5 MEI 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering over de uitvoering van een hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten Rechtsgronden Dit besluit is gebaseerd op: -het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, artikel 6, § 1; -het decreet van 12 juli 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/07/2013 pub. 13/09/2013 numac 2013035791 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de integrale jeugdhulp sluiten betreffende de integrale jeugdhulp, artikel 8, 1° tot 4° en 6° en 7°, 16, 67, en 78/1, § 2, eerste lid. Vormvereisten De volgende vormvereisten zijn vervuld: - De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 8 februari 2023. - De Raad van State heeft advies gegeven op 22 maart 2023, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Initiatiefnemer Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Na beraadslaging, DE VLAAMSE REGERING BESLUIT: HOOFDSTUK 1. - Definities Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder: 1° decreet van 12 juli 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/07/2013 pub. 13/09/2013 numac 2013035791 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de integrale jeugdhulp sluiten: het decreet van 12 juli 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/07/2013 pub. 13/09/2013 numac 2013035791 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de integrale jeugdhulp sluiten betreffende de integrale jeugdhulp;2° hulpprogramma: een hulpprogramma als vermeld in artikel 2, § 1, 20°, van het decreet 12 juli 2013;3° jeugdhulpaanbieder: een jeugdhulpaanbieder als vermeld in artikel 2, § 1, 27°, van het decreet 12 juli 2013;4° jongere: een minderjarige als vermeld in artikel 2, § 1, 36°, van het decreet van 12 juli 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/07/2013 pub. 13/09/2013 numac 2013035791 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de integrale jeugdhulp sluiten, of een persoon die daarmee wordt gelijkgesteld conform artikel 18, § 3, van het voormelde decreet;5° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn. HOOFDSTUK 2. - Hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten Afdeling 1. - Doelstellingen en doelgroep Art. 2.De jeugdhulp voert een hulpprogramma uit met het doel om trajecten van jongeren te deblokkeren door geïntegreerde zorg en ondersteuning op de verschillende levensdomeinen te organiseren. De doelgroep van het hulpprogramma, vermeld in het eerste lid, bestaat uit jongeren die aan al de volgende voorwaarden voldoen: 1° het ontwikkelingstraject van de jongere is geblokkeerd op verschillende levensdomeinen;2° de jongere kan niet voltijds thuis wonen of alleen met zeer intensieve ondersteuning;3° de jongere brengt de psychische of fysieke integriteit van zichzelf of anderen in gevaar;4° de jongere gaat met een hoge ambivalentie de hulpverleningsrelatie aan;5° er is geen sprake van een ernstige meervoudige beperking. Afdeling 2. - Toeleiding naar het hulpprogramma Art. 3.Een jeugdhulpaanbieder of de sociale dienst van de jeugdrechtbank kan een jongere aanmelden bij het hulpprogramma van het werkingsgebied dat aan een van de volgende voorwaarden voldoet: 1° de minderjarige heeft zijn domicilie in het werkingsgebied;2° de minderjarige heeft zijn feitelijke verblijfplaats in het werkingsgebied;3° de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige hebben hun feitelijke verblijfplaats in het werkingsgebied. In afwijking van het eerste lid kan in het belang van de jongere of met een bijzondere motivering een aanmelding gebeuren in een ander werkingsgebied. Afdeling 3. - Werkingsprincipes en opdrachten van het hulpprogramma Onderafdeling 1. - Werkingsprincipes Art. 4.Bij de organisatie en uitoefening van zijn opdrachten neemt het hulpprogramma al de volgende werkingsprincipes in acht: 1° maximale regie bij de jongere en de context van de jongere;2° participatie: de hulpverlening komt tot stand in voortdurende dialoog en gelijkwaardige samenwerking met de jongere en de context van de jongere;3° differentiatie: de hulpverlening wordt verleend op maat van elke jongere;4° nabijheid: de hulpverlening sluit zo veel mogelijk aan bij het dagelijks leven en de leefwereld van de jongere en de context van de jongere;5° redelijke termijn: de hulpverlening wordt onmiddellijk opgestart en duurt niet langer dan noodzakelijk;6° multidisciplinaire en intersectorale samenwerking met alle actoren die relevant zijn voor de hulpverlening aan de jongere;7° continuïteit van de hulpverlening met bijzondere aandacht voor de overgang naar jongvolwassenheid. Onderafdeling 2. - Opdrachten Art. 5.Het hulpprogramma staat in voor het uitvoeren van interdisciplinaire diagnostiek die gebaseerd is op vastgelegde kwaliteitsnormen met het oog op een deskundige indicatiestelling via: 1° het verzamelen en beoordelen van de diagnostiek die al beschikbaar is;2° het uitvoeren van diagnostiek als er onvoldoende of onvoldoende actuele diagnostiek voorhanden is;3° het uitvoeren van procesdiagnostiek om zorg en interventies verder te verfijnen en bij te sturen;4° het outreachend inzetten van kennis en expertise om meer specifieke zorg en ondersteuning bij te schakelen. In het eerste lid, 3°, wordt verstaan onder procesdiagnostiek: de voortzetting van het traject van elke jongere wordt minstens jaarlijks geëvalueerd samen met de jongere en de context van de jongere en de betrokken jeugdhulpaanbieders. De diagnostiek, vermeld in het eerste lid, komt neutraal ten opzichte van het aanbod van het hulpprogramma tot stand. De partners die instaan voor het vervullen van de diagnostiek, vermeld in het eerste lid, brengen een advies uit aan de aanmelder, vermeld in artikel 3, over de volgende elementen: 1° de vraag of de jongere behoort tot de doelgroep;2° welke zorg en ondersteuning tegemoetkomt aan de behoeften van de jongere, ook als die jongere niet tot de doelgroep behoort;3° de urgentie;4° welke reguliere capaciteit ingezet kan worden. De diagnostiek, vermeld in het eerste lid, voldoet aan de kwaliteitseisen van de algemene intersectorale richtlijn diagnostiek. Art. 6.§ 1. Het hulpprogramma voorziet in gepaste zorg en ondersteuning voor jongeren met geblokkeerde ontwikkelingstrajecten door de volgende acties uit te voeren: 1° het advies vanuit de diagnostiek vertalen in een aangepast geïntegreerd traject en daarbij systematisch evalueren wat de impact is op de ontwikkeling van de jongere, om bij te schakelen of terug te schakelen;2° met de jongere en de context van de jongere een zorg- en ondersteuningsplan opstellen met doelstellingen in een taal die voor iedereen begrijpelijk is;3° voor elke jongere en de context van de jongere trajectondersteuning aanbieden;4° als dat nodig is een antwoord bieden op vragen naar een vorm van geslotenheid, inclusief snel inzetbare en tijdelijke verblijfscapaciteit;5° bij de opstart en tijdens het traject snel handelen waar aangewezen;6° gepast omgaan met verontrusting;7° een onafhankelijk overzicht houden van het geheel van jongeren die bij het hulpprogramma zijn aangemeld, om vraag en aanbod in het werkingsgebied op elkaar af te stemmen;8° een duurzaam vervolgperspectief realiseren. Het agentschap Opgroeien regie kan de toekenning van een aanvullend geïndividualiseerd budget in een individueel traject goedkeuren nadat het heeft gecontroleerd of de beschikbare middelen correct worden beheerd, rekening houdend met de vraag en aanbod in een werkingsgebied van het hulpprogramma. § 2. Het hulpprogramma kan binnen de beschikbare capaciteit geen jongeren weigeren waarvan de diagnostiek uitwijst dat ze behoren tot de doelgroep, vermeld in artikel 2, tweede lid. De begeleiding van de jongere binnen het hulpprogramma kan op een van de volgende manieren worden beëindigd: 1° eenzijdig door de jongere, tenzij het gaat om gerechtelijke jeugdhulpverlening;2° in onderling akkoord tussen hulpprogramma en de jongere, op voorwaarde dat er gepaste vervolghulp wordt geïnstalleerd;3° automatisch als de jongere de leeftijd van 26 jaar bereikt, op voorwaarde dat er gepaste vervolghulp wordt geïnstalleerd. Art. 7.Het hulpprogramma verbindt zich ertoe om vanuit specifieke expertise en in gedeelde verantwoordelijkheid trajecten die dreigen te escaleren, te versterken door te verbinden met andere jeugdhulpaanbieders via outreachend werken, preventie en vroegdetectie samen met de jeugdhulpaanbieders die al betrokken zijn. Art. 8.Het hulpprogramma verbindt zich tot leren en ontwikkelen door de volgende acties uit te voeren: 1° de blijvende ontwikkeling, actualisering en innovatie van richtlijnen rond kwaliteitsvolle diagnostiek en werkzame interventies garanderen;2° een voortdurende wisselwerking initiëren tussen individuele medewerkers en organisaties, de academische wereld en het hulpprogramma om kennis en expertise op te bouwen en kwaliteit te garanderen;3° de impact van interventies monitoren;4° afstemmen met relevante jeugdhulpaanbieders uit het eigen of een ander werkingsgebied;5° beleid ontwikkelen en implementeren op basis van signalen van jongeren en gezinnen;6° netwerkaanpak blijvend ontwikkelen en bijsturen om te groeien in gedeelde verantwoordelijkheid. Afdeling 4. - Werkingsgebied Art. 9.Het hulpprogramma is gebiedsdekkend voor het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Het werkingsgebied van elk hulpprogramma in het Nederlandse taalgebied bestaat uit een clustering van referentieregio's zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering en is maximaal afgestemd op de gerechtelijke arrondissementen en het werkingsgebied van de netwerken in de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongere. In het tweede lid wordt verstaan onder: 1° referentieregio's: een gebiedsafbakening van verschillende gemeenten samen zoals vastgesteld in het decreet van 3 februari 2023Relevante gevonden documenten type decreet prom. 03/02/2023 pub. 09/03/2023 numac 2023040842 bron vlaamse overheid Decreet over regiovorming en tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur type decreet prom. 03/02/2023 pub. 20/02/2023 numac 2023015167 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de gemeenteraad en de districtsraad sluiten over regiovormingen tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;2° netwerken in de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren: de netwerken zoals goedgekeurd door de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid op 15 maart 2015. Voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan het hulpprogramma georganiseerd worden samen met een hulpprogramma uit het Nederlandse taalgebied. Afdeling 5. - Erkenning en subsidiëring van het hulpprogramma Art. 10.§ 1. De minister kent binnen de beschikbare kredieten en met behoud van de toepassing van de sectorale subsidieregels die van toepassing zijn, middelen toe aan een samenwerkingsverband om de doelstellingen van het hulpprogramma conform dit besluit uit te voeren. § 2. Het samenwerkingsverband, vermeld in paragraaf 1, bestaat uit partners met de nodige specifieke expertise voor de doelgroep en omvat minimaal de volgende actoren: 1° de gemandateerde voorzieningen, de sociale dienst en de toegangspoort;2° de gemeenschapsinstellingen om de opdracht, vermeld in 48, § 1, eerste lid, 9°, van het decreet van 12 juli 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/07/2013 pub. 13/09/2013 numac 2013035791 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de integrale jeugdhulp sluiten, uit te voeren;3° relevante voorzieningen die erkend zijn door het agentschap Opgroeien regie;4° relevante voorzieningen die erkend zijn door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;5° relevante partners op het vlak van geestelijke gezondheidsbevordering en -zorg. In het eerste lid, 4°, wordt verstaan onder Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/05/2004 pub. 11/06/2004 numac 2004035909 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap sluiten tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. Het samenwerkingsverband, vermeld in paragraaf 1, bouwt een nauwe samenwerkingsrelatie uit met de volgende actoren: 1° relevante partners uit de sectoren onderwijs om een passend onderwijstraject aan te bieden;2° relevante partners uit het beleidsdomein werk om een alternatieve dagbesteding of beroepsaanbod aan te bieden;3° de jeugdmagistratuur. Art. 11.Het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 10, voorziet een gepaste aansturing. De voormelde aansturing zorgt ervoor dat de opdrachten van het hulpprogramma op het niveau van de individuele trajecten en op het niveau van het voormelde samenwerkingsverband gerealiseerd worden in gedeelde verantwoordelijkheid. Art. 12.Een samenwerkingsverband als vermeld in artikel 10, kan erkend worden en blijft erkend als het voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° de partners sluiten een samenwerkingsprotocol dat de minister goedkeurt en dat al de volgende elementen bevat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.