7 DECEMBER 2023. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot uitvoering van artikel 15, § 2 van de gezamenlijke decreten en ordonnanties van 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op artikel 15, § 2, lid 2 van het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 26 april en 16 mei 2019, vervangen door het gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie van 27 april 2023; Gelet op het advies nr. CO-A-2023-320 cm van de Gegevensbeschermingsautoriteit uitgebracht op 8 september 2023; Gelet op het evaluatierapport dat op 3 april 2023 werd opgemaakt overeenkomstig artikel 2 van de ordonnantie van 4 oktober 2018 tot invoering van de gelijkekansentest; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 14 juni 2023; Gelet op het akkoord van de minister van Begroting, gegeven op 3 juli 2023; Gelet op het advies van de Directieraad van de Gewestelijke Vennootschap van de Haven van Brussel, gegeven op 1 september 2023; Gelet op het advies va het Beheercomité van Actiris, gegeven op 21 september 2023; Gelet op het ontbreken van een advies van de raad van bestuur van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij; Gelet op artikel 100, lid 2, van de Brusselse Huisvestingscode, dat toelaat dat de verplichting tot raadpleging buiten beschouwing wordt gelaten indien er geen antwoord is binnen 30 dagen na de datum van het verzoek; Overwegende het advies van de Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, gegeven op 8 september 2023; Overwegende het advies van de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel, gegeven op 13 september 2023; Overwegende het advies van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Stedenbouw en Erfgoed, gegeven op 15 september 2023; Overwegende het ontbreken van een advies van Innoviris; Overwegende het ontbreken van een advies van Brupartners; Overwegende het ontbreken van een advies van Net Brussel; Overwegende het ontbreken van een advies van Brussel Gas Elektriciteit; Overwegende het ontbreken van een advies van de Brussels Planningsbureau; Overwegende het ontbreken van een advies van het Gewestelijke Overheidsdienst Brussel; Overwegende het ontbreken van een advies van Leefmilieu Brussel; Overwegende het ontbreken van een advies van de Openbaar Dienst Brussel Openbaar Ambt; Overwegende het ontbreken van een advies van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit; Overwegende het ontbreken van een advies van Brussel Preventie en Veiligheid; Overwegende het ontbreken van een advies van het Centrum voor Informatica voor het Brusselse Gewest; Gelet op het protocol nr. 2023-11 voor de onderhandeling van het Sectorcomité XV van 18 en 19 juli 2023; Gelet op het advies nr. 74.778/4 van de Raad van State van 27 november 2023 in toepassing van artikel 84, eerste paragraaf, lid 1, 2°, van de samengeordende wetten over de Raad van State van 12 januari 1973; Op voorstel van de minister bevoegd voor Openbaar Ambt; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - voorwerp, toepassingsgebied en definities Afdeling 1. - Voorwerp Artikel 1.Onderhavig besluit houdende uitvoering van artikel 15, § 2, tweede lid van het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 16 mei 2019 met betrekking tot de Brusselse ombudsman voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden. Het beoogt de modaliteiten te bepalen met betrekking tot de oprichting, de organisatie en de werking van het interne luik van het systeem voor de melding van een vermoedelijke integriteitsschending, zoals gedefinieerd door het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman. Afdeling 2. - persoonlijk toepassingsgebied Art. 2.§ 1. Dit besluit is toepasselijk op de personeelsleden van: 1° de administratieve overheden die vallen onder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met inbegrip van de gewestelijke ministers en staatssecretarissen en hun kabinetten;2° de administratieve overheden die bevoegdheden uitoefenen die aan de Agglomeratie Brussel zijn toegekend;3° de intercommunales waarop het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toezicht uitoefent;4° de gemeenten gelegen op het gebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;5° elke organisatie, ongeacht haar aard of rechtsvorm, zonder een administratieve overheden te zijn in de zin van de punten 1° en 2° : - die is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van commerciële aard zijn, en - die over rechtspersoonlijkheid beschikt, en - waarvan de activiteiten voor ten minste 50% door de in 1° en 4° vernoemde autoriteiten of instanties worden gefinancierd of waarvan het beheer aan hun toezicht is onderworpen of waarvan de meerderheid van de leden van het bestuurs-, directie- of toezichthoudend orgaan door deze autoriteiten of instanties is aangesteld;6° verenigingen gevormd door een of meer instanties beoogd in 1°, 2°, 3°, 4° of 5°. Afdeling 3. - definities Art. 3.Voor de toepassing van dit besluit, dient te worden verstaan onder: 1° Gezamenlijk decreet en ordonnantie: gezamenlijk decreet en ordonnantie van 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman;2° Regering: Brusselse Hoofdstedelijke Regering;3° Bevoegde minister of staatssecretaris of bestuursorgaan: de minister of staatssecretaris of het bestuursorgaan waaronder een instantie valt bedoeld in artikel 2, § 1;4° openbaarmaking of openbaar maken: het mondeling of schriftelijk verstrekken van informatie over vermoede integriteitsschendingen;5° vermoedelijke integriteitsschending: vermeende integriteitsschending zoals bedoeld in artikel 15, § 1, vierde lid van het gezamenlijk decreet en ordonnantie;6° melder: het personeelslid dat informatie meldt over vermoede integriteitsschendingen;7° opvolging : elke actie die door de ontvanger van de melding of door een bevoegde interne actor wordt ondernomen om de juistheid van de beweringen in de melding te beoordelen en, in voorkomend geval, de gemelde vermoedelijke inbreuk op de integriteit te verhelpen, met inbegrip van maatregelen zoals een intern onderzoek, een onderzoek, vervolging, terugvordering van middelen of afsluiting van de procedure;8° betrokken persoon: elke natuurlijke of rechtspersoon die in de melding wordt genoemd als persoon aan wie de vermoedelijke schending wordt toegeschreven of met wie die persoon in verband wordt gebracht;9° bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman: aanspreekpunt voor vermoedelijke integriteitsschendingen binnen de dienst van de Brusselse ombudsman beoogd in artikel 15, § 4 van het gezamenlijk decreet en ordonnantie;10° vertrouwenspersoon integriteit: persoon bedoeld in artikel 15 § 2, lid 3 van het gezamenlijk decreet en ordonnantie;11° interne auditdienst: een onafhankelijke en objectieve dienst die een organisatie redelijke zekerheid verschaft over de mate van controle over haar activiteiten, advies geeft over hoe deze te verbeteren, en helpt toegevoegde waarde te creëren, en die voldoet aan het Internationale Referentiekader van de Beroepspraktijken van de interne audit;12° Auditcomité: orgaan dat functioneel bevoegd is voor de betreffende interne auditdienst en rapporteert aan het bevoegde bestuursorgaan. Door zijn structuur, samenstelling en positie in de organisatie waarborgt het Auditcomité de onafhankelijkheid van de betreffende interne auditdienst; 13° interne actoren die bevoegd zijn voor het ontvangen van meldingen: de vertrouwenspersoon integriteit of de bevoegde interne auditdienst;14° bevoegde actor voor het behandelen van de meldingen: - de dienst Interne Audit voor de in artikel 2, § 1, 1° tot 6° bedoelde instanties; - de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman voor de in artikel 2, § 1, 1° tot 6° bedoelde instanties die niet over een interne auditdienst beschikken; 15° hoogste leidinggevende: de administratief verantwoordelijke met het hoogste niveau in een instantie beoogd in artikel 2, § 1. HOOFDSTUK 2. - intern luik van het meldingssysteem van de vermoedelijke integriteitsschendingen Art. 4.Het personeelslid kan een vermoedelijke schending van de integriteit melden: 1° die reeds heeft plaatsgevonden, die bezig is of op het punt staat plaats te vinden binnen een instantie bedoeld in artikel 2, § 1 en;2° die gebaseerd is op een redelijk vermoeden. Art. 5.Het personeelslid dat overweegt een vermoedelijke integriteitsschending te melden, kan informatie en advies krijgen over de inhoud en toepassing van dit besluit van de vertrouwenspersoon integriteit die bevoegd is voor zijn instelling. Art. 6.Elke in artikel 2, § 1, bedoelde instantie zet, voor zover het haar betreft, kanalen op voor de ontvangst van meldingen die zodanig zijn ontworpen, ingericht en beheerd dat de vertrouwelijkheid van de identiteit van de auteur van de melding en van elke in de melding vermelde derde gewaarborgd is en dat onbevoegden geen toegang hebben tot deze kanalen. De interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van de meldingen ontvangen deze laatste via systemen die door hun ontwerp, uitvoering en beheer de vertrouwelijkheid van de volgende elementen in alle veiligheid beschermen: 1° de identiteit van de persoon die de melding doet;2° de identiteit van de in het meldingsrapport vermelde derden;3° informatie die de identiteit van de melder of van in het meldingsrapport vermelde derden kan onthullen. De interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van de meldingen mogen de door hen verzamelde informatie in geen enkele fase van het meldingsproces aan geen enkele andere actor onthullen dan aan deze die bevoegd zijn voor het behandelen van de melding. HOOFDSTUK 3. - mogelijkheden om een integriteitsschending te melden Art. 7.§ 1. Overeenkomstig artikel 4, kan elk personeelslid van een instantie beoogd in artikel 2, § 1, op basis van een redelijk vermoeden, een vermoedelijke integriteitsschending melden aan de interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van de meldingen voor zijn instantie, tenzij het personeelslid gegronde redenen heeft om te vrezen dat: 1° binnen de in dit besluit voorgeschreven termijnen geen enkel gevolg zal gegeven worden aan de melding;2° hij als gevolg van deze melding het risico loopt te worden onderworpen aan een disciplinaire straf of enige andere vorm van vergelding, met inbegrip van bedreigingen met vergelding en pogingen tot vergelding, zoals gedefinieerd in artikel 15/1, § 1 en § 2, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie. § 2. In ondergeschikte orde en in geval van gegronde vrees zoals beoogd in paragraaf 1, 1° en 2°, kan het personeelslid de vermoedelijke integriteitsschending melden aan de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman. § 3. De melder en alle andere betrokken personen - met inbegrip van de actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst en de verwerking van de meldingen - genieten bescherming tegen vergelding krachtens artikel 15/1 § 1 van het gezamenlijk decreet en ordonnantie. Art. 8.§ 1. De melding kan schriftelijk en/of mondeling en anoniem worden gedaan. De mondelinge melding beoogd in alinea 1 kan de melding via telefoon omvatten, evenals via andere telecommunicatiekanalen. Als de persoon die de melding heeft gedaan hierom vraagt, wordt er een persoonlijke ontmoeting georganiseerd met de actor die bevoegd is voor het ontvangen van de meldingen en die de melding daadwerkelijk heeft ontvangen. Zo er een bevoegde interne auditdienst bestaat, neemt een gedelegeerd lid van de interne auditdienst deel aan deze ontmoeting. Deze samenkomst moet binnen de 15 dagen na het verzoek plaatsvinden. Deze samenkomst wordt zo georganiseerd dat de identiteit van de persoon die de melding heeft gedaan en van elke derde partij die in de melding wordt genoemd, vertrouwelijk blijft. § 2. Behalve in het geval van een anonieme melding, bewaart de voor de ontvangst van de meldingen bevoegde actor die de mondelinge melding ontvangt een schriftelijk bewijs van de melding. Hij geeft een kopie van het schriftelijke bewijs van de melding aan de persoon die de melding heeft gedaan, tezelfdertijd als de ontvangstbevestiging bedoeld in artikel 10, § 1. Art. 9.§ 1. De schriftelijke melding of het schriftelijk bewijs van de mondelinge melding bevat minstens de volgende elementen: 1° de datum van de melding;2° de naam en de contactgegevens van de melder, behalve in het geval van een anonieme melding;3° een beschrijving van de vermoedelijke integriteitsschending;4° de datum waarop of de periode waarbinnen de vermoedelijke integriteitsschending heeft plaatsgevonden, plaatsvindt of zal plaatsvinden;5° de elementen op grond waarvan op basis van een redelijk vermoeden te goeder trouw kan worden aangenomen dat er sprake is van een integriteitsschending. § 2. De schriftelijke melding of het schriftelijk bewijs van de mondelinge melding wordt ondertekend door de persoon die de melding deed, behalve in geval van een anonieme melding. § 3. Zo een van de elementen genoemd in § 1 ontbreekt, vraagt de interne actor die bevoegd is voor ontvangst van de meldingen en die de melding effectief heeft ontvangen, aan de opsteller om dit aan te vullen binnen de termijn die hij bepaalt. HOOFDSTUK 4. - Behandelingsmodaliteiten betreffende de melding van een vermoedelijke integriteitsschending Art. 10.§ 1. De bevoegde interne actor voor het ontvangen van de meldingen, die de melding heeft ontvangen, bezorgt aan de melder een ontvangstbewijs binnen zeven dagen na de datum van de schriftelijke melding of van het bij de melding gevoegde bewijs van de mondelinge melding. In geval van een anonieme melding wordt ook een ontvangstbewijs verstrekt via een van de beveiligde kanalen beoogd in artikel 8, § 3. § 2. Elke melding wordt binnen zeven dagen na ontvangst van de melding door een van de interne actoren die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen van meldingen, opgenomen in een register van vermoedelijke integriteitsschendingen door de vertrouwenspersonen integriteit of door de bevoegde interne auditdienst. De toegang tot het register is beschermd en beperkt tot de personen die bevoegd zijn voor de behandeling van de melding of de bescherming van de melder en tot de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman. Art. 11.Behalve in geval van een anonieme melding nodigt de interne actor die bevoegd is voor de ontvangst van de meldingen en die de melding effectief heeft ontvangen, zo hij dat nodig acht, de melder uit voor een onderhoud om uitleg te geven bij de elementen van de vermoedelijke integriteitsschending die hij heeft gemeld en dit ten laatste de vijftiende dag volgend op het ontvangstbewijs bedoeld in artikel 10, § 1. Als er een bevoegde interne auditdienst bestaat, neemt een gedelegeerd lid van de interne auditdienst deel aan dit onderhoud. Deze toelichtingen kunnen op verzoek van de melder schriftelijk worden verstrekt binnen vijftien dagen na ontvangst van de uitnodiging voor het gesprek. Art. 12.§ 1. De interne actor die bevoegd is voor de ontvangst van de meldingen van vermoedelijke integriteitsschendingen, die de melding heeft opgenomen in het register beoogd in artikel 10, § 2 geeft de melding door aan een van de actoren die bevoegd zijn voor de verwerking van de meldingen. § 2. Zo er geen interne auditdienst bestaat binnen een van de instanties bedoeld in artikel 2, § 1, 1° tot 6°, kan een protocol van samenwerking worden gesloten tussen een interne auditdienst en de bedoelde instantie. Art. 13.De actor die bevoegd is voor de verwerking van de melding voert een voorafgaand ontvankelijkheidsonderzoek uit en stelt een schriftelijk en gemotiveerd advies op over het gevolg dat moet worden gegeven aan de melding, uiterlijk binnen de termijn van drie maanden volgend op de ontvangstbevestiging bedoeld in artikel 10, § 1. Aan de melding kan een van onderstaande gevolgen worden gegeven: 1° onontvankelijk verklaren: bij gebrek aan voldoende elementen om te spreken van een redelijk vermoeden van een integriteitsschending;2° een intern onderzoek openen overeenkomstig hoofdstuk 5;3° doorverwijzen naar de bevoegde dienst van de Brusselse ombudsman bij een vermoeden van een integriteitsschending:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.