Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende organisatie van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de regeling van de recht
Kort samengevat
Dit besluit regelt de organisatie van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de rechtspositie van haar personeel. Het stelt de administratieve en financiële rechten en plichten vast voor zowel statutaire als contractuele personeelsleden.
Wat het regelt
- De organisatie en werking van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening.
- De rechtspositie van het personeel, inclusief aanwerving en arbeidsvoorwaarden.
- De samenstelling en bevoegdheden van de directieraad en de raad van beroep.
- De aanstelling van opdrachthouders en de waarneming van hogere functies binnen de Maatschappij.
Wie het aanbelangt
- Alle personeelsleden van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening.
- De Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening zelf, inclusief haar bestuursorganen.
Kernpunten
- De Maatschappij wordt bestuurd door een raad van bestuur.
- Er is een directieraad bestaande uit de leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaren.
- Een raad van beroep behandelt klachten van statutaire personeelsleden over tuchtstraffen, evaluaties en verlofaanvragen.
- Opdrachthouders kunnen worden aangewezen voor specifieke taken, voor een termijn van twee jaar, verlengbaar met vier jaar.
Wettekst
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP 1 DECEMBER 2000. - Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende organisatie van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de regeling van d
het vorige lid van dit artikel beslist de Vlaamse regering op voorstel van de raad van bestuur over de aanstelling in een hogere functie in de graad van leidend ambtenaar of adjunct-leidend ambtenaar. Art. II
- §
- In een tijdelijk vacante betrekking kan het statutaire personeelslid voor de duur van de afwezigheid aangesteld worden tot de titularis van de graad opnieuw zijn ambt opneemt. §
- In een definitief vacante betrekking kan het statutaire personeelslid voor ten hoogste één jaar aangesteld worden op voorwaarde dat de procedure tot definitieve toekenning van die betrekking wordt ingezet. §
- Onverminderd de bepalingen van § 1 en § 2 van dit artikel, wordt de aanstelling verleend voor maximum één jaar. Verlenging van deze termijn is slechts mogelijk door een gemotiveerde beslissing van de raad van bestuur. §
- De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van de functie die vacant is, zijn laatste of huidige titularis en de reden van diens vertrek of afwezigheid;2° een verantwoording van de noodzaak om in de vacature een hogere functie toe te kennen;3° een verantwoording van de keuze van de voorgedragen kandidaat. Art. II
- Een statutair personeelslid dat met een hogere functie is belast, beschikt over alle aan deze functie verbonden prerogatieven. Art. II
- Deze titel is niet van toepassing op de stagedoende statutaire personeelsleden. TITEL VII. - Overgangs- en opheffingsbepalingen Art. II
- De commissie van beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid bij de diensten van de Vlaamse regering en sommige instellingen en publiekrechtelijke verenigingen die onder de Vlaamse Gemeenschap en/of het Vlaamse Gewest ressorteren, behandelt de beroepen die bij haar werden ingesteld voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Art. II
- § 1.
artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende oprichting en samenstelling van een raad van beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen, behandelt de raad van beroep van de Maatschappij, opgericht bij beslissing van de raad van beheer van de Nationale Maatschappij der Waterleidingen van 3 mei 1966, de beroepen tegen een tuchtstraf of schorsing in het belang van de dienst, de aanvragen tot herziening van een beoordeling en de beroepen zoals voorzien in artikel II.4, § 1, 1° en 2° die bij hem worden ingediend voor de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit. §
- De beroepen ingesteld tegen een beoordeling toegekend voor de aanvang van de eerste evaluatieperiode zoals bedoeld in artikel VIII 16, § 1, worden verder afgehandeld door de bij de bij beslissing van de raad van beheer van de Nationale Maatschappij der Waterleidingen van 3 mei 1966 opgerichte raad van beroep van de Maatschappij volgens de procedure en samenstelling die gold voor de datum waarop dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. II
- De beslissing van de raad van beheer van de Nationale Maatschappij der Waterleidingen van 3 mei 1966 houdende de oprichting van een Raad van Beroep, wordt opgeheven. DEEL III. - RECHTEN EN PLICHTEN Art. III
- Het statutaire personeelslid heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn functie. Inzoverre het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een van de hierna opgesomde belangen, is het hem verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op 1° de veiligheid van het land;2° de bescherming van de openbare orde;3° de financiële belangen van de overheid;4° maatregelen ter voorkoming van strafbare feiten;5° het medisch geheim;6° het vertrouwelijk karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens, uitgezonderd indien de betrokkene met de inzage, de uitleg of de mededeling in afschrift ervan heeft ingestemd;7° het intern beraad dat voorafgaat aan elke beslissing zolang er in de desbetreffende aangelegenheid geen administratieve eindbeslissing is genomen en op voorwaarde dat de openbaarmaking afbreuk doet aan het geheim van de beraadslagingen van de voor de beslissing bevoegde overheid of in zoverre vastgesteld is dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen één of meer belangen opgesomd in de punten 1 tot en met 7 van dit lid of in zoverre de openbaarmaking om reden dat het document niet af of onvolledig is tot misvatting aanleiding kan geven. Het is hem ook verboden feiten bekend te maken indien de bekendmaking ervan een inbreuk is op de rechten en de vrijheden van de burger, in het bijzonder op het privé-leven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om op hem betrekking hebbende gegevens openbaar te maken. Dit artikel geldt eveneens voor het statutaire personeelslid dat zijn functie heeft neergelegd. Art. III
- §
- Het statutaire personeelslid heeft het recht op informatie en voortgezette vorming zowel wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakvervulling als om te kunnen voldoen aan de evaluatiecriteria en bevorderingsvereisten. De vorming moet hem worden verstrekt wanneer ze een bevorderingsvoorwaarde is of een onderdeel van de evaluatiecriteria uitmaakt. Het statutaire personeelslid heeft recht op vorming voor persoonlijke bijscholing voor zover dit past in de organisatorische doelstellingen van zijn dienst. §
- Het statutaire personeelslid mag niet weigeren zich bij te scholen en dient zich op de hoogte te houden van de evolutie van de technieken, reglementeringen en navorsingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. Het statutaire personeelslid krijgt hiervoor van de Maatschappij de nodige middelen. §
- De vorming is een plicht wanneer zij noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een afdeling, of wanneer zij een onderdeel uitmaakt van een herstructurering, reorganisatie van een afdeling of een implementatie van nieuwe technieken en infrastructuur. Voor het statutaire personeelslid van het niveau K kan deze vorming plaatsvinden buiten en bovenop de normale arbeidsprestaties, eventueel zonder compensatie. De onkosten die inherent zijn aan de deelname aan deze vormingsactiviteiten zijn voor rekening van de Maatschappij. Art. III
- Elk statutair personeelslid heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen. Het persoonlijk dossier van het statutaire personeelslid bevat ten minste de administratieve stukken zoals bepaald in bijlage 1 bij dit besluit. Aanbevelingen waaruit een levensbeschouwelijke, ideologische of politieke overtuiging blijkt, mogen niet voorkomen in het administratieve dossier. Art. III
- §
- Onverminderd de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting bepaald in artikel III 1, oefent het statutaire personeelslid zijn functie op een loyale en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen die verantwoordelijk zijn voor de gegeven opdrachten. Hij moet inzonderheid : 1° in zijn handelingen en gedragingen in de uitoefening van zijn taken, de van kracht zijnde wetten, decreten en reglementeringen, de richtlijnen van de Maatschappij alsmede de billijkheids- en doelmatigheidsaspecten in acht nemen;2° zijn raadgevingen, adviezen, opties en verslagen formuleren op basis van een precieze, volledige en praktische voorstelling van de feiten;3° zorgvuldig, plichtsbewust en met inachtneming van de richtlijnen van de Maatschappij, de beslissingen uitvoeren en de desbetreffende programma's verwezenlijken en zelf de nodige initiatieven aan de dag leggen;4° in de omgang met meerderen, collega's of ondergeschikten en in zijn contacten met het publiek, de persoonlijke waardigheid respecteren. §
- Het statutaire personeelslid verleent zijn medewerking aan beleidsvoorbereidend werk en neemt actief deel aan teamwerk. §
- Het statutaire personeelslid vervult zijn functie met openheid en zonder enige discriminatie tegenover de gebruikers van zijn dienst. Het ziet erop toe geen enkel gegeven van persoonlijke aard dat werd ingezameld bij die gebruikers, bekend te maken tenzij aan de personen bevoegd om ervan kennis te nemen. Art. III
- §
- Buiten de uitoefening van zijn functie moet het statutaire personeelslid elke handelswijze vermijden die het vertrouwen van het publiek in zijn dienst kan aantasten. §
- Zelfs buiten zijn functie maar in verband ermee, mag het statutaire personeelslid rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Art. III
- De hoedanigheid van statutair personeelslid is onverenigbaar met elke activiteit die het statutaire personeelslid zelf of via een tussenpersoon verricht en die : 1° verhindert dat hij zijn ambtsplichten vervult;2° met de waardigheid van de functie in strijd is;3° zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengt of;4° belangenvermenging tot gevolg heeft. De cumulatie van activiteiten binnen de beperkingen van het eerste lid wordt geregeld overeenkomstig deel IV van dit besluit. DEEL IV. - CUMULATIE VAN BEROEPSACTIVITEITEN. Art. IV
- De statutaire personeelsleden mogen geen beroepsactiviteiten cumuleren. Niet bedoeld zijn evenwel de statutaire personeelsleden die toestemming kregen om hun functie met verminderde prestaties uit te oefenen waarbij zij zich tijdens hun afwezigheid in non-activiteit bevinden, op voorwaarde dat de duur van de verminderde prestaties de helft van de duur van volledige prestaties niet overschrijdt. Evenmin worden bedoeld de statutaire personeelsleden die verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan hebben overeenkomstig Deel XI, Titel XI van dit besluit. Art. IV
- Onder beroepsactiviteiten in de zin van dit besluit moet worden verstaan elke bezigheid waarvan de opbrengst een bedrijfsinkomen is als bedoeld in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en waarvan het bedrag hoger is dan het bedrag van de inkomsten die in de sociale zekerheidsregeling der zelfstandigen vrijgesteld worden van de verplichting tot bijdragebetaling.
het voorgaande lid wordt een openbaar politiek mandaat niet beschouwd als beroepsactiviteit. Hieronder dient te worden verstaan een mandaat waarvoor in toepassing van artikel XI 71 politiek verlof wordt verleend. Art. IV 3.
artikel IV 1 wordt de cumulatie van beroepsactiviteiten die inherent zijn aan het uitoefenen van de functie, van rechtswege uitgeoefend. Inherent aan het uitoefenen van de functie is elke opdracht : 1° die ingevolge een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling is gekoppeld aan de functie die door een statutair personeelslid wordt uitgeoefend;2° waarvoor het statutaire personeelslid ambtshalve wordt aangewezen door de raad van bestuur, door de minister of door de Vlaamse regering. Art. IV 4. § 1.
artikel IV 1 kan de raad van bestuur op geschreven en voorafgaande aanvraag van het statutaire personeelslid en na gemotiveerd advies van de directieraad, machtiging verlenen tot cumulatie buiten de diensturen van beroepsactiviteiten die verenigbaar zijn met de hoedanigheid van statutair personeelslid, en die zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek uitgeoefend kunnen worden. Het statutaire personeelslid richt zijn aanvraag bij aangetekende brief met ontvangstbewijs via het afdelingshoofd aan de leidend ambtenaar. De directieraad brengt zijn gemotiveerd advies uit binnen een termijn van dertig kalenderdagen nadat hij de aanvraag ontvangen heeft. De raad van bestuur doet uitspraak over de aanvraag van het statutaire personeelslid binnen een termijn van dertig kalenderdagen die volgt op de in het vorige lid vermelde termijn. Na verloop van die termijn wordt de beslissing geacht gunstig te zijn. Als de nodige inlichtingen in het dossier niet voorhanden zijn, vraagt de raad van bestuur erom binnen de in het vorige lid vermelde termijn. Het statutaire personeelslid verstrekt deze inlichtingen binnen een termijn van vijftien kalenderdagen zoniet wordt de aanvraag als vervallen beschouwd. Binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van de gevraagde inlichtingen, doet de raad van bestuur een definitieve uitspraak. § 2. De in § 1 bedoelde machtiging kan worden herroepen. De beslissingen tot machtiging, tot weigering en tot herroeping worden met redenen omkleed. § 3. De raad van bestuur bepaalt wat onder diensturen moet worden verstaan. Art. IV 5. Overtredingen op de bepalingen van dit deel geven aanleiding tot tuchtstraffen. DEEL V. - HET DOELTREFFEND INZETTEN VAN HET PERSONEEL TITEL I. - Algemene bepalingen Art. V 1. § 1. Jaarlijks in de maand januari maakt de leidend ambtenaar een verslag op over de personeelsbezetting in de Maatschappij. Het verslag wordt voorgelegd aan de raad van bestuur en ter kennis gebracht van de minister. § 2. Op basis van het in § 1 vermelde verslag stelt de directieraad het tekort aan personeel en het overtallige personeel in de Maatschappij vast en/of raamt het overtollige personeel. Het personeel is overtallig wanneer de bezetting het formatiecijfer overtreft. Het personeel is overtollig wanneer er te veel personeel is in relatie tot de behoeften of taken van de Maatschappij. Art. V 2. § 1. Onverminderd de mogelijkheid om de personeelsformatie aan te passen, wordt het personeel binnen de Maatschappij in dienst gehouden. § 2. Het tekort aan personeel in de Maatschappij wordt opgevuld via aanwervingsplannen opgesteld door de directieraad en goedgekeurd door de raad van bestuur. Art. V 3. Wanneer op verschillende wijzen in een vacante betrekking kan worden benoemd en er geen bepaling is die een bepaalde wijze voorschrijft, kiest de raad van bestuur op gemotiveerd voorstel van de directieraad, op gemotiveerde wijze hoe de betrekking moet worden opgevuld : 1° een vacante betrekking in de graad van de laagste rang van elk niveau :
- a)mutatie of
- b)bevordering van de geslaagden voor de vergelijkende overgangsexamens of
- c)aanwerving;2° een vacante betrekking in een hiërarchisch hogere graad dan de begingraad van elk niveau :
- a)mutatie of
- b)bevordering of
- c)in het niveau K, indien de keuze voor
- a)of
- b)geen geschikte kandidaten oplevert, aanwerving. Bij de beslissingen die krachtens dit artikel worden genomen, wordt rekening gehouden met de functiebeschrijving en het gewenste profiel. De functiebeschrijving en het gewenste profiel worden ter kennis gebracht van de betrokken kandidaten. De in het vorige lid bedoelde kennisgeving omvat inzake de te verlenen betrekking de volgende elementen : 1° een functiebeschrijving;2° het gewenste profiel;3° de salarisschaal;4° de datum waarop zij zal worden vacant verklaard;5° de termijn waarbinnen de kandidaturen kunnen worden ingediend;6° de wijze waarop de kandidaturen moeten worden ingediend. TITEL II. - De mutatie Art. V 4. Voor de toepassing van deze titel wordt onder mutatie verstaan, de overplaatsing binnen de Maatschappij van een statutair personeelslid met een graad tot en met rang K2 naar een betrekking met een andere administratieve standplaats, zonder dat er voor het definitief benoemde statutaire personeelslid een verandering van graad of een verhoging in graad mee gepaard gaat. Art. V 5. Onder "administratieve standplaats" wordt verstaan de plaats waar het statutaire personeelslid hoofdzakelijk zijn functie uitoefent. Onverminderd de bepalingen van deze titel, stelt de raad van bestuur de administratieve standplaats van de statutaire personeelsleden vast, alsmede de wijziging ervan. Art. V 6. De raad van bestuur verklaart de betrekkingen vacant die bij wijze van mutatie ingevuld worden. De raad van bestuur bepaalt tevens de datum waarop een betrekking zoals bedoeld in het vorige lid, vacant wordt verklaard. Art. V 7. § 1. Voor de in artikel V 6 bepaalde betrekkingen waaraan een specifieke functiebeschrijving en profiel zijn verbonden, wordt een algemene oproep tot de kandidaten gedaan. Voor de in artikel V 6 bepaalde betrekkingen waaraan geen specifieke functiebeschrijving en profiel zijn verbonden, wordt geen algemene oproep tot de kandidaten gedaan. Voor laatstgenoemde betrekkingen kan steeds een spontane mutatieaanvraag worden ingediend, zelfs vóór de in artikel V 6 bedoelde vacantverklaring door de raad van bestuur. § 2. Het statutaire personeelslid dat een mutatie wenst, moet daartoe via het afdelingshoofd een gemotiveerde aanvraag indienen bij de leidend ambtenaar. Het afdelingshoofd voegt zijn gemotiveerd advies bij de aanvraag, rekening houdend met het belang van de dienst. Art. V 8. Bij de toewijzing van de definitief vacante betrekkingen wordt enkel rekening gehouden met de aanvragen die voor de in artikel V 6, tweede lid vermelde datum aan de leidend ambtenaar zijn bezorgd. Elke aanvraag ingediend na de in het eerste lid van dit artikel vermelde termijn, is niet ontvankelijk. Art. V 9. § 1. Het statutaire personeelslid kan slechts een mutatie verkrijgen indien het : 1° geen "onvoldoende" voor zijn laatste functioneringsevaluatie heeft;2° zich in de administratieve toestand "dienstactiviteit" bevindt;3° voldoet aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om deze functie uit te oefenen. § 2. De beslissing tot mutatie houdt rekening met : 1° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat;2° de functioneringsevaluatie;3° het in artikel V 7, § 2 bedoelde vereiste advies van het afdelingshoofd. Art. V 10. Het statutaire personeelslid dat op zijn verzoek volgens de bepalingen van deze titel wordt gemuteerd, kan binnen een periode van twee jaar geen nieuwe mutatie krijgen. Dit geldt ook voor het statutaire personeelslid dat een bevordering aanvaardt in een betrekking waaraan een andere administratieve standplaats is verbonden. Bovendien is er geen mutatie mogelijk gedurende de eerste twee jaar na de indiensttreding bij de Maatschappij. Art. V 11. De raad van bestuur kan een mutatie uitstellen indien de overplaatsing van het betrokken statutaire personeelslid niet verenigbaar is met de goede werking van de dienst waarin het is tewerkgesteld. Dit uitstel kan maar maximum zes maanden duren, ingaand op de datum vermeld in artikel V 6, tweede lid. Gedurende deze periode kan er in die betrekking niet worden benoemd. Art. V 12. Als meerdere statutaire personeelsleden een mutatieaanvraag op de in deze Titel bepaalde wijze hebben ingediend, worden de openstaande betrekkingen toegekend aan de meest geschikte kandidaat, rekening houdend met : 1° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat;2° de functioneringsevaluatie. Bij gelijkwaardigheid van de kandidaten wordt de voorrang bepaald als volgt : 1° het statutaire personeelslid met de grootste graadanciënniteit;2° bij gelijke graadanciënniteit, het statutaire personeelslid met de grootste niveauanciënniteit;3° bij gelijke niveauanciënniteit, het statutaire personeelslid met de grootste dienstanciënniteit;4° bij gelijke dienstanciënniteit, het oudste statutaire personeelslid. Art. V 13. Het statutaire personeelslid dat op zijn verzoek door de raad van bestuur wordt gemuteerd, neemt zijn nieuwe dienst zo spoedig mogelijk op en in ieder geval binnen een periode van drie maanden ingaand de eerste dag van de maand na die waarin de beslissing van de raad van bestuur is genomen. In uitzonderlijke en gemotiveerde gevallen wordt de in het eerste lid vermelde termijn met drie maanden verlengd. Art. V 14. Elke mutatieaanvraag in een bepaalde graad blijft geldig zolang het statutaire personeelslid de aanvraag niet schriftelijk heeft ingetrokken. Art. V 15. De mutatieaanvragen, met uitzondering van de aanvragen voor een betrekking die wordt verleend op basis van de functiebeschrijving en het profiel, worden vermeld in het administratief jaarboek van het personeel van de Maatschappij. De statutaire personeelsleden die vaststellen dat hun mutatieaanvraag niet in het administratief jaarboek van het personeel is opgenomen, moeten de leidend ambtenaar hiervan in kennis stellen. Art. V 16. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de stagedoende statutaire personeelsleden. TITEL III. - De herplaatsing Art. V 17. De raad van bestuur kan het statutaire personeelslid dat door de arbeidsgeneeskundige dienst ongeschikt werd bevonden, maar dat opnieuw in een andere functie geplaatst kan worden die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, herplaatsen in een graad van zijn rang of van een lagere rang. Deze herplaatsing heeft de benoeming in de nieuwe graad tot gevolg. Indien de herplaatsing plaatsvindt in een graad van een lagere rang, wordt het statutaire personeelslid ingeschaald in de nieuwe salarisschaal overeenkomstig artikel XIII 19, § 2. Art. V 18. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de stagedoende statutaire personeelsleden. DEEL VI. - DE AANWERVING TITEL I. - De toelatingsvoorwaarden Art. VI 1. § 1. Voor de toegang tot een functie in de Maatschappij gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden : 1° zich gedragen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldoen;4° de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor de uit te oefenen functie. De lichamelijke geschiktheidsvereisten worden vastgesteld in de functiebeschrijving en via een door de raad van bestuur aangestelde geneeskundige dienst gecontroleerd. § 2. De functies waarvoor in de functiebeschrijving en het profiel bepaald wordt dat zij een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden, of die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Vlaamse gemeenschap en/of het Vlaamse gewest, zijn voorbehouden voor Belgen. TITEL II. - De aanwerving HOOFDSTUK I. - De aanwervingsvoorwaarden Art. VI 2. De bepalingen van deze titel zijn niet toepasselijk op de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren. Art. VI 3. § 1. Als statutair personeelslid kan enkel worden aangeworven wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, volgens de bij dit besluit gevoegde tabel als bijlage 2;2° slagen voor het voorgeschreven vergelijkend aanwervingsexamen. Houders van een diploma of getuigschrift dat toegang verleent tot een bepaald niveau, worden uitgesloten van inschrijving voor een wervingsexamen voor een lager niveau. De voorwaarde dat men geen hoger diploma of getuigschrift mag bezitten, geldt niet voor : - de diploma's die behaald werden na de inschrijving voor het wervingsexamen; - de toegang tot de niveaus U en W waarvoor bepaalde diploma's of getuigschriften wel in aanmerking worden genomen indien dit wordt vereist in de functiebeschrijving of het examenreglement. § 2. De raad van bestuur stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden, onverminderd de toepassing van artikel VI 4, § 2, wat betreft het bezit van het vereiste diploma of studiegetuigschrift. Art. VI 5. § 1. In overeenstemming met de aard van de functie en op basis van de functiebeschrijving en het competentieprofiel, kan de raad van bestuur bijzondere aanwervingsvoorwaarden opleggen zoals : 1° een minimum- en/of maximumleeftijdsgrens;2° bijzondere eisen inzake beroepsbekwaamheid en/of lichamelijke geschiktheid;3° het bezit van diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen onder die welke zijn opgesomd in de tabel van bijlage 2 bij dit besluit, of van bijzondere studie- of opleidingsdiploma's of getuigschriften. § 2. De raad van bestuur stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de bijzondere aanwervingsvoorwaarden. HOOFDSTUK II. - De vergelijkende aanwervingsexamens Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. VI 6. De raad van bestuur organiseert de vergelijkende aanwervingsexamens. De raad van bestuur kondigt elk vergelijkend aanwervingsexamen aan door elk middel van bekendmaking dat hij passend vindt. Het bericht vermeldt ten minste de algemene en eventueel ook de bijzondere vereisten waaraan de gegadigden moeten voldoen om benoemd te kunnen worden en de datum waarop de vereisten vervuld moeten zijn. Art. VI 7. § 1. De raad van bestuur bepaalt de modaliteiten van de vergelijkende aanwervingsexamens. Hij kan de organisatie en de bepaling van de modaliteiten van die vergelijkende examens echter geheel of gedeeltelijk opdragen aan de leidend ambtenaar of aan de adjunct-leidend ambtenaren. Hij kan ook de Vast Wervingssecretaris vragen sommige examens geheel of gedeeltelijk te organiseren. § 2. Onder de in § 1 bedoelde modaliteiten wordt verstaan : 1° de vaststelling van het huishoudelijk reglement betreffende de organisatie van de examens en de bekendmaking ervan;2° de vaststelling van het examenreglement waarin de volgende elementen worden vastgesteld :
- a)de termijn waarbinnen de inschrijvingen kunnen worden aanvaard;
- b)het examenprogramma, de deelnemingsvoorwaarden en de datum waarop aan deze voorwaarden moet worden voldaan;
- c)het cijfer punten dat aan het volledig examen, aan ieder examengedeelte en eventueel aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend;
- d)het minimum cijfer punten dat voor het volledig examen, voor ieder examengedeelte en eventueel voor de onderverdelingen ervan wordt vereist;3° de aanwijzing van de leden van de examencommissies;4° de bepaling van datum en plaats van het examen;5° de vaststelling van de lijst van de kandidaten;6° de oproeping van de kandidaten;7° het opmaken van het proces-verbaal dat de rangschikking van de geslaagden vaststelt;8° de kennisgeving aan de kandidaten van het behaalde resultaat. § 2. De raad van bestuur bepaalt de samenstelling van de examencommissies. Art. VI 8. De vergelijkende aanwervingsexamens worden georganiseerd voor benoeming in de graden van de laagste rang van elk niveau en in de graden van de andere rangen van het niveau K waarvoor de raad van bestuur overeenkomstig artikel V 3 tot aanwerving heeft beslist. Afdeling 2. - Het programma Art. VI 9. De raad van bestuur stelt de programma's van de vergelijkende aanwervingsexamens vast. De programma's toetsen de vereiste geschiktheid van de kandidaten om de te verlenen functie uit te oefenen. Voor een zelfde graad kunnen het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen en dat van het vergelijkend examen voor overgang naar het ander niveau verschillend zijn. Art. VI 10. De vergelijkende aanwervingsexamens bestaan uit drie onderdelen : 1° een onderdeel om de basisvaardigheden voor het uitoefenen van de te verlenen graad, te evalueren;2° een onderdeel om de vaardigheden tot schriftelijke communicatie te evalueren;3° een onderdeel bestaande uit een interview om na te gaan of het profiel van de kandidaat overeenstemt met de specifieke vereisten van de functie. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor de reeds georganiseerde onderdelen, kunnen tot het volgende onderdeel worden toegelaten. Wanneer de aard van de functies het wettigt, kan het vergelijkend aanwervingsexamen worden beperkt tot een of twee onderdelen. Art. VI 11. De raad van bestuur bepaalt de duur en de volgorde van de verschillende examenonderdelen. Een mondeling examen wordt afgenomen in aanwezigheid van ten minste twee bijzitters. Art. VI 12. Ieder gegadigde die zich voor een vergelijkend aanwervingsexamen inschrijft, ontvangt op aanvraag het reglement. Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen Art. VI 13. De raad van bestuur kan, rekening houdend met de aanwervingsvooruitzichten gedurende de geldigheidstermijn van het examen, het maximum aantal kandidaten bepalen dat : - tot een volgend examengedeelte wordt toegelaten; - als geslaagd voor het volledig examen aanvaard kan worden. Het in het eerste lid bedoelde maximum wordt opgenomen in het examenreglement. Dit maximum wordt verminderd indien niet voldoende kandidaten het vastgestelde minimum aantal punten hebben behaald. Het wordt verhoogd indien voor de laatste plaats meerdere kandidaten een gelijk aantal punten hebben behaald. Art. VI 14. § 1. Indien de mogelijkheid in het examenreglement is opgenomen, kan de raad van bestuur, wanneer hij oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten het rechtvaardigt, na het afsluiten van de inschrijvingen aan het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen een voorselectie toevoegen. § 2. De examencommissie stelt op basis van de uitslagen van de voorselectie het aantal kandidaten vast dat tot het vergelijkend aanwervingsexamen kan worden toegelaten. § 3. Voor de rangschikking van de geslaagden voor het vergelijkend aanwervingsexamen wordt geen rekening gehouden met het resultaat van de voorselectie. Art. VI 15. De examencommissie stelt in het proces-verbaal van het examen de lijst van de geslaagden vast met vermelding van hun rangschikking. De eindrangschikking van het volledig examen wordt opgemaakt volgens het totaal aantal behaalde punten. De geldigheidsduur van het examen begint te lopen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van de beslissing van de raad van bestuur tot opname van de geslaagden in de wervingsreserve. Art. VI 16. Indien voor een bepaalde betrekking bijzondere bijkomende vereisten worden gesteld, kunnen de in een bestaande reserve opgenomen kandidaten onderworpen worden aan een bijkomende selectietest. De geslaagden voor deze test worden voor deze betrekking opgenomen in een bijkomende afzonderlijke rangschikking in volgorde van de door hen behaalde punten. Art. VI 17. Wanneer vergelijkende aanwervingsexamens georganiseerd worden voor graden van eenzelfde rang of van verschillende rangen volgens geheel of gedeeltelijk gelijke examenprogramma's, kan de raad van bestuur een aanwervingsexamen organiseren bestaande uit een gemeenschappelijk gedeelte en uit afzonderlijke gedeelten voor elk van de betrokken graden. Art. VI 18. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend aanwervingsexamen vergewist de raad van bestuur zich ervan dat de geslaagden aan de gestelde vereisten voldoen. Indien blijkt dat nader onderzoek moet worden verricht omtrent het voldoen aan de gestelde eisen van een bepaalde kandidaat, wordt de kandidaat hiervan in kennis gesteld en voorlopig uitgesloten. Art. VI 19. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend examen worden de geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, door de raad van bestuur opgenomen in een wervingsreserve in de orde van hun rangschikking. De geslaagden die voorlopig werden geweerd doch naderhand aan de gestelde eisen voldoen, worden opgenomen in de wervingsreserve. Zij die aan deze eisen niet voldoen, worden uitgesloten. Art. VI 20. De geslaagde die, vooraleer hem een betrekking wordt aangeboden, wegens persoonlijke redenen uitstel van indiensttreding vraagt, verliest het voordeel van zijn plaats in de rangschikking. Na het intrekken van zijn uitstel neemt hij zijn oorspronkelijke plaats in de rangschikking opnieuw in. Art. VI 21. De geslaagde die een betrekking aangeboden krijgt op basis van zijn vooraf kenbaar gemaakte voorkeur en deze betrekking weigert, verliest het voordeel van zijn rangschikking. Art. VI 22. De geslaagden voor een vergelijkend aanwervingsexamen behouden het voordeel van hun uitslag gedurende vier jaar te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van de beslissing van de raad van bestuur tot opname van de geslaagden in de wervingsreserve, tenzij de raad van bestuur een andere termijn heeft vastgesteld, welke in het examenreglement wordt bepaald. Achteraf kan de raad van bestuur de geldigheidsduur van de wervingsreserve verlengen, doch enkel om redenen die verband houden met de goede werking van de dienst. Onder geslaagden van twee of meer examens wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het examen waarvan het proces-verbaal het vroegst is afgesloten. TITEL III. - De aanwerving van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren Art. VI 23. Als leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaar kunnen enkel worden aangeworven wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de in artikel VI 1 bepaalde toelatingsvoorwaarden vervullen;2° aan de hiernavolgende bijzondere aanwervingsvoorwaarden voldoen :
- a)in het bezit zijn van een diploma dat toegang verleent tot niveau K volgens de als bijlage 4 bij dit besluit gevoegde tabel;
- b)slagen voor een selectieproef, uitgevoerd door een extern advieskantoor of door het Vast Wervingssecretariaat, waarbij wordt nagegaan of de kandidaat over voldoende leidinggevende capaciteiten beschikt. Art. VI 24. § 1. De Vlaamse regering verklaart de betrekkingen van leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaar vacant. § 2. De kennisgeving van de vacature vindt plaats via een publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. § 3. Het vacaturebericht omvat inzake de te verlenen betrekkingen de volgende elementen : 1° de toelatings- en aanwervingsvoorwaarden;2° een functiebeschrijving;3° het gewenste profiel;4° de salarisschaal;5° de termijn en de modaliteiten voor het indienen van de kandidaatstelling, overeenkomstig de bepalingen van § 4 en in voorkomend geval de over te leggen stukken. § 4. Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling beantwoorden aan de voorschriften van het vacaturebericht, en per aangetekende brief worden ingediend binnen dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad. Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken. TITEL IV. - De aanwerving van personen met een handicap Art. VI 25. Deze titel stelt de bepalingen inzake aanwerving vast die
het statuut van het statutaire personeelslid worden getroffen om de aanwerving van personen met een handicap bij de Maatschappij te bevorderen. Zij zijn van toepassing op personen met een handicap die zijn ingeschreven bij het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap, hierna te noemen het VFSIPH. Art. VI
- §
- De gerechtigde op deze titel moet voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden voor het statutaire personeelslid. Evenwel worden bij de organisatie van het vergelijkend aanwervingsexamen de hinderpalen verbonden aan de handicap zoveel mogelijk weggewerkt door het aanbieden van aangepaste faciliteiten. § 2.
§ 1
, eerste lid, wordt het statutaire personeelslid dat in aanmerking komt voor een betrekking in het niveau U en W, vrijgesteld van het vergelijkend aanwervingsexamen. Art. VI
- Het contingent personen met een handicap dat prioritair en op basis van de vacatures, binnen het niveau U en W werk krijgt, bedraagt twee procent van het aantal betrekkingen op de personeelsformatie. Art. VI
- §
- Zolang het contingent niet bereikt is, onderzoekt de directieraad in overleg met het VFSIPH en op basis van de functiebeschrijving van de vacature en de profielvereisten van de kandidaat, welke personen met een handicap in aanmerking komen voor de vacatures. §
- De namen van de geselecteerde personen met een handicap worden samen met een gemotiveerd verslag voor beslissing aan de raad van bestuur voorgelegd. TITEL V. - Overgangs- en opheffingsbepalingen Art. VI
- De geslaagden voor een vergelijkend aanwervingsexamen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit opgenomen zijn in een bij de Maatschappij voor een bepaalde graad bestaande wervingsreserve, worden ambtshalve opgenomen in een wervingsreserve voor een graad die met toepassing van artikel VIII 75, eerste en tweede lid, de vroegere graad vervangt waarvoor zij het vergelijkend examen hebben afgelegd. Onverminderd de bepalingen van artikel VI 22 behouden zij het voordeel van hun uitslag gedurende vier jaar te rekenen vanaf de datum waarop dit besluit in werking treedt. Art. VI 30 Het besluit van de Vlaamse regering van 5 augustus 1988 tot vaststelling van sommige bepalingen van het administratief statuut van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, wordt opgeheven. DEEL VII. - DE STAGE EN DE DEFINITIEVE BENOEMING TITEL I. - De stage HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. VII
- De raad van bestuur stelt de geslaagden van een vergelijkend aanwervingsexamen die aan de gestelde eisen voldoen, in de orde van hun rangschikking aan tot stagedoend statutair personeelslid in een vaste openstaande betrekking van de graad waarnaar zij hebben meegedongen. Art. VII
- Het stagedoende statutaire personeelslid wordt geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. VII
- De geslaagde voor een vergelijkend aanwervingsexamen mag pas tot de stage toegelaten worden nadat zijn lichamelijke geschiktheid is gecontroleerd. HOOFDSTUK II. - Nadere bepalingen Art. VII
- De raad van bestuur organiseert de stage. Ze verloopt onder leiding van de opdrachthouder voor de vorming. Art. VII
- De directieraad kan op elk ogenblik tijdens de stage bij gemotiveerde beslissing de dienstaanwijzing van het stagedoende statutaire personeelslid wijzigen. HOOFDSTUK III. - Duur van de stage Art. VII
- De duur van de stage bedraagt : 1° in niveau K :12 maanden;2° in niveau Ma : 9 maanden;3° in niveau Mb : 6 maanden;4° in niveau U : 6 maanden;5° in niveau W : 6 maanden. Art. VII
- §
- Om de duur van de verrichte stage te berekenen, worden alle perioden waarin het stagedoende statutaire personeelslid in actieve dienst is, in aanmerking genomen. §
- Het stagedoende statutaire personeelslid beschikt over een bonus aan werkdagen afwezigheid die niet meetelt bij het berekenen van de duur van de stage, zoals hierna vermeld naast de stageduur : 1° 12 maanden : 25 werkdagen;2° 9 maanden : 20 werkdagen;3° 6 maanden : 15 werkdagen. Deze bonus kan in één keer of gefractioneerd gebruikt worden. In deze bonus wordt geen rekening gehouden met de jaarlijkse vakantie. §
- Afwezigheid boven de in § 2 vermelde bonus, zelfs de afwezigheid die met dienstactiviteit gelijkgesteld wordt, heeft schorsing van de stage tot gevolg. §
- Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagedoend statutair personeelslid; zijn administratieve toestand wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die op hem van toepassing zijn tijdens zijn afwezigheid. §
- Tijdens de periode waarin de einddatum van de stage overschreden wordt, behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagedoend statutair personeelslid. HOOFDSTUK IV. - Programma Art.VII
- Het stageprogramma wordt opgenomen in de functiebeschrijving. HOOFDSTUK V. - Evaluatie van het stagedoende statutaire personeelslid Afdeling
- - Evaluatie Art. VII
- Elk stagedoend personeelslid wordt begeleid door een statutair personeelslid van zijn afdeling, hierna te noemen de stagebegeleider. Art. VII
- Na een gesprek met het stagedoende statutaire personeelslid, maakt het afdelingshoofd om de drie maanden voor het stagedoende statutaire personeelslid van niveau Ma, Mb, U en W en om de zes maanden voor het stagedoende statutaire personeelslid van niveau K, een verslag op van de wijze waarop het stagedoende statutaire personeelslid de hem opgedragen taken heeft vervuld. Ieder stageverslag wordt onverwijld ter kennisgeving aan het betrokken stagedoend statutair personeelslid opgestuurd dat dit viseert. Als de betrokkene het stageverslag niet wil of kan viseren, wordt het hem bij aangetekende brief opgestuurd. Het stagedoende statutaire personeelslid kan binnen twee werkdagen na visering of ontvangst van het stageverslag, er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegen. Het stageverslag en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen. Art. VII
- Als in het eindverslag van de stage een negatieve evaluatie van de stage met voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid wordt gegeven, kan het stagedoende statutaire personeelslid dat deze evaluatie betwist, bij aangetekend schrijven binnen vijftien kalenderdagen volgend op de visering of ontvangst van het stageverslag, beroep aantekenen bij de raad van beroep. De raad van beroep brengt binnen de dertig kalenderdagen nadat de zaak aanhangig gemaakt werd, een met redenen omkleed advies uit bij de raad van bestuur. Als de raad van beroep verzuimt het in het vorige lid bepaalde te respecteren, behandelt men het beroep alsof er een voor de verzoeker gunstig advies werd gegeven. Art. VII
- De raad van bestuur beslist over de definitieve benoeming. Afdeling
- - Ongeschiktheid van het stagedoende statutaire personeelslid Art. VII
- De raad van bestuur kan het stagedoende statutaire personeelslid dat een negatieve evaluatie zoals bedoeld in artikel VII 11, eerste lid, heeft gekregen, wegens beroepsongeschiktheid ontslaan. Met ingang van de eerste werkdag volgend op de beslissing tot ontslag, wordt met het stagedoende statutaire personeelslid een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden afgesloten die overeenstemt met een opzeggingstermijn van dezelfde duur. Eventueel kan de opzeggingsperiode verlengd worden zo lang als nodig is opdat het betrokken statutaire personeelslid in orde kan zijn met de wetgeving inzake sociale zekerheid. Art. VII
- §
- Voor elke zware fout begaan tijdens de stage kan het stagedoende statutaire personeelslid zonder opzegging worden ontslaan. Een zware fout moet door een hiërarchische meerdere van niveau K binnen drie werkdagen vastgesteld worden. Deze laatste hoort, samen met de directieraad, het stagedoende statutaire personeelslid binnen de in het vorige lid vermelde tijdspanne. Het stagedoende statutaire personeelslid kan zich hierbij laten bijstaan door een raadgever. Van de verklaring van het stagedoende statutaire personeelslid wordt een verslag gemaakt. Behoudens in geval van aanmaning, motiveert de directieraad binnen drie werkdagen na het horen van het stagedoende statutaire personeelslid, in een aangetekende brief het voorstel tot ontslag om dringende redenen. §
- Het ontslag wordt uitgesproken door de raad van bestuur op gemotiveerd voorstel van de directieraad. TITEL II. - De definitieve benoeming Art. VII
- §
- Tot definitief benoemd statutair personeelslid kan enkel worden benoemd wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de voor de te verlenen betrekking bepaalde toelatingsvoorwaarden vervullen en aan de aanwervingsvoorwaarden voldaan hebben;2° met goed gevolg de stage volbracht hebben;3° lichamelijk geschikt bevonden zijn. § 2.
§ 1
, 2°, doorlopen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren geen stage. Art. VII 16. De tot benoemen bevoegde overheid is de raad van bestuur. De raad van bestuur kan zijn bevoegdheid tot benoemen geheel of gedeeltelijk delegeren aan de leidend ambtenaar.
het eerste lid van dit artikel worden de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren benoemd door de Vlaamse regering op advies van de raad van bestuur. Art. VII
- De raad van bestuur benoemt het stagedoende statutaire personeelslid definitief in de graad waarin hij tot de stage toegelaten werd op basis van het eindverslag van de stage of na het advies van de raad van beroep bedoeld in artikel VII 11, tweede lid. Art. VII
- Voor de berekening van de administratieve anciënniteiten wordt uitgegaan van de dag waarop het stagedoende statutaire personeelslid zijn stage is begonnen. Art. VII
- Het stagedoende statutaire personeelslid legt, wanneer het tot de stage wordt toegelaten, de eed af in handen van de leidend ambtenaar. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren leggen de eed af in handen van de minister. Art. VII
- De eed luidt als volgt : "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk". Art. VII
- Als de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar of het stagedoende statutaire personeelslid weigert de voormelde eed af te leggen, is zijn aanstelling van rechtswege nietig. TITEL III. - Overgangsbepaling Art. VII
- Het stagedoende statutaire personeelslid dat tot de stage toegelaten werd voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, zet zijn stage voort overeenkomstig de reglementaire bepalingen die van kracht waren op de datum van het begin van de stage. DEEL VIII. - DE ADMINISTRATIEVE LOOPBAAN TITEL I. - De personeelsformatie en de hiërarchie van de graden Art. VIII
- De personeelsformatie is de lijst van het aantal betrekkingen die de Maatschappij nodig heeft om haar maatschappelijke opdracht, zoals bepaald bij het decreet van 28 juni 1983 houdende oprichting van de instelling Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, zoals gewijzigd bij decreet van 7 juli 1998 tot wijziging en opheffing van sommige bepalingen van decreten en wetten betreffende sommige Vlaamse openbare instellingen en tot opheffing van wettelijke bepalingen inzake prioritaire aanwerving bij de Vlaamse openbare instellingen, uit te voeren. Art. VIII
- §
- De personeelsformatie stelt het aantal betrekkingen vast per niveau, per graad en per rang. §
- De raad van bestuur stelt voor de Maatschappij een organogram op. Art. VIII
- De hiërarchie van de graden omvat vijf niveaus en 11 rangen. Art. VIII
- Onverminderd de bepalingen van artikel VI 3, § 1, 2°, zijn de vijf niveaus binnen de Maatschappij, die overeenstemmen met het ernaast vermelde vereiste onderwijsniveau, de volgende : 1° niveau K : universitair onderwijs en hoger onderwijs van twee cycli gelijkgesteld met universitair niveau;2° niveau Ma : hoger onderwijs van één cyclus of daarmee gelijkgesteld onderwijs;3° niveau Mb : secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld onderwijs;4° niveau U : geen diplomavereisten;5° niveau W : geen diplomavereisten. Art. VIII
- De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad binnen zijn niveau. Elke rang wordt aangeduid met een letter en een cijfer. De letter geeft het niveau aan, het cijfer situeert de rang in zijn niveau. De vijf niveaus omvatten het volgende aantal rangen : 1° niveau K : vier rangen, genummerd K1, K2, K2A, K3 2° niveau Ma : twee rangen, genummerd Ma1 en Ma2 3° niveau Mb : twee rangen, genummerd Mb1 en Mb2 4° niveau U : twee rangen, genummerd U1 en U2 5° niveau W : één rang, genummerd als W
- Binnen elk niveau worden de rangen genummerd volgens hun plaats in de hiërarchie, waarbij de hoogste rang het hoogste cijfer toegewezen krijgt. Binnen niveau K is de rang K2A hoger dan de rang K2 en lager dan de rang K3 Art. VIII
- De graad is de titel die het statutaire personeelslid in een rang situeert en hem machtigt tot het bekleden van een betrekking die met de graad overeenstemt. De graden van eenzelfde hiërarchische rang zijn gelijkwaardige graden. Binnen elke graad kan de raad van bestuur functiebenamingen vaststellen. Art. VIII
- De graden worden over de verschillende niveaus en rangen verdeeld zoals bepaald in bijlage 3 bij dit besluit. TITEL II. - De functioneringsevaluatie HOOFDSTUK I. - Definities en toepassingsgebied Art. VIII
- §
- Voor de toepassing van deze titel van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de functioneringsevaluatie : het beoordelen van het functioneren van de functiehouder in de huidige functie ten opzichte van vooraf bepaalde verwachtingen; In het begin van de evaluatieperiode worden de verwachtingen ten aanzien van resultaten en functioneren bepaald (de planning). Na afloop van de evaluatieperiode worden de resultaten en het functioneren beoordeeld ten opzichte van deze verwachtingen (vaststelling van de evaluatie). 2° de functiebeschrijving : de beschrijving van een aantal relatief permanente aspecten van een functie zoals het doel van de functie, de resultaatgebieden en de functioneringscriteria. De resultaatgebieden zijn de explicitering op welke domeinen welke resultaten verwacht worden in de functie (het « wat »). De functioneringscriteria zijn die criteria bepalend voor het goed uitoefenen van een functie (het « hoe »). De onderscheiden criteria worden opgenomen in een algemene lijst zoals vastgesteld in bijlage 7 bij dit besluit; 3° de hiërarchische meerdere : enerzijds de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar en de afdelingshoofden ten overstaan van de onder hun gezag staande personeelsleden, en anderzijds het personeelslid dat is aangewezen door het afdelingshoofd of de adjunct-leidend ambtenaar, of bij ontstentenis door de leidend ambtenaar, om gezag uit te oefenen over een aantal personeelsleden met een lagere rang dan de zijne en in uitzonderlijke gevallen over personeelsleden van zijn rang.De aanwijzing als hiërarchische meerdere over personeelsleden met dezelfde rang dient gemotiveerd te worden en ter bekrachtiging voorgelegd te worden aan de directieraad. De onmiddellijk hiërarchische meerdere is de hiërarchische meerdere die het dichtst in rang staat tot het onder zijn gezag staand personeel. Hij treedt op als eerste evaluator. §
- De functioneringsevaluatie is verplicht voor elk statutair personeelslid dat in het evaluatiejaar minimum drie maanden in actieve dienst is geweest. HOOFDSTUK II. - Inhoud van de functioneringsevaluatie Art. VIII
- De functioneringsevaluatie dient op een zorgvuldige wijze te gebeuren. Art. VIII
- §
- Een opleiding tot evaluator is verplicht voor alle statutaire personeelsleden die met functioneringsevaluatie belast zijn. Alleen de functioneringsevaluaties opgemaakt door statutaire personeelsleden die deze opleiding hebben gevolgd, zijn geldig. §
- De evaluatoren worden geëvalueerd op de kwaliteit van de functioneringsevaluaties die zij opmaken. §
- In het begin van elke evaluatieperiode bespreekt de geëvalueerde met de 1° evaluator de concrete verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren. De formele vaststelling door de evaluatoren van deze verwachtingen qua resultaten en functioneren dient ook schriftelijk aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. Bij de planning van de prestaties wordt vertrokken van alle beschikbare informatie over de functie, zoals onder meer de resultaatgebieden en de functioneringscriteria, de resultaten van voorbije evaluaties en de doelstellingen van de entiteit. De geëvalueerde krijgt inzage in de functiebeschrijving en de doelstellingen van de eerste evaluator van de naasthogere rang. §
- Vanwege onvoorziene wijzigingen in de doelstellingen of de organisatie van de werkzaamheden, kunnen de verwachtingen qua resultaten en functioneren van de geëvalueerde aangepast worden. Deze aanpassing dient op dezelfde zorgvuldige manier te worden besproken en toegelicht als bij het begin van de evaluatieperiode. Zij dient ook schriftelijk aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. §
- Na afloop van elke evaluatieperiode wordt de geëvalueerde uitgenodigd voor een evaluatiegesprek. Tijdens dit evaluatiegesprek geeft de geëvalueerde ook zijn eigen visie weer op zijn functioneren tijdens de evaluatieperiode. Het evaluatiegesprek wordt gevoerd tussen de geëvalueerde en één evaluator. Op verzoek van de geëvalueerde of één van zijn evaluatoren, gebeurt het evaluatiegesprek met de twee evaluatoren. §
- Na het evaluatiegesprek stellen de evaluatoren het definitieve beschrijvende evaluatieverslag op. Het beschrijvend verslag omvat geen samenvattende waardering of einduitspraak over de geëvalueerde, behalve indien de evaluatoren oordeelt (oordelen) dat hij de vermelding « onvoldoende » verdient. De geëvalueerde kan zijn opmerkingen toevoegen aan het verslag. Art. VIII
- De raad van bestuur bepaalt de modaliteiten voor het vaststellen van de functiebeschrijving, de functioneringscriteria en het evaluatieverslag.
het eerste lid bepaalt de Vlaamse regering, na overleg met de raad van bestuur, de modaliteiten voor het vaststellen van de functiebeschrijving, de functioneringscriteria en het evaluatieverslag voor de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren. HOOFDSTUK III. - Het evaluatiedossier Art. VIII
- Over elk statutair personeelslid wordt jaarlijks een individueel evaluatiedossier aangelegd. Het omvat : 1° de functiebeschrijving als relatief permanente basis;2° de beschrijving van de verwachtingen ten aanzien van resultaten en functioneren in de evaluatieperiode, zoals geformuleerd in het begin van deze periode of gedurende deze periode, zoals bedoeld in artikel VIII 10,§ 4;3° de persoonlijke notities zoals bedoeld in artikel VIII 15 en 18 en de opmerkingen die het statutaire personeelslid erbij heeft geformuleerd;4° de uitslagen die het belanghebbend statutair personeelslid tijdens dat jaar heeft behaald in de loopbaanexamens;5° de definitief beschrijvende evaluatieverslagen, en hun bijlagen;6° de beslissingen in beroep zoals bedoeld in de artikelen VIII 20 en VIII 21;7° de staat van tuchtstraffen uitgesproken in het evaluatiejaar, vermeld in artikel IX
- Het evaluatiedossier is ter beschikking van alle instanties bevoegd voor het individueel personeelsbeheer Art. VIII
- Geen enkel document kan in het evaluatiedossier worden opgenomen zonder dat het belanghebbend statutair personeelslid voor kennisneming heeft getekend. Art. VIII
- Elk statutair personeelslid kan op elk ogenblik kennis nemen van zijn evaluatiedossier. Art. VIII
- De persoonlijke notities bedoeld in artikel VIII 12 handelen over behaalde resultaten en/of over het functioneren. Zij handelen eventueel over gebeurtenissen of gedragingen buiten de dienst die de uitoefening van de functie kunnen beïnvloeden of in het gedrang brengen. HOOFDSTUK IV. - De evaluatieperiode Art. VIII
- §
- De evaluatie vindt jaarlijks plaats. Voor elk statutair personeelslid loopt het evaluatiejaar van 1 januari tot en met 31 december. §
- De evaluatiegesprekken over het afgelopen evaluatiejaar starten in de maanden januari en februari van het volgende jaar. De evaluatie gaat ook door indien tijdens de maanden januari en februari : - de geëvalueerde niet beschikbaar is; - het te horen personeelslid of leden van de directieraad of raad van bestuur niet bereikbaar zijn. §
- Het statutaire personeelslid dat tijdens het jaar slechts gedeeltelijk in dienst is, wordt geëvalueerd voor de duur van deze periode. §
- Het stagedoende statutair personeelslid dat in de loop van het jaar definitief benoemd wordt, wordt geëvalueerd voor de periode vanaf de vaste benoeming tot het einde van het jaar. §
- Het statutaire personeelslid met verlof voor opdracht zoals bedoeld in Deel XI, titel 12, behoudt
artikel VIII 8, § 2 zijn laatste functioneringsevaluatie die hem in de Maatschappij werd gegeven voor zijn opdracht. § 6. Het statutaire personeelslid dat tijdens de evaluatieperiode met verlof voor loopbaanonderbreking gaat, wordt geëvalueerd op het eerstvolgende evaluatietijdstip over de periode dat hij effectief in dienst was.
artikel VIII 8, § 2, behoudt hij deze evaluatie voor de duur van zijn loopbaanonderbreking. HOOFDSTUK V. - De instanties bevoegd voor het opmaken van het evaluatieverslag en van de persoonlijke notities Afdeling
- - De instanties bevoegd voor het opmaken van de evaluaties Art.VIII
- §
- De raad van bestuur wijst de statutaire personeelsleden aan die bevoegd zijn om de statutaire personeelsleden te evalueren. Alle personeelsleden van rang K2 en lager worden geëvalueerd door minstens twee hiërarchische meerderen. De evaluatoren behoren tot minstens twee verschillende rangen. §
- De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren worden geëvalueerd door de Vlaamse regering. Aan de hand van een evaluatierapport opgesteld door een hem aangewezen extern bureau, formuleert de raad van bestuur hiertoe een voorstel tot evaluatie dat hij bezorgt aan de Vlaamse regering. De regering hecht binnen dertig kalenderdagen al dan niet haar goedkeuring aan dit voorstel. Afdeling
- - De instanties bevoegd voor het opmaken van persoonlijke notities Art.VIII
- De raad van bestuur wijst de statutaire personeelsleden aan die bevoegd zijn om persoonlijke notities op te maken. De raad van bestuur maakt de persoonlijke notities op met betrekking tot de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren. HOOFDSTUK VI. - Procedurevoorschriften Afdeling
- - Procedurevoorschriften in verband met de evaluatie Art. VIII
- De procedurevoorschriften in verband met de functioneringsevaluatie worden door de raad van bestuur vastgesteld.
het eerste lid stelt de Vlaamse regering, in overleg met de raad van bestuur, de procedurevoorschriften op in verband met de functioneringsevaluatie van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren. Afdeling 2. - Beroep tegen de evaluatie Art. VIII 20. § 1. Het statutaire personeelslid van rang K2 en lager dat niet mee kan instemmen met het feit dat zijn beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding « onvoldoende » of met de beslissing van de directieraad tot loopbaanvertraging, kan binnen vijftien kalenderdagen na de mededeling van het beschrijvend evaluatieverslag of van de beslissing tot loopbaanvertraging, hoger beroep instellen bij de raad van beroep Het beroepschrift wordt aangetekend verstuurd of tegen ontvangstbewijs ingediend. § 2. Het beroep is opschortend. § 3. De raad van beroep kan de betrokken evaluatoren horen en om uitleg vragen. § 4. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift. Als er geen advies is binnen de vooropgestelde termijn, wordt het beroep behandeld alsof er een gunstig advies werd gegeven. § 5. Het dossier wordt vervolgens binnen dertig kalenderdagen voorgelegd aan de raad van bestuur die bevoegd is voor de definitieve beslissing terzake. Terzelfder tijd wordt het advies aan de verzoeker gestuurd. De raad van bestuur beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is. Art. VIII 21. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar die er niet mee kunnen instemmen dat hun beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding « onvoldoende » kunnen de zaak binnen vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend evaluatieverslag aanhangig maken bij de Vlaamse regering. De Vlaamse regering kan de leidend ambtenaar wat de adjunct-leidend ambtenaar betreft en de adjunct-leidend ambtenaar wat de leidend ambtenaar betreft, alsook leden van de raad van bestuur horen en om uitleg vragen. De minister neemt in dit geval niet aan de beraadslaging deel. De beslissing in beroep van de Vlaamse regering is bindend. De Vlaamse regering beslist binnen dertig kalenderdagen; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing werd genomen. TITEL III. - Anciënniteit en rangschikking Art. VIII 22. § 1. Voor het statutaire personeelslid bestaan de volgende administratieve anciënniteiten : 1° graadanciënniteit;2° niveauanciënniteit;3° dienstanciënniteit;4° schaalanciënniteit. § 2. Voor de toepassing van de reglementaire bepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt onder de statutaire personeelsleden van wie de anciënniteit moet worden vergeleken, de voorrang als volgt bepaald : 1° het statutaire personeelslid met de grootste graadanciënniteit;2° bij gelijke graadanciënniteit, het statutaire personeelslid met de grootste niveauanciënniteit;3° bij gelijke niveauanciënniteit, het statutaire personeelslid met de grootste dienstanciënniteit;4° bij gelijke dienstanciënniteit, het oudste statutaire personeelslid. Art. VIII 23. § 1. De graad- en niveauanciënniteit bestaan uit de werkelijke diensten die het statutaire personeelslid als stagedoend statutair en als definitief benoemd statutair personeelslid heeft verricht als lid van het personeel van de Maatschappij en als titularis van een functie met volledige prestaties. § 2. Voor de graadanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop het statutaire personeelslid is benoemd in de graden die door de reglementering in aanmerking worden genomen voor toegang tot een andere graad. § 3. Voor de niveauanciënniteit worden in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop het statutaire personeelslid is benoemd in een graad van het betreffende niveau. Art. VIII 24. De dienstanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die het statutaire personeelslid in welke hoedanigheid ook heeft verricht als lid van het personeel van de Maatschappij en als titularis van een functie met volledige prestaties. Art. VIII 25. De schaalanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die het statutaire personeelslid als stagedoend statutair en als definitief benoemd statutair personeelslid heeft verricht in een bepaalde salarisschaal als lid van het personeel van de Maatschappij en als titularis van een functie met volledige prestaties; zij wordt opgebouwd overeenkomstig artikel VIII 56, § 2. Art. VIII 26. § 1. Het statutaire personeelslid wordt geacht werkelijke diensten te verrichten, zolang het zich bevindt in de administratieve toestand dienstactiviteit of disponibiliteit wegens ziekte. § 2. Volledig zijn de prestaties die overeenstemmen met een prestatieduur van gemiddeld 38 uur per week. Art. VIII 27. De graad-, de niveau-, de dienst- en de schaalanciënniteit worden uitgedrukt in jaren en volle kalendermaanden. Zij beginnen op de eerste dag van een maand. De gedeelten van maanden worden weggelaten en de anciënniteiten beginnen in dat geval op de eerste dag van de volgende maand. Art. VIII 28. Voor de toepassing van artikel VIII 27 op de statutaire personeelsleden die toestemming kregen om met toepassing van Titel IX van Deel XI hun functie met verminderde prestaties uit te oefenen, gebeurt de pro rata berekening van de non-activiteit als volgt : 1° prestaties van 1976 uur arbeid worden geteld voor twaalf volle kalendermaanden;2° prestaties van een twaalfde van 1976 uur arbeid worden geteld als één volle kalendermaand, waarbij elk uurgedeelte vervalt;3° de werkelijke diensten die niet de eerste dag van de maand begonnen zijn of die voor de laatste dag van de maand beëindigd zijn, vervallen. TITEL IV. - De hiërarchische loopbaan van het statutaire personeelslid HOOFDSTUK I. - Definities en algemene bepalingen Art. VIII 29. § 1. Bevordering is de benoeming van een statutair personeelslid in een graad van een hogere rang. § 2. Er zijn twee soorten van bevordering : 1° de bevordering door verhoging in graad in eenzelfde niveau;2° de bevordering door overgang naar een ander niveau. Art. VIII 30. § 1. De bevordering door verhoging in graad kan afhankelijk worden gesteld van het slagen voor een onderzoek naar de beroepsgeschiktheid. § 2. De bevordering door overgang naar een ander niveau wordt verleend bij wijze van een vergelijkend overgangsexamen. Art. VIII 31. § 1. De bevordering is alleen mogelijk wanneer een vaste betrekking van de toe te kennen graad vacant is. Zij wordt verleend volgens de bepalingen vastgesteld in dit besluit. § 2. De raad van bestuur verklaart de betrekkingen vacant op advies van de directieraad. § 3. De vacature van een door bevordering te verlenen betrekking wordt aan de in aanmerking komende statutaire personeelsleden schriftelijk ter kennis gebracht. Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling beantwoorden aan de voorschriften van het in artikel V 3 bedoelde vacaturebericht. § 4. Indien een statutair personeelslid wenst af te zien van een bevordering, dient dit schriftelijk meegedeeld te worden. Art. VIII 32. § 1. Om deel te nemen aan een onderzoek naar de beroepsgeschiktheid of aan een vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau, moet het statutaire personeelslid voldoen aan de anciënniteitsvoorwaarden op de door de raad van bestuur bepaalde datum, en mag zijn laatste functioneringsevaluatie niet eindigen met "onvoldoende". § 2. Om een bevordering te verkrijgen, moet het statutaire personeelslid zich bevinden in een administratieve toestand waarin het zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden, en mag zijn laatste functioneringsevaluatie niet eindigen met "onvoldoende". Art. VIII 33. De bevordering door verhoging in graad of door overgang naar een ander niveau wordt ambtshalve ingetrokken als het statutaire personeelslid de betrekking waarin hij bevorderd werd, niet opgenomen heeft binnen een periode van drie maanden ingaand de eerste dag van de maand na die waarin de bevorderingsbeslissing van de raad van bestuur is genomen. Nochtans mag het statutaire personeelslid dat op het tijdstip van de bevordering met verlof is gelijkgesteld met dienstactiviteit zijn verlof voortzetten tot de einddatum waarvoor het is toegestaan. De in het 1e lid bedoelde periode van drie maanden kan, wanneer de omstandigheden dit verantwoorden, door de raad van bestuur worden verlengd. HOOFDSTUK II. - De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau en de onderzoeken naar de beroepsgeschiktheid Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. VIII 34. De raad van bestuur organiseert de examens en de onderzoeken naar de beroepsgeschiktheid. Hij beslist hiertoe op basis van de bestaande of in het volgende jaar te verwachten vacatures. Art. VIII 35. De raad van bestuur stelt de nadere bepalingen vast van de examens en de onderzoeken naar de beroepsgeschiktheid, alsook de samenstelling van de examencommissies en de commissies die belast zijn met het afnemen van de onderzoeken naar de beroepsgeschiktheid. Art. VIII 36. De raad van bestuur bepaalt de programma's van de examens en van de onderzoeken naar de beroepsgeschiktheid. Art. VIII 37. Als een examen of onderzoek naar de beroepsgeschiktheid uit een algemeen en een of meer bijzondere gedeelten bestaat, worden de statutaire personeelsleden die geslaagd zijn voor het algemeen gedeelte op hun verzoek van dit gedeelte vrijgesteld wanneer zij later opnieuw deelnemen aan een of meer examens of onderzoeken naar de beroepsgeschiktheid voor dezelfde of een gelijkwaardige graad. Art. VIII 38. § 1. Het statutaire personeelslid dat het minimum van de punten heeft behaald, wordt geslaagd verklaard. § 2. De geslaagde behoudt onbeperkt het voordeel van zijn uitslag. Afdeling 2. - De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau Art. VIII 39. De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau worden georganiseerd voor bevordering door overgang naar graden van rang U1, Mb1, Ma1 en K1. Art. VIII 40. Het vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau staat open : 1° voor bevordering tot een graad van rang K1 :
- a)voor alle statutaire personeelsleden van niveau Mb van de Maatschappij die ten minste vier jaar anciënniteit tellen in dat niveau;
- b)voor alle statutaire personeelsleden van niveau Ma van de Maatschappij die ten minste drie jaar anciënniteit tellen in dat niveau;2° voor bevordering tot een graad van rang Ma1, voor de statutaire personeelsleden van niveau Mb van de Maatschappij die in het bezit zijn van het vereiste diploma;3° voor bevordering tot een graad van rang Mb1, voor alle statutaire personeelsleden van niveau U van de Maatschappij die ten minste twee jaar anciënniteit tellen in dat niveau;4° voor bevordering tot een graad van rang U1, voor alle statutaire personeelsleden van niveau W van de Maatschappij en die tenminste twee jaar anciënniteit tellen in dat niveau. Art. VIII 41. De raad van bestuur bepaalt de datum waarop aan de deelnemingsvoorwaarden moet worden voldaan. Art. VIII 42. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau K omvatten de volgende gedeelten : 1° een eerste gedeelte dat schriftelijk wordt afgenomen en dat bestaat uit het samenvatten en het becommentariëren van een tekst.Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor het eerste gedeelte, worden tot het tweede gedeelte toegelaten; 2° een tweede gedeelte dat bestaat uit een ondervraging over vier door de raad van bestuur vast te stellen vakken.Alleen de kandidaten die voor elk van de vier vakken zijn geslaagd, worden tot de praktische oefening toegelaten. 3° een derde gedeelte dat bestaat uit een praktische oefening, namelijk een schriftelijk verslag en een interview over een aangelegenheid die verband houdt met de functie. Art. VIII 43. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau Ma en Mb bestaan uit twee examengedeelten, namelijk een algemeen examen en een bijzonder examen. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor het algemeen gedeelte, worden tot het bijzonder gedeelte toegelaten. Het algemeen gedeelte bestaat uit het samenvatten en becommentariëren van een tekst of uit het opstellen van een verslag over een aangelegenheid die verband houdt met de functie. Het bijzonder gedeelte heeft tot doel te toetsen : hetzij de algemene vorming van de kandidaat, hetzij zijn kennis van bepaalde vakken, hetzij de vaardigheden vereist voor het uitoefenen van de functie, hetzij verschillende van deze elementen samen. Art. VIII 44. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau U bestaan uit één ondervraging. De programma's zijn hoofdzakelijk afgestemd op de aard van de te verlenen graad. Voor de technische of gespecialiseerde betrekkingen kan het examen nochtans uit meer dan één gedeelte bestaan. Art. VIII 45. § 1. De raad van bestuur bepaalt het minimum aantal punten dat moet worden behaald om te slagen voor het vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau of voor een deel van dit examen. § 2. De geslaagden worden gerangschikt volgens de behaalde cijfers. Als het examen is opgesplitst, worden zij gerangschikt volgens de cijfers behaald in de bijzondere gedeelten. Afdeling 3. - De onderzoeken naar de beroepsgeschiktheid Art. VIII 46. § 1. Aan een onderzoek naar de beroepsgeschiktheid mag het statutaire personeelslid deelnemen van de onmiddellijk lagere rang met ten minste twee jaar graadanciënniteit. § 2. De onderzoeken naar de beroepsgeschiktheid bedoeld in artikel VIII 30, § 1 en de onderzoeken naar de beroepsgeschiktheid bedoeld in artikel VIII 56, § 3, hebben betrekking op de theoretische en/of praktische kennis, alsook op de bekwaamheden en geschiktheden vereist voor de uitoefening van de functie. HOOFDSTUK III. - De hiërarchische bevordering Afdeling 1. - Bevoegde overheid en procedurevoorschriften Art. VIII 47. De raad van bestuur kent de bevorderingen toe. Voor de bevorderingen door verhoging in graad doet de directieraad een gemotiveerd voorstel. Art. VIII 48. § 1. De voorstellen voor bevordering door de directieraad worden meegedeeld aan de statutaire personeelsleden die zich kandidaat hebben gesteld. § 2. Het statutaire personeelslid dat zich benadeeld acht, kan binnen vijftien kalenderdagen na de kennisgeving bezwaar indienen bij de directieraad. Hij wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Afdeling 2. - Bevordering door overgang naar een ander niveau Art. VIII 49. § 1. De geslaagden worden in de volgorde van hun rangschikking overeenkomstig artikel VIII 45, § 2 bevorderd tot de graad waarnaar zij hebben meegedongen en worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. § 2. Wanneer de geslaagden van verschillende examens kandidaat zijn voor dezelfde bevordering, worden zij gerangschikt volgens de datum van de processen-verbaal van afsluiting van de vergelijkende examens, te beginnen met het eerst afgesloten proces-verbaal, en voor elk vergelijkend examen, in de volgorde van hun rangschikking. Afdeling 3. - Bevordering door verhoging in graad Onderafdeling A. - Volgorde van de bevorderingen Art. VIII 50. § 1. De bevordering door verhoging in graad binnen alle niveaus wordt verleend aan de voor een bepaalde betrekking meest geschikte kandidaat. Deze geschiktheid wordt vastgesteld aan de hand van het profiel van de kandidaat ten aanzien van de profielvereisten en rekening houdend met de functiebeschrijving. De in aanmerking komende kandidaten worden onderling vergeleken onder meer op basis van hun functioneringsevaluatie en kandidaatstelling. § 2. De kandidaten voor bevordering tot een graad van rang K2 dienen tevens schriftelijk hun visie uiteen te zetten over hun toekomstige functie ten behoeve van de raad van bestuur. § 3. De directieraad draagt de in aanmerking komende kandidaten via een gemotiveerd voorstel in orde van hun geschiktheid aan de raad van bestuur voor. De raad van bestuur benoemt uit de door de directieraad voorgedragen kandidaten of gaat niet over tot benoeming. Onderafdeling B. - Voorwaarden van bevordering Art. VIII 51. Tot een graad van rang K2 kan worden bevorderd het statutaire personeelslid met een graad van rang K1 dat de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft. Art. VIII 52. Tot een graad van rang Ma2 kan worden bevorderd het statutaire personeelslid met een graad van rang Ma1 dat de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft. Art. VIII 53. Tot een graad van rang Mb2 kan worden bevorderd het statutaire personeelslid met een graad van rang Mb1 dat de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft. Art. VIII 54. Tot een graad van rang U2 kan worden bevorderd het statutaire personeelslid met een graad van rang U1 dat de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft. Onderafdeling C. - Quota voor bevordering Art. VIII 55. § 1. Rang Ma2 omvat 20 % van het aantal betrekkingen van niveau Ma. Rang Mb2 omvat 20 % van het aantal betrekkingen van niveau Mb. Rang U2 omvat 36 % van het aantal betrekkingen in niveau U. Als het resultaat geen geheel getal uitmaakt, wordt het afgerond naar de naasthogere eenheid. § 2. Op basis van de functionele organisatie van de diensten kan van de percentages vastgesteld in § 1 afgeweken worden. TITEL V. - De functionele loopbaan van het statutaire personeelslid Art.VIII 56. § 1. De functionele loopbaan bestaat in de opeenvolgende toekenning aan een statutair personeelslid van een steeds hogere salarisschaal binnen een zelfde rang op basis van schaalanciënniteit en zonder wijziging van graadbenaming. § 2. De schaalanciënniteit wordt jaarlijks opgebouwd op basis van de functioneringsevaluatie : 1° hetzij met normale snelheid, waarbij de in aanmerking komende diensten gelijk zijn aan de werkelijke diensten;2° hetzij versneld, waarbij de in aanmerking komende diensten gelijk zijn aan tweemaal de werkelijke diensten;3° hetzij vertraagd, waarbij de in aanmerking komende diensten gelijk zijn aan de helft van de werkelijke diensten ofwel vervallen indien de evaluatie met "onvoldoende" besloten wordt. § 3. De toekenning van de hogere salarisschaal in de functionele loopbaan of van een andere functie, kan bij beslissing van de raad van bestuur afhankelijk worden gesteld van het behalen van brevetten of getuigschriften of van het slagen voor een onderzoek naar de beroepsgeschiktheid, zoals bepaald in de functiebeschrijving. § 4.
§ 2
kan het statutaire personeelslid met verlof voor opdracht, met verlof voor militaire dienst of burgerdienst of met vakbondsverlof als vast afgevaardigde, zijn schaalanciënniteit enkel met normale snelheid opbouwen. Eveneens
§ 2
kan het statutaire personeelslid met verlof voor loopbaanonderbreking, met voltijds politiek verlof, tijdens een periode van tuchtschorsing bedoeld in artikel IX 5, tijdens de periode van non-activiteit wegens persoonlijke redenen zoals bepaald in art. XI 25 van dit besluit, of tijdens de periode van verlof voor verminderde prestaties gelijkgesteld met non-activiteit bedoeld in artikel XI 33, § 2, geen schaalanciënniteit opbouwen. Art. VIII 57. § 1. De beslissing tot loopbaanversnelling of loopbaanvertraging wordt genomen door de directieraad voor 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar bedoeld in artikel VIII 16; zij heeft uitwerking op 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar en heeft effect op de daaropvolgende twaalf maanden. § 2. Het statutaire personeelslid wordt in kennis gesteld dat zijn evaluatie aanleiding kan geven tot loopbaanvertraging en wordt door de directieraad op zijn vraag gehoord vooraleer deze een gemotiveerde beslissing neemt over de loopbaanvertraging. § 3. Van 1 juli tot 30 juni wordt in toepassing van artikel VIII 56, § 2 voor elke maand één maand bijgevoegd, een halve maand of een hele maand afgetrokken. Als het statutaire personeelslid tussen 1 juli en 30 juni overgaat naar een volgende salarisschaal in de functionele loopbaan of naar een hogere hiërarchische graad, verkrijgt hij in zijn nieuwe salarisschaal of graad de normale loopbaansnelheid voor de resterende periode tot 30 juni. Art. VIII 58. De raad van bestuur stelt jaarlijks het beschikbare bedrag vast dat kan worden aangewend voor de versnelling van het statutaire personeelslid in zijn functionele loopbaan. Art. VIII 59. § 1. Er wordt een functionele loopbaan ingesteld binnen de hierna vermelde rangen waarbij de aan elke rang verbonden salarisschalen opeenvolgend worden toegekend na het bereiken van de vereiste schaalanciënniteit, die wordt bepaald als volgt : 1° in rang K1 :
- a)van K 111 naar K 112 en van K 121 naar K 122 : na 6 jaar;
- b)van K 112 naar K 113 en van K 122 naar K 123 : na 6 jaar;
- c)van K 113 naar K 114 en van K 123 naar K 124 : na 8 jaar;2° in rang K2 : van K 211 naar K 212 en van K211/2 naar K 212/2 en van K 221 naar K 222 : na 8 jaar;3° in rang Ma1 :
- a)van Ma 101 naar Ma 102 : na 6 jaar;
- b)van Ma 102 naar Ma 103 : na 10 jaar;4° in rang Ma2 : van Ma 201 naar Ma 202 : na 10 jaar;5° in rang Mb1 :
- a)van Mb 101 naar Mb 102 : na 6 jaar;
- b)van Mb 102 naar Mb 103 : na 10 jaar;6° in rang Mb2 : van Mb 201 naar Mb 202 : na 10 jaar;7° in rang U1 :
- a)van U 101 naar U 102 : na 6 jaar;
- b)van U 102 naar U 103 : na 6 jaar;8° in rang U2 : van U 201 naar U 202 : na 8 jaar 9° in rang W1 :
- a)van W 101 naar W 102 : na 8 jaar;
- b)van W 102 naar W 103 : na 8 jaar. § 2. De personeelsleden die conform artikel VIII 58, § 1, in aanmerking komen voor een managementstoelage, kunnen geen loopbaanversnelling, zoals bepaald in artikel VIII 56, § 2, krijgen. Art. VIII 60. § 1. De raad van bestuur kent de hogere salarisschaal binnen de functionele loopbaan toe. § 2. De hogere salarisschalen K 114 en K 124 worden, onverminderd de bepalingen van artikel VIII 59 toegekend door de raad van bestuur, die beslist op basis van het gemotiveerd voorstel van de directieraad. Bij deze voorstellen en beslissingen wordt rekening gehouden met de al toegekende functioneringsevaluaties. TITEL VI. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de administratieve loopbaan Art. VIII 61. Onverminderd de bepalingen van dit besluit inzake rang en anciënniteit wordt in bijlage 4 bij dit besluit voor alle graden de wijze vastgesteld waarop deze graden worden toegekend met eventuele aanduiding van de aanvullende en bijzondere voorwaarden inzake beroepskwalificatie alsmede voor elke bevorderingsgraad de lijst van graden die er toegang toe verlenen. Art. VIII 62. Het statutaire personeelslid met de graad van ingenieur-directeur dat één jaar graadanciënniteit en tien jaar niveauanciënniteit in het niveau K bezit, kan worden benoemd in de graad van gewestelijk directeur. Voor de in het eerste lid bedoelde benoeming dient de procedure die is vermeld in de artikelen VIII 47, VIII 48 en VIII 50 te worden gevolgd. TITEL VII. - Administratief jaarboek van het personeel Art. VIII 63. Jaarlijks wordt een administratief jaarboek van het personeel opgesteld, ingedeeld per graad met vermelding van : 1° de universitaire of gelijkgestelde diploma's, wat het statutaire personeelslid van niveau K betreft, of bij ontstentenis, het hoogst behaalde diploma;2° de diploma's van het hoger onderwijs van het korte type of gelijkgestelde diploma's en de hogere diploma's wat het statutaire personeelslid van niveau Ma betreft, of bij ontstentenis, het hoogst behaalde diploma;3° de leeftijd;4° de salarisschaal;5° de graad-, niveau-, dienst- en schaalanciënniteit op 1 juli van dat jaar. In het administratieve jaarboek van het personeel worden ook de gedane mutatieaanvragen bedoeld in artikel V 15 van dit besluit en de samenstelling van de bestaande wervings- en bevorderingsreserves bij de Maatschappij, opgenomen. TITEL VIII. - Overgangs- en opheffingsbepalingen HOOFDSTUK I. - De functioneringsevaluatie Art. VIII 64. Het statutaire personeelslid behoudt voor de periode tussen de datum van inwerkingtreding van dit besluit en de datum van toekenning van de eerste evaluatie bedoeld in artikel VIII 16, zijn beoordeling die hem gegeven werd krachtens de voor de inwerkingtreding van dit besluit geldende regelen. Voor deze periode wordt de beoordeling "slecht", toegekend krachtens laatstgenoemde regelen, gelijkgesteld met de evaluatie "onvoldoende" vermeld in dit besluit. De eerste evaluatie wordt op het vastgestelde tijdstip eveneens toegekend aan het afwezige statutaire personeelslid dat zich in de administratieve stand non-activiteit of disponibiliteit bevindt. HOOFDSTUK II. - Anciënniteit en rangschikking Art. VIII 65. De anciënniteit die het statutaire personeelslid van de Maatschappij verworven heeft op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, krachtens een reglementaire bepaling die op hem van toepassing was, blijft behouden. HOOFDSTUK III - De hiërarchische loopbaan van het statutaire personeelslid Art. VIII 66. § 1. Het statutaire personeelslid dat op de datum van inwerkingtreding van dit besluit of na deze datum wat betreft de examens gestart voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, ooit werd vrijgesteld van een examengedeelte voor overgang naar een hoger niveau, kan op zijn verzoek deze vrijstelling behouden voor vergelijkende examens voor overgang naar hetzelfde niveau waaraan hij deelneemt, en die starten na de datum van inwerkingtreding van dit besluit. § 2. Het statutaire personeelslid dat geslaagd is voor een vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit aangevraagd examen of onderzoek naar de beroepsgeschiktheid voor verhoging in een graad, of voor verandering naar een graad die overeenkomstig dit besluit overeenstemt met een hogere graad dan die waarin het statutaire personeelslid met toepassing van artikel VIII 74 ingeschakeld wordt, wordt vrijgesteld van het deel over de theoretische en praktische kennis van het onderzoek naar de beroepsgeschiktheid dat overeenkomstig de bepalingen van dit besluit wordt opgelegd voor bevordering tot de betrokken graad. § 3. De personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit de graad van onderbureauchef, controleur van werken of eerste tekenaar bekleden, of die geslaagd zijn voor een vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit aangevraagd examen of onderzoek naar de beroepsgeschiktheid voor verhoging in of voor verandering naar één van voornoemde graden, worden vrijgesteld van het deel over de theoretische en praktische kennis van het onderzoek naar de beroepsgeschiktheid dat met toepassing van artikel VIII 30, § 1, wordt georganiseerd voor bevordering tot de graad van respectievelijk dienstchef of sectorchef. Art. VIII 67. § 1. De statutaire personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit titularis waren van de graad van programmeur 2e klasse of van de graad van adjunct-controleur van werken, controleur van werken, eerste controleur van werken of adjunct-technisch inspecteur, met als specialiteit scheikunde/electriciteit/exploitatie-netten, en die ingevolge artikel VIII 74 ambtshalve benoemd zijn in een graad van niveau Mb, kunnen, mits zij slagen voor een bijzonder vergelijkend overgangsexamen waaraan zij tweemaal mogen deelnemen, benoemd worden in een graad van niveau Ma. § 2. De in § 1 bedoelde personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit worden ingeschaald in de graad van sectorchef en die slagen voor het bijzonder vergelijkend overgangsexamen, kunnen worden benoemd in de graad van afdelingschef. HOOFDSTUK IV. - De functionele loopbaan van het statutaire personeelslid Art. VIII 68. De schaalanciënniteit van het statutaire personeelslid in dienst op 1 januari 1995, begint vanaf deze datum te lopen. Art. VIII 69. § 1.Voor de periode tussen de datum waarop de schaalanciënniteit begint te lopen, overeenkomstig artikel VIII 68 en de datum van inwerkingtreding van de functioneringsevaluatie bedoeld in artikel VIII 16, krijgt het statutaire personeelslid met een graad uit een functionele loopbaan en ongeacht zijn beoordeling op de eerst vermelde datum, een schaalanciënniteit gelijk aan zijn werkelijke diensten voor die periode. § 2. Voor de periode tussen de datum van inwerkingtreding van de functioneringsevaluatie en de toekenning van de eerste functioneringsevaluatie overeenkomstig dit besluit op de door de raad van bestuur of de Vlaamse regering overeenkomstig artikel VIII 16, § 2, bepaalde datum van het daaropvolgende jaar, krijgt het statutaire personeelslid eveneens een schaalanciënniteit gelijk aan zijn werkelijke diensten voor die periode. § 3. Onverminderd artikel VIII 56, § 4, wordt het op de datum van inwerkingtreding van de functioneringsevaluatie tijdelijk uit de Maatschappij afwezige statutaire personeelslid die een rang heeft uit een functionele loopbaan, gelijkgesteld met een statutair personeelslid dat een normaal verloop van de loopbaan kent. Art. VIII 70. § 1. Het statutaire personeelslid dat op 1 januari 1995 in dienst is en dat op die datum overeenkomstig de bepalingen van bijlage 5 ingeschaald is een graad waaraan een functionele loopbaan verbonden is, heeft in de salarisschaal verbonden aan deze graad een schaalanciënniteit gelijk aan : 1° een derde van zijn graadanciënniteit in zijn oude graad of in de oude graden die op dezelfde trap van dezelfde functionele loopbaan ingeschakeld worden, voor de graadanciënniteit tussen 0 en 12 jaar en;2° twee derde van zijn graadanciënniteit berekend overeenkomstig 1° voor de graadanciënniteit boven de 12 jaar. In het resultaat van deze berekening wordt alleen rekening gehouden met volledige maanden. § 2. Als voor de inschaling in de functionele loopbaan naast de oude graad ook de oude salarisschaal bepalend is, is
§ 1
de graadanciënniteit gelijk aan de periode van toekenning van die salarisscha(a)l(en). § 3.
§ 1
is voor de personeelsleden met de graad van opsteller, tekenaar en adjunct-controleur van werken en die ingeschaald worden in de salarisschaal Mb 101, de schaalanciënniteit gelijk aan de graadanciënniteit. Art. VIII
- De statutaire personeelsleden die geslaagd zijn voor een examen voor verhoging in graad van hoofdoperateur mechanograaf tweede klasse, meesterknecht en controleur der inningen, dat aangevraagd werd voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, worden ingeschaald in de salarisschaal U
- Art. VIII
- De personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit geslaagd zijn voor een examen voor verhoging in graad van onderbureauchef, controleur van werken of eerste tekenaar worden ingeschaald in de salarisschaal Mb
- Onverminderd de bepalingen van artikel VIII 70, § 1 wordt het nog resterende gedeelte van het vereiste aantal jaren schaalanciënniteit om salarisschaal Mb 103 te verkrijgen, verminderd met een derde. Art. VIII
- Ongeacht het resultaat van de berekening overeenkomstig artikel VIII 70, dat een kleiner of een groter aantal jaren schaalanciënniteit kan opleveren dan vereist voor de overgang naar de volgende salarisschaal in de functionele loopbaan, is deze overgang slechts mogelijk één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit. HOOFDSTUK V. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de administratieve loopbaan Art. VIII
- De graden vermeld in de derde kolom van de bij dit besluit gevoegde bijlage 5 worden afgeschaft op de in artikel VIII 68 vermelde datum. De statutaire personeelsleden die een graad hebben die afgeschaft is, worden op de in het eerste lid vermelde data ambtshalve benoemd tot de in de eerste kolom vermelde nieuwe graad waaraan de ernaast vermelde rang gekoppeld is. De statutaire personeelsleden verkrijgen in hun nieuwe graad de graadanciënniteit die wordt vastgesteld door de som van de graadanciënniteiten die zij hebben verworven in de afgeschafte graden die met toepassing van het tweede lid, aanleiding geven tot een ambtshalve benoeming in hun nieuwe graad. Evenwel wordt de graadanciënniteit van het statutaire personeelslid dat via graadverandering van een graad in de loopbaan van ingenieur naar die van informaticus overging, samengeteld in de twee graden. De statutaire personeelsleden behouden hun niveauanciënniteit, zelfs indien hun graad ambtshalve ingedeeld werd in een hoger niveau, met uitzondering van diegenen die ambtshalve benoemd worden in een graad die is ingedeeld in niveau Ma en van wie de niveauanciënniteit wordt vastgesteld door de som van de graadanciënniteiten die zij verworven hebben in alle afgeschafte graden die, met toepassing van het tweede lid, aanleiding geven tot een ambtshalve benoeming in een graad die is ingedeeld in niveau Ma. Art. VIII
- De benoemings- en bevorderingsprocedures die in uitvoering zijn op de datum van het inwerkingtreden van dit besluit, worden voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen bij de vacantverklaring. DEEL IX. - TUCHTREGELING TITEL I. - Tuchtstraffen Artikel IX
- Het statutaire personeelslid kan onderworpen worden aan een tuchtprocedure in de volgende gevallen : 1° bij tekortkoming aan zijn plichten bepaald in DEEL III;2° bij inbreuken op de bepalingen van DEEL IV - Cumulatie van beroepsactiviteiten;3° na strafrechtelijke veroordeling. Art. IX
- De volgende tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken : 1° blaam;2° inhouding van salaris;3° overplaatsing bij tuchtmaatregel;4° tuchtschorsing;5° terugzetting in graad;6° afzetting. Art. IX
- De inhouding van salaris wordt toegepast gedurende ten hoogste drie maanden en mag niet meer dan één vijfde van de nettobezoldiging bedragen zoals bepaald in artikel 23, tweede lid van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Art. IX
- De overplaatsing bij tuchtmaatregel bestaat in de tijdelijke of definitieve aanwijzing van een statutair personeelslid voor een betrekking van zijn graad of van een gelijkwaardige graad waaraan een andere administratieve standplaats is verbonden. Het bij tuchtmaatregel overgeplaatste statutaire personeelslid kan, op zijn verzoek, geen nieuwe aanwijzing noch mutatie krijgen gedurende de termijn die voor de doorhaling van zijn tuchtstraf is bepaald. Art. IX
- §
- De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste drie maanden en kan aanleiding geven tot een inhouding van salaris die niet hoger mag liggen dan één vijfde van de nettobezoldiging zoals bedoeld is bij artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. §
- Tijdens de tuchtschorsing bevindt het statutaire personeelslid zich in de administratieve toestand non-activiteit; hij heeft geen recht op bevordering in graad en op verhoging in salaris en salarisschaal. Art. IX
- De terugzetting in graad bestaat in de toekenning van een graad van een lagere rang die binnen hetzelfde of binnen een lager niveau is ingedeeld of van een lagere salarisschaal binnen dezelfde graad. De terugzetting in graad heeft tot gevolg dat de salarisschaal wordt toegekend die verbonden is aan de functie die definitief wordt toegewezen door de terugzetting Het statutaire personeelslid neemt in de nieuwe graad of salarisschaal rang in op de datum waarop de in het eerste lid bedoelde toekenning van een graad of salarisschaal uitwerking heeft. Art. IX
- In geval van afzetting wordt het statutaire personeelslid onmiddellijk, zonder opzeggingstermijn en zonder verbrekingsvergoeding, ontslagen. Voor zover aan de voorwaarden van de desbetreffende reglementering is voldaan, stort de Maatschappij in dit geval bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de werkgevers- en werknemersbijdragen die verschuldigd zijn voor de opname van het afgezette statutaire personeelslid in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering - sector uitkeringen - en de moederschapsverzekering. TITEL II. - De tuchtprocedure HOOFDSTUK I. - De bevoegde overheid Afdeling
- - Bepalingen met betrekking tot de blaam, de inhouding van salaris, de overplaatsing bij tuchtmaatregel, de tuchtschorsing en de terugzetting in graad Art. IX
- De tuchtstraf wordt voorgesteld door een hiërarchische meerdere van niveau K van het statutaire personeelslid.
het eerste lid wordt de tuchtstraf tegen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar voorgesteld door de raad van bestuur. Art. IX 9. De tuchtstraf wordt uitgesproken door de directieraad.
het eerste lid wordt de tuchtstraf tegen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar uitgesproken door de minister. In geen geval neemt de hiërarchische meerdere van niveau K die het voorstel tot tuchtstraf heeft gedaan, deel aan de beraadslaging van de directieraad. Uit de notulen blijkt dat deze regel in acht werd genomen. Art. IX 10. De tuchtstraf wordt na het advies van de raad van beroep definitief uitgesproken door de raad van bestuur.
het eerste lid wordt de tuchtstraf tegen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar na beroep definitief uitgesproken door de Vlaamse regering. De minister neemt in dit geval geen deel aan de beraadslaging van de Vlaamse regering. Afdeling
- - Bepalingen met betrekking tot de afzetting Art. IX
- §
- Het voorlopig voorstel tot afzetting wordt gedaan door een hiërarchische meerdere van niveau K van het statutaire personeelslid.
het eerste lid wordt het voorlopig voorstel tot afzetting tegen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar gedaan door de raad van bestuur. § 2. Het definitief voorstel tot afzetting wordt gedaan door de directieraad.
het eerste lid wordt het definitief voorstel tot afzetting tegen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar gedaan door de minister. In geen geval neemt de hiërarchische meerdere van niveau K die het voorlopig voorstel heeft gedaan, deel aan de beraadslaging van de directieraad. Uit de notulen blijkt dat deze regel in acht werd genomen. Art. IX 12. De afzetting wordt, in voorkomend geval na het advies van de raad van beroep, uitgesproken door de raad van bestuur.
het eerste lid wordt de afzetting tegen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar uitgesproken door de Vlaamse regering. De minister neemt in dit geval geen deel aan de beraadslaging van de Vlaamse regering. HOOFDSTUK II. - Het voorstel en de uitspraak Afdeling
- - Bepalingen met betrekking tot de blaam, de inhouding van salaris, de overplaatsing bij tuchtmaatregel, de tuchtschorsing en de terugzetting in graad Art. IX
- De overheid die bevoegd is om het voorstel van tuchtstraf te doen, stuurt terzelfder tijd het voorstel aan de overheid die bevoegd is een tuchtstraf uit te spreken. Art. IX
- De overheid die bevoegd is om een tuchtstraf uit te spreken, roept binnen vijftien kalenderdagen volgend op de datum van het voorstel, het statutaire personeelslid op om gehoord te worden in zijn verdediging. Art. IX
- De overheid die bevoegd is om een tuchtstraf uit te spreken, spreekt de tuchtstraf uit binnen vijftien kalenderdagen na het horen van het statutaire personeelslid in zijn verdediging. Zij brengt de tuchtstraf ter kennis van het betrokken statutaire personeelslid bij aangetekend schrijven binnen twee werkdagen na de uitspraak. Art. IX
- De tuchtstraf is definitief de dag na het verstrijken van de termijn voor instelling van hoger beroep. Afdeling
- - Bepalingen met betrekking tot de afzetting Art. IX
- De overheid die bevoegd is om het voorlopig voorstel van tuchtstraf te doen, stuurt terzelfder tijd het voorlopig voorstel aan de overheid die bevoegd is om het definitief voorstel van tuchtstraf te doen. Art. IX
- De overheid die bevoegd is om een definitief voorstel van tuchtstraf te doen, roept, binnen vijftien kalenderdagen volgend op de datum van het voorlopig voorstel, het statutaire personeelslid op om gehoord te worden in zijn verdediging. Art. IX
- De in het vorige artikel bedoelde overheid doet een definitief voorstel van tuchtstraf binnen vijftien kalenderdagen na het horen van het statutaire personeelslid in zijn verdediging. Zij brengt het definitief voorstel van tuchtstraf bij aangetekend schrijven binnen twee werkdagen ter kennis van het betrokken statutaire personeelslid. Art. IX
- Ingeval er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen het definitief voorstel, doet de overheid die bevoegd is om een tuchtstraf uit te spreken, uitspraak binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving van het definitief voorstel aan het betrokken statutaire personeelslid. Zij brengt de tuchtstraf ter kennis van het betrokken statutaire personeelslid bij aangetekend schrijven binnen twee werkdagen na de uitspraak. De tuchtstraf gaat in op de derde werkdag volgend op de datum van het aangetekend schrijven. Afdeling
- - Gemeenschappelijke bepalingen Art. IX
- Elk voorstel dat ertoe strekt een tuchtstraf op te leggen, wordt schriftelijk geformuleerd, met redenen omkleed en meegedeeld aan het betrokken statutaire personeelslid. Art. IX
- §
- De oproeping van het statutaire personeelslid om in zijn verdediging gehoord te worden, wordt per aangetekende brief meegedeeld. De oproeping dient melding te maken van : 1° de ten laste gelegde feiten;2° het feit dat een tuchtstraf wordt gevraagd;3° de plaats, de dag en het uur van het verhoor;4° het recht van de betrokkene om zich te laten bijstaan door een raadgever of zich te laten vertegenwoordigen door een raadgever bij gewettigde verhindering;5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien en het recht om gratis fotokopieën te maken. §
- De belanghebbende en zijn raadgever mogen het tuchtdossier op hun verzoek raadplegen voordat de verdediging plaatsheeft. Zij beschikken voor de inzage van het dossier over een termijn van ten minste vijftien kalenderdagen na ontvangst van de oproepingsbrief. Art. IX
- Van de zitting wordt er een proces-verbaal gemaakt waarvan de betrokkene of de raadgever een kopie kan krijgen. Het statutaire personeelslid of de raadgever kan op straffe van nietigheid binnen twee werkdagen na de mondelinge verdediging schriftelijk de middelen ter verdediging uiteenzetten. Het verweerschrift wordt bij het dossier gevoegd. Art. IX
- Elke beslissing waarbij een tuchtstraf wordt opgelegd, wordt met redenen omkleed. HOOFDSTUK III. - Het beroep en de definitieve uitspraak Art. IX
- Het statutaire personeelslid tegen wie een tuchtstraf uitgesproken wordt overeenkomstig hoofdstuk I, afdeling 1 van deze titel en het statutaire personeelslid tegen wie een tuchtstraf definitief voorgesteld wordt overeenkomstig hoofdstuk I, afdeling 2 van deze titel, kan hiertegen gemotiveerd beroep instellen bij de raad van beroep binnen vijftien kalenderdagen, ingaande de dag volgend op de mededeling via een aangetekende brief van de uitspraak of het definitief voorstel. Het hoger beroep is opschortend. Ingeval van hoger beroep tegen de tuchtstraf afzetting wordt het statutaire personeelslid van rechtswege geschorst in het belang van de dienst vanaf de dag waarop de tuchtstraf ingaat conform artikel IX 20, 4e lid tot op de dag dat de tuchtstraf, uitgesproken na hoger beroep, ingaat conform artikel IX 28, 4e lid. Art. IX
- De raad van beroep beraadslaagt binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift. Bij afwezigheid van beraadslaging binnen de vastgestelde termijn behandelt men het beroep alsof er een gunstig advies werd gegeven. Art. IX
- Binnen vijftien kalenderdagen na het uitbrengen van het gemotiveerde advies stuurt de raad van beroep het dossier aan de overheid, bevoegd voor het definitief uitspreken van de tuchtstraf. Hij vermeldt met hoeveel stemmen voor of tegen de stemming over het advies wordt verkregen. De stemming is geheim. Terzelfder tijd wordt het advies aan de verzoeker betekend. Art. IX
- De bevoegde overheid voor de definitieve uitspraak neemt binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep een gemotiveerde beslissing. Zij kan geen andere feiten ter sprake brengen dan de feiten die als motief gediend hebben voor het advies van de raad van beroep. De beslissing van de bevoegde overheid wordt binnen twee werkdagen aangetekend verstuurd aan het betrokken statutaire personeelslid en ter informatie meegedeeld aan de griffier van de raad van beroep. Zij gaat in op de derde werkdag volgend op de datum van het aangetekend schrijven. HOOFDSTUK IV. - Algemene kenmerken van de tuchtprocedure Art. IX
- De overheid die de tuchtstraf voorstelt of uitspreekt, kan deze bevoegdheid niet delegeren. De overheid die de tuchtstraf uitspreekt, mag niet dezelfde zijn als die welke haar voorstelt. Art. IX
- Wanneer meer dan één feit ten laste van het statutaire personeelslid gelegd wordt, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één procedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf. Wanneer in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste van het statutaire personeelslid wordt gelegd, kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven zonder dat de lopende procedure onderbroken wordt. Art. IX
- Behoudens nieuwe elementen die de heropening van het dossier rechtvaardigen, kan niemand het voorwerp zijn van een tuchtvordering voor reeds bestrafte feiten. Art. IX
- De overheid die bevoegd is om een tuchtstraf definitief uit te spreken, kan geen zwaardere tuchtstraf uitspreken dan de straf die uitgesproken of definitief voorgesteld is voor beroep. Zij mag slechts de feiten in aanmerking nemen die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben. Een tuchtstraf kan geen uitwerking hebben over een periode voor de uitspraak. Art. IX
- De strafvordering schorst de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak. Ongeacht het resultaat van de strafvordering, oordeelt alleen de overheid die krachtens dit besluit bevoegd is inzake tucht, over de gepastheid om een tuchtstraf uit te spreken. Art. IX
- De tuchtvordering mag alleen betrekking hebben op feiten die werden vastgesteld binnen een termijn van zes maanden voorafgaande aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld. Bij de beoordeling van de strafmaat mogen evenwel relevante vermeldingen die in het persoonlijk dossier opgetekend werden, in aanmerking genomen worden. In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet wordt voortgezet. Art. IX
- Elke tuchtstraf wordt vermeld op een in het evaluatiedossier te voegen staat en wordt in het personeelsdossier opgenomen. Art. IX
- De in deze titel vastgestelde termijnen worden opgeschort in de maand augustus. TITEL III. - De doorhaling van de tuchtstraffen Art. IX
- §
- Elke tuchtstraf, behalve de afzetting, wordt in het persoonlijk dossier van het statutaire personeelslid doorgehaald onder de in § 2 bepaalde voorwaarden en uit het personeelsdossier verwijderd. Onverminderd de uitvoering van de straf, heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf op geen enkele wijze meer rekening mag worden gehouden. §
- De tuchtstraffen worden van rechtswege doorgehaald na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op : 1° een jaar voor de blaam;2° vier jaar voor de inhouding van salaris;3° vijf jaar voor de overplaatsing bij tuchtmaatregel;4° zes jaar voor de tuchtschorsing;5° acht jaar voor de terugzetting in graad. De termijn loopt vanaf de datum van de eindbeslissing in de tuchtprocedure. TITEL IV. - Overgangsbepaling Art. IX
- De tuchtvordering die ingesteld is voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, wordt afgehandeld volgens de bepalingen die van kracht waren voor de inwerkingtreding van dit besluit. De tuchtstraffen uitgesproken voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, krijgen uitwerking overeenkomstig de bepalingen geldend voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit. DEEL X. - DE SCHORSING IN HET BELANG VAN DE DIENST Art. X
- Het statutaire personeelslid in effectieve dienst kan onder de in dit deel bepaalde voorwaarden in zijn functie worden geschorst wanneer het belang van de dienst dat vereist. Art. X
- §
- De schorsing in het belang van de dienst wordt uitgesproken door de directieraad, eventueel op voorstel van de hiërarchische meerdere van niveau K die overeenkomstig artikel IX 10 van dit besluit bevoegd is om een tuchtstraf voor te stellen.
het eerste lid wordt de schorsing in het belang van de dienst voor de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar uitgesproken door de minister, eventueel op voorstel van de raad van bestuur. Indien er een voorstel is zoals bedoeld in het eerste lid, mag de hiërarchische meerdere van niveau K die het voorstel heeft gedaan, niet deelnemen aan de beraadslaging van de directieraad. Uit de notulen moet blijken dat deze regel in acht werd genomen. §
- De in § 1 bedoelde overheden kunnen deze bevoegdheid niet delegeren. Art. X
- De overheid die bevoegd is om een schorsing in het belang van de dienst uit te spreken, kan aan het in artikel X 1 bedoelde statutaire personeelslid het recht ontzeggen om zijn aanspraken op bevordering en op verhoging in salaris en salarisschaal te doen gelden en zijn salaris verminderen in de volgende gevallen : 1° wanneer hij strafrechtelijk vervolgd wordt;2° wanneer hij tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstig vergrijp waarbij hij op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn. De inhouding van salaris mag niet meer bedragen dan een vijfde van de nettobezoldiging zoals bepaald in artikel 23, tweede lid, van de Wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Art. X
- Het statutaire personeelslid wordt vooraf in zijn verdediging gehoord over de feiten die hem ten laste worden gelegd, en hij mag zich laten bijstaan door een raadgever. De redenen om over te gaan tot schorsing in het belang van de dienst worden uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan het verhoor schriftelijk meegedeeld aan het statutaire personeelslid. Het statutaire personeelslid wordt verzocht de eventuele voorstellen of, bij ontstentenis van voorstellen, de beslissingen tot schorsing in het belang van de dienst te viseren. Weigert het statutaire personeelslid dit te doen, dan maakt de overheid die het voorstel of de beslissing ter visering heeft aangeboden, daarvan ter plaatse proces-verbaal op. De schorsing in het belang van de dienst wordt aan het statutaire personeelslid meegedeeld via een aangetekende brief; zij gaat in de dag na het aanbieden van die aangetekende brief bij de post. Art. X
- De beslissingen die de directieraad met toepassing van de bepalingen van dit deel neemt, worden meegedeeld aan de raad van bestuur. Art. X
- Het statutaire personeelslid kan beroep instellen bij de raad van beroep tegen een beslissing tot schorsing in het belang van de dienst en/of tegen een beslissing, zoals bedoeld in artikel X
- Dit beroep moet worden ingesteld binnen vijftien kalenderdagen vanaf de dag waarop de in het 1e lid bedoelde beslissing uitwerking heeft gekregen. Na advies van de raad van beroep, beslist de raad van bestuur of, voor de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar, de minister, over het al dan niet handhaven van de in het 1e lid bedoelde beslissing. De bepalingen van artikel IX 26, IX 27 en IX 28 zijn in dit geval van toepassing. Art. X
- Het statutaire personeelslid kan, op voo