(1)In de omzettingstabellen wordt onder andere aangegeven dat artikel 9, eerste alinea, g), van de richtlijn zou worden omgezet bij artikel 14, 3°, van het ontwerp, maar het dispositief van het ontwerp bevat geen artikel 14, 3°.Hetzelfde geldt voor artikel 9, eerste alinea, d), van de richtlijn, dat zou worden omgezet bij het eveneens onbestaande artikel 6, § 2, 2°, van het ontwerp. 29 AUGUSTUS 2024. - Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 augustus 2024 tot uitvoering van artikel 15, § 2, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 26 april en 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman. Het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, Gelet op het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 26 april en 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman, artikel 15, § 2, tweede lid, vervangen door het gezamenlijke decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie van 27 april 2023 'tot wijziging van het gezamenlijke decreet en ordonnantie van 26 april en 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman'. ; Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 15 januari 2024; Gelet op de akkoordbevinding van de leden van het Verenigd College, die bevoegd zijn voor de financiën en de begroting, gegeven op 1 februari 2024; Gelet op het evaluatieverslag van de impact van het wetsontwerp op de respectieve situatie van vrouwen en mannen overeenkomstig artikel 3, 2°, van de ordonnantie van 16 mei 2014 houdende de integratie van de genderdimensie in de beleidslijnen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 11 oktober 2023; Gelet op het evaluatieverslag van de impact van het wetsontwerp op de situatie van personen met een handicap, overeenkomstig artikel 4, § 3, van de ordonnantie van 23 december 2016 houdende integratie van de handicapdimensie in de beleidslijnen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 11 oktober 2023; Gelet op advies 41 van de Gegevensbeschermingsautoriteit, gegeven op 26 april 2024; Gelet op het advies van het algemeen beheerscomité van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag, gegeven op 18 april 2024; Gelet op het feit dat het Verenigd College het advies van Bruss'Help, Samusocial en de Brusselse Federatie van OCMW's heeft gevraagd, hoewel deze raadpleging niet verplicht is, en dat alleen Samusocial een advies heeft uitgebracht op 2 april 2024. Gelet op het protocol nr. 6 voor de onderhandeling van het Sectorcomité XV van 27 maart 2024; Gelet op het advies nr.76.879/2/V van de Raad van State, gegeven op 31 juli 2024 in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op voorstel van de Leden van het Verenigd College die bevoegd zijn voor het Openbaar ambt; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1: - Voorwerp en definities Artikel 1.Dit besluit zet gedeeltelijk Richtlijn (EU) 2019/1937 om van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden. Art. 2.Dit besluit is van toepassing op het personeel van de instanties vermeld in artikel 2, 1° van het gezamenlijke decreet en ordonnantie van 16 mei 2019 met betrekking tot de Brusselse ombudsman, die onder de bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vallen. Art. 3.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° AVG : Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);2° gezamenlijk decreet en ordonnantie: het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 26 april en 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman;3° functionele chef: personeelslid dat overeenkomstig het op de instantie geldend personeelsstatuut als dusdanig wordt geïdentificeerd.Anders is de functionele chef het personeelslid van niveau A of B dat op grond van zijn functieomschrijving de leiding of dagelijkse controle heeft over het functioneren van een persoon of team. 4° personeelslid: personeelslid zoals omschreven in artikel 15, § 1, leden 2 en 3 van het gezamenlijk decreet en ordonnantie;5° vermoedelijke integriteitsschending: vermoedelijke integriteitsschending zoals omschreven in artikel 15, § 1, vierde lid van het gezamenlijk decreet en ordonnantie;6° melder: het personeelslid dat informatie meldt over vermoedelijke integriteitsschendingen;7° bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman: aanspreekpunt voor vermoedelijke integriteitsschendingen binnen de dienst van de Brusselse ombudsman bedoeld in artikel 15, § 4, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie;8° vertrouwenspersoon integriteit: persoon omschreven in artikel 15, § 2, derde lid, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman;9° interne auditdienst: onafhankelijke en onpartijdige dienst die helpt de organisatie haar doelstellingen te bereiken door, via een systematische en methodische aanpak, haar risicomanagement-, beheersings- en governance-processen te evalueren en te verbeteren, en door voorstellen te doen om de doeltreffendheid ervan te versterken;10° auditcomité: orgaan dat functioneel bevoegd is voor een interne auditdienst;11° interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van meldingen: de vertrouwenspersoon integriteit, de functionele chef of de interne auditdienst;12° bevoegde actor voor de behandeling van de meldingen: de interne auditdienst of andere als zodanig aangewezen entiteiten;13° instantie: een instantie zoals bedoeld in artikel 2, 1° van het gezamenlijk decreet en besluit, die onder de bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie valt.14° beheersorgaan : orgaan van bestuur, als het bestaat, van een instantie zoals bedoeld in artikel 2, 1°, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie.15° de hoogste hiërarchisch verantwoordelijke : de hoogste administratieve verantwoordelijke op het hoogste niveau binnen een instantie bedoeld in artikel 2, lid 1, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie. HOOFDSTUK 2: - Intern luik van het meldingssysteem van de vermoedelijke integriteitsschendingen Art. 4.Elke instantie stelt, voor zover van toepassing, kanalen op voor de ontvangst en behandeling van meldingen. Art. 5.Het personeelslid dat overweegt een vermoedelijke integriteitsschending te melden, kan informatie en advies krijgen over de inhoud en toepassing van dit besluit van de vertrouwenspersoon integriteit die bevoegd is voor zijn instantie. Art. 6.De interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van de meldingen ontvangen de meldingen via systemen die door hun ontwerp, uitvoering en beheer de vertrouwelijkheid van de volgende elementen in alle veiligheid beschermen: 1° de identiteit van de melder;2° de identiteit van de in het meldingsrapport vermelde derden;3° informatie die de identiteit van de melder of van in het meldingsrapport vermelde derden kan onthullen.De interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van de meldingen mogen de door hen verzamelde informatie in geen enkele fase van het meldingsproces aan geen enkele andere actor onthullen dan aan de actoren die bevoegd zijn voor het behandelen van de melding. HOOFDSTUK 3 - : Benoeming van de vertrouwenspersonen integriteit Art. 7.§ 1. Iedere instantie heeft vertrouwenspersonen integriteit. Instanties kunnen gemeenschappelijke vertrouwenspersonen integriteit aanwijzen. Een vertrouwenspersoon integriteit die bewijst de tweede taal die niet de taal van zijn taalrol is te kennen op de wijze zoals voorgeschreven door artikel 43, § 3, 3de lid van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, kan tegelijk voor de Franstalige en de Nederlandstalige rol worden aangewezen. § 2. De vertrouwenspersoon voor integriteit wordt benoemd na een interne oproep tot kandidaatstelling. Indien na deze interne oproep geen vertrouwenspersoon voor integriteit kan worden aangesteld, kan een vergelijkende selectie- of wervingsprocedure worden georganiseerd overeenkomstig de statuten van de verschillende instanties.. § 3. Functioneel gezien rapporteert de vertrouwenspersoon integriteit aan de hoogste hiërarchisch verantwoordelijke van een van de instanties waarbinnen de vertrouwenspersoon werkt. Die verantwoordelijke zorgt voor: 1° de zichtbaarheid van de functie van de vertrouwenspersonen integriteit, waarvan hij of zij het bestaan, de identiteit, de beschikbaarheid, de toegankelijkheid en de opdracht op permanente basis kenbaar maakt aan de personeelsleden;2° de autonome en doeltreffende uitoefening van de functie van de vertrouwenspersoon integriteit door:
- i)te zorgen voor bescherming tegen ongepaste inmenging of druk, rechtstreeks of onrechtstreeks, van welke persoon dan ook, met name om informatie te verkrijgen die verband houdt of kan houden met de uitvoering van de functie van de vertrouwenspersoon;
- ii)te voorzien in de middelen die nodig zijn om die functie in volledige vertrouwelijkheid uit te voeren; iii) de vertrouwenspersoon in staat te stellen de nodige tijd te besteden aan het uitoefenen van de functie;
- iv)de vertrouwenspersoon in staat te stellen alle contacten te onderhouden die nodig zijn voor het uitoefenen van de functie;
- v)de vertrouwenspersoon in staat te stellen de vaardigheden en kennis te verwerven en/of te verbeteren die nodig zijn om de functie uit te oefenen.3° de basisopleiding van de vertrouwenspersonen integriteit, waarvan de inhoud het voorwerp uitmaakt van een voorafgaand overleg met de bevoegde interne auditdienst, of indien dit niet kan, met de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman. De opleiding bevat ten minste een module met betrekking tot het rechtskader betreffende de rol van de vertrouwenspersoon integriteit en zijn status alsook een module met betrekking tot de gesprekstechnieken. Art. 8.Om te worden aangesteld in de functie van vertrouwenspersoon integriteit moet het personeelslid beschikken over minstens drie jaar anciënniteit binnen een instantie en houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot de functies van niveau A. HOOFDSTUK 4: - Communicatieregels van de melding van een vermoedelijke integriteitsschending Art. 9.§ 1. Overeenkomstig artikel 15, § 1, laatste lid, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie kan elk personeelslid een vermoedelijke integriteitsschending melden aan de interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van meldingen voor zijn instantie, tenzij hij gegronde redenen heeft om te vrezen dat: 1° binnen de in dit besluit voorgeschreven termijnen geen enkel gevolg zal gegeven worden aan de melding;2° hij als gevolg van deze melding het risico loopt te worden onderworpen aan een disciplinaire straf of enige andere vorm van vergeldingsmaatregelen, met inbegrip van pogingen tot vergeldingsmaatregelen zoals omschreven in artikel 15/1, § 1 en § 2, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie. § 2. In geval van gegronde vrees zoals bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, kan het personeelslid de vermoedelijke integriteitsschending melden aan de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman. Art. 10.§ 1. De melding kan schriftelijk en/of mondeling en anoniem worden gedaan. De in het eerste lid bedoelde mondelinge melding kan een melding via telefoon en andere gesproken berichtensystemen omvatten en, op verzoek van de melder, door middel van een persoonlijke ontmoeting. Als de melder hierom vraagt, kan een ontmoeting worden georganiseerd met een of meerdere bevoegde interne actoren voor de ontvangst van de meldingen. Deze ontmoeting moet binnen vijftien dagen vanaf het verzoek plaatsvinden. Deze ontmoeting wordt zó georganiseerd dat de identiteit van de melder en van elke derde die in de melding wordt genoemd, vertrouwelijk blijft. § 2. Elke instantie zet wat haar betreft kanalen op voor de ontvangst van meldingen die zó zijn ontworpen, opgebouwd en worden beheerd dat de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder en van elke in de melding genoemde derde gewaarborgd is en dat onbevoegden geen toegang hebben tot deze kanalen. Deze kanalen maken zowel schriftelijke als mondelinge meldingen mogelijk en garanderen de vertrouwelijkheid en, indien nodig, de anonimiteit van de melder en van elke derde die in de melding wordt genoemd. Art. 11.§ 1. De schriftelijke melding of het schriftelijke bewijs van de mondelinge melding bevat minstens de volgende elementen: 1° de datum van de melding;2° de naam en de contactgegevens van de melder, behalve in het geval van een anonieme melding;3° een beschrijving van de vermoedelijke integriteitsschending;4° de datum waarop of de periode waarbinnen de vermoedelijke integriteitsschending heeft plaatsgevonden, plaatsvindt of zal plaatsvinden;5° de elementen op grond van redelijke vermoedens kan worden aangenomen dat er sprake is van een integriteitsschending. § 2. De schriftelijke melding of het schriftelijke bewijs van de mondelinge melding wordt ondertekend door de melder, behalve in geval van een anonieme melding. HOOFDSTUK 5: - Behandelingsregels van de melding van een vermoedelijke integriteitsschending Art. 12.§ 1. De bevoegde interne actor voor de ontvangst van de meldingen, die de melding heeft ontvangen, bezorgt aan de melder een ontvangstbewijs binnen een termijn van zeven dagen vanaf de ontvangst van de melding schriftelijk of het bewijs van de mondelinge melding dat bij de melding is gevoegd. In geval van een anonieme melding wordt ook een ontvangstbewijs verstrekt via een van de beveiligde kanalen bedoeld in artikel 10, § 3. § 2. Als een melding wordt gedaan bij de functionele chef dan stuurt hij het meldingsrapport zo snel mogelijk en veilig door naar de vertrouwenspersoon integriteit of naar de bevoegde interne auditdienst en brengt hij de melder onmiddellijk op de hoogte dat deze melding werd doorgestuurd. § 3. Alle meldingen worden opgenomen in een register van vermoedelijke integriteitsschendingen, overeenkomstig artikel 15/3, § 1,,van het gezamenlijk decreet en ordonnantie, door de vertrouwenspersonen integriteit en de bevoegde interne auditdienst binnen een termijn van zeven dagen na ontvangst van de melding door de auditdienst. De toegang tot het register is beschermd en beperkt tot personen die bevoegd zijn om de inschrijving in het register te waarborgen en de melding te verwerken, en tot de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman. Art. 13.Indien nodig wordt de melder uitgenodigd voor een gesprek door de vertrouwenspersonen integriteit of door de bevoegde interne auditdiensten om de elementen van de vermoedelijke schending van de integriteit die hij heeft gemeld, toe te lichten, uiterlijk op de vijftiende werkdag na de ontvangstbevestiging bedoeld in artikel 12, § 1 . Deze toelichtingen kunnen op verzoek van de melder binnen dezelfde termijn als in het eerste lid schriftelijk worden verstrekt. Indien de vertrouwenspersonen integriteit of de bevoegde interne auditdiensten voor de ontvangst van een melding de melder uitnodigen voor een gesprek op de laatste dag van de termijn zoals voorzien in lid 1, kan de melder vragen dat de verklaringen schriftelijk worden verstrekt binnen een termijn van vijftien dagen die ingaat op de datum van ontvangst van de uitnodiging voor het gesprek. Art. 14.§ 1. De vertrouwenspersoon integriteit die de melding heeft opgenomen in het register bedoeld in artikel 9, § 3, bezorgt de melding aan een van de actoren die bevoegd zijn voor de behandeling van de meldingen. Indien er geen interne auditdienst is binnen de betrokken instantie, kan een samenwerkingsprotocol worden gesloten tussen een competente interne auditdienst binnen een andere instantie en de betrokken instantie, of kan deze laatste een externe dienstverlener inschakelen die voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 3, 9°. In dat geval neemt de interne auditdienst of de externe dienstverlener de rol op zich van verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevensverwerking die wordt uitgevoerd in het kader van de opvolging van de interne melding. Art. 15.De interne auditdienst die bevoegd is voor de behandeling van de melding voert een voorafgaand ontvankelijkheidsonderzoek uit en stelt een schriftelijk en gemotiveerd advies op over het gevolg dat moet worden gegeven aan de melding, uiterlijk binnen veertig dagen vanaf het ontvangstbewijs bedoeld in artikel 12, § 1 De acties die worden ondernomen als gevolg van de melding kunnen zijn: 1° de onontvankelijkheid: bij gebrek aan voldoende elementen om te spreken van een redelijk vermoeden van een integriteitsschending;2° het openen van een intern onderzoek overeenkomstig hoofdstuk 6;3° het doorverwijzen naar de bevoegde dienst van de Brusselse ombudsman wanneer een vermoedelijke integriteitsschending :
- a)onderzoeksmiddelen vereist die verder gaan dan deze die kunnen worden ingezet in het kader van een intern onderzoek;
- b)niet het voorwerp mag uitmaken van een intern onderzoek gelet op het risico op belangenconflicten voor de door de bevoegde interne auditdienst gemachtigde onderzoekers of op inmenging van het personeelslid of de personeelsleden die bij de gemelde feiten betrokken zijn. Art. 16.§ 1. De bevoegde interne auditdienst bezorgt het schriftelijke en gemotiveerde advies bedoeld in artikel 12 aan de melder, uiterlijk binnen veertig dagen vanaf het ontvangstbewijs bedoeld in artikel 12, § 1. § 2. De bevoegde interne auditdienst stelt de hoogste hiërarchische verantwoordelijke van de betrokken instantie schriftelijk in kennis van de opening van een onderzoek of, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat hij betrokken is bij de vermoedelijke integriteitsschending, ofwel de bevoegde leden van het Verenigd College, ofwel het de voorzitter van het beheersorgaan als de instantie over een beheersorgaan beschikt. De bevoegde interne auditdienst brengt het bevoegde beheersorgaan slechts op de hoogte van het starten van een onderzoek als de hoogste hiërarchisch verantwoordelijke niet op deze manier kan worden geïnformeerd. De bevoegde interne auditdienst mag geen enkele informatie verstrekken die de personen uit het eerste lid in staat stelt de identiteit van de melder of van derden die in het rapport van de melding worden genoemd, direct of indirect te identificeren. § 4. De bevoegde interne auditdienst legt in het register bedoeld in artikel 12, § 3, vast welke acties werden ondernomen naar aanleiding van de melding. Art. 17.Op elk moment mag de melder contact opnemen met de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman indien hij van mening is dat de behandeling van zijn melding door de bevoegde interne auditdienst kan worden bemoeilijkt door een gebrek aan vertrouwelijkheid of garanties van onafhankelijkheid, of indien er geen bevoegde interne auditdienst is. HOOFDSTUK 6: - Onderzoeksregels betreffende de melding van een vermoedelijke integriteitsschending Art. 18.§ 1. De verantwoordelijke van de bevoegde interne auditdienst stelt een schriftelijke onderzoeksopdracht op over de vermoedelijke integriteitsschending. Deze opdracht vermeldt minstens: 1° een beschrijving van de vermoedelijke integriteitsschending;2° de naam van de betrokken instanties waar het onderzoek zal worden uitgevoerd;3° de naam, de taalrol en de contactgegevens van de onderzoekers die door de bevoegde interne auditdienst zijn gemachtigd, met inbegrip van de deskundigen die hen bijstaan;4° de onderzoeksvragen Het onderzoek wordt afgesloten binnen een termijn van drie maanden vanaf de mededeling van het advies, overeenkomstig artikel 15 en kan met maximaal negen maanden worden verlengd om redenen die in het onderzoeksverslag naar behoren worden gemotiveerd. § 2. Elke wijziging aan de onderzoeksopdracht wordt schriftelijk vastgelegd in een addendum. § 3. De onderzoeksopdracht en eventuele addenda worden ondertekend en gedateerd door de verantwoordelijke van de bevoegde interne auditdienst. Art. 19.Het personeelslid dat betrokken is bij het onderzoek wordt schriftelijk in kennis gesteld van het onderzoek door de bevoegde interne auditdienst. Die kennisgeving bevat minstens: 1° een beschrijving van de vermoedelijke integriteitsschending die aanleiding geeft tot het onderzoek;2° de mogelijkheid dat het onderzoek wordt uitgebreid tot feiten en omstandigheden die aan het licht kwamen en die nuttig kunnen zijn om de omvang, de aard en de ernst van de vermoedelijke integriteitsschending te bepalen;3° het recht van het personeelslid dat betrokken is bij het onderzoek om zich te laten bijstaan door een raadgever;4° de naam, de taalrol en de contactgegevens van de onderzoekers die door de bevoegde interne auditdienst zijn gemachtigd;5° het recht om in de loop van het onderzoek bijkomende onderzoekstaken te vragen;6° het recht om de terugtrekking te vragen van onderzoekers die door de bevoegde interne auditdienst zijn gemachtigd. Een kennisgeving van het onderzoek is niet vereist als dit strijdig is met het belang van het onderzoek. De toepassing van deze bepaling wordt in het schriftelijke verslag van het onderzoek gemotiveerd. Art. 20.§ 1. De onderzoekers die zijn gemachtigd door de bevoegde interne auditdienst kunnen elke persoon die zij geschikt achten uitnodigen om een individuele verklaring af te leggen. Deze heeft het recht om zich te laten bijstaan door een raadsman. Personeelsleden moeten positief antwoorden op deze uitnodiging. § 2. De onderzoekers die door de bevoegde interne auditdienst zijn gemachtigd: 1° zorgen ervoor dat de personen die voor het onderzoek worden uitgenodigd, in alle vrijheid hun individuele verklaringen kunnen afleggen;2° nemen de individuele verklaring af om objectieve informatie te verzamelen;3° stellen een schriftelijk verslag op over elke individuele aangifte;4° zorgen ervoor dat de betrokkene wordt geconfronteerd met de bevindingen van het onderzoek die op hem betrekking hebben. § 3. De uitgenodigde personen bezorgen de onderzoekers die door de bevoegde interne auditdienst zijn gemachtigd alle relevante en verhelderende informatie waarover ze in het kader van de onderzoeksopdracht beschikken. § 4. Personen die een individuele verklaring afleggen, kunnen het schriftelijke verslag aanvullen en waar nodig opmerkingen maken. § 5. Het schriftelijke verslag van de individuele aangifte wordt ondertekend en gedateerd door alle aanwezigen na de individuele verklaring. Als een uitgenodigde persoon of, in voorkomend geval, zijn raadsman echter weigert te tekenen, dan wordt deze weigering in het verslag opgenomen Elke bladzijde van het verslag wordt genummerd. Na het afleggen van de individuele verklaring ontvangt elke uitgenodigde persoon een ondertekend exemplaar van zijn individuele verklaring. Art. 21.Op elk moment tijdens het onderzoek kan de melder op eigen initiatief of op verzoek, schriftelijk of mondeling, uitleg verschaffen over de gemelde vermoedelijke integriteitsschending. Art. 22.§ 1. Om het onderzoek af te sluiten stellen de onderzoekers die zijn gemachtigd door de bevoegde interne auditdienst een verslag op met hun bevindingen, hun beoordelingen om de feiten te bepalen en/of bewijselementen aan te voeren en de maatregelen die zij aanbevelen om de vermoedelijke integriteitsschending aan te pakken. § 2. Indien de bevoegde auditdienst meent dat het verslag van het onderzoek, bedoeld in paragraaf 1, voldoende elementen bevat om te besluiten dat de vermoedelijke integriteitsschending zich niet heeft voorgedaan, dan sluit de dienst het onderzoek af. § 3. De bevoegde interne auditdienst stuurt het schriftelijke verslag van het onderzoek door, zodat passende actie kan worden ondernomen: 1° naar de hoogste hiërarchisch verantwoordelijke van één van de instanties waar de vermoedelijke integriteitsschending werd gemeld of, indien er een redelijk vermoeden bestond dat de hoogste hiërarchisch verantwoordelijke betrokken was bij de vermoedelijke integriteitsschending of wanneer de hoogste hiërarchisch verantwoordelijke betrokken is bij de integriteitsschending ofwel naar de bevoegde leden van het Verenigd College, ofwel naar de voorzitter van het beheersorgaan als de instantie over een beheersorgaan beschikt.2° naar zijn auditcomité;3° naar de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman. § 4. De bevoegde interne auditdienst stelt de melder en de personen die bij het onderzoek betrokken zijn, schriftelijk op de hoogte van het resultaat van het onderzoek. § 5. Wanneer de bevoegde interne auditdienst in de loop van de procedure van oordeel is dat hij over voldoende aanwijzingen beschikt om te kunnen concluderen dat hij kennis heeft gekregen van een misdrijf of een delict, stelt hij de procureur des Konings daarvan zo snel mogelijk in kennis overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering. De bevoegde interne auditdienst brengt de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman schriftelijk op de hoogte. HOOFDSTUK 7: - Verwerking van persoonsgegevens van de melding van een vermoedelijke integriteitsschending Art. 23.§ 1. De instantie die een melding ontvangt, is verantwoordelijk voor de verwerkingen van persoonsgegevens die ze uitvoert voor de doeleinden in artikel 25, § 1. Tenzij de melder en elke derde vernoemd in de melding daarmee instemmen, verwerpen de interne meldingskanalen elk verzoek om raadpleging, toelichting of mededeling, in welke vorm dan ook, van een administratief document waaruit rechtstreeks of onrechtstreeks de identiteit van de melder en van elke derde vernoemd in de melding kan worden afgeleid. Art. 24.§ 1. De bekendmakingen die gebeuren op grond van de afwijking bepaald in artikel 15, § 5, derde lid, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie maken het voorwerp uit van adequate beschermingsmaatregelen op grond van de regels van de Europese Unie en de toepasselijke Belgische regels. § 2. De bevoegde interne auditdienst die informatie ontvangt over integriteitsschendingen die verband houden met bedrijfsgeheimen, mag deze geheimen niet gebruiken of openbaar maken voor andere doeleinden dan de doeleinden die noodzakelijk zijn om een passende opvolging te garanderen. § 3. Elke persoon die door of op grond van dit besluit niet bevoegd is om kennis te nemen van een melding of van de daarin vervatte informatie en die echter een dergelijke melding ontvangt, valt onder de bepalingen van paragraaf 1. Deze persoon doet ook alle redelijke inspanningen om de melding in de oorspronkelijke vorm te bezorgen aan de interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van de meldingen. Art. 25.De doeleinden van de verwerking van de gegevens als gevolg van een melding zijn het ontvangen en opvolgen van de meldingen van integriteitsschendingen in de zin van dit besluit, om de juistheid van de beweringen in de melding of de bekendmaking na te gaan, zoals bedoeld in de artikelen 23 en 24, en indien nodig, om de gemelde vermoedelijke integriteitsschending aan te pakken, inclusief door maatregelen zoals een intern voorafgaand onderzoek, een onderzoek, vervolging, een invorderingsprocedure van gelden of het afsluiten van de procedure. Art. 26.De instanties stellen hun personeelsleden in kennis van de informatie over de inhoud en de toepassing van dit besluit en zorgen ervoor dat die informatie doorlopend beschikbaar is op hun website, in een aparte rubriek, overeenkomstig artikel 15/4, § 1, van het gezamenlijke decreet en ordonnantie. HOOFDSTUK 8: - Slotbepalingen Art. 27.Dit besluit heeft uitwerking op 1 januari 2025. Art. 28.De leden van het Verenigd College die bevoegd zijn voor het openbaar ambt worden belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 29 augustus 2024. Voor het Verenigd College : De Leden van het Verenigd College die bevoegd zijn voor de Gezinsbijslagen, de Begroting, het Openbaar ambt en de Externe betrekkingen, B. CLERFAYT S. GATZ