← België

Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 64 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffend

reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik de eer heb ter ondertekening aan Uwe Majesteit voor te legg

§ 2

, A., 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 21 december 1967, en van 80 procent van het inkomen beoogd in de § 2, A., 1° en 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 21 december 1967 in aanmerking genomen. In het tweede geval gelden de grensbedragen voor een beroepsbezigheid als werknemer en wordt het

de § 2, A., 1° en 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 21 december 1967 in aanmerking genomen. Deze wijziging bevestigt de interpretatie die nu reeds aan deze bepaling wordt gegeven. De bepaling onder 4° wijzigt artikel 64, paragraaf 5, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 21 december 1967 zodat het nieuwe grensbedrag voor beroepsinkomsten als flexi-jobwerknemer niet geldt voor de echtgenoot van een gerechtigde op een gezinspensioen. De bepaling onder 5° vult paragraaf 6 aan met een vierde lid teneinde te voorzien in de nieuwe specifieke sanctie in geval van overschrijding van het nieuwe grensbedrag voor beroepsinkomsten als flexi-jobwerknemer. De bepaling onder 6° wijzigt paragraaf 8, eerste lid waardoor de in de § § 2 en 3 van artikel 64 van het voormelde koninklijk besluit van 21 december 1967 bedoelde jaarbedragen in de toekomst op 1 januari van elk jaar niet langer door een ministerieel besluit aangepast moeten worden. Hiervoor zal een bekendmaking bij bericht in het Belgisch Staatsblad volstaan. Artikel 2 legt de datum van inwerkingtreding van dit besluit vast op 1 januari 2025, met uitzondering van artikel 1, 6° dat in werking treedt op de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Artikel 3 preciseert dat de minister bevoegd voor Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit. Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Pensioenen, K. LALIEUX 26 APRIL 2024. - Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 64 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, artikel 25, eerste lid, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 januari 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 21/01/2003 pub. 03/02/2003 numac 2003022082 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939, de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, en het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers sluiten; Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers; Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Federale Pensioendienst, gegeven op 19 februari 2024; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 19 januari 2024; Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 30 januari 2024; Gelet op de adviesaanvraag aan de Raad van State binnen een termijn van 30 dagen, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de adviesaanvraag is ingeschreven op 8 april 2024 op de rol van de afdeling Wetgeving van de Raad van State onder het nummer 76.104/16; Gelet op de beslissing van de afdeling Wetgeving van 9 april 2024 om binnen de gevraagde termijn geen advies te verlenen, met toepassing van artikel 84, § 5, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Minister van Pensioenen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.In artikel 64 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 januari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 2, B., eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende: "4° 5.893,00 EUR voor het bruto beroepsinkomen voortvloeiend uit de bezoldigingen betaald of toegekend in uitvoering van de flexi-jobarbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/11/2015 pub. 26/11/2015 numac 2015205102 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken sluiten houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, onderworpen aan de bijzondere bijdrage bepaald in artikel 38, § 3sexdecies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers."; 2° paragraaf 2, E.wordt opgeheven; 3° paragraaf 3, eerste lid wordt vervangen als volgt: " § 3.Voor de pensioengerechtigde die een beroepsbezigheid beoogd in § 2, A., 2°, uitoefent, is de gelijktijdige of achtereenvolgende uitoefening van verscheidene in § 2, A., beoogde beroepsbezigheden toegelaten voor zover het

§ 2

, A., 2°, en van 80 percent van het inkomen beoogd in § 2, A., 1° en 3°, respectievelijk niet meer bedraagt dan 17.492,17 EUR, 6.056,01 EUR of 14.100,48 EUR, naargelang het gaat om een pensioengerechtigde beoogd in § 2, A., beoogd in § 2, B., of beoogd in § 2, C. of D. Voor de pensioengerechtigde die geen beroepsbezigheid beoogd in § 2, A., 2° uitoefent, is de gelijktijdige of achtereenvolgende uitoefening van verscheidene in § 2, A., beoogde beroepsbezigheden toegelaten voor zover het

§ 2

, A., 1° en 3°, respectievelijk niet meer bedraagt dan 21.865,23 EUR, 7.570,00 EUR of 17.625,60 EUR, naargelang het gaat om een pensioengerechtigde beoogd in § 2, A., beoogd in § 2, B., of beoogd in § 2, C. of D."; 4° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden "een in § 2, B.of een in paragraaf 3 bedoelde beroepsbezigheid" vervangen door de woorden "een in § 2, B., eerste lid, 1° tot 3° of een in paragraaf 3 bedoelde beroepsbezigheid"; 5° paragraaf 6 wordt aangevuld met twee leden, luidende: "Als het beroepsinkomen van de pensioengerechtigde zowel de in paragraaf 2, B., eerste lid, 1° tot 3°, vastgestelde bedragen, als het in paragraaf 2, B., eerste lid, 4°, vastgestelde bedrag overschrijdt, wordt de betaling van het pensioen voor het betrokken kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid, op volgende wijze geschorst: 1° eerst wordt het pensioenbedrag omwille van de overschrijding van de in paragraaf 2, B., eerste lid, 1° tot 3°, vastgestelde bedragen, verminderd overeenkomstig het eerste lid; 2° vervolgens wordt het na toepassing van de bepaling onder 1° verkregen pensioenbedrag omwille van de overschrijding van het in paragraaf 2, B., eerste lid, 4°, vastgesteld bedrag verminderd naar rata van een percentage dat gelijk is aan de helft van het percentage waarmee het in paragraaf 2, B., eerste lid, 4°, beoogde bedrag wordt overschreden. Voor de toepassing van deze bepaling wordt het percentage van de overschrijding berekend tot op één honderdste en gedeeld door twee. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de pensioenvermindering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste vijf is, in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd. Als het beroepsinkomen van de pensioengerechtigde enkel het in paragraaf 2, B., eerste lid, 4° vastgestelde bedrag overschrijdt maar niet de in paragraaf 2, B., eerste lid, 1° tot 3°, vastgestelde bedragen, wordt de betaling van het pensioen voor het betrokken kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid, verminderd naar rata van een percentage dat gelijk is aan de helft van het percentage waarmee het in paragraaf 2, B., eerste lid, 4°, beoogde bedrag wordt overschreden. Voor de toepassing van deze bepaling wordt het percentage van de overschrijding berekend tot op één honderdste en gedeeld door twee. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de pensioenvermindering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste vijf is, in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd."; 6° in paragraaf 8, eerste lid, worden de woorden "door een ministerieel besluit" opgeheven. Art. 2.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2025 met uitzondering van artikel 1, 6° dat in werking treedt op de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 3.De minister bevoegd voor Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 26 april 2024. FILIP Van Koningswege : De Minister van Pensioenen, K. LALIEUX

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.