← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake

20 OKTOBER 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en titel III van

Art. 3.18.2.7.1.

De

tijdens het ontvetten wordt verhoogd en de productie van de afgewerkte ontvettingsoplossing wordt verminderd door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 12 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Art. 3.18.2.7.2. De

bij het beitsen wordt verhoogd en de productie van afgewerkt beitszuur tijdens het verwarmen wordt verminderd door geen directe stoominjectie te gebruiken en door gebruik te maken van de volgende technieken: 1° de verwarming van het zuur met warmtewisselaars;2° de verwarming van het zuur door dompelverbranding. Art. 3.18.2.7.3. De

bij het beitsen wordt verbeterd en de productie van afgewerkt beitszuur wordt verminderd door gebruik te maken van een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in BBT 14 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Art. 3.18.2.7.4. De grenswaarden voor specifiek beitszuurverbruik, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op discontinu verzinken: beitszuur grenswaarde voor specifiek beitszuurverbruik (kg/t) zoutzuur, 28 massaprocent 30

(1)
(1)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de grenswaarde voor specifiek beitszuurverbruik afgeweken worden met een maximum van 50 kg/t als voornamelijk werkstukken met een hoog specifiek oppervlak worden verzinkt of als het om herverzinking gaat. In het eerste lid wordt verstaan onder herverzinking: de verwerking van gebruikte verzinkte voorwerpen, zoals vangrails voor autowegen, die na lang gebruik opnieuw worden verzinkt. Het verwerken van deze voorwerpen vereist extra processtappen door de aanwezigheid van gedeeltelijk verroeste oppervlakken of de noodzaak om eventuele resterende zinkbekleding te verwijderen. De grenswaarden voor specifiek beitszuurverbruik, vermeld in het eerste lid, hebben betrekking op driejaarlijkse jaargemiddelden en worden berekend met de volgende formule: specifiekmateriaalverbruik = materiaalverbruik/input, waarbij : 1° materiaalverbruik: driejaarlijks gemiddelde van de totale hoeveelheid materiaal die door het proces of de processen in kwestie wordt verbruikt, uitgedrukt in kg/jaar;2° input: driejaarlijks gemiddelde van de totale hoeveelheid verwerkt basismateriaal, uitgedrukt in t/jaar of m2/jaar. De grenswaarden, vermeld in het eerste lid, worden gemonitord conform artikel 3.18.2.4.1, eerste lid, 1°. Art. 3.18.2.7.5. De

bij het fluxen wordt verhoogd en de hoeveelheid als afval te verwijderen afgewerkte fluxoplossing wordt verminderd door gebruik te maken van alle onderstaande technieken, in combinatie met de techniek, vermeld in punt

  1. d)of
  2. e)van BBT 15 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie: 1° het spoelen van werkstukken na het beitsen;2° de geoptimaliseerde fluxbehandeling;3° de beperking van de uitsleep van de fluxoplossing. Art. 3.18.2.7.6. De

van het warm dompelen bij de bekleding van draden en bij discontinu verzinken wordt verbeterd en de productie van afval wordt verminderd door gebruik te maken van alle onderstaande technieken: 1° vermindering van de productie van hardzink;2° voorkomen, opvangen en hergebruiken van zinkspatten bij discontinu verzinken;3° vermindering van de vorming van zinkas. Art. 3.18.2.7.7. De

wordt verbeterd en de hoeveelheid te verwijderen afval van de fosfatering en passivatie wordt verminderd door gebruik te maken van het reinigen en hergebruiken van de fosfaterings- of passivatieoplossing, in combinatie met de techniek, vermeld in punt

  1. b)of punt
  2. c)van BBT 17 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Art. 3.18.2.7.8. De hoeveelheid als afval te verwijderen afgewerkt beitszuur wordt verminderd door de nuttige toepassing van afgewerkte beitszuren zoutzuur, zwavelzuur en gemengd zuur. De neutralisatie van afgewerkte beitszuren of het gebruik van afgewerkte beitszuren voor emulsiesplitsing wordt niet toegepast. Onderafdeling 3.18.2.8. Watergebruik en productie van afvalwater Art. 3.18.2.8.1. § 1. Het waterverbruik wordt geoptimaliseerd, de waterrecycleerbaarheid verbeterd en de hoeveelheid geproduceerd afvalwater wordt verminderd door gebruik te maken van zowel de onderstaande technieken, als een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in punt
  3. c)tot en met
  4. h)van BBT 19 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie: 1° waterbeheersplan en wateraudits.Een waterbeheersplan en wateraudits maken deel uit van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.18.2.3.1, en omvatten al de volgende elementen:
  5. a)stroomdiagrammen en een watermassabalans van de installatie;
  6. b)de vaststelling van doelstellingen op het gebied van de waterefficiëntie;
  7. c)de toepassing van technieken voor de optimalisering van het water, zoals controle van het waterverbruik, recycling van water, detectie en reparatie van lekken;
  8. d)het jaarlijks uitvoeren van wateraudits om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van het waterbeheersplan worden verwezenlijkt;2° scheiding van waterstromen.Elke waterstroom en minstens afstromend oppervlaktewater, proceswater, alkalisch of zuur afvalwater en gebruikte ontvettingsoplossing wordt afzonderlijk verzameld op basis van het gehalte aan verontreinigende stoffen en de vereiste behandelingstechnieken. Afvalwaterstromen die zonder behandeling kunnen worden gerecycleerd, worden gescheiden van afvalwaterstromen waarvoor wel behandeling noodzakelijk is. § 2. Het waterbeheersplan en de wateraudits, vermeld in paragraaf 1, 1°, worden ter beschikking gesteld van de toezichthouder en de Vlaamse Milieumaatschappij als die daarom verzoeken. Art. 3.18.2.8.2. De grenswaarden voor specifiek waterverbruik, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de sectoren, vermeld in de volgende tabel: sector grenswaarde voor specifiek waterverbruik (m3/
  9. t)warmwalsen 5 koudwalsen 10 draadtrekken 5 continu dompelverzinken 5 De grenswaarden voor specifiek waterverbruik, vermeld in het eerste lid, hebben betrekking op jaargemiddelden en worden berekend met de volgende formule: specifiekwaterverbruik = waterbruik/productieomvang, waarbij : 1° waterverbruik: de totale hoeveelheid water die door de installatie wordt verbruikt, uitgedrukt in m3/jaar, exclusief de volgende hoeveelheden: 2° gerecycleerd en hergebruikt water;3° water in koelsystemen met doorloop ("once through");4° water voor huishoudelijk gebruik;5° productieomvang: de totale hoeveelheid producten die in de installatie wordt vervaardigd, uitgedrukt in t/jaar. De grenswaarden, vermeld in het eerste lid, worden gemonitord conform artikel 3.18.2.4.1, eerste lid, 1°. Onderafdeling 3.18.2.9. Luchtemissies Art. 3.18.2.9.1. § 1. De stofemissies naar de lucht die door verwarming worden veroorzaakt, worden voorkomen of verminderd door gebruik te maken van ofwel elektriciteit uit fossielvrije energiebronnen ofwel door de toepassing van het gebruik van brandstoffen met laag stof- en asgehalte in combinatie met het beperken van het meevoeren van stof. § 2. De SO2-emissies naar de lucht die door verwarming worden veroorzaakt, worden voorkomen of verminderd door het gebruik van ofwel elektriciteit uit fossielvrije energiebronnen ofwel een brandstof, of een combinatie van brandstoffen, met een laag zwavelgehalte. § 3. De NOx-emissies naar de lucht die afkomstig zijn van verwarming, worden voorkomen of beperkt en tegelijk worden de CO-emissies en de NH3-emissies die afkomstig zijn van het gebruik van SNCR of SCR, beperkt door ofwel het gebruik van elektriciteit uit fossielvrije energiebronnen, ofwel een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in BBT 22 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. § 4. Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 5.43 van titel II van het VLAREM zijn de emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, van toepassing op de geleide emissies naar de lucht die afkomstig zijn van de verwarming van het basismateriaal: parameter sector brandstoftype specifiek proces emissie- grenswaarde (mg/Nm3) stof -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken alle

(1)SO2 -warmwalsen alle 200
(2)
(3)-koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken van platen 100
(2)NOx, uitgedrukt als NO2 -warmwalsen 100% aardgas herverwarming: nieuwe installaties 200 herverwarming: bestaande installaties 350 tussentijds verhitten 250 naverwarming 200 andere brandstoffen -herverwarming -tussentijds verhitten -naverwarming 350
(4)-koudwalsen 100% aardgas 250
(5)andere brandstoffen 300
(4)-draadtrekken alle 250 -continu dompelverzinken alle 300
(4)-discontinu verzinken alle verwarming van de zinkpot 300
(1)De emissiegrenswaarde voor stof is niet van toepassing als de stofmassastroom lager dan 100 g/h is.
(2)De emissiegrenswaarde voor SO2 is niet van toepassing op installaties die 100% aardgas of 100% elektrische verwarming gebruiken.
(3)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor SO2 afgeweken worden als een grote hoeveelheid, namelijk meer dan 50% van de energie-input, cokesovengas wordt gebruikt, met een maximum van 300 mg/Nm3.
(4)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor NOx afgeweken worden als een grote hoeveelheid cokesovengas of CO-rijk gas uit ferrochroomproductie, namelijk meer dan 50% van de energie-input, wordt gebruikt, met een maximum van 550 mg/Nm3.
(5)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor NOx afgeweken worden bij continu gloeien, met een maximum van 300 mg/Nm
  1. In het eerste lid wordt verstaan onder ferrochroom: een legering van chroom en ijzer die gewoonlijk tussen 50 en 70 massaprocent chroom bevat. §
  2. Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 5.43 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de geleide emissies naar de lucht die afkomstig zijn van verwarming, gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel: parameter sector specifiek proces massastroom per schoorsteen meetfrequentie stof -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken verwarming van basismateriaal > 2 kg/h continu ? 0,2-2 kg/h maandelijks ? 0,1-0,2 kg/h om de zes maanden jaarlijks SO2 -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken van platen verwarming van basismateriaal > 10 kg/h continu
(1)? 5-10 kg/h maandelijks
(1)? 1-5 kg/h om de zes maanden
(1)jaarlijks
(1)NOx -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken verwarming van basismateriaal > 15 kg/h continu
(2)? 5-15 kg/h maandelijks
(2)? 1-5 kg/h om de zes maanden
(2)jaarlijks
(2)-continu dompelverzinken van draden -discontinu verzinken verwarming van de zinkpot jaarlijks
(2)CO -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken verwarming van basismateriaal > 5 kg/h maandelijks
(2)jaarlijks
(2)-continu dompelverzinken van draden -discontinu verzinken verwarming van de zinkpot jaarlijks
(2)
(1)De monitoring is niet van toepassing als uitsluitend aardgas als brandstof wordt gebruikt of als uitsluitend elektriciteit wordt gebruikt.
(2)De monitoring is niet van toepassing als uitsluitend elektriciteit wordt gebruikt. Art. 3.18.2.9.2. De emissies naar de lucht van olienevel, zuren of alkaliën die afkomstig zijn van het ontvetten bij koudwalsen en continu dompelverzinken van platen, worden verminderd door continu ontvetten en het opvangen van de emissies met behulp van gesloten ontvettingstanks in combinatie met luchtafzuiging en het behandelen van het afgas met behulp van de techniek, vermeld in punt
  1. b)of punt
  2. c)van BBT 23 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. De concentratie van de geleide TOC-emissies naar de lucht, afkomstig van de ontvettingstanks vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten. Art. 3.18.2.9.3. De emissies naar de lucht van stof, zuren (HCl, HF, H2SO4) en SOx die afkomstig zijn van het beitsen bij warmwalsen, koudwalsen, continu dompelverzinken en draadtrekken, worden verminderd door het gebruik van de techniek, vermeld in punt
  3. a)of punt
  4. b)van BBT 24 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geleide HCl-, HF- en SOx-emissies naar de lucht die afkomstig zijn van beitsen bij warmwalsen, koudwalsen en continu dompelverzinken: parameter specifiek proces emissiegrenswaarde (mg/Nm3) HCl beitsen met zoutzuur 10 HF beitsen met zuurmengsels die fluorwaterstofzuur bevatten 1 SOx, uitgedrukt als SO2 beitsen met zwavelzuur 6 De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geleide HCl- en SOx-emissies naar de lucht die afkomstig zijn van beitsen met zoutzuur of zwavelzuur bij draadtrekken: parameter specifiek proces emissiegrenswaarde (mg/Nm3) HCl beitsen met zoutzuur 10 SOx, uitgedrukt als SO2 beitsen met zwavelzuur 6 De concentratie van de geleide emissies naar de lucht die afkomstig zijn van het beitsen bij warmwalsen, koudwalsen, continu dompelverzinken en draadtrekken, wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel: parameter sector specifiek proces meetfrequentie HCl -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken beitsen met zoutzuur jaarlijks HF -warmwalsen -koudwalsen -continu dompelverzinken beitsen met zuurmengsels die fluorwaterstofzuur bevatten jaarlijks SOx, uitgedrukt als SO2 -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken beitsen met zwavelzuur jaarlijks Art. 3.18.2.9.4. De NOx-emissies naar de lucht die afkomstig zijn van beitsen met salpeterzuur, alleen of in combinatie met andere zuren, en de NH3-emissies die afkomstig zijn van het gebruik van SCR bij warm- en koudwalsen, worden verminderd door de toepassing van een van de technieken of een combinatie ervan, vermeld in BBT 25 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Voor de geleide emissies naar de lucht die afkomstig zijn van beitsen met salpeterzuur, alleen of in combinatie met andere zuren, bij warm- en koudwalsen, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx, uitgedrukt als NO2, van 200 mg/Nm3. De NOx-concentratie in de geloosde afgassen wordt jaarlijks gemeten. Art. 3.18.2.9.5. De olienevelemissies naar de lucht worden voorkomen en het olieverbruik bij het oliën van het oppervlak van het basismateriaal wordt verminderd door de toepassing van een van de technieken, vermeld in BBT 27 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Art. 3.18.2.9.6. De emissies naar de lucht die afkomstig zijn van chemische baden of tanks bij de nabehandeling, dat wil zeggen fosfatering en passivatie, worden beperkt door het opvangen van de emissies met behulp van de techniek, vermeld in punt
  5. a)of punt
  6. b)van BBT 28 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. In dat geval wordt het afgas behandeld met behulp van de techniek, vermeld in punt
  7. c)of punt
  8. d)van BBT 28 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Art. 3.18.2.9.7. De emissies van stof, zuren (HCl, HF), SO2 en NOx naar lucht die afkomstig zijn van de nuttige toepassing van afgewerkt zuur, worden verminderd. Tegelijk worden de CO-emissies beperkt en worden de NH3-emissies die afkomstig zijn van het gebruik van SCR, verminderd door een combinatie van de technieken te gebruiken, vermeld in BBT 29 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geleide emissies naar de lucht van stof, HCl, SO2 en NOx die afkomstig zijn van de nuttige toepassing van afgewerkt zoutzuur, door sprayroasting of door gebruik te maken van wervelbedreactoren: parameter emissiegrenswaarde (mg/Nm3) stof afgassen met natte of kleverige stof of voor afgassen met een temperatuur > 250 ° C of als de massastroom 15 andere 10 HCl 15 SO2 10 NOx, uitgedrukt als NO2 180 De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geleide emissies naar de lucht van stof, HF en NOx die afkomstig zijn van de nuttige toepassing van afgewerkt gemengd zuur, naar lucht door sprayroasting of verdamping: parameter emissiegrenswaarde (mg/Nm3) stof 10 HF 1 NOx, uitgedrukt als NO2 100
(1)
(1)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor NOx afgeweken worden bij de nuttige toepassing van afgewerkt gemengd zuur door middel van sprayroasting, met een maximum van 200 mg/Nm
  1. De concentratie van de geleide emissies naar de lucht die afkomstig zijn van de nuttige toepassing van afgewerkt zuur, worden gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel: parameter sector specifiek proces meetfrequentie CO -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken -nuttige toepassing van afgewerkt zoutzuur door middel van sprayroasting of door het gebruik van wervelbedreactoren -nuttige toepassing van afgewerkt gemengd zuur door middel van sprayroasting jaarlijks stof -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken -nuttige toepassing van afgewerkt zoutzuur door middel van sprayroasting of door het gebruik van wervelbedreactoren -nuttige toepassing van afgewerkt gemengd zuur door middel van sprayroasting of verdamping jaarlijks HCl -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken nuttige toepassing van afgewerkt zoutzuur door middel van sprayroasting of door het gebruik van wervelbedreactoren jaarlijks HF -warmwalsen -koudwalsen nuttige toepassing van afgewerkt gemengd zuur door sprayroasting of verdamping jaarlijks NOx, uitgedrukt als NO2 -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken -nuttige toepassing van afgewerkt zoutzuur door middel van sprayroasting of door het gebruik van wervelbedreactoren -nuttige toepassing van afgewerkt gemengd zuur door middel van sprayroasting of verdamping jaarlijks SO2 -warmwalsen -koudwalsen -draadtrekken -continu dompelverzinken nuttige toepassing van afgewerkt zoutzuur door middel van sprayroasting of door het gebruik van wervelbedreactoren jaarlijks Art. 3.18.2.9.
  2. De concentratie van de geleide NH3-emissies bij het gebruik van SNCR of SCR bij warmwalsen, koudwalsen, draadtrekken of continu dompelverzinken wordt jaarlijks gemeten. Onderafdeling 3.18.2.
  3. Emissies naar water Art. 3.18.2.10.
  4. De belasting van organische verontreinigende stoffen in water dat met olie of vet verontreinigd is en dat voor verdere behandeling wordt afgevoerd, zoals water dat afkomstig is van het morsen van olie of van de reiniging van wals- en nawalsemulsies, ontvettingsoplossingen en smeermiddelen voor draadtrekken, wordt verminderd door de organische en de waterige fase van elkaar te scheiden. Art. 3.18.2.10.
  5. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater: proces(sen) stof of parameter emissiegrenswaarde (in mg/l) lozing in oppervlaktewater lozing in riolering alle processen zwevende stoffen 30 / alle processen TOC 30
(1)/ alle processen CZV 90
(1)/ alle processen totaal koolwaterstoffen 4 4 alle processen
(2)cadmium (Cd) v.g.t.g. v.g.t.g. alle processen
(2)chroom (Cr) 0,1
(3)0,1
(3)beitsen van hooggelegeerd staal of passiveren met verbindingen van zeswaardig chroom chroom VI (Cr VI) 0,050 0,050 alle processen ijzer (Fe) warmwalsen en koudwalsen: 3 warmwalsen en koudwalsen: 3 overige processen: 5 overige processen: 5 alle processen
(2)kwik (Hg) v.g.t.g. v.g.t.g. alle processen
(2)nikkel (Ni) 0,2
(4)0,2
(4)alle processen
(2)lood (Pb) 0,020
(5)
(6)0,020
(5)
(6)continu dompelverzinken met tin tin (Sn) 0,2 0,2 alle processen
(2)zink (Zn) 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 1,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 1,0 fosfateren totaal fosfor (P) 1 / beitsen met zuurmengsels die fluorwaterstofzuur bevatten fluoride 15 15
(1)De parameters TOC en CZV zijn alternatieven.Ofwel is de emissiegrenswaarde voor TOC van toepassing, ofwel de emissiegrenswaarde voor CZV. TOC-monitoring is de voorkeursoptie omdat daarbij geen zeer toxische verbindingen nodig zijn.
(2)De emissiegrenswaarde is alleen van toepassing als de stof of parameter in kwestie in het overzicht van de afvalwaterstromen, vermeld in artikel 3.18.2.3.2, eerste lid, 2°, als relevant in de afvalwaterstroom wordt bepaald.
(3)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor chroom afgeweken worden in geval van hooggelegeerd staal, met een maximum van 0,3 mg/l.
(4)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor nikkel afgeweken worden in geval van installaties die austenitisch roestvrij staal produceren, met een maximum van 0,4 mg/l.
(5)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor lood afgeweken worden in geval van draadtrekinstallaties waarin loodbaden worden gebruikt, met een maximum van 0,035 mg/l.
(6)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor lood afgeweken worden in geval van installaties die loodhoudend staal bewerken, met een maximum van 0,050 mg/l. In het eerste lid wordt verstaan onder loodhoudend staal: staalkwaliteiten waarin het gehalte van het toegevoegde lood doorgaans tussen 0,15 en 0,35 massaprocent ligt. Art. 3.18.2.10.3. De parameters, met uitzondering van zwevende stoffen als vermeld in artikel 3.18.2.10.2, worden maandelijks gemeten. De parameter zwevende stoffen wordt wekelijks gemeten. De parameter boor (B) wordt maandelijks gemeten bij processen waarin borax gebruikt wordt. De meetfrequentie voor de parameter zwevende stoffen kan worden verlaagd tot maandelijks als is aangetoond dat de emissieniveaus voldoende stabiel zijn en na goedkeuring door de toezichthouder. Als de discontinue afvalwaterlozing minder frequent is dan de meetfrequentie, vermeld in het eerste lid, is de minimale monitoringfrequentie een keer per lozing. De parameters TOC en CZV zijn alternatieven. Ofwel is de meetfrequentie voor TOC van toepassing, ofwel de meetfrequentie voor CZV. TOC-monitoring is de voorkeursoptie omdat daarbij geen zeer toxische verbindingen hoeven te worden gebruikt. Onderafdeling 3.18.2.11. Geluid en trillingen Art. 3.18.2.11.1. Geluids- en trillingsemissies worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, verminderd door de toepassing van een van de technieken of een combinatie daarvan, vermeld in BBT 33 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Onderafdeling 3.18.2.12. Residuen Art. 3.18.2.12.1. De hoeveelheid te verwijderen afval wordt verminderd door de verwijdering van metalen, metaaloxiden en oliehoudend en hydroxideslib te voorkomen door de toepassing van een residuenbeheersplan en een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in punt
  1. b)tot en met punt
  2. h)van BBT 34 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Een residuenbeheersplan als vermeld in het eerste lid, maakt deel uit van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.18.2.3.1, en bestaat uit een reeks maatregelen die erop gericht zijn: 1° de productie van residuen tot een minimum te beperken;2° het hergebruik, de regeneratie, de terugwinning, de recycling of een andere nuttige toepassing van residuen te optimaliseren;3° de correcte verwijdering van afval te waarborgen. Art. 3.18.2.12.2. De hoeveelheid te verwijderen afval dat afkomstig is van het warm dompelen, wordt verminderd door de verwijdering van zinkhoudende residuen te vermijden door gebruik te maken van alle onderstaande technieken: 1° het recycleren van het stof uit doekenfilters;2° het recycleren van zinkas en slakken;3° het recycleren van hardzink. Art. 3.18.2.12.3. De recycleerbaarheid en het potentieel voor nuttige toepassing van zinkhoudende residuen die afkomstig zijn van het warm dompelen, namelijk zinkas, slakken, hardzink, zinkspatten en doekenfilterstof, worden verbeterd en de milieurisico's die samenhangen met de opslag ervan, worden voorkomen of beperkt door die residuen gescheiden van elkaar en van andere residuen op te slaan op: 1° ondoordringbare oppervlakken, in omsloten gebieden en in gesloten containers of zakken, voor wat het stof uit doekenfilters betreft;2° ondoordringbare oppervlakken en in overdekte ruimten die beschermd zijn tegen oppervlakkig afvloeiend water, voor wat alle andere hierboven genoemde soorten residuen betreft. Art. 3.18.2.12.4. De

wordt verbeterd en de hoeveelheid te verwijderen afval dat afkomstig is van het textureren van werkrollen, wordt verminderd door gebruik te maken van alle onderstaande technieken: 1° reiniging en hergebruik van slijpemulsie;2° behandeling van het slijpslib door magnetische scheiding voor de terugwinning van metaaldeeltjes en recycling van metalen;3° recycling van versleten werkrollen. Afdeling 3.18.

  1. Warmwalsen Onderafdeling 3.18.3.
  2. Energie-efficiëntie Art. 3.18.3.1.
  3. De energie-efficiëntie bij verwarming van het basismateriaal wordt verhoogd door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in artikel 3.18.2.6.2, samen met een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in BBT 38 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Art. 3.18.3.1.
  4. De grenswaarden voor specifiek energieverbruik, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op walsen: specifiek(e) proces(sen); staalproducten aan het einde van het walsproces grenswaarde voor specifiek energieverbruik (in MJ/t) warmgewalste rollen (strips), zware platen 400 staven, stangen 500

(1)balken, blokken, rails, buizen 300
(1)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de grenswaarde voor specifiek energieverbruik afgeweken worden in geval van hooggelegeerd staal, zoals austenitisch roestvrij staal, met een maximum van 1000 MJ/t. De grenswaarden, vermeld in het eerste lid, worden gemonitord conform artikel 3.18.2.4.1, eerste lid, 1°. Onderafdeling 3.18.3.2.

Art. 3.18.3.2.1.

De

wordt verhoogd en de hoeveelheid te verwijderen afval dat afkomstig is van de conditionering van basismateriaal, wordt verminderd door de noodzaak van conditionering te vermijden of, als dat niet haalbaar is, te verminderen door gebruik te maken van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 40 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Art. 3.18.3.2.2. De

bij het walsen voor de productie van platte producten wordt verhoogd door de productie van metaalschroot te verminderen door beide onderstaande technieken te gebruiken: 1° optimalisering van bijsnijden;2° controle van de vorm van het basismateriaal tijdens het walsen. Onderafdeling 3.18.3.

  1. Luchtemissies Art. 3.18.3.3.
  2. §
  3. De emissies naar de lucht van stof, nikkel en lood bij mechanische bewerking, met inbegrip van snijden, oxidebreken, slijpen, voorwalsen, walsen, afwerken en afvlakken, schoonbranden en lassen, worden beperkt door de emissies op te vangen door: 1° schoonbranden en slijpen vinden volledig omsloten plaats in combinatie met luchtafzuiging;2° luchtafzuiging vindt zo dicht mogelijk bij de bron plaats. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan de techniek, vermeld in het eerste lid, 2°, worden afgeweken voor voorwalsen en walsen in geval van lage stofontwikkelingsniveaus. In dat geval worden de emissies verminderd door het gebruik van waterstralen. §
  4. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geleide emissies naar de lucht van stof, lood en nikkel die afkomstig zijn van mechanische bewerking, met inbegrip van snijden, oxidebreken, slijpen, voorwalsen, walsen, afwerken en afvlakken, schoonbranden anders dan handmatig schoonbranden en lassen: parameter emissiegrenswaarde (mg/Nm3) stof 5

(1)nikkel en zijn verbindingen, uitgedrukt als Ni 0,1
(2)lood en zijn verbindingen, uitgedrukt als Pb 0,035
(2)
(1)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde afgeweken worden als er geen doekenfilter kan worden gebruikt, met een maximum van 7 mg/Nm3.
(2)De emissiegrenswaarde geldt als de verontreinigende stof aanwezig is in het afgas, bepaald op basis van het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.18.2.3.2, eerste lid, 4°. §
  1. De concentratie van de geleide emissies naar de lucht van stof, nikkel en lood, vermeld in paragraaf 2, wordt jaarlijks gemeten. Afdeling 3.18.
  2. Koudwalsen Onderafdeling 3.18.4.
  3. Energie-efficiëntie Art. 3.18.4.1.
  4. De grenswaarden voor specifiek energieverbruik, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op walsen: specifiek(e) proces(sen); staalproducten aan het einde van het walsproces grenswaarde voor specifiek energieverbruik (in MJ/t) koudgewalste rollen 300
(1)verpakkingsstaal 400
(1)In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de grenswaarde voor specifiek energieverbruik afgeweken worden in geval van hooggelegeerd staal, zoals austenitisch roestvrij staal, met een maximum van 1600 MJ/t. De grenswaarden, vermeld in het eerste lid, worden gemonitord conform artikel 3.18.2.4.1, eerste lid, 1°. Onderafdeling 3.18.4.2.

Art. 3.18.4.2.1.

De

wordt verhoogd en de hoeveelheid te verwijderen afval dat afkomstig is van het walsen, wordt verminderd door gebruik te maken van alle onderstaande technieken: 1° de monitoring en aanpassing van de kwaliteit van de walsemulsie;2° het voorkomen van verontreiniging van de walsemulsie;3° de reiniging en hergebruik van de walsemulsie;4° de optimale keuze van het walsolie- en emulsiesysteem;5° de minimalisering van het verbruik van de olie- of walsolie-emulsie. Onderafdeling 3.18.4.

  1. Luchtemissies Art. 3.18.4.3.
  2. De emissies naar de lucht van stof, nikkel en lood die afkomstig zijn van het afwikkelen, het voorafgaand mechanisch oxidebreken, het afvlakken en het lassen, worden beperkt door de emissies op te vangen door middel van luchtafzuiging zo dicht mogelijk bij de emissiebron. §
  3. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geleide emissies naar de lucht van stof, lood en nikkel die afkomstig zijn van het afwikkelen, het voorafgaand mechanisch oxidebreken, het afvlakken en het lassen: parameter emissiegrenswaarde (mg/Nm3) stof 5 nikkel en zijn verbindingen, uitgedrukt als Ni 0,1

(1)lood en zijn verbindingen, uitgedrukt als Pb 0,003
(1)
(1)De emissiegrenswaarde geldt als de verontreinigende stof aanwezig is in het afgas, bepaald op basis van het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.18.2.3.2, eerste lid, 4°, §
  1. De concentratie van de geleide emissies naar de lucht van stof, nikkel en lood, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks gemeten. Art. 3.18.4.3.
  2. De olienevelemissies naar de lucht die afkomstig zijn van het nawalsen, worden voorkomen of verminderd door de toepassing van een van de technieken, vermeld in BBT 47 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Art. 3.18.4.3.
  3. De olienevelemissies naar de lucht die afkomstig zijn van het walsen, nat nawalsen en afwerken, worden beperkt door de emissies op te vangen door middel van luchtafzuiging zo dicht mogelijk bij de emissiebron. Voor de geleide emissies naar de lucht die afkomstig zijn van het walsen, nat nawalsen en afwerken, geldt een emissiegrenswaarde voor vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof, van 8 mg/Nm
  4. De concentratie TOC in de geloosde afgassen wordt jaarlijks gemeten. Afdeling 3.18.
  5. Draadtrekken Onderafdeling 3.18.5.
  6. Energie-efficiëntie Art. 3.18.5.1.
  7. De energie- en

van loodbaden wordt verhoogd door gebruik te maken van hetzij een drijvende beschermlaag op het oppervlak van de loodbaden, hetzij van tankafdekkingen. Onderafdeling 3.18.5.2.

Art. 3.18.5.2.1.

De

wordt verhoogd en de hoeveelheid te verwijderen afval dat afkomstig is van het nat trekken, wordt verminderd door het smeermiddel voor het draadtrekken te reinigen en te hergebruiken. Onderafdeling 3.18.5.3. Luchtemissies Art. 3.18.5.3.1. De emissies naar de lucht van stof en zink die afkomstig zijn van warm dompelen na fluxen bij continu dompelverzinken van draden, worden verminderd door de emissievorming te verminderen door de techniek, vermeld in punt

  1. b)van BBT 26 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie, toe te passen en de emissies op te vangen met behulp van de techniek, vermeld in punt
  2. c)of punt
  3. d)van BBT 26 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Voor de geleide emissies naar de lucht die afkomstig zijn van warm dompelen na fluxen bij het continu dompelverzinken van draden, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 5 mg/Nm3. De concentratie stof en zink in de geloosde afgassen wordt jaarlijks gemeten. Art. 3.18.5.3.2. De emissies naar de lucht van stof en lood die afkomstig zijn van loodbaden, worden verminderd door het gebruik van alle onderstaande technieken: 1° de beperking van de overdracht van lood;2° een drijvende beschermlaag of tankafdekking;3° een luchtafzuiging zo dicht mogelijk bij de emissiebron. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geleide emissies naar de lucht van stof en lood die afkomstig zijn van loodbaden: parameter emissiegrenswaarde (mg/Nm3) stof 5 lood en zijn verbindingen, uitgedrukt als Pb 0,5 De concentratie van de geleide emissies naar de lucht van stof, lood en TOC die afkomstig zijn van loodbaden, wordt jaarlijks gemeten. Art. 3.18.5.3.3. De stofemissies naar de lucht die afkomstig zijn van het draadtrekken zonder emulsie of smeermiddel worden verminderd door de emissies op te vangen met behulp van de technieken, vermeld in punt
  4. a)of punt
  5. b)van BBT 52 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Voor de geleide emissies naar de lucht die afkomstig zijn van het draadtrekken zonder emulsie of smeermiddel geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 5 mg/Nm3.De concentratie stof in de geloosde afgassen wordt jaarlijks gemeten. Art. 3.18.5.3.4. De olienevelemissies naar de lucht die afkomstig zijn van oliekoelbaden, worden verminderd door de opvang van emissies met een luchtafzuiging zo dicht mogelijk bij de emissiebron en door afgasbehandeling met een druppelvanger. De concentratie van de geleide TOC-emissies naar de lucht die afkomstig zijn van de oliekoelbaden, wordt jaarlijks gemeten. Onderafdeling 3.18.5.4. Residuen Art. 3.18.5.4.1. De hoeveelheid te verwijderen afval wordt verminderd door de verwijdering van loodhoudende residuen te vermijden door die residuen te recycleren. Art. 3.18.5.4.2. Het milieurisico dat samenhangt met de opslag van loodhoudende residuen van loodbaden wordt voorkomen of verminderd door loodhoudende residuen op te slaan gescheiden van andere residuen, op ondoordringbare oppervlakken en in gesloten ruimten of gesloten containers. Afdeling 3.18.6. Continue dompelverzinken van platen en draden Onderafdeling 3.18.6.1.

Art. 3.18.6.1.1.

De

bij continu warm dompelen van strips wordt verhoogd door een overmatige coating met metalen te vermijden door beide onderstaande technieken te gebruiken: 1° luchtmessen voor dikteregeling van de coating;2° stabilisatie van de strip. Art. 3.18.6.1.2. De

bij continu warm dompelen van draad wordt verhoogd door een overmatige coating met metalen te vermijden door gebruik te maken van een van de technieken, vermeld in BBT 57 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Afdeling 3.18.

  1. Discontinu verzinken Onderafdeling 3.18.7.
  2. Residuen Art. 3.18.7.1.
  3. De productie van afgewerkte zuren met hoge zink- en ijzerconcentraties wordt voorkomen of, als dat niet haalbaar is, de hoeveelheid zuren die voor verwijdering bestemd zijn, wordt beperkt, door het beitsen gescheiden van het ontzinken uit te voeren. Art. 3.18.7.1.
  4. De hoeveelheid afgewerkte ontzinkoplossingen met een hoge zinkconcentratie die voor verwijdering bestemd zijn, wordt beperkt door de afgewerkte ontzinkoplossingen of de daarin aanwezige ZnCl2 en NH4Cl terug te winnen. Onderafdeling 3.18.7.2.

Art. 3.18.7.2.1.

De

bij het warm dompelen wordt verhoogd door gebruik te maken van beide onderstaande technieken: 1° geoptimaliseerde dompeltijd;2° langzame terugtrekking van werkstukken uit het bad. Art. 3.18.7.2.2. De

wordt verhoogd en de hoeveelheid te verwijderen afval dat afkomstig is van het afblazen van overtollig zink van de verzinkte buizen, wordt verminderd door zinkhoudende deeltjes terug te winnen en die deeltjes opnieuw te gebruiken in de zinkpot of ze naar een systeem voor zinkterugwinning te sturen. Onderafdeling 3.18.7.3. Luchtemissies Art. 3.18.7.3.1. Met behoud van de toepassing van artikel 5.29.0.6, § 3, 11°, van titel II van het VLAREM worden de emissies naar de lucht van stof en zink die afkomstig zijn van warm dompelen na fluxen, verminderd door de emissievorming te verminderen door de techniek, vermeld in punt

  1. b)van BBT 26 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie, toe te passen en de emissies op te vangen met behulp van de techniek, vermeld in punt
  2. c)of punt
  3. d)van BBT 26 van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie. Art. 3.18.7.3.2. § 1. De HCl-emissies naar de lucht die afkomstig zijn van het beitsen en ontzinken bij discontinu verzinken, worden verminderd door de bedrijfsparameters, namelijk de temperatuur en zuurconcentratie in het bad, te controleren en de onderstaande technieken, vermeld in punt 1° of 2°, te gebruiken, in combinatie met de techniek, vermeld in punt 3° : 1° omsloten voorbehandelingsfase met afzuiging;2° afzuiging via zijkap of randafzuiging;3° natte wassing, gevolgd door druppelafscheiding met behulp van een druppelvanger. Voor nieuwe installaties en belangrijke wijzigingen aan de installatie wordt de techniek, vermeld in het eerste lid, 1°, toegepast in combinatie met de techniek, vermeld in het eerste lid, 3°. § 2. Voor de geleide emissies naar de lucht die afkomstig zijn van het beitsen en ontzinken met zoutzuur bij discontinu verzinken, geldt een emissiegrenswaarde voor HCl van 6 mg/Nm3. De concentratie HCl in de geloosde afgassen wordt jaarlijks gemeten. § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan voor bestaande installaties in de omgevingsvergunning toegestaan worden dat de techniek, vermeld in paragraaf 4, toegepast wordt, op voorwaarde dat aangetoond wordt dat een niveau van milieubescherming gewaarborgd wordt dat ten minste gelijkwaardig is aan de milieubescherming van de technieken, vermeld in paragraaf 1 en 2. In dit geval wordt de HCl-concentratie in de gasvormige stroom boven het beitsbad die afkomstig is van het beitsen en ontzinken met zoutzuur in open beitsbaden, ten minste jaarlijks gemeten. Deze metingen worden uitgevoerd bij de hoogst verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden. § 4. Een beperkt werkgebied wordt toegepast op open beitsbaden met zoutzuur. De zoutzuurbaden worden strikt gebruikt binnen het temperatuur- en HCl-concentratiebereik dat aan de volgende voorwaarden voldoet: 1° 4 ° C 2° 2 massaprocent De temperatuur van het bad wordt ten minste dagelijks gemeten. De HCl-concentratie in het bad wordt gemeten telkens als er vers zuur wordt bijgevuld, en in ieder geval ten minste wekelijks. Om verdamping te beperken, wordt de beweging van lucht over de oppervlakken van het bad tot een minimum beperkt. Art. 3.18.7.3.3. De concentratie van de SOx-emissies naar de lucht die afkomstig zijn van het beitsen met zwavelzuur, wordt jaarlijks gemeten. Onderafdeling 3.18.7.4. Lozing van afvalwater Art. 3.18.7.4.1. Afvalwater van discontinu verzinken mag niet geloosd worden.". HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen Art. 5.Artikel 2 treedt in werking op 4 november 2026. Art. 6.De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 20 oktober 2023. De minister-president van de Vlaamse Regering, J. JAMBON De Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme, Z. DEMIR

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.