieverslag is voltooid
de aanhouding is opgeheven. De Scheepvaartcontrole zorgt ervoor dat de gegevens die zijn overgebracht naar de bovengenoemde inspectiedatabank binnen 72 uur worden gevalideerd met het oog op de publicatie ervan. Art. 4.28. De door de nationale autoriteit voor maritieme beveiliging, zoals bedoeld in Boek 2, Titel 5, hoofdstuk 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek, aangewezen instantie deelt de volgende in haar bezit zijnde informatie mee aan het Directoraat: 1° informatie betreffende schepen die niet hebben voldaan aan de voorschriften inzake aanmelding van Verordening (EG) nr.725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten; 2° informatie betreffende schepen die om beveiligingsredenen de toegang tot een haven is geweigerd
zijn verplicht om de haven te verlaten. Art. 4.29. De aanhouding wordt pas opgeheven wanneer volledige betaling
een toereikende waarborg voor de verschuldigde retributies. HOOFDSTUK
een aangeduide ambtenaar bedoeld in artikel 1 het Directoraat verlaat, maken deze automatisch geen deel meer uit van de scheepvaartcontrole. HOOFDSTUK
vervoerd worden in alle schepen onderworpen aan het SOLAS-verdrag evenals in vrachtschepen met een brutotonnenmaat van minder dan 500."; 2° de bepaling onder 2.3 wordt vervangen als volgt: "2.3 Het aanbieden
vervoeren van gevaarlijke stoffen in verpakte vorm is verboden tenzij het geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel."; 3° de bepaling onder 3 wordt vervangen als volgt: " 3.Het aanbieden
vervoeren van gevaarlijke goederen in verpakte vorm moet voldoen aan de voorschriften van de IMDG-code.". Art. 6.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.