artikel 2, 7° van de ordonnantie van 21 december 2018 betreffende de Brusselse verzekeringsinstellingen in het domein van de gezondheidszorg en de hulp aan personen;2° "Ordonnantie": de ordonnantie van 10 december 2020 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden;3° "Mededeling van een wijziging met impact op de tegemoetkoming": de mededeling,
artikel 10 van de ordonnantie;4° "Ministers": de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het beleid inzake Bijstand aan Personen;5° "Beheerraad ": De Beheerraad voor Gezondheid en Bijstand aan personen van de Dienst,
artikel 9, § 1 van de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag. HOOFDSTUK II. - VERMINDERDE ZELFREDZAAMHEID Art. 2.§ 1. De evaluatie van de graad van verminderde zelfredzaamheid gebeurt aan de hand van een door de Ministers vastgestelde handleiding, volgens welke rekening wordt gehouden met de volgende factoren: - verplaatsingsmogelijkheden; - mogelijkheden om zijn voedsel te nuttigen of te bereiden; - mogelijkheid om voor zijn persoonlijke hygiëne in te staan en zich te kleden; - mogelijkheid om zijn woning te onderhouden en huishoudelijk werk te verrichten; - mogelijkheid om te leven zonder toezicht, bewust te zijn van gevaar en gevaar te kunnen vermijden; - mogelijkheid tot communicatie en sociaal contact. § 2. Voor ieder van de in § 1 vermelde factoren wordt als volgt een aantal punten toegekend naar gelang van de graad van verminderde zelfredzaamheid van begunstigde: - geen moeilijkheden, geen bijzondere inspanning en geen bijzondere hulpmiddelen: 0 punten; - beperkte moeilijkheden of beperkte bijkomende inspanning of beperkt beroep op bijzondere hulpmiddelen: 1 punt; - grote moeilijkheden of een grote bijkomende inspanning of uitgebreid beroep op bijzondere hulpmiddelen: 2 punten; - onmogelijk zonder hulp van derden, zonder opvang in een aangepaste voorziening of zonder volledig aangepaste omgeving: 3 punten; De toegekende punten worden samengeteld en naar gelang van dit totaal behoort behoort de begunstigde tot een van de in artikel 8 van de ordonnantie vermelde categorieën. Art. 3.De verminderde zelfredzaamheid wordt vastgesteld door een door de Dienst daartoe aangewezen arts of een multidisciplinair team, bestaande uit minstens één arts. HOOFDSTUK III. - HET HUISHOUDEN Art. 4.§ 1. Onder huishouden wordt verstaan elke vorm van samenwonen van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad. § 2. Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de begunstigde. § 3. Wanneer echter één van de leden van het huishouden in een penitentiaire instelling is opgesloten of opgenomen is in een inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij, georganiseerd door de federale overheid, in een forensisch psychiatrisch centrum, georganiseerd door de federale overheid, of in een andere instelling met een vergelijkbaar doel, dan houdt het huishouden op te bestaan. HOOFDSTUK IV. - HET INKOMEN Art. 5.§ 1. Onverminderd de toepassing van art. 6, § 1, worden alle inkomsten, ongeacht de aard of oorsprong ervan, waarover de begunstigde en eventueel de persoon met wie hij een huishouden vormt, in aanmerking genomen. § 2. Indien de begunstigde en de persoon met wie hij een huishouden vormt, beide recht hebben op een tegemoetkoming, wordt voor elk van beide personen rekening gehouden met de helft van het inkomen van het huishouden. Art. 6.§ 1. Voor de berekening van de inkomsten wordt er geen rekening gehouden met: 1° de gezinsbijslagen;2° de uitkeringen die verband houden met openbare of private bijstand;3° de onderhoudsgelden tussen ascendenten en descendenten;4° de frontstrepen- en gevangenschapsrenten alsmede de renten verbonden aan een nationale orde op grond van een oorlogsfeit;5° de volgende tegemoetkomingen toegekend aan de persoon met wie de begunstigde een huishouden vormt:
artikel 35, § 1, de ingangsdatum van een beslissing op aanvraag tot herziening,
artikel 38, zesde en zevende lid, of op de eerste dag van de maand die volgt op de ambtshalve herziening,
de artikelen 39 en
artikel 35, § 1, de ingangsdatum van een beslissing op aanvraag tot herziening,
artikel 38, zesde of zevende lid;2° de maand die volgt op het feit dat aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening,
de artikelen 39 en
, 1° of 2°, de begunstigde of de persoon met wie hij een huishouden vormt, de beroepsactiviteit heeft stopgezet om een pensioen of een inkomensgarantie voor ouderen te verkrijgen, dan wordt er met geen enkel beroepsinkomen meer rekening gehouden. §
, 1° of 2°, een vervangingsinkomen, met uitzondering van de pensioeninkomens,
artikel 8 heeft, wordt bij de berekening van het inkomen rekening gehouden met het bedrag van het referentiejaar. Het belastbare bedrag wordt in rekening genomen. §
artikel 35, § 1, de ingangsdatum van een beslissing op aanvraag tot herziening,
artikel 38, zesde en zevende lid;2° de maand die volgt op het feit dat aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening,
de artikelen 39 en 40; Art. 18.Voor de toepassing van artikel 17 wordt de verkoopwaarde van de afgestane roerende of onroerende goederen, waarvan de begunstigde, de persoon met wie hij een huishouden vormt, eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid waren, vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid van de rechten van de begunstigde, zijn echtgenoot of de persoon met wie hij een huishouden vormt, uitdrukt. Voor de toepassing van deze bepalingen zal de respectievelijke waarde van het vruchtgebruik en van de naakte eigendom geraamd worden zoals voorzien in het kader van de successierechten. Art. 19.In geval van afstand onder bezwarende titel van roerende of onroerende goederen, worden de persoonlijke schulden van de begunstigde, de persoon met wie hij een huishouden vormt, die dateren van vóór de afstand en die werden afgelost met de opbrengst van de afstand, afgetrokken van de verkoopwaarde van de afgestane goederen, op het ogenblik van de afstand. Art. 20.In geval van afstand onder bezwarende titel van roerende of onroerende goederen en onverminderd de bepalingen van artikel 19, wordt met het oog op de toepassing van artikel 17, van de verkoopwaarde der goederen een jaarlijks abattement van 1.500,00 EUR afgetrokken. Het aftrekbaar abattement wordt berekend in verhouding tot het aantal maanden begrepen tussen de eerste van de maand die volgt op de datum van de afstand en de ingangsdatum van een beslissing op aanvraag,
artikel 35, §
artikel 6, eerste lid van de ordonnantie, wordt uitbetaald onder de vorm van een kapitalen of afkoopwaarden, wordt hun tegenwaarde in periodieke uitkering in aanmerking genomen ten belope van de lijfrente die verkregen wordt uit de omzetten tegen het procent dat in de onderstaande tabel is vermeld tegenover de volle leeftijd van de begunstigde op de datum van het feit dat heeft aanleiding gegeven tot de uitbetaling: Age révolu du bénéficiaire à la date du fait qui a donné lieu à la liquidation Pourcentage de conversion en rente viagère des capitaux ou valeurs de rachats Volle leeftijd van de begunstigde op de datum van het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de uitbetaling Procent voor de omzetting van kapitalen of afkoopwaarden in een lijfrente - - - - 0 4,7535 0 4,7535 1 4,7622 1 4,7622 2 4,7713 2 4,7713 3 4,7809 3 4,7809 4 4,7909 4 4,7909 5 4,8014 5 4,8014 6 4,8125 6 4,8125 7 4,8241 7 4,8241 8 4,8362 8 4,8362 9 4,4890 9 4,4890 10 4,8623 10 4,8623 11 4,8764 11 4,8764 12 4,8911 12 4,8911 13 4,9066 13 4,9066 14 4,9229 14 4,9229 15 4,9399 15 4,9399 16 4,9578 16 4,9578 17 4,9766 17 4,9766 18 4,9964 18 4,9964 19 5,0171 19 5,0171 20 5,0389 20 5,0389 21 5,0618 21 5,0618 22 5,0858 22 5,0858 23 5,1111 23 5,1111 24 5,1377 24 5,1377 25 5,1656 25 5,1656 26 5,1949 26 5,1949 27 5,2258 27 5,2258 28 5,2582 28 5,2582 29 5,2923 29 5,2923 30 5,3282 30 5,3282 31 5,3660 31 5,3660 32 5,4057 32 5,4057 33 5,4476 33 5,4476 34 5,4916 34 5,4916 35 5,5380 35 5,5380 36 5,5868 36 5,5868 37 5,6383 37 5,6383 38 5,6925 38 5,6925 39 5,7497 39 5,7497 40 5,8099 40 5,8099 41 5,8735 41 5,8735 42 5,9405 42 5,9405 43 6,0112 43 6,0112 44 6,0859 44 6,0859 45 6,1647 45 6,1647 46 6,2480 46 6,2480 47 6,3359 47 6,3359 48 6,4289 48 6,4289 49 6,5272 49 6,5272 50 6,6311 50 6,6311 51 6,7411 51 6,7411 52 6,8575 52 6,8575 53 6,9808 53 6,9808 54 7,1114 54 7,1114 55 7,2497 55 7,2497 56 7,3965 56 7,3965 57 7,5521 57 7,5521 58 7,7172 58 7,7172 59 7,8925 59 7,8925 60 8,0787 60 8,0787 61 8,2766 61 8,2766 62 8,4869 62 8,4869 63 8,7106 63 8,7106 64 8,9487 64 8,9487 65 9,2021 65 9,2021 66 9,4721 66 9,4721 67 9,7598 67 9,7598 68 10,0665 68 10,0665 69 10,3936 69 10,3936 70 10,7427 70 10,7427 71 11,1154 71 11,1154 72 11,5134 72 11,5134 73 11,9387 73 11,9387 74 12,3933 74 12,3933 75 12,8795 75 12,8795 76 13,3994 76 13,3994 77 13,9558 77 13,9558 78 14,5513 78 14,5513 79 15,1887 79 15,1887 80 15,8712 80 15,8712 81 16,6020 81 16,6020 82 17,3845 82 17,3845 83 18,2225 83 18,2225 84 19,1198 84 19,1198 85 20,0804 85 20,0804 86 21,1085 86 21,1085 87 22,2084 87 22,2084 88 23,3845 88 23,3845 89 24,6414 89 24,6414 90 25,9836 90 25,9836 91 27,4157 91 27,4157 92 28,9419 92 28,9419 93 30,5665 93 30,5665 94 32,2933 94 32,2933 95 34,1259 95 34,1259 96 36,0670 96 36,0670 97 38,1187 97 38,1187 98 40,2823 98 40,2823 99 42,5577 99 42,5577 100 44,9438 100 44,9438 101 47,4381 101 47,4381 102 50,0367 102 50,0367 103 52,7355 103 52,7355 104 55,5321 104 55,5321 105 58,4333 105 58,4333 106 61,4794 106 61,4794 107 64,8168 107 64,8168 108 68,9976 108 68,9976 109 76,2770 109 76,2770 110 100 110 100 Art. 24.§ 1. Naargelang de begunstigde behoort tot de categorie A of B worden de volgende delen van het inkomen niet in aanmerking genomen: respectievelijk 14.214,53 EUR en 17.762,27 EUR. § 2. Behoren tot de: 1° categorie A: de personen met een handicap die niet behoren tot categorie B.2° categorie B: de personen met een handicap die een huishouden,
artikel 4, vormen. §
artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, te verkrijgen, of als hij de juistheid van deze informatiegegevens nagaat. Het gebruik van een andere bron is enkel toegestaan als de noodzakelijke gegevens niet kunnen bekomen worden bij het Rijksregister van de natuurlijke personen. §
artikel 7;3° het pensioeninkomen,
artikel 8;4° de inkomsten voortvloeiend uit de toepassing van de wetgeving met betrekking tot de oorlogsslachtoffers;5° de gegevens over de onroerende goederen,
artikel 9 tot en met 15. De gegevens,
het eerste lid, 2° tot 5°, worden voor waar aangenomen tot bewijs van het tegendeel. Dit bewijs kan door de begunstigde met alle middelen van recht geleverd worden. § 3. Als de Dienst of de door de hem aangewezen arts of een multidisciplinair team,
artikel 3, eerste lid, genoodzaakt is om bijkomende inlichtingen in te winnen bij de begunstigde is hij ertoe gehouden om die bijkomende inlichtingen te verstrekken binnen een termijn van dertig kalenderdagen. Als de bijkomende inlichtingen niet binnen een termijn van dertig kalenderdagen worden verstrekt, ontvangt de begunstigde van de Dienst een herinnering met het verzoek om die bijkomende inlichtingen alsnog te verstrekken. Als dat voor de vaststelling van de verminderde zelfredzaamheid nodig is, wordt de begunstigde opgeroepen voor een onderzoek. Overeenkomstig artikel 7, § 2, derde lid, van de wet van 22 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/08/2002 pub. 26/09/2002 numac 2002022737 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de rechten van de patiënt type wet prom. 22/08/2002 pub. 10/09/2002 numac 2002022684 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende maatregelen inzake gezondheidszorg sluiten betreffende de rechten van de patiënt kan de begunstigde zich hierbij laten bijstaan door een vertrouwenspersoon. Als de begunstigde in de onmogelijkheid verkeert zich te verplaatsen, hetgeen hij aan de hand van een medisch attest bewijst, wordt het onderzoek naar de verminderde zelfredzaamheid verricht daar waar de begunstigde verblijft. Als de begunstigde nalaat om zich voor het onderzoek te melden, ontvangt hij een tweede oproeping. Als de begunstigde, ondanks de herinnering,
het tweede lid, gedurende meer dan dertig kalenderdagen nalaat de gevraagde inlichtingen te verschaffen, of, ondanks de tweede oproeping,
het vijfde lid, nalaat zich voor het onderzoek te melden, beslist de Dienst op grond van de elementen waarover hij beschikt, behalve indien de begunstigde een reden opgeeft die een langere antwoordtermijn rechtvaardigt. Art. 30.De tegemoetkoming mag zonder nader onderzoek geweigerd worden als voldoende elementen voorhanden zijn waaruit blijkt dat de begunstigde niet voldoet aan de voorwaarden om de tegemoetkoming te verkrijgen. Art. 31.§ 1. De termijn tussen de ontvangstdatum,
artikel 27, § 2, of de datum van kennisname van het feit dat aanleiding geeft tot een ambtshalve onderzoek en de datum van de beslissing mag niet langer zijn dan zes maanden. Indien de Dienst geen beslissing kan treffen binnen de in het voorgaande lid gestelde termijn, deelt hij dit schriftelijk mee aan de begunstigde met opgave van de redenen. In deze schriftelijke mededeling vermeldt de Dienst de termijn waarbinnen hij vermoedelijk kan beslissen, die niet langer mag zijn dan tien maanden. Als de tussenkomst van een instelling van de sociale zekerheid vereist is om een beslissing te kunnen nemen, wordt die instelling door de Dienst bevraagd. § 2. De termijn,
, wordt geschorst zolang de begunstigde of een instelling de door de Dienst gevraagde inlichtingen, die noodzakelijk zijn om een beslissing te nemen, niet volledig verstrekt heeft. Deze schorsing kan echter niet langer duren dan de termijn waarbinnen de Dienst vermoedelijk kan beslissen,
In dat geval wordt, na deze termijn, beslist op basis van de beschikbare gegevens. Het opvragen van bijkomende inlichtingen aan de begunstigde,
artikelen 29, § 3, schorst de termijn evenwel niet, op voorwaarde dat de begunstigde de gevraagde gegevens aan de Dienst bezorgt binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de toezending ervan door de Dienst. § 3. De tegemoetkomingen brengen van rechtswege verwijlintresten op vanaf hun eisbaarheid, maar op zijn vroegst vanaf het verstrijken van de termijn,
. De intresten,
het voorgaande lid, worden tegen de wettelijke voet berekend. Zij hebben betrekking op de maandelijkse termijnen, alsmede op de eventuele achterstallige bedragen. In § 3, tweede lid wordt verstaan onder achterstallige bedragen: de bedragen die aan de begunstigde maandelijks betaald hadden moeten worden na het verstrijken van de termijn,
. Het aantal dagen waarop intresten moet betaald worden, wordt als volgt bepaald: 1° voor de maandelijkse termijnen: het aantal dagen tussen de einddatum van de termijn,
, en de eerste dag van de maand na de beslissing van de Dienst;2° voor de achterstallige bedragen: het aantal dagen tussen de vijftiende van de maand waarop de tegemoetkoming betrekking heeft en de eerste dag van de maand na de beslissing van de Dienst. § 4. Er worden geen verwijlintresten betaald,
Art. 32.Indien de begunstigde op het ogenblik van de aanvraag,
artikel 25, een integratietegemoetkoming of een inkomensvervangende tegemoetkoming,
de wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/02/1987 pub. 18/10/2004 numac 2004000528 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling sluiten betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, ontvangt, gaat de Dienst na of deze voor de begunstigde voordeliger is dan de tegemoetkoming. Indien de tegemoetkoming voordeliger is, neemt de Dienst aangaande deze tegemoetkoming een positieve beslissing. Indien de tegemoetkoming niet voordeliger is, wordt zij niet toegekend. HOOFDSTUK VII. - HET ONSTAAN VAN HET RECHT OP DE TEGEMOETKOMING EN HET INGAAN VAN DE BESLISSING OP AANVRAAG Art. 33.§
artikel 27, §
artikel
artikel 1, § 1, eerste lid, 1° van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, volgens de gegevens van het Rijksregister. Art. 36.Met behoud van toepassing van artikel 37 tot en met 40 geldt de beslissing van de Dienst voor onbepaalde duur, behalve indien: 1° de beslissing wordt getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen;2° de beslissing geldt tot de einddatum van de verminderde zelfredzaamheid in de vaststelling,
artikel 3, eerste lid. HOOFDSTUK VIII. - DE INTREKKING EN HERZIENING VAN DE BESLISSING Afdeling
artikel 27, § 2. In afwijking van het voorgaande lid kan, als de ontvangstdatum,
artikel 27, § 2, niet verder ligt dan drie maanden die volgen op de datum waarop zich een feit heeft voorgedaan dat toekenning of de verhoging van de tegemoetkoming rechtvaardigt, of op de datum waarop de begunstigde daarvan kennis heeft gekregen, de nieuwe beslissing ingaan op de eerste dag van de maand die de datum van het feit volgt en ten vroegste op dezelfde datum als de te wijzigen beslissing. Afdeling
artikel 42, is vastgesteld. § 2. De nieuwe beslissing gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de begunstigde zich in één van de in § 1, 1°, 2°, 6° bedoelde toestanden bevindt. Indien de nieuwe beslissing evenwel een vermindering van de tegemoetkoming tot gevolg heeft en indien de in § 1, 1°, 6° bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan of werd aangegeven binnen de drie maanden volgend op de datum van kennisgeving aan de begunstigde, gaat de nieuwe beslissing in op de eerste dag van de maand volgend op de datum van de kennisgeving van de beslissing. In de in § 1, 3°, 4° en 5° bedoelde gevallen gaat de nieuwe beslissing in op de eerste dag van de maand volgend op de datum van de kennisgeving van de beslissing. Indien het bedrag van de tegemoetkoming toegekend krachtens de in § 1, 3° bedoelde beslissing hoger is dan het aanvankelijk toegekende bedrag, gaat deze in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de geplande herzieningsdatum. In het in § 1, 7° bedoelde geval gaat de nieuwe beslissing in op de eerste dag van de maand volgend op de vaststelling van het verschil tussen het bedrag van de tegemoetkoming, voorwerp van een beslissing tot weigering, toekenning, intrekking of herziening en het bedrag van de tegemoetkoming waarop de begunstigde recht heeft,
artikel 42, 4°. §
artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat die wijziging meegedeeld is aan de Dienst;2° het een gegeven betreft dat al is meegedeeld aan een andere overheid in het kader van de daar geldende reglementering en als de ministers dat gegeven hebben opgenomen in een specifiek daarvoor opgestelde lijst. HOOFDSTUK X. - CONTROLE Art. 42.De Dienst kan, om na te gaan of het bedrag van de tegemoetkoming, voorwerp van een beslissing tot weigering, toekenning, intrekking, of herziening overeenstemt het bedrag van de tegemoetkoming waarop de begunstigde recht heeft, kan de Dienst gebruik maken van een controlemethode via steekproeftrekking. Deze methode bestaat uit: 1° het vaststellen van een steekproefkader door het identificeren van een reeks onafhankelijke gevallen die onderzocht zullen worden;2° het uitvoeren van een willekeurige steekproeftrekking uit dat steekproefkader teneinde een steekproef samen te stellen;3° het analyseren van de gevallen in deze steekproef en het, per geval in deze steekproef, berekenen van het bedrag van de tegemoetkoming waarop hij recht heeft, conform de bepalingen van de ordonnantie en haar uitvoeringsbesluiten;4° het, per geval in deze steekproef, berekenen van het verschil tussen het bedrag van de tegemoetkoming, voorwerp van een beslissing tot weigering, toekenning, intrekking of herziening, en het bedrag van de tegemoetkoming, resultaat van de berekening,
3°, In geval van verschil tussen de bedragen,
het voorgaande lid, gaat de Dienst over tot ambtshalve herziening conform artikel 40, § 1, 7°. HOOFDSTUK XI. - BETALINGSMODALITEITEN EN -VOORWAARDEN Art. 43.§
het voorgaande lid, moet worden verstaan de in België gevestigde kredietinstellingen,
artikel 1, § 3 van de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten sluiten op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en beursvennootschappen. § 4. De Dienst sluit een overeenkomst met de kredietinstellingen van de begunstigden van de betaalde tegemoetkomingen. Onder kredietinstellingen,
het voorgaande lid, moet worden verstaan de in België gevestigde kredietinstellingen,
artikel 1, § 3 van de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten sluiten op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en beursvennootschappen. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst stelt de respectieve verantwoordelijkheden van de Dienst en de kredietinstelling vast om de regelmatigheid van de overdracht van tegemoetkomingen naar de begunstigde of de door hem gekozen kredietinstelling te verzekeren. Art. 44.Artikel 43 is van overeenkomstige toepassing op de betaling van de tegemoetkoming tijdens de overgangsfase,
artikel 22 van de ordonnantie. HOOFDSTUK XII. - DE BETALING VAN VOORSCHOTTEN Art. 45.In geval van toepassing van artikel 13 van de ordonnantie moet de begunstigde als begunstigde van het voorschot aanduiden op welke uitkeringen of vergoedingen hij een voorschot wenst te verkrijgen, door wie deze naar zijn mening verschuldigd zijn en voor welke periode. Hij moet eveneens mededelen of de instanties welke deze uitkeringen of vergoedingen verschuldigd zijn, voorschotten hebben toegekend. De begunstigde moet de Dienst bovendien verwittigen van zodra hij deze uitkeringen of vergoedingen verkrijgt. Het voorschot wordt niet toegekend voor perioden voorafgaand aan de aanvraag. Het wordt verleend ten belope van de bedragen van de tegemoetkoming waarop de begunstigde aanspraak kan maken. HOOFDSTUK XIII. - DE BETALING VAN DE VERVALLEN EN BIJ HET OVERLIJDEN VAN DE BEGUNSTIGDE NIET UITBETAALDE TEGEMOETKOMINGEN Art. 46.In geval van overlijden van de begunstigde, worden de vervallen en nog niet uitbetaalde tegemoetkomingen ambtshalve uitbetaald aan de echtgenoot of echtgenote of de persoon met wie de begunstigde een huishouden vormde; Bij ontstentenis van de in het vorige lid bedoelde echtgenoot of echtgenote of de persoon met wie de begunstigde een huishouden vormde, worden de vervallen en nog niet betaalde tegemoetkomingen, met inbegrip van de uitkering voor de maand van overlijden voor zover de begunstigde niet overleden was op de in het nationaal compensatiesysteem geldende uitvoeringsdatum of, bij betaling via circulaire cheque, op de uitgiftedatum ervan, uitbetaald in volgende orde: 1° aan de kinderen met wie de begunstigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;2° aan de vader en de moeder met wie de begunstigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;3° aan iedere persoon met wie de begunstigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;4° aan de persoon die in de verplegingskosten tussenbeide kwam;5° aan de persoon die de begrafeniskosten betaalde. De vervallen en aan de overleden begunstigde nog niet uitbetaalde termijnen worden ambtshalve uitbetaald aan de in het eerste lid beoogde rechthebbenden en bij ontstentenis van deze, aan de in het tweede lid, 1° beoogde rechthebbenden, en bij ontstentenis van deze aan de in het tweede lid, 2° beoogde rechthebbenden. De rechthebbenden,
het tweede lid, 3° tot en met 5° dienen een aanvraag tot uitbetaling in bij de Dienst. De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de Dienst. Op straffe van verval moeten de aanvragen tot uitbetaling van termijnen ingediend worden binnen een termijn van zes maanden. Die termijn gaat in op de dag van het overlijden van de begunstigde of op de dag van de verzending van de kennisgeving van de beslissing, indien deze na het overlijden verzonden werd. HOOFDSTUK XIV. - SCHORSING VAN DE TEGEMOETKOMING BIJ OPSLUITING OF OPNAME Art. 47.De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald voor de duur van zijn opsluiting of opname aan de begunstigde die in een penitentiaire instelling is opgesloten of die in een inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij, georganiseerd door de federale overheid, in een forensisch psychiatrisch centrum, georganiseerd door de federale overheid, of in een andere instelling met een vergelijkbaar doel is opgenomen. De begunstigde mag evenwel aanspraak maken op de tegemoetkomingen die betrekking heeft op de periode van zijn voorlopige hechtenis op voorwaarde dat hij van het misdrijf dat tot die hechtenis aanleiding heeft gegeven, bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke uitspraak werd vrijgesproken. Hetzelfde geldt voor de gevallen van buitenvervolgingstelling of van buitenzaakstelling. HOOFDSTUK XV. - DE TERUGBETALING EN TERUGVORDERING VAN TEN ONRECHTE UITBETAALDE TEGEMOETKOMINGEN Art. 48.De begunstigde kan met het oog op de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen, een afbetalingsplan aanvragen bij de Dienst. De Dienst beslist over dat afbetalingsplan. De Dienst bezorgt een al of niet aangepast afbetalingsplan aan de begunstigde of deelt aan de begunstigde mee dat het afbetalingsplan niet aanvaard kan worden. Als de begunstigde overlijdt tijdens de uitvoering van het afbetalingsplan, dan wordt er niet verder teruggevorderd behalve in geval van arglist of bedrog. Art. 49.Van de beslissing om ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen terug te vorderen of in mindering te brengen worden de schuldenaren, op straffe van nietigheid, per aangetekend schrijven in kennis gesteld. Dit schrijven vermeldt: 1° de vaststelling en het totale bedrag van het onverschuldigde, alsmede de berekeningswijze ervan;2° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen werden verricht;3° de in aanmerking genomen verjaringstermijn en, als deze geen drie jaar bedraagt, de motivering ervan;4° de mogelijkheid om binnen drie maanden na ontvangst van de bestreden beslissing, beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank;5° de mogelijkheid om bij de Dienst een afbetalingsplan,
artikel 48, te vragen;6° de mogelijkheid van de Dienst om ambtshalve of op aanvraag van de begunstigde af te zien van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen;7° de mogelijkheid van de Dienst om de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen in mindering te brengen van de toekomstige tegemoetkomingen die aan de begunstigde uitbetaald worden of van de vervallen en nog niet uitbetaalde tegemoetkomingen. Indien de beslissing de in het eerste lid voorziene vermeldingen niet bevat, gaat de beroepstermijn niet in. Art. 50.De Dienst kan ambtshalve afzien van de terugvordering van de onterecht uitbetaalde tegemoetkomingen: 1° bij het overlijden van de begunstigde;2° als het bedrag van de onterecht uitbetaalde tegemoetkomingen lager ligt dan 750,00 EUR;3° indien de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen enkel het gevolg zijn van een vergissing van de Dienst, waarvan de begunstigde zich normaal geen rekenschap kan geven en waarvan de Dienst geen melding aan de begunstigde heeft gemaakt binnen de twee maanden;4° bij overlijden van de persoon met wie de begunstigde een huishouden vormt indien dit tot gevolg heeft dat de begunstigde een overlevingspensioen ontvangt. Er kan evenwel niet ambtshalve worden afgezien: 1° in geval van bedrog of arglist;2° indien er bij het overlijden van de begunstigde vervallen en nog niet uitgekeerde tegemoetkomingen bestaan.In dit geval worden de onterecht uitbetaalde tegemoetkomingen teruggevorderd door ze in mindering te brengen op de vervallen en nog niet betaalde tegemoetkomingen. In alle andere gevallen dan deze bedoeld in het eerste en het tweede lid, kan de Beheerraad op gemotiveerde aanvraag van de begunstigde afzien van de terugvordering van de onverschuldigd uitbetaalde tegemoetkomingen. Deze aanvraag gebeurt bij aangetekende brief gericht aan de Dienst. Art. 51.De beslissing tot terugvordering kan enkel uitgevoerd worden na het verstrijken van drie maanden volgend op de kennisgeving. Wanneer de begunstigde vóór het verstrijken van deze termijn van drie maanden een aanvraag heeft ingediend,
artikel 50, derde lid, wordt de terugvordering opgeschort tot de Beheerraad hierover uitspraak heeft gedaan. Indien de aanvraag,
artikel 50, derde lid, wordt ingediend na de termijn van drie maanden, wordt de terugvordering van de onverschuldigde bedragen aangevat of voortgezet totdat de Beheerraad een tegengestelde beslissing heeft genomen. Bij de toepassing van het tweede en het derde lid, geldt als datum van indiening de datum van neerlegging van de aangetekende brief waarmee de aanvraag is gebeurd. HOOFDSTUK XVI. - CUMULATIE Art. 52.In het door de Dienst ter beschikking gestelde formulier of de informaticatoepassing,
artikel 27, § 1, 1° en 2° vermeldt de begunstigde of hij een krachtens andere wetten, decreten, ordonnanties of reglementaire bepalingen, of krachtens buitenlandse wetgeving vergelijkbare vorm van de tegemoetkoming,
artikel 20, eerste lid van de ordonnantie, ontvangt en heeft ontvangen, alsook het bedrag ervan. HOOFDSTUK XVII. - NADERE REGELS VAN DE INDEXERING,
ARTIKEL 8, § 2, DERDE LID VAN DE ORDONNANTIE Art. 53.Om de koppeling van de bedragen van de tegemoetkoming aan de schommelingen van de afgevlakte gezondheidsindex,
artikel 8, § 2 van de ordonnantie, te berekenen, dient het basisbedrag,
van datzelfde artikel, vermenigvuldigd te worden met een multiplicator gelijk aan 1,0200, verhoogd tot de nde macht (1,0200n), waarbij n overeenstemt met de rang van de bereikte spilindex. De spilindex volgend op deze vermeld in § 2 van voormeld artikel wordt als rang 1 beschouwd. De multiplicator wordt uitgedrukt in eenheden, gevolgd door vier cijfers. Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten en leidt tot een verhoging met één eenheid van het vorige cijfer indien het minstens 5 bereikt. Indien ingevolge de toepassing van dit artikel de aangepaste bedragen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het centgedeelte tot de hogere of lagere cent afgerond naargelang het gedeelte al dan niet 0,5 bereikt. HOOFDSTUK XVIII. - BESTENDIG EN DAADWERKELIJK VERBLIJF Art. 54.Met bestendig en daadwerkelijk verblijf in België,
artikel 3, § 1, van de ordonnantie wordt gelijkgesteld: 1° het verblijf in het buitenland gedurende maximaal 90 al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar;2° het verblijf in het buitenland ten gevolge van de opname ter verpleging in een ziekenhuis of een andere instelling voor zorgverstrekking;3° het verblijf in het buitenland om beroepsredenen;4° het verblijf bij een bloed- of aanverwant die verplicht is, of waarvan de echtgenoot of de persoon met wie de bloed- of aanverwant wettelijk samenwoont, verplicht is, tijdelijk in het buitenland te vertoeven om er een zending uit te voeren of functies uit te oefenen in dienst van de Belgische Staat;5° het verblijf in het buitenland gedurende meer dan 90 al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar, voor zover uitzonderlijke omstandigheden dit verblijf wettigen en op voorwaarde dat de Dienst hiertoe zijn toelating heeft verleend. De persoon met een handicap die het grondgebied van de Belgische Staat verlaat, is verplicht de Dienst daarvan ten minste één maand voor zijn vertrek in te lichten, met vermelding van de vermoedelijke duur van het verblijf in het buitenland en, in de gevallen bedoeld in 2° tot en met 5°, de redenen daarvan. HOOFDSTUK XIV. - OVERGANGSMAATREGELEN EN INWERKINGTREDING Art. 55.§
, neemt een aanvang op 1 januari 2021 en wordt ten laatste beëindigd: 1° op 1 januari 2022 voor de evaluatie van de graad van verminderde zelfredzaamheid naar aanleiding van een aanvraag,
artikel 25;2° op 1 januari 2024 voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid naar aanleiding van een aanvraag tot herziening,
artikel 38, of een ambtshalve herziening,
de artikelen 39 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.