5 MEI 2025. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeids overeenkomst van 11 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/12/1968 pub. 22/05/2009 numac 2009000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, betreffende de wijziging van het sociaal sectoraal pensioenstelsel en van de sectorale technische nota
(1)(werkgevers die gekozen hebben voor opting-out); C. de werkgevers, die op basis van de toepasselijke sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten binnen het Paritair Comité 209 voor de bedienden van de metaalfabrikatennijverheid, voor een deel of het geheel van hun werknemers worden uitgesloten uit het toepassingsgebied van het sociaal sectoraal pensioenstelsel en er bijgevolg niet aan moeten deelnemen, omdat zij vóór de invoering van het sectoraal pensioenstelsel reeds een aanvullend pensioenstelsel op ondernemingsniveau hadden ingericht voor het geheel of een deel van hun werknemers, dat zonder onderbreking nog steeds van toepassing is en minstens evenwaardig is aan het sectoraal pensioenstelsel (werkgevers buiten toepassingsgebied). De werkgever kan zich bevinden in één van de situaties A, B of C voor de totaliteit of een gedeelte van zijn werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bedienden. Onder "werkgevers" wordt verstaan : de werkgevers, die onder de bevoegdheid vallen van het Paritair Comité 209 voor de bedienden van de metaalfabrikatennijverheid. Het begrip werkgever kan slaan op zowel de juridische entiteit (op basis van het ondernemingsnummer) als de vestigingseenheid (op basis van het vestigingseenheidnummer) indien de juridische entiteit over meerdere vestigingseenheden beschikt. Onder "werknemers" wordt verstaan : alle werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bedienden (inclusief kaderleden). De begrippen gebruikt in deze technische nota moeten op dezelfde wijze worden begrepen en geïnterpreteerd als in de collectieve arbeids overeenkomst van 11 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/12/1968 pub. 22/05/2009 numac 2009000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 tot wijziging van het sociaal sectoraal pensioenstelsel en van de sectorale technische nota. A. Modaliteiten van toepassing op het sociaal sectoraal pensioenstelsel A.1. Aanwending van de aanvullende pensioenpremies en de solidariteitsbijdragen, zoals bepaald in de pensioen- en solidariteitstoezegging § 1. Met ingang van 1 januari 2020 bedraagt de aanvullende pensioenpremie 2,29 pct. van het op diezelfde datum gewijzigde referentieloon. Historisch overzicht van de aanvullende pensioenpremies in de sectorale pensioentoezegging : - 0,5 pct. vanaf 1 april 2002; - 1,0 pct. vanaf 1 juli 2007 (inclusief voor de kaderleden); - 1,1 pct. vanaf 1 januari 2008 (inclusief voor de kaderleden); - 1,77 pct. vanaf 1 januari 2011 (inclusief voor de kaderleden); - 1,87 pct. vanaf 1 april 2012 (inclusief voor de kaderleden); - 1,80 pct. vanaf 1 januari 2013 en 0,17 pct. voor het nivelleringsfonds tot dekking van ontbrekende reserves op het moment van uittreding, pensionering of overlijden (inclusief voor de kaderleden). Het overschot van het nivelleringsfonds wordt jaarlijks in gelijke delen verdeeld onder de actieve aangeslotenen; - 1,97 pct. vanaf 1 januari 2016 (inclusief voor de kaderleden) - 2,29 pct. vanaf 1 januari 2020 (inclusief voor de kaderleden). Deze percentages worden berekend op het referentiejaarloon zoals gedefinieerd in het sectoraal pensioenreglement en/of de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot het sectoraal pensioenstelsel, van toepassing in de betreffende periode. Met ingang van 1 januari 2020 is het referentiejaarloon gelijk aan het bij de RSZ aangegeven brutojaarloon van de aangesloten werknemer, exclusief het enkel en het dubbel vakantiegeld. Vóór 1 januari 2020 was het referentiejaarloon gelijk aan het bij de RSZ aangegeven brutojaarloon van de aangesloten werknemer, inclusief het dubbel vakantiegeld. Opheffing van het nivelleringsfonds Het nivelleringsfonds werd opgeheven op de datum van ondertekening van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst van 4 juli 2016 (met registratienummer 134523/CO/209). Het overschot werd, na aftrek van de ontbrekende reserves vastgesteld op het moment van uittreding, pensionering of overlijden van de betrokken aangeslotenen in 2015, in gelijke delen verdeeld onder de actieve aangeslotenen. Onder "actieve aangeslotenen" wordt verstaan : de aangeslotenen die op 31 december 2015 aangesloten waren bij het sectoraal pensioenstelsel en voor wie er een aanvullende pensioenpremie betaald werd in het sectoraal aanvullend pensioenstelsel in 2015 (of die hadden aangesloten moeten zijn en voor wie er later maar vóór 31 december 2020 vooralsnog een retroactieve aansluiting per 31 december 2015 werd doorgevoerd en een aanvullende pensioenpremie voor 2015 werd betaald ingevolge de regularisatie). Het overschot, dat nog aanwezig is in het nivelleringsfonds ten gevolge van de premies die nog gestort werden door de werkgevers, die een regularisatie hebben doorgevoerd na 4 juli 2016 en vóór 31 december 2020, zal uiterlijk tegen 31 december 2020 in gelijke delen worden verdeeld onder de actieve aangeslotenen van de voormelde werkgevers die ook op het moment van de verdeling van het overschot nog actieve aangeslotenen zijn bij het sectoraal pensioenstelsel. § 2. Met ingang van 1 januari 2020 bedraagt de solidariteitsbijdrage 0,10 pct. van het op diezelfde datum gewijzigde referentieloon. § 3. Het referentiejaarloon en de administratie-, werkingsen beheerskosten, die worden ingehouden op de aanvullende pensioenpremies en op de solidariteitsbijdragen worden bepaald in de sectorale collectieve arbeids overeenkomst van 11 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/12/1968 pub. 22/05/2009 numac 2009000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 tot wijziging van het sociaal sectoraal pensioenstelsel en van de sectorale technische nota (hierna "deze sectorale collectieve arbeidsovereenkomst"). § 4. De pensioentoezegging van het sociaal sectoraal pensioenstelsel is een pensioentoezegging van het type vaste bijdragen zonder rendementsgarantie van de Inrichter, doch zonder afbreuk te doen aan de wettelijke minimum rendementsgarantie, zoals opgelegd door de WAP. De sectorale pensioentoezegging moet sinds de aanvang beschouwd worden als een globale pensioentoezegging. De wettelijke minimum rendementsgarantie wordt berekend op de totaliteit van de verworven reserves. § 5. Bij de kapitalisatie van de aanvullende pensioenpremies en de toepassing van de wettelijke minimum rendementsgarantie wordt de horizontale methode toegepast. § 6. De regels en modaliteiten betreffende de pensioentoezegging en de solidariteitstoezegging worden verder vastgelegd in het pensioen- en solidariteitsreglement, opgenomen in secties 1 en 2 met de bijzondere en de algemene voorwaarden van het groepsverzekeringsreglement, zoals vervat in bijlage 2 en bijlage 3 bij de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst van 4 juli 2022 met registratienummer 174721/CO/209. A.2. Tarieven van de pensioeninstelling aangeduid door de inrichter § 1. De pensioentoezegging van het sectoraal aanvullend pensioenstelsel werd aanvankelijk beheerd door Integrale NV via een klassieke tak 21 groepsverzekering. Met ingang van 15 december 2021 heeft de verzekeringsonderneming Monument Assurance Belgium NV alle rechten en verplichtingen met betrekking tot de pensioentoezegging van het sectoraal aanvullend pensioenstelsel overgenomen van Integrale NV. Monument Assurance Belgium NV vervangt met andere woorden Integrale NV met ingang van 15 december 2021 als pensioeninstelling en staat vanaf 15 december 2021 in voor het beheer van de pensioentoezegging van het sectoraal aanvullend pensioenstelsel. Monument Assurance Belgium NV beheert de pensioentoezegging van het sectoraal aanvullend pensioenstelsel verder via een klassieke tak 21 groepsverzekering. Met ingang van 27 november 2021 zijn de bepalingen van het koninklijk besluit van 26 november 2021Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 26/11/2021 pub. 09/03/2023 numac 2023040670 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 26/11/2021 pub. 09/09/2022 numac 2021034165 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen sluiten tot intrekking van de erkenning van Integrale NV voor het uitoefenen van de verzekeringsactiviteiten als bedoeld in het koninklijk besluit van 14 november 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 14/11/2003 pub. 18/12/2003 numac 2003201595 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 27 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, betreffende de duurzame beroepsintegratie, herintegratie en opleiding van risicogroepen type koninklijk besluit prom. 14/11/2003 pub. 14/11/2003 numac 2003023009 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit betreffende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst sluiten betreffende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32, 1ste lid, 1° en 2° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst van toepassing op deze technische nota. Alle bepalingen van deze technische nota moeten in het licht van dit koninklijk besluit van 26 november 2021Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 26/11/2021 pub. 09/03/2023 numac 2023040670 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 26/11/2021 pub. 09/09/2022 numac 2021034165 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen sluiten gelezen en begrepen worden. § 2. De aanvullende pensioenpremies worden aangewend als recurrente premies. De tariefregels, die van toepassing waren bij Integrale op het moment van de storting van de aanvullende pensioenpremies blijven van toepassing voor de bestaande aangeslotenen op de toekomstige premies ter hoogte van de laatste gestorte premie vóór de verandering van het tarief. § 3. Vanaf 1 januari 2023 bedraagt het door Monument Assurance Belgium NV gegarandeerd rendement 0,75 pct. Deze rentevoet kan wijzigen in de toekomst, conform de bepalingen van het pensioenreglement (sectie 1 van het groepsverzekeringsreglement, zoals vervat in bijlage 2 bij de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst van 4 juli 2022 met registratienummer 174721/CO/209). § 4. De kosten van Monument Assurance Belgium NV voor het beheer van de pensioen solidariteitstoezegging zijn opgenomen in het financieel reglement (sectie 3 van de bijzondere voorwaarden van het groepsverzekeringsreglement, zoals vervat in bijlage 2 bij de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst van 4 juli 2022 met registratienummer 174721/CO/209) en in § 6 van dit artikel A.2. van deze technische nota. § 5. De rentevoeten van het verleden op de premies en de reserves op de individuele contracten, zoals hieronder beschreven, blijven gewaarborgd. Historisch overzicht van het rendement van de pensioeninstelling aangeduid door de inrichter en van het totaal rendement vanaf 1 april 2002 Sur l'épargne en Contractuel Répartition bénéficiaire Rendement total Op het gespaard bedrag in Contractueel Winst- verdeling Totaal rendement 2002 3,75 p.c. 0,96 p.c. 4,71 p.c. 2002 3,75 pct. 0,96 pct. 4,71 pct. 2003 3,75 p.c. 1,32 p.c. 5,07 p.c. 2003 3,75 pct. 1,32 pct. 5,07 pct. 2004 3,75 p.c. 1,10 p.c. 4,85 p.c. 2004 3,75 pct. 1,10 pct. 4,85 pct. 2005 3,75 p.c. 1,30 p.c. 5,05 p.c. 2005 3,75 pct. 1,30 pct. 5,05 pct. 2006 3,75 p.c. 1,50 p.c. 5,25 p.c. 2006 3,75 pct. 1,50 pct. 5,25 pct. 2007 3,75 p.c. 1,55 p.c. 5,30 p.c. 2007 3,75 pct. 1,55 pct. 5,30 pct. 2008 3,75 p.c. 0,00 p.c. 3,75 p.c. 2008 3,75 pct. 0,00 pct. 3,75 pct. 2009 3,75 p.c. 0,25 p.c. 4,00 p.c. 2009 3,75 pct. 0,25 pct. 4,00 pct. 2010 3,75 p.c. 0,00 p.c. 3,75 p.c. 2010 3,75 pct. 0,00 pct. 3,75 pct. 2011 3,75 p.c. 0,00 p.c. 3,75 p.c. 2011 3,75 pct. 0,00 pct. 3,75 pct. 2012 3,75 p.c. 0,00 p.c. 3,75 p.c. 2012 3,75 pct. 0,00 pct. 3,75 pct. 2013 2,25 p.c. 1,00 p.c. 3,25 p.c. 2013 2,25 pct. 1,00 pct. 3,25 pct. 2014 2,25 p.c. 1,00 p.c. 3,25 p.c. 2014 2,25 pct. 1,00 pct. 3,25 pct. 2015* 2,25 p.c. 1,00 p.c. 3,25 p.c. 2015* 2,25 pct. 1,00 pct. 3,25 pct. 2015** 1,60 p.c. 1,65 p.c. 3,25 p.c. 2015** 1,60 pct. 1,65 pct. 3,25 pct. 2016 1,60 p.c. 0,90 p.c. 2,50 p.c. 2016 1,60 pct. 0,90 pct. 2,50 pct. 2017 0,75 p.c. 1,25 p.c. 2,00 p.c. 2017 0,75 pct. 1,25 pct. 2,00 pct. 2018 0,75 p.c. 1,25 p.c. 2,00 p.c. 2018 0,75 pct. 1,25 pct. 2,00 pct. 2019 0,75 p.c. 0,00 p.c. 0,75 p.c. 2019 0,75 pct. 0,00 pct. 0,75 pct. 2020 0,75 p.c. 0,00 p.c. 0,75 p.c. 2020 0,75 pct. 0,00 pct. 0,75 pct. 2021 0,50 p.c. 0,00 p.c. 0,50 p.c. 2021 0,50 pct. 0,00 pct. 0,50 pct. 2021*** 0,10 p.c. 0,00 p.c. 0,10 p.c. 2021*** 0,10 pct. 0,00 pct. 0,10 pct. 2023**** 0,75 p.c. p.c.***** 0,75 p.c. 2023**** 0,75 pct. pct.***** 0,75 pct. (*) tot 31 maart 2015 (**) vanaf 1 april 2015 (***) vanaf 1 oktober 2021 (****) vanaf 1 oktober 2023 (*****) nog niet bekend § 6. De opgebouwde reserves op de individuele contracten op 31 december 2012 zullen blijven genieten van een door Monument Assurance Belgium NV gegarandeerd rendement van 3,75 pct. De opgebouwde reserves op de individuele contracten tussen 1 januari 2013 en 31 maart 2015 zullen blijven genieten van een door Monument Assurance Belgium NV gegarandeerd rendement van 2,25 pct. De opgebouwde reserves op de individuele contracten tussen 1 april 2015 en 31 december 2016 zullen blijven genieten van een door Monument Assurance Belgium NV gegarandeerd rendement van 1,60 pct. De opgebouwde reserves op de individuele contracten tussen 1 januari 2017 en 31 december 2020 zullen blijven genieten van een door Monument Assurance Belgium NV gegarandeerd rendement van 0,75 pct. De opgebouwde reserves op de individuele contracten tussen 1 januari 2021 en 30 september 2021 zullen blijven genieten van een door Monument Assurance Belgium NV gegarandeerd rendement van 0,50 pct. De opgebouwde reserves op de individuele contracten tussen 1 oktober 2021 en 31 december 2022 zullen blijven genieten van een door Monument Assurance Belgium NV gegarandeerd rendement van 0,10 pct. § 7. De aanvullende pensioenpremies op de individuele contracten vanaf 1 januari 2013 genieten van een door Monument Assurance Belgium NV gegarandeerd rendement gelijk aan : (
- i)3,75 pct.(na aftrek van 3 pct. beheerskosten) op het bereikte niveau van de gestorte premies in 2012; (
- ii)2,25 pct. (na aftrek van 1 pct. beheerskosten) op het gedeelte van de premies boven het niveau van 2012; (iii) 1,60 pct. (na aftrek van 1 pct. beheerskosten) op het gedeelte van de premies boven het niveau van maart 2015; (
- iv)0,75 pct. (na aftrek van 1 pct. beheerskosten) op het gedeelte van de premies boven het niveau van december 2016; (
- v)0,50 pct.(na aftrek van 1 pct. beheerskosten) op het gedeelte van de premies boven het niveau van december 2020; (
- vi)0,10 pct. (na aftrek van 1 pct. beheerskosten) op het gedeelte van de premies boven het niveau van september 2021; (vii) 0,75 pct. (na aftrek van 1 pct. beheerskosten) op het gedeelte van de premies boven het niveau van december 2022. A.3. Periodes van aansluiting aan het pensioenstelsel voorafgaand aan 1 januari 2019 Met ingang van 1 januari 2019 int het "Sociaal Fonds voor de Bedienden Metaal - Fonds voor Bestaanszekerheid", afgekort "SFBM", zowel de aanvullende pensioenpremies als de solidariteitsbijdragen ter financiering van het sociaal sectoraal pensioenstelsel in naam en voor rekening van de Inrichter. In toepassing van het sectoraal pensioenreglement bleef Integrale NV tot en met 31 maart 2021 gemandateerd voor de inning van de aanvullende pensioenpremies met betrekking tot de periode gelegen tussen het invoeren van het sectoraal pensioenstelsel en 31 december 2018. De (regularisatie)procedure, zoals die gold tot en met 31 maart 2021, werd beschreven in de technische nota bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 juli 2022 tot wijziging van het sociaal sectoraal pensioenstelsel, het pensioenreglement en het solidariteitsreglement en van de sectorale technische nota (met registratienummer 174721/CO/209). Sinds 1 april 2021 is het SFBM gemandateerd om de nodige acties ondernemen (aanmaningen, ingebrekestellingen en eventuele procedure voor de rechtbank) om (het gedeelte van) de nog niet betaalde aanvullende pensioenpremies voor de periode voorafgaand aan 1 januari 2019 te recupereren bij de betrokken werkgevers in naam en voor rekening van de Inrichter. Verschillende situaties kunnen zich voordoen. A.3.1. Werkgevers die op 31 december 2018 deelnemen aan de sectorale pensioentoezegging, maar die hebben nagelaten alle verschuldigde aanvullende pensioenpremies te betalen § 1. De werkgever blijft als enige verantwoordelijk ten opzichte van zijn aangesloten werknemers voor de volledige betaling van de achterstallige pensioenpremies voor de periode in kwestie. § 2. Het SFBM onderneemt in naam en voor rekening van de Inrichter de nodige acties (aanmaningen, ingebrekestellingen en eventuele procedure voor de rechtbank) om de nog niet betaalde aanvullende premies voor de periode voorafgaand aan 1 januari 2019 te recupereren bij de betrokken werkgevers. A.3.2. Werkgevers die op 31 december 2018 niet deelnemen aan de sectorale pensioentoezegging Voorwoord Op basis van een reprise van de DmfA-gegevens sinds 2003, die de Inrichter eind 2021 heeft bekomen, controleert de Inrichter of zijn mandataris (het SFBM) de werkgevers die op 31 december 2018 (
- i)niet deelnamen aan de sectorale pensioentoezegging en (
- ii)de attesten van evenwaardigheid van de rechten (zoals voorzien in de technische nota die was aangehecht aan de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 2019 met registratienummer 157451/CO/209, van 14 december 2020 met registratienummer 162728/CO/209 en van 4 juli 2022 met registratienummer 174721/CO/209) niet hebben aangeleverd binnen de voorziene termijn. Het betreft hier twee types van werkgevers : (
- a)de werkgevers die geen pensioentoezegging op ondernemingsniveau hebben ingericht voor hun werknemers (zie artikel A.3.2.1), en (
- b)de werkgevers die wel een pensioentoezegging op ondernemingsniveau hebben ingericht voor hun werknemers, maar waarvan de even waardigheid met de sectorale pensioentoezegging niet bewezen werd (zie artikel A.3.2.2.). A.3.2.1. Werkgevers zonder pensioentoezegging voor de betrokken werknemers op ondernemingsniveau § 1. De werkgever blijft als enige verantwoordelijk ten opzichte van de betrokken werknemers voor de volledige betaling van de achterstallige pensioenpremies voor de periode in kwestie. § 2. Procedure, zoals die gold tot en met 31 maart 2021 : De (regularisatie)procedure, zoals die gold tot en met 31 maart 2021, werd beschreven in de technische nota bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 juli 2022 tot wijziging van het sociaal sectoraal pensioenstelsel, het pensioenreglement en het solidariteitsreglement en van de sectorale technische nota (met registratienummer 174721/CO/209). De betrokken werknemers van de nalatige werkgever werden in ieder geval aangesloten bij het sectoraal pensioenstelsel voor de periode sinds 1 januari 2019, behalve indien de raad van bestuur van de Inrichter anders zou beslissen in het geval er een bijzondere motivering is of in geval van overmacht. § 3. Procedure, zoals die geldt sinds 31 maart 2021 : Het SFBM onderneemt verder de nodige acties (aanmaningen, ingebrekestellingen en eventuele procedure voor de rechtbank) om (het gedeelte van) de nog niet betaalde achterstallige pensioenpremies voor de periode voorafgaand aan 1 januari 2019 te recupereren bij de betrokken werkgevers in naam en voor rekening van de Inrichter. Deze acties kunnen als volgt samen gevat worden : -Indien de betrokken werkgevers niet binnen de opgelegde termijn kunnen aantonen via een ondertekende verklaring van de werkgever en een actuarieel attest dat ze in de periode vóór 1 januari 2019 één of meerdere evenwaardige pensioentoezeggingen op ondernemingsniveau hadden voor hun bedienden en/of kaderleden en dus voldeden aan de voorwaarden van opting-out of buiten toepassingsgebied, worden de betrokken bedienden en/of kaderleden ook voor de periode vóór 2019 verplicht aangesloten bij het sectoraal pensioenstelsel en ontvangen deze werkgevers een regularisatiebrief van het SFBM met een premieborderel met een detail van de achterstallige pensioenpremies en kosten en een uitnodiging tot onmiddellijke betaling van het verschuldigde bedrag. - De achterstallige pensioenpremies en kosten worden door het SFBM berekend op basis van een vereenvoudigde berekening, overeengekomen door de sociale partners en bestaande uit de volgende onderdelen : (
- i)de niet-betaalde aanvullende pensioenpremies over de periodes van niet-aansluiting vóór 2019 van de betrokken bedienden en/of kaderleden, berekend op basis van het bijdragepercentage en aan de hand van het referentieloon van de betrokken periode, zoals bepaald in de toepasselijke sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten met betrekking tot het sectoraal pensioenstelsel; (
- ii)voor de bedienden/kaderleden die op het moment van de regularisatie niet meer in dienst zijn van de werkgever bij wie de tekorten zijn ontstaan en de gepensioneerden, wordt desgevallend een bijkomende bijdrage gevorderd ter dekking van de wettelijke minimum rendementsgarantie van de WAP (WAP tekort); (iii) voor de bedienden en/of kaderleden die nog actief in dienst zijn op moment van de regularisatie zal de bijdrage ter dekking van het eventuele WAP tekort pas later definitief kunnen bepaald worden op moment van uittreding/pensionering en desgevallend later pas geïnd kunnen worden; (
- iv)de bijzondere socialezekerheidsbijdrage van 8,86 pct. op de aanvullende pensioenpremies en het eventuele bijkomende bedrag ter dekking van het WAP tekort; (
- v)een bijkomende administratiekost van 2 pct.op de gevorderde aanvullende pensioenpremies en het eventuele bijkomende bedrag ter dekking van het WAP tekort. - Het SFBM en de Inrichter zijn als enige verantwoordelijk voor de berekening van bovenstaande bedragen bedoeld in de punten (i), (ii), (
- iv)en (v); - Bij gebreke aan betaling binnen de gevraagde termijn, zal het SFBM overgaan tot formele ingebrekestelling, en indien nodig, een procedure inleiden voor de Arbeidsrechtbank; - De achterstallige premies die SFBM ontvangt, zullen (na inhoudingen van het bedrag ter dekking van de administratiekosten) worden doorgestort aan de pensioeninstelling. De pensioeninstelling zal de ontvangen bedragen als koopsom storten op een individuele rekening aanvullend pensioen van de betrokken bedienden/kaderleden. Na storting bij de pensioeninstelling zullen de aldus gestorte koopsommen kapitaliseren aan het contractueel rendement van de pensioeninstelling dat geldt vanaf de storting; - De betrokken bedienden/kaderleden zullen door SFBM (namens de Inrichter) op de hoogte worden gebracht van de regularisatie. In ieder geval werden de betrokken werknemers van de nalatige werkgever aangesloten bij het sectoraal pensioenstelsel voor de periode die begint op 1 januari 2019, behalve indien de raad van bestuur van de Inrichter anders zou beslissen in het geval er een bijzondere motivering is of in geval van overmacht. A.3.2.2. Werkgevers met een op 31 december 2018 bestaande pensioentoezegging op ondernemingsniveau ten gunste van de betrokken werknemers waarvan de evenwaardigheid niet bewezen is op die datum § 1. De werkgever blijft als enige verantwoordelijk ten opzichte van de betrokken werknemers voor de volledige betaling van de achterstallige pensioenpremies voor de periode in kwestie. § 2. Procedure, zoals die gold tot en met 31 maart 2021 : De (regularisatie)procedure, zoals die gold tot en met 31 maart 2021, staat beschreven in de technische nota bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 juli 2022 tot wijziging van het sociaal sectoraal pensioenstelsel, het pensioenreglement en het solidariteitsreglement en van de sectorale technische nota (met registratienummer 174721/CO/209). De betrokken werknemers van de nalatige werkgever werden in ieder geval aangesloten bij het sectoraal pensioenstelsel voor de periode sinds 1 januari 2019, behalve indien de raad van bestuur van de Inrichter anders zou beslissen in het geval er een bijzondere motivering is of in geval van overmacht. § 3. Procedure, zoals die geldt sinds 31 maart 2021 : Het SFBM onderneemt de nodige acties (aanmaningen, ingebrekestellingen en eventuele procedure voor de rechtbank) om (het gedeelte van) de nog niet betaalde achterstallige pensioenpremie voor de periode voorafgaand aan 1 januari 2019 te recupereren bij de betrokken werkgevers in naam en voor rekening van de Inrichter. Deze acties kunnen als volgt samengevat worden : - Indien de betrokken werkgevers niet binnen de opgelegde termijn kunnen aantonen via een ondertekende verklaring van de werkgever en een actuarieel attest dat ze in de periode vóór 1 januari 2019 al één of meerdere evenwaardige pensioentoezeggingen op ondernemingsniveau hadden voor hun bedienden en/of kaderleden en dus voldeden aan de voorwaarden van opting-out of buiten toepassingsgebied, zal de regularisatie in principe moeten gebeuren door de bestaande pensioentoezegging(
- en)op ondernemingsniveau aan te vullen tot gelijkwaardigheid met het sectoraal pensioenstelsel. - Het SFBM berekent de "sectorale reserves" die voor de betrokken bedienden en/of kaderkleden in de betrokken periode vóór 2019 opgebouwd zouden geweest zijn in het sectoraal pensioenstelsel op basis van een vereenvoudigde berekening, overeengekomen door de sociale partners, zijnde in functie van de volgende elementen : (
- i)de aanvullende pensioenpremies over de periodes van niet-aansluiting vóór 1 januari 2019 van de betrokken bedienden en/of kaderleden, zoals berekend op basis van het bijdragepercentage en aan de hand van het referentieloon van de betrokken periode, zoals bepaald in de toepasselijke sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten met betrekking tot het sectoraal pensioenstelsel; (
- ii)het rendement dat zou toegekend zijn aan deze aanvullende pensioenpremies tot 1 januari 2019, in toepassing van de rentevoet van de wettelijke minimum rendementsgarantie van de WAP; - Het SFBM en de Inrichter zijn als enige verantwoordelijk voor de berekening van de voormelde "sectorale reserves"; - Het SFBM maakt de aldus berekende "sectorale reserves" over aan de betrokken werkgevers via een regularisatiebrief met de vraag om : (
- i)de individuele wiskundige reserves van de betrokken bedienden/kaderleden, die opgebouwd zijn in de pensioentoezegging op ondernemingsniveau tijdens de betrokken periode vóór 1 januari 2019 aan te vullen tot het niveau van de door het SFBM berekende niveau van de individuele "sectorale reserves" via de storting van een eenmalige premie in de pensioentoezegging op ondernemingsniveau; (
- ii)binnen de gevraagde termijn de verklaring van de werkgever en het actuarieel attest te bezorgen waaruit blijkt dat de bestaande pensioentoezegging(
- en)op ondernemingsniveau werd(
- en)aangevuld tot gelijkwaardigheid met het sectoraal pensioenstelsel en de werkgever aldus ook voor de periode vóór 1 januari 2019 in het systeem opting-out of buiten toepassingsgebied kan blijven; (iii) de betrokken bedienden en/of kaderleden hiervan te informeren; en (
- iv)de bijkomende administratiekost van 2 pct. op de eenmalige premies, die gestort worden ter aanvulling van de wiskundige reserves tot het niveau van de berekende "sectorale reserves", te betalen aan het SFBM; - De berekeningen van even waardigheid tussen de voormelde individuele opgebouwde wiskundige reserves in de pensioentoezegging op ondernemingsniveau en de individuele "sectorale reserves" alsook het onderzoek van de pensioentoezegging(
- en)op ondernemingsniveau (aansluitingsvoorwaarden, gebruikte formules, mogelijke aanpassing van de formules voor de ondernemingen die in het systeem van opting-out of buiten toepassingsgebied wensen te blijven,...) worden door de actuaris van de pensioeninstelling, die de pensioentoezegging op ondernemingsniveau van de betrokken werkgever beheert, of door een onafhankelijke actuaris uitgevoerd. De kosten van dit onderzoek zijn ten laste van de betrokken werkgever; - Indien de werkgever zich ertoe verbindt om die eenmalige premie in het ondernemingspensioenstelsel bij zijn pensioeninstelling te storten, maar de pensioeninstelling aanvaardt de storting van de eenmalige premie niet, moet de werkgever het SFBM hiervan binnen de maand op de hoogte brengen. Aan de betrokken werkgever wordt vervolgens de mogelijkheid geboden om een groepsverzekering bij de pensioeninstelling Monument Assurance Belgium te onderschrijven voor de storting van de eenmalige premie om het tekort ten opzichte van de individuele "sectorale reserves" van de betrokken bedienden/kaderleden met betrekking tot de periode vóór 1 januari 2019 aan te zuiveren. In dit geval zal Monument Assurance Belgium, na de kennisgeving door SFBM van de beslissing van de werkgever, het borderel met de eenmalige premie om het tekort te compenseren sturen naar de betrokken werkgever. Na de storting van de eenmalige premie in de bijkomende groepsverzekering opgezet bij Monument Assurance Belgium zal de gestorte eenmalige premie verder kapitaliseren aan het contractueel rendement van Monument Assurance Belgium dat geldt vanaf de storting. De bijkomende groepsverzekering op ondernemingsniveau wordt voor de betrokken werkgever beheerd volgens de bepalingen van het sectoraal pensioenstelsel. De werkgever moet de betrokken bedienden en/of kaderleden hiervan informeren. De werkgever is ook gehouden om de bijkomende administratiekost van 2 pct. op de eenmalige premies gestort in de bijkomende groepsverzekering opgezet bij Monument Assurance Belgium ter aanvulling van de wiskundige reserves tot het niveau van de berekende "sectorale reserves", te betalen aan het SFBM; - Bij gebreke aan het overmaken van de nodige verklaring van de werkgever/actuarieel attesten en/of bij gebreke aan betaling binnen de gevraagde termijn van de nodige eenmalige premie tot aanzuivering van de tekorten ter attentie van de berekende "sectorale reserves", volgens één van de hiervoor vermelde regularisatiemechanismes, zal het SFBM overgaan tot formele ingebrekestelling, en indien nodig, een procedure inleiden voor de Arbeidsrechtbank. In ieder geval werden de betrokken werknemers van de nalatige werkgever aangesloten bij het sectoraal pensioenstelsel voor de periode die begint op 1 januari 2019, behalve indien de raad van bestuur van de Inrichter anders zou beslissen in het geval er een bijzondere motivering is of in geval van overmacht. A.4. Periodes van aansluiting bij het sectoraal pensioenstelsel vanaf 1 januari 2019 § 1. Voor de periodes van aansluiting vanaf 1 januari 2019 staat het SFBM, in naam en voor rekening van de Inrichter, in voor de opvolging van de inning van achterstallige aanvullende pensioenpremies en de solidariteitsbijdragen (opvolging van de inning en betaling, aanmaningen, ingebrekestellingen en eventuele procedure voor de rechtbank). § 2. De Inrichter of zijn mandataris (SFBM) controleert de werkgevers die vanaf 1 januari 2019 of later (
- i)niet deelnemen aan de sectorale pensioentoezegging, en (
- ii)de attesten van even waardigheid van de rechten, zoals voorzien in de artikels B.3 en C.2 van deze technisch nota, niet hebben aangeleverd binnen de voorziene termijn. Het betreft hier twee types van werkgevers : (
- a)de werkgevers die geen pensioentoezegging op ondernemingsniveau hebben ingericht voor hun werknemers (groep A), en (
- b)de werkgevers die wel een pensioentoezegging op ondernemingsniveau hebben ingericht voor hun werknemers, maar waarvan de even waardigheid met de sectorale pensioentoezegging niet bewezen werd (groep B). De werknemers van de werkgevers behorende tot groep A, die voor de periode vanaf 1 januari 2019 niet deelnemen aan het sectoraal pensioenstelsel terwijl ze niet aangeslotenen zijn bij een ondernemingspensioenstelsel, worden in ieder geval aangesloten bij het sectoraal pensioenstelsel vanaf 1 januari 2019, behalve indien de raad van bestuur van de Inrichter anders zou beslissen in het geval er een bijzondere motivering is of in geval van overmacht. De werknemers van de werkgevers behorende tot groep B, die voor de periode vanaf 1 januari 2019 aangesloten zijn bij een ondernemingspensioenstelsel waarvan de evenwaardigheid met het sectoraal pensioenstelsel niet is bewezen conform artikel B of C van deze technische nota, worden aangesloten bij het sectoraal pensioenstelsel op het moment en volgens de modaliteiten zoals bepaald in artikel B of C van deze technische nota, behalve indien de raad van bestuur van de Inrichter anders zou beslissen in het geval er een bijzondere motivering is of in geval van overmacht. B. Modaliteiten van toepassing op het aanvullend pensioen in het geval van opting-out Voorwoord : § 1. Partijen bevestigen dat het onderstaande de authentieke interpretatie bevat van hoofdstuk B van de technische nota met betrekking tot opting-out. § 2. Aangezien een werkgever gebruik kan maken van opting-out voor hetzij al zijn werknemers, hetzij een deel ervan, preciseren partijen dat de voorwaarden en modaliteiten van opting-out steeds getoetst worden en vervuld moeten zijn op het niveau van het betrokken ondernemingspensioenstelsel. Dit betekent dat het mogelijk is, en zulks sinds de aanvang van het sectoraal pensioenstelsel en de daarin vervatte mogelijkheid van opting-out, dat in dezelfde onderneming sommige van de werknemers verplicht aangesloten zijn bij het sectoraal pensioenstelsel terwijl andere werknemers in het kader van opting-out aangesloten zijn bij een ondernemingspensioenstelsel. Alle werknemers, die niet aangesloten zijn bij een ander evenwaardig ondernemingspensioenstelsel in het kader van een opting-out of buiten toepassingsgebied, zijn verplicht aangesloten aan het sectoraal sociaal pensioenstelsel. B.1. Definities en voorwaarden § 1. In de regel zijn er sinds 1 april 2011 geen nieuwe opting-outs meer mogelijk, behalve in bepaalde gevallen bij reorganisaties zoals voorzien in de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot het sectoraal pensioenstelsel. § 2. De betrokken werkgevers in opting-out zijn verplicht om zich aan te sluiten bij de solidariteitstoezegging die werd ingevoerd door de Inrichter binnen de sector en dit voor alle werknemers die aangesloten zijn bij het pensioenstelsel op het niveau van de onderneming. § 3. Het ondernemingspensioenstelsel dat ingericht werd in het kader van opting-out moet minstens de volgende elementen bevatten om als gelijkwaardig met het sectoraal pensioenstelsel aanvaard te worden : 1. Het pensioenreglement dient de voorwaarden te respecteren die opgenomen zijn in de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst van 21 maart 2002 en in alle daaropvolgende sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten van het Paritair Comité 209 voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid die betrekking hebben op het sectorale pensioenstelsel.2. Elke werknemer die op 1 april 2002 tewerkgesteld is of na 1 april 2002 tewerkgesteld zal worden in de onderneming met een arbeidsovereenkomst voor bedienden (vanaf 1 juli 2007 inclusief de kaderleden), en op wie de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 maart 2002 tot uitvoering van hoofdstuk II, artikel 4, §§ 1 en 5 van de collectieve arbeids overeenkomst van 11 juni 2001Relevante gevonden documenten type overeenkomst prom. 11/06/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001022389 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten betreffende het nationaal akkoord 2001-2002, en andere sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten met betrekking tot het sectoraal pensioenstelsel gesloten binnen het Paritair Comité 209 voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid van toepassing zijn, wordt verplicht aangesloten.Dit betekent dat alle werknemers die niet vallen onder een ondernemingspensioenstelsel in het kader van opting-out of buiten toepassingsgebied, verplicht aangesloten zijn bij het sectoraal pensioenstelsel. 3. De aansluiting is verplicht voor werknemers die tewerkgesteld zijn met een contract van bepaalde duur, met uitzondering van (
- i)de werknemers met een contract van uitzendarbeid of met vakantie-, studenten- en IBO-contracten (individuele beroepsopleiding);(
- ii)de werknemers die activiteiten uitoefenen terwijl zij al van een wettelijk rustpensioen genieten; en (iii) de werknemers van buiten België gevestigde werkgevers die in België gedetacheerd worden in de zin van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 883/2004 of van de Verordening (EEG) nr. 1408/71. 4. Er mag geen enkele leeftijdsvoorwaarde voorzien worden voor de aansluiting.5. De pensioentoezegging is van het type "vaste bijdragen" en de pensioenbijdragen mogen enkel aangewend worden als jaarlijkse recurrente premies in het kader van een verzekeringsverrichting van het type "uitgesteld kapitaal met terugbetaling van de reserve bij vroegtijdig overlijden".6. Zolang de aangeslotene in dienst is, kan hij zijn contract niet afkopen, noch het voordeel ervan afstaan of in pand geven.7. Het pensioenreglement moet vanaf 1 januari 2011 voorzien dat de rechten onmiddellijk verworven zijn.Deze bepaling dient gelezen te worden in het licht van de wet van 27 juni 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/2018 pub. 15/04/2019 numac 2019030313 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet inzake de omzetting van richtlijn 2014/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende minimumvereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door het verbeteren van de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten. - Duitse vertaling type wet prom. 27/06/2018 pub. 05/07/2018 numac 2018040247 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet inzake de omzetting van richtlijn 2014/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende minimumvereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door het verbeteren van de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten sluiten met betrekking tot de onmiddellijke verwerving van pensioenrechten. 8. Indien de pensioeninstelling zelf niet paritair beheerd wordt, moet er een paritair samengesteld toezichtscomité opgericht worden.Het pensioenreglement vermeldt deze verplichting en de wijze waarop het comité samengesteld wordt. Dit toezichtscomité moet jaarlijks het eigen pensioenplan valideren en controleren op de even waardigheid conform deze technische nota. 9. In de pensioentoezegging van het type "vaste bijdragen" dient de jaarlijkse definitieve pensioenbijdrage gestort door de werkgever tijdens een bepaald jaar, minstens berekend te worden op het referentiejaarloon zoals gedefinieerd in het sectoraal pensioenreglement en/of de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot het sectoraal pensioenstelsel, van toepassing in de betreffende periode.Met ingang van 1 januari 2020 is het referentiejaarloon gelijk aan het bij de RSZ aangegeven brutojaarloon van de aangesloten werknemer, exclusief het enkel en het dubbel vakantiegeld. Vóór 1 januari 2020 was het referentiejaarloon gelijk aan het bij de RSZ aangegeven brutojaarloon van de aangesloten werknemer, inclusief het dubbel vakantiegeld. 10. De theoretische en praktische afkoopwaarden bedragen in alle gevallen 100 pct.van de opgebouwde reserves met inbegrip van 100 pct. van de al toegekende winstdeelname. Onder "praktische afkoopwaarden" wordt verstaan : de theoretische afkoopwaarden verminderd met de eventuele kosten en/of penalisatie die de verzekeringsonderneming zou aanrekenen voor de afkoop. B.2. Even waardigheid van de rechten § 1. In geval van opting-out moeten de rechten van de aangeslotenen in het betrokken ondernemingspensioenstelsel minstens gelijkwaardig zijn aan deze die voorzien zijn in de pensioentoezegging van het sociale sectorale pensioenstelsel. De pensioentoezegging van het sociaal sectoraal pensioenstelsel is een pensioentoezegging van het type vaste bijdragen zonder rendementsgarantie van de Inrichter, doch zonder afbreuk te doen aan de wettelijke minimum rendementsgarantie opgelegd door de WAP. Bij de kapitalisatie van de aanvullende pensioenpremies en de toepassing van de wettelijke minimum rendementsgarantie wordt de horizontale methode toegepast. In het ondernemingspensioenstelsel van het type "vaste bijdragen" mogen de stortingen niet lager zijn dan de stortingen bepaald in het sectoraal pensioenstelsel. § 2. De werkgeverspremie in het ondernemingspensioenstelsel voor de waarborg pensioen bedraagt bijgevolg minimaal : - 0,5 pct. vanaf 1 april 2002; - 1,0 pct. vanaf 1 juli 2007 (inclusief voor de kaderleden); - 1,1 pct. vanaf 1 januari 2008 (inclusief voor de kaderleden); - 1,77 pct. vanaf 1 januari 2011 (inclusief voor de kaderleden); - 1,87 pct. vanaf 1 april 2012 (inclusief voor de kaderleden); - 1,97 pct. vanaf 1 januari 2013 (inclusief voor de kaderleden) - 2,29 pct. vanaf 1 januari 2020 (inclusief voor de kaderleden). Deze percentages worden berekend op het referentiejaarloon zoals gedefinieerd in het sectoraal pensioenreglement en/of de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot het sectoraal pensioenstelsel, van toepassing in de betreffende periode. Met ingang van 1 januari 2020 is het referentiejaarloon gelijk aan het bij de RSZ aangegeven brutojaarloon van de aangesloten werknemer, exclusief het enkel en het dubbel vakantiegeld. Vóór 1 januari 2020 was het referentiejaarloon gelijk aan het bij de RSZ aangegeven brutojaarloon van de aangesloten werknemer, inclusief het dubbel vakantiegeld. Bovendien moeten de premies en de reserves in het ondernemingspensioenstelsel voor de actieve aangeslotenen eenzelfde totaal rendement (contractueel rendement + winstdeelname) genereren als de aanvullende pensioenpremies en de reserves op de individuele rekeningen in het sociaal sectoraal pensioenstelsel, conform de modaliteiten bepaald in punt A.2. van deze technische nota. Voor de passieve aangeslotenen (slapers) is het rendement gelijk aan de door de pensioeninstelling gewaarborgde rentevoet, eventueel verhoogd met een eventuele winstdeelname. B.3. Jaarlijkse attestering en informatieplicht § 1. Eenmaal per jaar tegen 30 juni ten laatste deelt de werkgever aan de Inrichter of aan zijn mandataris de volgende gegevens mee : - een attest van de werkgever dat alle bedienden en kaderleden aangesloten zijn bij het geattesteerde ondernemingspensioenstelsel en dit vanaf 1 april 2002 voor de bedienden en vanaf 1 juli 2007 voor de kaderleden (of vanaf de datum van indiensttreding van de eerste werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bedienden of vanaf de datum dat de werkgever valt onder het toepassingsgebied van het Paritair Comité 209 voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, indien deze datum na de datum van inrichting van het sectoraal pensioenstelsel valt). Met dien verstande dat alle bedienden en kaderleden die niet vallen onder een ondernemingspensioenstelsel in het kader van opting-out of buiten toepassingsgebied, verplicht aangesloten zijn bij het sectoraal pensioenstelsel; - indien niet alle bedienden en kaderleden betrokken zijn bij de opting-out en dus niet alle bedienden en kaderleden aangesloten zijn aan het ondernemings-pensioenstelsel (mix-gevallen binnen de onderneming, zoals bijvoorbeeld wanneer de bedienden en/of kaderleden van een vestigingseenheid in het kader van opting-out aangesloten zijn bij een ondernemings-pensioenstelsel en de bedienden en/of kaderleden van een andere vestigingseenheid niet deelnemen aan een ondernemingspensioenstelsel maar aangesloten zijn bij het sectoraal pensioenstelsel), of in elk geval waarin de Inrichter of zijn mandataris deze informatie nodig heeft om de correcte naleving van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten met betrekking tot het sectoraal pensioenstelsel te kunnen controleren : de exhaustieve lijst van de betrokken werknemers; - een attest van evenwaardigheid van de rechten opgesteld door de aangeduide actuaris van de pensioeninstelling van de werkgever. § 2. De Inrichter of zijn mandataris zal de betrokken werkgevers jaarlijks aanschrijven om de gevraagde attesten en lijsten tegen uiterlijk 30 juni van het betrokken jaar te bezorgen aan de Inrichter of zijn mandataris. Voormelde datum kan aangepast worden door een beslissing van de Inrichter of zijn mandataris. Indien een werkgever deze attesten/lijsten niet heeft bezorgd tegen de opgegeven datum, zal de Inrichter of zijn mandataris een herinnering sturen. Indien de betrokken werkgever het alsnog nalaat om de attesten/lijsten af te leveren binnen de gevraagde termijn, zullen de betrokken werknemers van die werkgever met ingang van 1 januari van het betrokken kalenderjaar aangesloten worden bij het sectoraal pensioenstelsel, behalve indien de raad van bestuur van de Inrichter anders zou beslissen in het geval er een bijzondere motivering is of in geval van overmacht. § 3. Aan de hand van de attesten/lijsten en na eventueel onderzoek beslist de Inrichter over de periode van opting-out gedekt door de attesten. De attestmodellen zijn beschikbaar op de website van de Inrichter www.fonds209.be of van zijn mandataris. De werkgever en zijn pensioeninstelling dienen op eenvoudig verzoek van de Inrichter of zijn mandataris bijkomende toelichting bij de attesten/lijsten te verschaffen en/of alle gegevens over te maken die toelaten om de juiste uitvoering van de verplichtingen van dit sociaal sectoraal pensioenstelsel en de correcte toepassing van de voorwaarden en modaliteiten van opting-out te controleren. De Inrichter kan de controle van deze documenten aan zijn mandataris toevertrouwen. § 4. De (actuaris van
- de)pensioeninstelling kan voorzien in de opmaak van één overkoepelend attest voor het geheel van haar pensioenplannen in beheer, op voorwaarde dat er in bijlage een lijst wordt toegevoegd met daarin de namen van de betrokken werkgevers, in mix-gevallen de namen van de betrokken bedienden en/of kaderleden, evenals alle elementen en gevraagde informatie van de betrokken werkgevers. B.4. Procedure bij niet-betaling van de aanvullende pensioenpremies De procedure bij niet-betaling van de aanvullende pensioenpremies wordt geregeld in het pensioenreglement van het ondernemingspensioenstelsel. Indien de betrokken werkgever hierdoor niet langer voldoet aan de voorwaarden van opting-out, zal hij desgevallend aangesloten worden bij het sociaal sectoraal pensioenstelsel volgens de modaliteiten van artikel B3, § 2, behalve indien de raad van bestuur van de Inrichter anders zou beslissen in het geval er een bijzondere motivering is of in geval van overmacht B.5. Collectieve overdracht van reserves naar Monument Assurance Belgium NV Indien de werkgever de in zijn ondernemingspensioenstelsel opgebouwde reserves wenst over te dragen naar Monument Assurance Belgium NV, zullen deze niet overgedragen worden naar dit sociaal sectoraal pensioenstelsel beheerd door Monument Assurance Belgium NV. Monument Assurance Belgium NV stelt een apart groepsverzekeringsreglement op voor het beheer van dit ondernemingspensioenstelsel waarbij de betrokken werkgever verantwoordelijk blijft voor de even waardigheid van de overgedragen pensioenrechten op het ogenblik van de overdracht en daarna conform de voorwaarden en modaliteiten van artikel B van deze technische nota. C. Modaliteiten van toepassing op het aanvullend pensioen buiten toepassingsgebied Voorwoord : § 1. Partijen bevestigen dat het onderstaande de authentieke interpretatie bevat van hoofdstuk C van de technische nota met betrekking tot buiten toepassingsgebied. § 2. Aangezien een werkgever kan genieten van een vrijstelling van deelname aan het sectoraal pensioenstelsel wegens een buiten toepassingsgebied voor hetzij al zijn werknemers, hetzij een deel ervan, preciseren partijen dat de voorwaarden en modaliteiten van buiten toepassingsgebied steeds getoetst worden en vervuld moeten zijn op het niveau van het betrokken ondernemingspensioenstelsel. Dit betekent dat het mogelijk is, en zulks sinds de aanvang van het sectoraal pensioenstelsel en de daarin vervatte vrijstelling wegens "buiten toepassingsgebied", dat in dezelfde onderneming sommige van de werknemers verplicht aangesloten zijn bij het sectoraal pensioenstelsel, terwijl andere werknemers in het kader van buiten toepassingsgebied aangesloten zijn bij een ondernemingspensioenstelsel. § 3. Alle werknemers die niet aangesloten zijn bij een ander evenwaardig ondernemingspensioenstelsel in het kader van opting-out of buiten toepassingsgebied, zijn verplicht aangesloten aan het sectoraal sociaal pensioenstelsel. C.1. Definities en voorwaarden § 1. In de regel zijn er geen gevallen van buiten toepassingsgebied meer mogelijk, behalve bij reorganisaties zoals voorzien in de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot het sectoraal pensioenstelsel. Indien een werkgever ten gevolge van een wijziging van paritair comité onder de bevoegdheid valt van het Paritair Comité 209 voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, heeft de werkgever de eenmalige mogelijkheid om zijn op dat moment bestaande ondernemingspensioenstelsel aan te passen zodat hij voor de betrokken werknemers vrijgesteld wordt van deelname aan het sociaal sectoraal pensioenstelsel. In dit geval moet de werkgever uiterlijk binnen de 6 maanden volgend op de datum dat hij onder de bevoegdheid valt van het Paritair Comité 209 voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, de attesten/lijsten vermeld in § 1 van punt C.3. van deze technische nota bezorgen aan de Inrichter of aan zijn mandataris. § 2. Werkgevers, die voor hun bedienden een aanvullend pensioenstelsel op ondernemingsniveau hebben ingericht vóór 11 juni 2001, dat zonder onderbreking nog steeds van toepassing is en minstens evenwaardig is aan het sectoraal aanvullend pensioenstelsel, moeten niet deelnemen aan het sociaal sectoraal pensioenstelsel en worden bijgevolg uitgesloten uit het toepassingsgebied van het sociaal sectoraal pensioenstelsel in zoverre ze voldoen aan de jaarlijkse attesteringsplicht overeenkomstig punt C.3. van dit artikel. § 3. Werkgevers, die voor hun kaderleden een aanvullend pensioenstelsel op ondernemingsniveau hebben ingericht vóór 31 december 2006, dat zonder onderbreking nog steeds van toepassing is en minstens evenwaardig is aan het sectoraal pensioenstelsel, moeten niet deelnemen aan het sociaal sectoraal pensioenstelsel en worden bijgevolg uitgesloten uit het toepassingsgebied van het sociaal sectoraal pensioenstelsel in zoverre zij voldoen aan de jaarlijkse attesteringsplicht overeenkomstig punt C.3. van dit artikel. § 4. De vrijstelling van deelneming aan het sociaal sectoraal pensioenstelsel wegens buiten toepassingsgebied geldt zowel voor de pensioentoezegging als voor de solidariteitstoezegging. C.2. Even waardigheid van de rechten § 1. De aanvullende pensioenrechten van de betrokken werknemers worden bepaald volgens het (
- de)van kracht zijnde pensioenreglement(
- en)van het ondernemingspensioenstelsel. § 2. Het ondernemingspensioenstelsel geldt in principe voor alle bedienden en kaderleden (inclusief contracten van bepaalde duur) van de werkgever. Indien het ondernemingspensioenstelsel niet van toepassing is op alle bedienden en/of kaderleden van de werkgever (mix-gevallen binnen de onderneming, zoals bijvoorbeeld wanneer de bedienden en/of kaderleden van één vestigingseenheid aangesloten zijn bij een ondernemingspensioenstelsel en de bedienden en/of kaderleden van een andere vestigingseenheid niet deelnemen aan een ondernemingspensioenstelsel maar aangesloten zijn bij het sectoraal pensioenstelsel) moeten de werknemers, die aangesloten zijn bij het ondernemingspensioenstelsel en dus die buiten toepassing vallen van het sectoraal pensioenstelsel, duidelijk kunnen worden geïdentificeerd. Alle werknemers die niet vallen onder een ondernemingspensioenstelsel in het kader van opting-out of buiten toepassingsgebied, zijn verplicht aangesloten bij het sectoraal pensioenstelsel. § 3. Indien het ondernemingspensioenstelsel van het type "vaste bijdragen" is, voorziet het in een patronale premie voor de waarborg pensioen die op elk moment minstens gelijk is aan de onderstaande percentages. In het kader van pensioentoezeggingen van het type "cafetariaplan" wordt onder "patronale premie voor de waarborg pensioen" uitsluitend begrepen : het gedeelte en van de premie die daadwerkelijk wordt aangewend voor het waarborgen van prestaties bij leven. Het betreft de volgende percentages : - 0,5 pct. vanaf 1 april 2002; - 1,0 pct. vanaf 1 juli 2007 (inclusief voor de kaderleden); - 1,1 pct. vanaf 1 januari 2008 (inclusief voor de kaderleden); - 1,77 pct. vanaf 1 januari 2011 (inclusief voor de kaderleden); - 1,87 pct. vanaf 1 april 2012 (inclusief voor de kaderleden); - 1,97 pct. vanaf 1 januari 2013 (inclusief voor de kaderleden) - 2,29 pct. vanaf 1 januari 2020 (inclusief voor de kaderleden). Deze percentages worden berekend op het referentie-jaarloon zoals gedefinieerd in het sectoraal pensioenreglement en/of de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot het sectoraal pensioenstelsel van toepassing in de betreffende periode. Met ingang van 1 januari 2020 is het referentiejaarloon gelijk aan het bij de RSZ aangegeven brutojaarloon van de aangesloten werknemer, exclusief het enkel en het dubbel vakantiegeld. Vóór 1 januari 2020 was het referentiejaarloon gelijk aan het bij de RSZ aangegeven brutojaarloon van de aangesloten werknemer, inclusief het dubbel vakantiegeld. In afwijking van bovenstaande salarisdefinitie werd vóór 1 januari 2020 ook het brutomaandloon van de aangeslotene maal 13,92 als referentiejaarsalaris aanvaard. Vanaf 1 januari 2020 wordt in afwijking van bovenstaande salarisdefinitie ook het brutomaandloon van de aangeslotene maal 12 als referentiejaarsalaris aanvaard. Het gebruik van een salariscoëfficiënt verschillend van 12 (of vóór 2020 van 13,92) is toegelaten op voorwaarde dat het percentage van de patronale premie voor de waarborg pensioen proportioneel aangepast wordt aan de overeenstemmende premievoet. § 4. Indien het ondernemingspensioenstelsel van het type "vaste prestaties" is, moeten de verworven reserves gefinancierd door de werkgever via de patronale pensioenpremies op ieder ogenblik minstens gelijk zijn aan de verworven reserves die zou bekomen worden door de kapitalisatie van een patronale premie, berekend conform de percentages vermeld in de opeenvolgende sectorale pensioenreglementen en technische nota's in het hierboven beschreven vaste bijdragen stelsel, aan het rendement van de wettelijke minimum rendementsgarantie voorzien in artikel 24 van de WAP. C.3. Jaarlijkse attestering en informatieplicht § 1. Eenmaal per jaar tegen 30 juni ten laatste deelt de werkgever aan de Inrichter of aan zijn mandataris de volgende gegevens mee : - een attest van de werkgever dat alle bedienden en kaderleden aangesloten zijn bij het geattesteerde ondernemingspensioenstelsel en dit vanaf 1 april 2002 voor de bedienden en vanaf 1 juli 2007 voor de kaderleden. Met dien verstande dat alle bedienden en kaderleden die niet vallen onder een ondernemingspensioenstelsel in het kader van buiten toepassingsgebied of opting-out, verplicht aangesloten zijn bij het sectoraal pensioenstelsel. - indien niet alle bedienden en kaderleden betrokken zijn bij het stelsel buiten toepassingsgebied (mix-gevallen binnen de onderneming, zoals bijvoorbeeld wanneer de bedienden en/of kaderleden van één vestigingseenheid aangesloten zijn bij een ondernemingspensioenstelsel en de bedienden en/of kaderleden van een andere vestigingseenheid niet deelnemen aan een ondernemingspensioenstelsel maar aangesloten zijn aan het sectoraal pensioenstelsel), of in elk geval waarin de Inrichter of zijn mandataris deze informatie nodig heeft om de correcte naleving van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten met betrekking tot het sectoraal pensioenstelsel te controleren : de exhaustieve lijst van de betrokken werknemers; - een attest van even waardigheid van de rechten, opgesteld door de aangeduide actuaris van de pensioeninstelling van de werkgever. § 2. De Inrichter of zijn mandataris zal de betrokken werkgevers jaarlijks aanschrijven om de gevraagde attesten en lijsten tegen uiterlijk 30 juni van het betrokken jaar te bezorgen. Deze datum kan aangepast worden door de beslissing van de Inrichter of zijn mandataris. Indien een werkgever deze attesten en lijsten niet heeft bezorgd aan de Inrichter of aan zijn mandataris tegen de opgegeven datum, zal de Inrichter of zijn mandataris een herinnering sturen. Indien de betrokken werkgever het alsnog nalaat om de attesten/lijsten af te leveren binnen de gevraagde termijn, zullen de betrokken werknemers van die werkgever met ingang van 1 januari van het betrokken kalenderjaar aangesloten worden bij het sectoraal pensioenstelsel, behalve indien de raad van bestuur van de Inrichter anders zou beslissen in het geval er een bijzondere motivering is of in geval van overmacht. § 3. Aan de hand van de attesten en lijsten en na eventueel onderzoek beslist de Inrichter over de periode van buiten toepassingsgebied gedekt door de attesten. De attestmodellen zijn beschikbaar op de website van de Inrichter of van zijn mandataris www.fonds209.be. De werkgever en zijn pensioeninstelling dienen op eenvoudig verzoek van de Inrichter of zijn mandataris bijkomende toelichting bij de attesten/lijsten te verschaffen en/of alle gegevens over te maken die toelaten om de juiste uitvoering van de verplichtingen van dit sociaal sectoraal pensioenstelsel en de correcte toepassing van de voorwaarden en modaliteiten van buiten toepassingsgebied te controleren. De Inrichter kan de controle van deze documenten aan zijn mandataris toevertrouwen. § 4. De (actuaris van
- de)pensioeninstelling kan voorzien in de opmaak van één overkoepelend attest voor het geheel van haar pensioenplannen in beheer, op voorwaarde dat er in bijlage een lijst wordt toegevoegd met daarin de namen van de betrokken werkgevers, in mix-gevallen de namen van de betrokken bedienden en/of kaderleden, evenals alle elementen en gevraagde informatie van de betrokken werkgevers. C.4. Procedure bij niet-betaling van de aanvullende pensioenpensioenpremies De procedure bij niet-betaling van de aanvullende de pensioenpremies wordt geregeld in het pensioenreglement van het ondernemingspensioen stelsel. Indien de betrokken werkgever hierdoor niet langer voldoet aan de voorwaarden van buiten toepassingsgebied, zal hij desgevallend aangesloten worden bij het sectoraal pensioenstelsel volgens de modaliteiten van artikel C.3., § 2, behalve indien de raad van bestuur van de Inrichter anders zou beslissen in het geval er een bijzondere motivering is of in geval van overmacht. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 mei 2025. De Minister van Werk, D. CLARINVAL _______ Nota