artikel 60, 3°, van de wet, belast met de uitvoering van de activiteit bepaald in artikel 3, 3°, van de wet;3° de minister: de Minister van Binnenlandse Zaken;4° beveiligd vervoer: de activiteit
artikel 3, 3°, van de wet;5° detailvervoer: het beveiligd vervoer tussen twee stoppunten die niet beide uitgerust zijn met een beveiligde zone;6° zonevervoer: het beveiligd vervoer tussen twee stoppunten die beide uitgerust zijn met een beveiligde zone;7° container: houder van waarden bestemd voor beveiligd vervoer;8° stoeprisico: het veiligheidsrisico waaraan bewakingsagenten tijdens de afstand tussen het voertuig en de beveiligde ruimte blootgesteld zijn, voor zover het beveiligd vervoer niet uitgevoerd wordt met een neutralisatiesysteem beschreven in artikel 5;9° manipulatierisico: het veiligheidsrisico waaraan bewakingsagenten, voor zover zij de container dienen te openen teneinde waarden er in of uit te halen, blootgesteld zijn;10° stoeptijd: de tijd die aan een stoppunt verloopt tussen het begin en het einde van het overbrengen van de waarden van en naar een voertuig gebruikt voor beveiligd vervoer;11° oproepcentrale: centraal aanspreekpunt dat zich bevindt in de beveiligde zone van de onderneming of de interne dienst die het beveiligd vervoer organiseert, waarmee bewakingsagenten tijdens het uitvoeren van hun activiteiten permanent kunnen communiceren, dat zonder onderbreking alarmen kan ontvangen en interpreteren en dat op elk moment de reisweg van elk voertuig tijdens de uitvoering van transporten kan volgen;12° voertuig: voertuig voor het beveiligd vervoer;13° stoptijd: de tijd die verstrijkt tussen de aankomst en het vertrek van een voertuig bij een stoppunt;14° bestuurderscabine: het gedeelte van het voertuig dat bestemd is voor de chauffeur en de andere bewakingsagenten;15° bepantserde constructie: constructie bestaande uit platen of glas die over de vier verticale zijden bestand is tegen 3 gegroepeerde schoten afgevuurd door een vuurwapen Kalasjnikov AK47 met een munitie van het kaliber 7,62x39 waarbij op een afstand van 10 meter in een hoek van 90° wordt geschoten;16° biljettenautomaat: toestel uitsluitend bestemd voor het afhalen van geldbiljetten van een bankrekening of een betaalkaart en/of voor het deponeren van geldbiljetten op een bankrekening of een betaalkaart;17° afstortkassa: elke toestel voor het afstorten van geld dat uitgerust is met een neutralisatiesysteem en dat bediend wordt in de publieke ruimte aan een kassa;18° evacuatieluik: een buitendeur of een andere opening in de bestuurderscabine van het voertuig waarlangs de inzittenden van de bestuurderscabine door een eenvoudige opzettelijke beweging het voertuig snel kunnen verlaten;19° opschrift: aanduiding op niet-verwijderbare wijze aangebracht op de beide zijkanten en de achterzijde van het voertuig bestaande uit woorden waarvan elke letter een letterhoogte van minstens 15 cm en een breedte van minstens 5 cm heeft en waarvan de kleur contrasteert met de kleur van het voertuig;20° stoppunt: de plaats van ophaling en/of van aflevering van waarden;21° neutralisatiesystemen: de systemen
artikel 133 van de wet.22° vault: beveiligde kluisgedeelte van het gebouw waarbinnen de waarden verwerkt of bewaard worden. HOOFDSTUK II. - Beveiligde ruimtes en beveiligde zones Art. 2.§
artikel 2, 20° van de wet;
artikel 8, § 1, 3°. Een neutralisatiesysteem type E beveiligt het neutralisatiesysteem type C over het gehele transporttraject, dit wil zeggen van stoppunt tot stoppunt, of indien gebruikt in combinatie met een container met een neutralisatie type F, tijdens de stoeptijd. Een neutralisatiesysteem type F beveiligt het neutralisatiesysteem type C uitsluitend in het voertuig gebruikt voor beveiligd vervoer. Een neutralisatiesysteem type G beveiligt de geldbiljetten uitsluitend in het voertuig gebruikt voor beveiligd vervoer. Het neutralisatiesysteem type H beveiligt de geldbiljetten gedurende de stoeptijd van de beveiligde ruimte aan het stoppunt naar het neutralisatiesysteem type G in het voertuig. §
, moeten de container steeds beschermen tegen: 1° een poging tot openbreken;2° in geval van gebruik van het neutralisatiesysteem type A, C, D, E of F, de opening van de container buiten de beveiligde ruimtes van bestemming,
, of de beveiligde zones, bepaald in de geregistreerde onderrichtingen;3° in geval van gebruik van het neutralisatiesysteem type B, de opening van de container buiten de beveiligde zones bepaald in de geregistreerde onderrichtingen;4° in geval van gebruik van het neutralisatiesysteem type G of H, de opening van de container buiten de beveiligde zones, bepaald in de geregistreerde onderrichtingen;5° het buiten werking stellen of de beschadiging van de container, van het besturingssysteem of van haar mechanisme tot neutralisatie of markering van waarden;6° in geval van gebruik van het neutralisatiesysteem type A, B, E of H, een overschrijding van de stoeptijd met 20 minuten van de voor de aflevering van de waarden voorziene termijn;7° in geval van gebruik van het neutraliseringssysteem type C, een overschrijding van een termijn van 90 seconden gedurende dewelke het neutralisatiesysteem zich niet bevindt in een beveiligde zone of een container uitgerust met een neutraliseringssysteem type E of F of in een biljettenautomaat of afstortkassa;8° elke disfunctie van het besturingssysteem die een impact heeft op de goede werking van het neutralisatiesysteem. In geval van gebruik van het neutralisatiesysteem type A, B, E of H, voorziet het besturingssysteem in een vertragingsmechanisme dat de bewakingsagent, indien dit noodzakelijk is, toelaat één keer per traject de stoeptijd voor de aflevering van waarden te verlengen. §
artikel 5, § 2, lid 2, voldaan is. De container die is uitgerust met een neutralisatiesysteem type C mag enkel bankbiljetten als waarden bevatten. In afwijking van het eerste lid mag de container die uitgerust is met een neutralisatiesysteem type A of D, ook muntstukken bevatten voor zover de container gebruikt wordt voor een vervoer zoals bedoeld bij artikel 10, § 1, 3°, en dat wordt aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarde bedoeld bij artikel 5, § 2, lid 2. Art. 8.De minister bepaalt de modaliteiten voor de conditionering van de biljetten in de containers die zijn uitgerust met een neutralisatiesysteem. Art. 9.Buiten de beveiligde zone, mag de bewakingsagent in geen geval beschikken over middelen die hem de mogelijkheid zouden geven de registratie van de onderrichtingen,
artikel 6, §§ 3 en 4, en de verificatie door het systeem van de naleving van deze verrichtingen, te kunnen beïnvloeden, noch over middelen om de container, in welke omstandigheden dan ook, te openen. HOOFDSTUK IV. - Aard en soorten beveiligd vervoer Art. 10.§ 1. Het beveiligd vervoer categorie 1 omvat het transport: 1° van waardepapieren die vatbaar zijn voor wettelijk verzet of uitgerust zijn met andere veiligheidsmaatregelen die het onmogelijk maken ze te innen en die gedurende de tijd die nodig is om verzet te plegen niet in baar geld in een financiële instelling kunnen worden geïnd; 2° van waarden die vervoerd worden met een neutralisatiesysteem type B en waarvan het transport voldoet aan volgende voorwaarden:
categorie 2, 3 of 4, al dan niet gemengd met de waarden zoals bedoeld onder 1°.6° de waarden vervoerd door de interne bewakingsdienst van de Nationale Bank van België, voor zover het vervoer begeleid wordt door de federale politie. 7° van goederen bestaande uit cheques of waardebonnen die in de handel als betaalmiddel kunnen aangewend, voor zover de totale waarde aanwezig in het voertuig het bedrag van 70.000 en de waarde dat per stoppunt geleverd wordt het bedrag van 7.500 niet overschrijden. §
artikel 10, § 1, 2° ;4° waardepapieren, andere dan geldbiljetten, waarvoor geen wettelijk verzet zoals bepaald in artikel 10, § 1, 1°, mogelijk is;5° goederen bestaande uit cheques of waardebonnen die in de handel als betaalmiddel kunnen aangewend, voor zover de goederen de bedragen
artikel 10, § 1, 7°, overschrijden;6° wapens, munitie en explosieven. §
:
, a) en c), geschiedt met twee beveiligde koffers die aan de bodem van het waardecompartiment van het voertuig zijn vastgemaakt, waarbij één koffer, die enkel in de beveiligde zone van de exploitatiezetel van de bewakingsonderneming kan geopend worden, dient om de afgehaalde goederen
, 2° in onder te brengen en één andere koffer, die enkel met tussenkomst van twee bewakingsagenten kan geopend worden, dient om de te leveren goederen
, 2° in onder te brengen.b) Het niet-gemengd beveiligd vervoer,
, 2°, geschiedt in een volledig bepantserd voertuig waarvan de waardecompartiment enkel en alleen op de plaats van levering of ophaling van de goederen kan geopend worden.De laadruimte is beveiligd met een door de minister bepaald systeem dat op een snelle wijze de toegang tot de waarden ernstig belemmert. §
artikel 6, § 4, 7°, vergewist de tweede bewakingsagent zich in de onmiddellijke omgeving van de eerste bewakingsagent of de handeling veilig kan worden uitgevoerd. Art. 12.Het beveiligd vervoer categorie 3 omvat het vervoer van geldbiljetten zonder dat deze zich bevinden in een container die is uitgerust met een neutralisatiesysteem. Dit beveiligd vervoer kan enkel worden uitgevoerd: 1° voor zonevervoer;2° voor beveiligd vervoer in niet publiek toegankelijke delen van luchthavens;3° voor ander dan onder 2° bedoeld detailvervoer, waarvoor de minister op basis van een gemotiveerde aanvraag van de bewakingsonderneming een afwijking toestaat. Het beveiligd vervoer categorie 3 wordt uitgevoerd met een voertuig, bemand door minstens twee bewakingsagenten. Het transport van het vervoer categorie 3 kan alle vormen van gemengde vracht omvatten. Het vervoer, bedoeld onder het tweede lid, 1° en 3°, wordt te allen tijde begeleid door de federale politie. Het vervoer bedoeld onder het tweede lid, 2°, gebeurt te allen tijde onder het toezicht van de federale politie. Art. 13.Het beveiligd vervoer categorie 4 omvat de begeleiding van een transport uitgevoerd door derden, met het oog op het toezicht en de bescherming van dit transport. De begeleiding bestaat uit minstens twee bewakingsagenten. Indien één of meerdere begeleidingsvoertuigen worden gebruikt, is elk begeleidingsvoertuig bemand met twee bewakingsagenten. De functie van de begeleiding bestaat erin de nodige verkenningen uit te voeren teneinde verdachte situaties vroegtijdig op te sporen en te melden. Bij het uitoefenen van dit beveiligd vervoer staan de begeleidende bewakingsagenten in radiocontact met de persoon die de goederen draagt of, in voorkomend geval, de bemanning van het voertuig dat de goederen vervoert. De begeleiding van een transport is mogelijk bij het transport van alle goederen, behalve het transport van geldbiljetten. Art. 14.§ 1. Het beveiligd vervoer categorie 5 omvat het vervoer van geldbiljetten naar biljettenautomaten, de bevoorrading ervan en het verrichten van werkzaamheden bij deze toestellen, waardoor er toegang ontstaat tot het geld of de geldcassettes. § 2. De werkwijzen en vereisten verbonden aan de handelingen
de eerste paragraaf worden geregeld volgens de bepalingen van hoofdstuk V. Art. 15.Elk beveiligd vervoer is verboden op geheel het Belgisch grondgebied tussen 22.00 uur en 6.00 uur, met uitzondering van het volgend vervoer: 1° het vervoer zoals voorzien in artikel 10, § 1, 1°, 5° en 6°, van het huidig besluit;2° het vervoer uitgevoerd in de niet voor het publiek toegankelijke plaatsen van de luchthavens; 3° het zonevervoer tussen exploitatiezetels van de onderneming of de interne dienst, tussen 22.00 uur en 24.00 uur; 4° het detailtransport aangevat tussen 6.00 uur en 22.00 uur dat een vertraging ondergaat te wijten aan een geval van overmacht, niet toe te schrijven aan de onderneming, voor zover dit transport wordt begeleid door de federale politie. Art. 16.De bewakingsagenten die zich bij de uitoefening van hun activiteiten buiten een beveiligde zone bevinden, dragen een kogelwerende vest waarvan het type is bepaald door de minister. Bij elk beveiligd vervoer uitgevoerd met één bewakingsagent, bestaat de individuele uitrusting van de bewakingsagent minstens uit: 1° een communicatiesysteem waardoor de bewakingsagent en de operator van de oproepcentrale met elkaar kunnen spreken;2° een stil alarm dat bij het indrukken van een bedieningsknop bij de oproepcentrale een alarmsignaal genereert;3° een omvalalarm dat bij de oproepcentrale automatisch een alarmsignaal genereert wanneer de drager ervan langer dan maximaal 30 seconden horizontaal ligt;4° een lokalisatiesysteem dat de oproepcentrale toelaat de plaats te bepalen waar de bewakingsagent zich bevindt. Art. 17.De bewakingsagenten die zich in het voertuig bevinden, nemen, tijdens de verplaatsingen, plaats in de bestuurderscabine. Het is verboden waarden te vervoeren in de bestuurderscabine. Art. 18.Bij het beveiligd vervoer met een stoep- of manipulatierisico evalueert de bewakingsagent voorafgaand aan het in- en uitladen, het stoeprisico. Art. 19.De aanvraag voor de uitoefening van politiebegeleiding bij het beveiligd vervoer categorie 3 geschiedt bij de federale politie en gebeurt de derde dag voor de dag waarop elke rit wordt uitgevoerd. De bewakingsondernemingen stellen aan de federale politie een systeem ter beschikking, waardoor de federale politie op een gedigitaliseerde wijze op elk moment de reisweg van elk voertuig tijdens de uitvoering van transporten kan volgen. De minister bepaalt de procedure voor de melding van verdachte situaties aan de federale politie en de feedback vanwege de federale politie. Art. 20.§ 1. De minister kan: 1° om redenen van openbare orde bepalen dat bepaalde categorieën van beveiligd vervoer of het vervoer van bepaalde waarden voor het gehele grondgebied of voor geografisch beperkte plaatsen, aan strengere veiligheidsvoorschriften wordt onderworpen dan hetgeen voorzien is in hoofdstuk IV en V;2° gezien de bijzondere omstandigheden waarbij het beveiligd vervoer moet worden uitgevoerd of de specifieke aard van een stoppunt, voor geografisch beperkte plaatsen of een beperkte periode, specifieke voorwaarden bepalen die afwijken van de bepalingen van dit besluit. § 2. Tenzij de minister anders beslist, geschiedt het politietoezicht en de politiebegeleiding bij het beveiligd vervoer op aanvraag bij de federale politie van een rechtspersoon, vergund als bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst. Dit toezicht en die begeleiding worden beschouwd als een uitzonderlijke taak van bestuurlijke politie zoals
artikel 115, § 4, van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en het wordt uitgevoerd voor zover de organisatie van de dienst het toelaat. De minister kan, op voorstel van de federale politie of van de Vaste Commissie van de lokale politie, de wijze bepalen waarop de politiebegeleiding of het politietoezicht bij het beveiligd vervoer verlopen. HOOFDSTUK V. - De levering en bevoorrading aan stoppunten uitgerust met biljettenautomaten Afdeling
1°, vervuld zijn, en mag de tijd die verloopt tussen de opening van de container die is uitgerust met een neutralisatiesysteem type F en het overbrengen van de container die is uitgerust met een neutraliseringsysteem type C in de container die is uitgerust met een neutraliseringsysteem E en omgekeerd, 90 seconden niet overschrijden; 3° In het geval er gebruik wordt gemaakt van de werkwijze
, 1° en 2°, gebeurt het beveiligd vervoer in één tijd door minstens twee bewakingsagenten. § 2. Bevoorrading met manipulatierisico: 1° Er wordt gebruik gemaakt van een container die is uitgerust met een neutralisatiesysteem type A.2° In het geval dat gebruik wordt gemaakt van de werkwijze
1°, gebeurt het beveiligd vervoer in één of twee tijden:
artikel 14, § 1, worden gesteld; § 2. de biljettenautomaat bevindt zich in een lokaal in een gebouw dat uitgebaat wordt door een kredietinstelling of BPost, zonder dat er personeel daarvan aanwezig is wanneer de handelingen,
artikel 14, § 1, worden gesteld; § 3. de biljettenautomaat bevindt zich elders dan de plaatsen
Afdeling 3. - Infrastructurele vereisten Art. 24.Op de stoppunten
artikel 23, voorziet de opdrachtgever van de bewakingsonderneming in de infrastructurele maatregelen bepaald in deze afdeling. § 1. Op stoppunten met uitsluitend bevoorrading zonder manipulatierisico:
artikel 23, § 2, met bevoorrading met manipulatierisico, dient de beveiligde ruimte, naast de vereisten
artikel 2 en 3, tevens te voldoen aan volgende bijkomende voorwaarden: 1° Ze is voorzien van een inbraakalarmsysteem dat inbraak en pogingen tot inbraak via deuren, vensters, wanden en plafonds, detecteert;2° De wanden en plafonds zijn aan elkaar en in de vloer verankerd;3° Er bevindt zich ten behoeve van de bewakingsagent een vaste telefoon met buitenlijn;4° Er bevindt zich een alarmknop die de bewakingsagent kan in werking stellen en die een alarmsignaal oplevert bij de persoon
artikel 3, § 1;5° Er bevindt zich een communicatiesysteem die de bewakingsagent en de persoon
artikel 3, § 1, kunnen activeren teneinde met elkaar te spreken;6° Er bevinden zich één of meerdere camera's die een volledig zicht verlenen over de aanwezigen en de veiligheidssituatie, met het oog op de identificatie en veiligheidscontrole
artikel 3, § 1;7° De uitgang van de beveiligde ruimte is voorzien van een mogelijkheid voor de bewakingsagenten om er zich visueel te kunnen van vergewissen dat het verlaten van de beveiligde ruimte op een veilige wijze kan gebeuren;8° De beveiligde ruimte is, hetzij:
artikel 23, § 3, met bevoorrading met manipulatierisico, dient het stoppunt door de uitbater te worden uitgerust zodat, naast de vereisten
artikel 2 en 3, tevens voldaan wordt aan volgende bijkomende voorwaarden: 1° Het stoppunt bestaat uit minstens volgende lokalen:
artikel 23, § 3, voert de opdrachtgever een objectieve analyse uit van de specifieke risico's en dreigingen verbonden aan de gekozen locatie.3° De beveiligde ruimte is op geen enkel moment publiek toegankelijk en niet rechtstreeks te betreden vanop de openbare weg en wordt door minstens één toegangssas en een af te sluiten publiek toegankelijke ruimte afgescheiden van de openbare weg.De beveiligde ruimte is enkel toegankelijk via het sas, bedoeld onder 1°, c). De beveiligde ruimte is zodanig ingericht en opgebouwd dat de manipulatie van de waarden gebeurt buiten het zicht van het publiek. De beveiligde ruimte is uitgerust met een brandblusapparaat en middelen die de aanwezigheid van meerdere personen detecteren zodat slechts één persoon die door zijn taken toegang heeft tot de waarden de ruimte kan betreden. 4° het verplichte toegangssas is een éénpersoonssas dat op geen enkel moment publiek toegankelijk en niet rechtstreeks te betreden is vanop de openbare weg.Dit sas bevat twee deuren waarbij, om toegang te verlenen aan de bewakingsagenten, iedere deur slechts kan geopend worden wanneer de andere deur gesloten is. Boven de toegangsdeur tot het sas is er een zichtbare weergave van de alarmstatus van het sas en de beveiligde ruimte weergegeven. Tussen het toegangssas en de ruimte waar manipulatie van waarden plaatsvindt, bevindt zich geen enkele mogelijke toegang voor onbevoegden. De publiek toegankelijke ruimte is uitgerust met een vernevelingstoestel dat in werking treedt bij inbraakalarm en ongeoorloofde toegang en in werking kan gesteld worden door de operator van, naar gelang het geval, de oproep- of alarmcentrale. 5° in de beveiligde ruimte en het toegangssas dient ten allen tijde zonder storing of onderbreking verbinding te zijn met de oproepcentrale/alarmcentrale die communicatie met rechtstreeks spreken mogelijk maakt.De beveiligde ruimte beschikt over een vaste telefoon met buitenlijn. In de beveiligde ruimte en het toegangssas bevindt zich tevens een alarmknop die de bewakingsagent in werking kan stellen en die een alarmsignaal oplevert bij de oproepcentrale/alarmcentrale. De wanden en plafonds in de beveiligde ruimte en het toegangssas zijn aan elkaar en in de vloer verankerd. 6° de verschillende ruimtes van de beveiligde ruimte, het sas en de klantenzone hebben dezelfde egale kleur en zijn uitgerust met: a) camerabewakingssystemen en verlichting die toelaten via de camerasystemen vaststellingen te doen en de identiteit van hij die zich als bewakingsagent aanmeldt, te verifiëren.De bewakingscamerasystemen zijn verbonden met de oproepcentrale/alarmcentrale die, wanneer nodig, met de bewakingsagent kan communiceren; b) een INCERT-genormeerd alarmsysteem dat inbraak en pogingen tot inbraak via deuren, vensters, wanden en plafonds detecteert evenals (pogingen tot) sabotage van de elektriciteitsaanvoer en van de telefoon- en datatransmissie;c) detectiemiddelen die brand en trillingen detecteren;d) de mogelijkheid tot visuele controle door de bewakingsagenten dat het verlaten van de ruimte op een veilige wijze kan gebeuren.Deze visuele controle gebeurt middels een beeldscherm, waarop de bewakingsagent de beelden ziet afkomstig van de bewakingscamera's van de site, met oog op het verlaten van de ruimte. 7° de inbraakvertragende materialen voor wanden, plafonds, ramen en deuren, zoals
artikel 2, § 1, bezitten het minimaal niveau WK5 zoals omvat in de norm EN
het eerste lid, die zich bevinden op een stoppunt
artikel 23, § 1 of op een stoppunt
artikel 23, § 2, dat reeds een stoppunt uitmaakte op datum van de inwerkingtreding van dit besluit, niet verplicht onderworpen aan de werkwijze bedoeld onder artikel 22, § 1. Indien de werkwijze bedoeld onder artikel 22, § 1 niet wordt gehanteerd dient voor de levering en bevoorrading aan deze stoppunten de werkwijze bedoeld onder artikel 22, § 2 te worden gebruikt. Art. 26.Op een stoppunt zoals
artikel 23, § 3, moet er gebruik worden gemaakt van de werkwijze
artikel 22, § 1, 1° of 2°. In afwijking van het eerste lid, kan op de stoppunten die voldoen aan de infrastructurele voorwaarden
artikel 24, § 3, voor de biljettenautomaten die niet vallen onder de bepalingen van artikel 25, gebruik gemaakt worden van de werkwijze
artikel 22, § 2, volgens de uitvoeringsmodaliteiten zoals bepaald in onderafdeling 3 van dit hoofdstuk. Onderafdeling 2. - Bijkomende regels bij stoppunten zoals
artikel 23, § 1, middels bevoorrading met manipulatierisico Art. 27.Op stoppunten zoals
artikel 23, § 1, kan gebruik gemaakt worden van de werkwijze
artikel 22, § 2 waarbij de tweede bewakingsploeg uit één bewakingsagent kan bestaan. Onderafdeling 3. - Bijkomende regels bij stoppunten zoals
artikel 23, §§ 2 en 3, met bevoorrading met manipulatierisico Art. 28.Op stoppunten zoals
artikel 23, §§ 2 en 3, kan in toepassing van de artikelen 25 en 26 gebruik gemaakt worden van de werkwijze
artikel 22, § 2. Indien geen gebruik gemaakt wordt van de werkwijze
artikel 22, § 2 dient van de werkwijze
artikel 22, § 1 gebruik gemaakt te worden. Art. 29.In toepassing van artikel 28 dienen volgende voorwaarden vervuld te zijn: §
artikel 3, § 1 werd uitgevoerd door de oproepcentrale. Deze veiligheidscontrole omvat de vergewissing dat de onderscheiden ruimtes van de beveiligde ruimte, het sas en de klantenzone veilig zijn, dat de bewakingsagent niet onder bedreiging staat, alleen is en op veilige wijze het sas kan betreden. De bewakingsagent controleert bij de toegang tot het sas de alarmstatus. In het geval van niet-gewapend alarmsysteem of in het geval van een niet-geverifieerd alarm, verlaat hij de site en neemt hij via het voertuig contact op met de oproepcentrale. De deur van het sas naar de beveiligde ruimte kan door de bewakingsagent slechts geopend worden indien de toegangsdeur gesloten is en indien de bewakingsagent zich alleen in het sas bevindt. Indien er zich een alarm afkomstig van een alarmsignaal uit de beveiligde ruimte of toegangssas heeft voorgedaan, mag de oproepcentrale slechts toegang verlenen na vastgesteld te hebben dat dit alarm niet te wijten is aan inbraak of poging daartoe of gevaarsituatie. §
artikel 10, § 1, 1° en 5°, zijn voorzien van: 1° de basisuitrusting;2° voor zover het beveiligd vervoer betreft zoals voorzien in artikel 10, § 1, 1°, de opschriften "documentenvervoer" en "transport de documents". § 3. De voertuigen voor het beveiligd vervoer
artikel 10, § 1, 2° en 3°, zijn voorzien van: 1° de basisuitrusting;2° een ventilatiesysteem in het gedeelte van het voertuig waar de waarden zich bevinden;3° de opschriften "ontwaardingsysteem" en "système de neutralisation";4° pictogrammen die minstens 20% van de zijkanten en de achterzijde van de voertuigen bedekken, waarvan het model is bepaald in bijlage in bijlage 1. § 4. De voertuigen voor het beveiligd vervoer
artikel 10, § 1, 4°, zijn voorzien van: 1° de basisuitrusting;2° de opschriften "metaalgeld" en "monnaie métallique". § 5. De voertuigen voor het beveiligd vervoer
artikel 11, § 1, 1° en 2°, zijn voorzien van: 1° de basisuitrusting;2° een bestuurderscabine voorzien van een bepantserde constructie die tevens is uitgerust met minstens één evacuatieluik;3° de opschriften "metaalgeld" en "monnaie métallique". § 6. De voertuigen voor het beveiligd vervoer
artikel 11, § 1, 3° en 12°, zijn voorzien van: 1° de basisuitrusting;2° een bestuurderscabine voorzien van een bepantserde constructie, die is afgesloten van de rest van het voertuig en die tevens is uitgerust met minstens één evacuatieluik;3° een ventilatiesysteem in het gedeelte van het voertuig waar de waarden zich bevinden;4° de opschriften "ontwaardingsysteem" en "système de neutralisation";5° pictogrammen die minstens 20% van de zijkanten en de achterzijde van de voertuigen bedekken, waarvan het model is bepaald in bijlage in bijlage 1. § 7. De voertuigen voor het beveiligd vervoer,
artikel 13, zijn voorzien van de basisuitrusting met uitzondering van de vereiste,
§ 8. De voertuigen voor het beveiligd vervoer,
artikel 10, § 1, 6°, zijn voorzien van: 1° de basisuitrusting;2° een uitrusting die een veiligheidsniveau verzekert hoger dan of gelijkwaardig aan de uitrusting voorzien in § 7. § 9. De voertuigen voor het beveiligd vervoer,
artikel 11, § 1, 5°, zijn voorzien van: 1° de basisuitrusting;2° een bestuurderscabine voorzien van een bepantserde constructie en die tevens is uitgerust met minstens één evacuatieluik. § 10. De voertuigen voor het beveiligd vervoer,
artikel 12, eerste lid, zijn voorzien van : 1° de basisuitrusting;2° een bestuurderscabine voorzien van een bepantserde constructie en die tevens is uitgerust met minstens één evacuatieluik. HOOFDSTUK VII. - Goedkeuringsprocedure Art. 31.§ 1. Voor de eerste ingebruikname van neutralisatiesystemen
§
het koninklijk besluit van 17 oktober 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 17/10/2019 pub. 20/11/2019 numac 2019015275 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de retributies en administratieve kosten
artikel 52 van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid sluiten tot vaststelling van de retributies en administratieve kosten
artikel 52 van de wet van 2 oktober 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/10/2017 pub. 31/10/2017 numac 2017031388 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid sluiten tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. De aanvrager stelt een prototype ter beschikking van de instelling
artikel 31, § 2, derde lid. §
artikel 31, § 2, derde lid, wordt uitgevoerd, omvat voor de neutralisatiesystemen minstens: 1° een analyse van het veiligheidsconcept dat ten grondslag ligt aan de constructie van het neutralisatiesysteem en de toetsing ervan aan de voorwaarden vastgelegd in de artikelen 5 tot en met 9, dit besluit.2° de proeven omschreven in een technische nota die, na advies van de Commissie beveiligd vervoer, door de minister bepaald wordt. Art. 35.§ 1. Het goedkeuringsattest voor neutralisatiesystemen is geldig: 1° voor het met het oog op het gebruik in België in de handel brengen of op enige andere manier ter beschikking van bewakingsondernemingen of interne bewakingsdiensten stellen gedurende een periode van vijf jaar;2° en voor zover er geen wijzigingen worden aangebracht aan het neutralisatiesysteem;3° en voor zover niet is vastgesteld dat het neutralisatiesysteem niet langer voldoet aan de beveiligingsdoelstellingen, zoals
de artikelen 5 tot en met
de artikelen 5 tot en met 9, kan de minister, na advies van de Commissie beveiligd vervoer, het neutralisatiesysteem voor het einde van de goedkeuringsperiode, aan een tussentijdse goedkeuringsprocedure onderwerpen. Na afloop van de tussentijdse goedkeuringsprocedure stelt de minister vast of het neutralisatiesysteem al dan niet nog voldoet aan de beveiligingsdoelstellingen, zoals
artikelen 5 tot en met
artikel 11, § 1, 3° en/of in artikel 10, § 1, 2° ; - 1 vertegenwoordiger van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O.; - 1 vertegenwoordiger van BPost. Voor elke vertegenwoordiger wordt een plaatsvervanger aangewezen. §
dit besluit, geen bijkomende maatregelen, die voortvloeien uit afspraken die meerdere ondernemingen binden, toepassen behoudens diegene die, op aanvraag van de betrokken ondernemingen, door de Minister van Binnenlandse Zaken, zijn goedgekeurd. Bij de beoordeling van een aanvraag, zoals
het vorige lid, streeft de Minister van Binnenlandse Zaken een evenwicht na tussen de veiligheidsbelangen van het personeel belast met het waardetransport en deze van het publiek, de klant en zijn personeel. Hij bewaakt tevens de coherentie van de bijkomende veiligheidsmaatregelen en de bepalingen van dit besluit. HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen Art. 40.De pictogrammen,
de artikelen 30, §§ 3 en 6, en 36, eerste lid, moeten onmiddellijk verwijderd en vernietigd worden vanaf het ogenblik dat een voertuig of container niet langer voor taken van beveiligd vervoer worden gebruikt of vanaf het ogenblik dat de bewakingsonderneming of de interne bewakingsdienst het voertuig of de container niet langer in gebruik heeft. Art. 41.In afwijking van artikel 29, § 5 moeten de stoppunten
artikel 23, § 2, die reeds een stoppunt uitmaakten op datum van de inwerkingtreding van dit besluit voldoen aan de volgende voorwaarden: De toegangsdeur tot de beveiligde ruimte kan voor de bewakingsagent slechts geopend worden indien de identiteit van hij die zich als bewakingsagent aanmeldt is vastgesteld en de veiligheidscontrole,
artikel 3, § 1, werd uitgevoerd door de oproepcentrale of alarmcentrale. Deze veiligheidscontrole omvat de vergewissing dat de bewakingsagent niet onder bedreiging staat en op een veilige wijze de beveiligde ruimte kan betreden. De bewakingsagent controleert bij de toegang tot het sas de alarmstatus. In het geval van niet-gewapend alarmsysteem of in het geval van een niet-geverifieerd alarm, verlaat hij de site en neemt hij via het voertuig contact op met de oproepcentrale. De deur van het sas naar de beveiligde ruimte kan door de bewakingsagent slechts geopend worden indien de toegangsdeur gesloten is en indien de bewakingsagent zich alleen in het sas bevindt. Indien er zich een alarm afkomstig van een alarmsysteem uit de beveiligde ruimte of toegangssas heeft voorgedaan mag de alarm- of oproepcentrale slechts toegang verlenen na vastgesteld te hebben dat dit alarm niet te wijten is aan inbraak of poging daartoe of gevaarsituatie. Deze afwijking geldt tot 30 juni 2023. Art. 42.In afwijking van artikel 29, § 11, moeten de stoppunten
artikel 23, § 2, die reeds een stoppunt uitmaakten op datum van de inwerkingtreding van dit besluit, voldoen aan de volgende voorwaarden: Bij incidenten of verdachte situaties tijdens het uitvoeren van activiteiten door bewakingsagenten verwittigt de alarmcentrale onverwijld de oproepcentrale van de waardentransporteur. Zij maakt hierbij de noodzakelijke data over aan de oproepcentrale. Deze afwijking geldt tot 30 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.