← België

Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende organisatie van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de regeling van de recht

Kort samengevat

Dit besluit regelt de organisatie van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de rechtspositie van haar personeel. Het stelt de administratieve en financiële rechten en plichten vast voor zowel statutaire als contractuele personeelsleden.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP 1 DECEMBER 2000. - Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende organisatie van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de regeling van de rechtspositie van het personeel De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 28 juni 1983 houdende oprichting van de instelling Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, inzonderheid op artikel 17, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 1998 tot wijziging en opheffing van sommige bepalingen van decreten en wetten betreffende sommige Vlaamse openbare instellingen en tot opheffing van wettelijke bepalingen inzake prioritaire aanwerving bij de Vlaamse openbare instellingen. Gelet op de adviezen van de Raad van Bestuur, gegeven op 30 september 1994, 25 november 1994, 24 maart 1995, 22 december 1995, 5 juli 1996, 20 maart 1998, 4 september 1998 en 30 oktober 1998; Gelet op het protocol nr. 25/73 van 19 april 1995 van het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest; Gelet op het protocol nr. 84/3 van 8 november 1995 van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor ambtenarenzaken, gegeven op 8 april 1998; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor de begroting, gegeven op 28 juni 1998; Gelet op het advies van de Raad van State van 30 november 1999; Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering gegeven op 30 juni 1998 betreffende de aanvraag om advies bij de Raad van State binnen de drie maanden; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw; Na beraadslaging, Besluit : DEEL I. - TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN Artikel I 1. Dit besluit is van toepassing op het personeel van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening. Het doet geen afbreuk aan andere wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen die op specifieke categorieën van dit personeel van toepassing zijn. Art. I 2. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° Maatschappij : de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening;2° de minister : het lid van de Vlaamse regering dat overeenkomstig de bevoegdheidsverdeling binnen deze regering belast is met het toezicht of de controle op de Maatschappij;3° de regeling van de rechtspositie : het geheel van bepalingen waardoor de Vlaamse regering : a) de administratieve en geldelijke rechtstoestand van het statutair personeelslid vaststelt;b) de aanwerving en de toelatingsvoorwaarden alsmede de arbeidsvoorwaarden van de contractuele personeelsleden vaststelt;4° personeelslid : elk lid van het personeel;bij verwijzing naar een personeelslid wordt hierna de mannelijke vorm gebruikt; 5° statutair personeelslid : elk personeelslid dat in vast dienstverband benoemd is (definitief benoemd) of toegelaten is tot een proeftijd met het oog op een vaste benoeming (stagedoend);6° contractueel personeelslid : elk personeelslid dat in dienst genomen is bij arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten of elke andere bepaling die deze wet wijzigt;7° raad van bestuur : het bestuursorgaan van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening zoals ingesteld door artikel 13 van het decreet van 28 juni 1983 houdende oprichting van de instelling Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, zoals gewijzigd bij decreet van 7 juli 1998 tot wijziging en opheffing van sommige bepalingen van decreten en wetten betreffende sommige Vlaamse openbare instellingen en tot opheffing van wettelijke bepalingen inzake prioritaire aanwerving bij de Vlaamse openbare instellingen.8° leidend ambtenaar : de leidend ambtenaar bedoeld in de statuten van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening;9° adjunct-leidend ambtenaar : de adjunct-leidend ambtenaar bedoeld in de statuten van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening;10° raadgever : een statutair personeelslid, in actieve dienst of gepensioneerd, een advocaat of een afgevaardigde van een erkende vakorganisatie;11° afdeling : organisatorische eenheid binnen de Maatschappij zoals bepaald in het organogram;12° afdelingshoofd : het statutaire personeelslid van rang K2 dat belast is met de leiding van een afdeling;13° individueel personeelsbeheer : de toepassing van het beleid en van de bepalingen inzake personeelszaken op het individuele personeelslid. Art. I 3. § 1. Alle bij dit besluit toegewezen bevoegdheden worden eveneens uitgeoefend door het statutaire personeelslid dat met de waarneming van de functie van de titularis is belast. § 2. Behoudens andersluidende bepaling kan de raad van bestuur of de leidend ambtenaar de bevoegdheden die hem bij dit besluit worden toegewezen, op algemene wijze delegeren aan de onder zijn gezag staande statutaire personeelsleden. Art. I 4. § 1. Aan de personeelsbehoeften van de Maatschappij wordt voldaan door statutaire personeelsleden. § 2. Bij wijze van uitzondering kunnen contractuele personeelsleden worden ingezet. Art. I 5. Het stagedoende statutaire personeelslid is geen definitief benoemd statutair personeelslid in de zin van dit besluit. De bepalingen van dit besluit en van de besluiten die het zullen wijzigen of aanvullen, gelden voor dit personeelslid in zover het niet uitdrukkelijk uitgesloten wordt. DEEL II. - ORGANISATIE EN WERKING VAN DE MAATSCHAPPIJ TITEL I. - Het bestuursorgaan Art. II 1. De Maatschappij wordt bestuurd door een raad van bestuur. De samenstelling, de werking en de bevoegdheden van de raad van bestuur worden bepaald in het decreet van 28 juni 1983 houdende oprichting van de instelling Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en in de statuten van de Maatschappij, zoals gewijzigd bij decreet van 7 juli 1998 tot wijziging en opheffing van sommige bepalingen van decreten en wetten betreffende sommige Vlaamse openbare instellingen en tot opheffing van wettelijke bepalingen inzake prioritaire aanwerving bij de Vlaamse openbare instellingen. TITEL II. - De directieraad Art. II 2. In de Maatschappij is er een directieraad die bestaat uit : 1° de leidend ambtenaar;2° de adjunct-leidend ambtenaren. De directieraad wordt voorgezeten door de leidend ambtenaar. De voorzitter wijst het lid van de directieraad aan dat hem in geval van afwezigheid of verhindering vervangt. Art. II 3. De leden van de directieraad stellen een huishoudelijk reglement op. Het huishoudelijk reglement van de directieraad wordt ter goedkeuring aan de raad van bestuur voorgelegd. Het huishoudelijk reglement kan de consensus als regel voor alle beslissingen vermelden. Individuele beslissingen betreffende personeelsleden worden, bij gebrek aan consensus, genomen bij geheime stemming. TITEL III. - De raad van beroep Art. II 4. § 1. De raad van beroep, opgericht bij besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende oprichting en samenstelling van een raad van beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen, neemt kennis van alle beroepen die krachtens dit besluit : 1° een statutair personeelslid kan instellen tegen een definitief voorstel tot afzetting bij tuchtmaatregel of tegen de uitspraak van een andere tuchtstraf of van de schorsing in het belang van de dienst;2° een stagedoend statutair personeelslid kan instellen tegen een voorstel tot negatieve evaluatie van de stage met voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid, en een definitief benoemd statutair personeelslid tegen de beslissing tot loopbaanvertraging, de evaluatie « onvoldoende » of tegen een vormgebrek tijdens de evaluatieprocedure;3° een statutair personeelslid kan instellen tegen de weigering van het verlof voor verminderde prestaties, van het verlof en de non-activiteit wegens persoonlijke redenen en van het verlof voor loopbaanonderbreking. § 2. Voor de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende oprichting en samenstelling van een raad van beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen, op het personeel van de Maatschappij, wordt onder « ambtenaar » en « stagiair » respectievelijk verstaan « definitief benoemd statutair personeelslid « en « stagedoend statutair personeelslid ». TITEL IV. - De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren Art. II 5. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren hebben de bevoegdheden die hen krachtens dit besluit en krachtens de organieke statuten van de Maatschappij toegewezen of gedelegeerd zijn. De leidend ambtenaar wordt benoemd in de graad van directeur-generaal. De adjunct-leidend ambtenaren worden benoemd in de graad van inspecteur-generaal. TITEL V. - De opdrachthouders Art. II 6. In de Maatschappij kunnen onder de statutaire personeelsleden opdrachthouders aangewezen worden, belast met specifieke opdrachten. Minimum één opdrachthouder wordt aangewezen onder de personeelsleden van niveau K ten behoeve van de vorming en/of het human resources management en/of de organisatieontwikkeling. Art. II 7. § 1. De opdrachthouders worden aangewezen door de raad van bestuur. De beslissing tot aanwijzing omvat de omschrijving en de duur van de opdracht en de motivering van de aanwijzing. § 2. Enkel de statutaire personeelsleden van rang K1 met ten minste drie jaar niveauanciënniteit kunnen tot opdrachthouder aangewezen worden. Zij worden voor de duur van hun opdracht bezoldigd in de salarisschaal die overeenstemt met de bevorderingsgraad in rang K2 van hun graad. Art. II 8. De opdrachthouders worden voor een termijn van twee jaar aangewezen. Deze termijn kan verlengd worden met vier jaar. De aanwijzing gaat in op de eerste van de maand volgend op de beslissing van de raad van bestuur. Art. II 9. § 1. De opdrachthouder behoudt tijdens de duur van de opdracht zijn recht op salarisverhoging of op bevordering tot een hogere graad, op dezelfde wijze als wanneer hij niet met een opdracht was belast. § 2. De aanwijzing tot opdrachthouder vervalt van rechtswege bij het verstrijken van de duur van het mandaat of na een ononderbroken afwezigheid van vier maanden of op de dag van de benoeming van de mandaathouder in een graad van rang K2 of hoger. De raad van bestuur kan de aanwijzing, mits er een motivering gegeven wordt, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de betrokkene zelf, voortijdig beëindigen. TITEL VI. - De waarneming van een hogere functie Art. II 10. § 1. Voor de toepassing van deze titel verstaat men onder hogere functie, elke functie die overeenstemt met de in de personeelsformatie voorkomende betrekking van een graad van hogere rang dan waarvan het statutaire personeelslid titularis is. § 2. Een statutair personeelslid kan worden aangesteld in een hogere functie voor een betrekking van een graad die tijdelijk of definitief vacant is. Art. II 11. § 1. Ongeacht het feit of een statutair personeelslid voldoet aan de statutaire vereisten om te worden benoemd in de graad die overeenstemt met de hogere functie, kan het statutaire personeelslid slechts de hogere functie verkrijgen in de eerstvolgende rang. § 2. Het statutaire personeelslid dat een tuchtstraf heeft opgelopen, mag niet worden aangesteld voor het uitoefenen van een hogere functie voor zijn tuchtstraf doorgehaald is. Art. II 12. De uitoefening van de hogere functie wordt toevertrouwd aan het statutaire personeelslid dat het meest geschikt bevonden wordt om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien. Art. II 13. De raad van bestuur beslist over de aanstelling in een hogere functie zoals bedoeld in artikel II 10. In afwijking van het vorige lid van dit artikel beslist de Vlaamse regering op voorstel van de raad van bestuur over de aanstelling in een hogere functie in de graad van leidend ambtenaar of adjunct-leidend ambtenaar. Art. II 14. § 1. In een tijdelijk vacante betrekking kan het statutaire personeelslid voor de duur van de afwezigheid aangesteld worden tot de titularis van de graad opnieuw zijn ambt opneemt. § 2. In een definitief vacante betrekking kan het statutaire personeelslid voor ten hoogste één jaar aangesteld worden op voorwaarde dat de procedure tot definitieve toekenning van die betrekking wordt ingezet. § 3. Onverminderd de bepalingen van § 1 en § 2 van dit artikel, wordt de aanstelling verleend voor maximum één jaar. Verlenging van deze termijn is slechts mogelijk door een gemotiveerde beslissing van de raad van bestuur. § 4. De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van de functie die vacant is, zijn laatste of huidige titularis en de reden van diens vertrek of afwezigheid;2° een verantwoording van de noodzaak om in de vacature een hogere functie toe te kennen;3° een verantwoording van de keuze van de voorgedragen kandidaat. Art. II 15. Een statutair personeelslid dat met een hogere functie is belast, beschikt over alle aan deze functie verbonden prerogatieven. Art. II 16. Deze titel is niet van toepassing op de stagedoende statutaire personeelsleden. TITEL VII. - Overgangs- en opheffingsbepalingen Art. II 17. De commissie van beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid bij de diensten van de Vlaamse regering en sommige instellingen en publiekrechtelijke verenigingen die onder de Vlaamse Gemeenschap en/of het Vlaamse Gewest ressorteren, behandelt de beroepen die bij haar werden ingesteld voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Art. II 18. § 1. In afwijking van artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende oprichting en samenstelling van een raad van beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen, behandelt de raad van beroep van de Maatschappij, opgericht bij beslissing van de raad van beheer van de Nationale Maatschappij der Waterleidingen van 3 mei 1966, de beroepen tegen een tuchtstraf of schorsing in het belang van de dienst, de aanvragen tot herziening van een beoordeling en de beroepen zoals voorzien in artikel II.4, § 1, 1° en 2° die bij hem worden ingediend voor de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit. § 2. De beroepen ingesteld tegen een beoordeling toegekend voor de aanvang van de eerste evaluatieperiode zoals bedoeld in artikel VIII 16, § 1, worden verder afgehandeld door de bij de bij beslissing van de raad van beheer van de Nationale Maatschappij der Waterleidingen van 3 mei 1966 opgerichte raad van beroep van de Maatschappij volgens de procedure en samenstelling die gold voor de datum waarop dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. II 19. De beslissing van de raad van beheer van de Nationale Maatschappij der Waterleidingen van 3 mei 1966 houdende de oprichting van een Raad van Beroep, wordt opgeheven. DEEL III. - RECHTEN EN PLICHTEN Art. III 1. Het statutaire personeelslid heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn functie. Inzoverre het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een van de hierna opgesomde belangen, is het hem verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op 1° de veiligheid van het land;2° de bescherming van de openbare orde;3° de financiële belangen van de overheid;4° maatregelen ter voorkoming van strafbare feiten;5° het medisch geheim;6° het vertrouwelijk karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens, uitgezonderd indien de betrokkene met de inzage, de uitleg of de mededeling in afschrift ervan heeft ingestemd;7° het intern beraad dat voorafgaat aan elke beslissing zolang er in de desbetreffende aangelegenheid geen administratieve eindbeslissing is genomen en op voorwaarde dat de openbaarmaking afbreuk doet aan het geheim van de beraadslagingen van de voor de beslissing bevoegde overheid of in zoverre vastgesteld is dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen één of meer belangen opgesomd in de punten 1 tot en met 7 van dit lid of in zoverre de openbaarmaking om reden dat het document niet af of onvolledig is tot misvatting aanleiding kan geven. Het is hem ook verboden feiten bekend te maken indien de bekendmaking ervan een inbreuk is op de rechten en de vrijheden van de burger, in het bijzonder op het privé-leven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om op hem betrekking hebbende gegevens openbaar te maken. Dit artikel geldt eveneens voor het statutaire personeelslid dat zijn functie heeft neergelegd. Art. III 2. § 1. Het statutaire personeelslid heeft het recht op informatie en voortgezette vorming zowel wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakvervulling als om te kunnen voldoen aan de evaluatiecriteria en bevorderingsvereisten. De vorming moet hem worden verstrekt wanneer ze een bevorderingsvoorwaarde is of een onderdeel van de evaluatiecriteria uitmaakt. Het statutaire personeelslid heeft recht op vorming voor persoonlijke bijscholing voor zover dit past in de organisatorische doelstellingen van zijn dienst. § 2. Het statutaire personeelslid mag niet weigeren zich bij te scholen en dient zich op de hoogte te houden van de evolutie van de technieken, reglementeringen en navorsingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. Het statutaire personeelslid krijgt hiervoor van de Maatschappij de nodige middelen. § 3. De vorming is een plicht wanneer zij noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een afdeling, of wanneer zij een onderdeel uitmaakt van een herstructurering, reorganisatie van een afdeling of een implementatie van nieuwe technieken en infrastructuur. Voor het statutaire personeelslid van het niveau K kan deze vorming plaatsvinden buiten en bovenop de normale arbeidsprestaties, eventueel zonder compensatie. De onkosten die inherent zijn aan de deelname aan deze vormingsactiviteiten zijn voor rekening van de Maatschappij. Art. III 3. Elk statutair personeelslid heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen. Het persoonlijk dossier van het statutaire personeelslid bevat ten minste de administratieve stukken zoals bepaald in bijlage 1 bij dit besluit. Aanbevelingen waaruit een levensbeschouwelijke, ideologische of politieke overtuiging blijkt, mogen niet voorkomen in het administratieve dossier. Art. III 4. § 1. Onverminderd de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting bepaald in artikel III 1, oefent het statutaire personeelslid zijn functie op een loyale en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen die verantwoordelijk zijn voor de gegeven opdrachten. Hij moet inzonderheid : 1° in zijn handelingen en gedragingen in de uitoefening van zijn taken, de van kracht zijnde wetten, decreten en reglementeringen, de richtlijnen van de Maatschappij alsmede de billijkheids- en doelmatigheidsaspecten in acht nemen;2° zijn raadgevingen, adviezen, opties en verslagen formuleren op basis van een precieze, volledige en praktische voorstelling van de feiten;3° zorgvuldig, plichtsbewust en met inachtneming van de richtlijnen van de Maatschappij, de beslissingen uitvoeren en de desbetreffende programma's verwezenlijken en zelf de nodige initiatieven aan de dag leggen;4° in de omgang met meerderen, collega's of ondergeschikten en in zijn contacten met het publiek, de persoonlijke waardigheid respecteren. § 2. Het statutaire personeelslid verleent zijn medewerking aan beleidsvoorbereidend werk en neemt actief deel aan teamwerk. § 3. Het statutaire personeelslid vervult zijn functie met openheid en zonder enige discriminatie tegenover de gebruikers van zijn dienst. Het ziet erop toe geen enkel gegeven van persoonlijke aard dat werd ingezameld bij die gebruikers, bekend te maken tenzij aan de personen bevoegd om ervan kennis te nemen. Art. III 5. § 1. Buiten de uitoefening van zijn functie moet het statutaire personeelslid elke handelswijze vermijden die het vertrouwen van het publiek in zijn dienst kan aantasten. § 2. Zelfs buiten zijn functie maar in verband ermee, mag het statutaire personeelslid rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Art. III 6. De hoedanigheid van statutair personeelslid is onverenigbaar met elke activiteit die het statutaire personeelslid zelf of via een tussenpersoon verricht en die : 1° verhindert dat hij zijn ambtsplichten vervult;2° met de waardigheid van de functie in strijd is;3° zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengt of;4° belangenvermenging tot gevolg heeft. De cumulatie van activiteiten binnen de beperkingen van het eerste lid wordt geregeld overeenkomstig deel IV van dit besluit. DEEL IV. - CUMULATIE VAN BEROEPSACTIVITEITEN. Art. IV 1. De statutaire personeelsleden mogen geen beroepsactiviteiten cumuleren. Niet bedoeld zijn evenwel de statutaire personeelsleden die toestemming kregen om hun functie met verminderde prestaties uit te oefenen waarbij zij zich tijdens hun afwezigheid in non-activiteit bevinden, op voorwaarde dat de duur van de verminderde prestaties de helft van de duur van volledige prestaties niet overschrijdt. Evenmin worden bedoeld de statutaire personeelsleden die verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan hebben overeenkomstig Deel XI, Titel XI van dit besluit. Art. IV 2. Onder beroepsactiviteiten in de zin van dit besluit moet worden verstaan elke bezigheid waarvan de opbrengst een bedrijfsinkomen is als bedoeld in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en waarvan het bedrag hoger is dan het bedrag van de inkomsten die in de sociale zekerheidsregeling der zelfstandigen vrijgesteld worden van de verplichting tot bijdragebetaling. In afwijking van het voorgaande lid wordt een openbaar politiek mandaat niet beschouwd als beroepsactiviteit. Hieronder dient te worden verstaan een mandaat waarvoor in toepassing van artikel XI 71 politiek verlof wordt verleend. Art. IV 3. In afwijking van artikel IV 1 wordt de cumulatie van beroepsactiviteiten die inherent zijn aan het uitoefenen van de functie, van rechtswege uitgeoefend. Inherent aan het uitoefenen van de functie is elke opdracht : 1° die ingevolge een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling is gekoppeld aan de functie die door een statutair personeelslid wordt uitgeoefend;2° waarvoor het statutaire personeelslid ambtshalve wordt aangewezen door de raad van bestuur, door de minister of door de Vlaamse regering. Art. IV 4. § 1. In afwijking van artikel IV 1 kan de raad van bestuur op geschreven en voorafgaande aanvraag van het statutaire personeelslid en na gemotiveerd advies van de directieraad, machtiging verlenen tot cumulatie buiten de diensturen van beroepsactiviteiten die verenigbaar zijn met de hoedanigheid van statutair personeelslid, en die zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek uitgeoefend kunnen worden. Het statutaire personeelslid richt zijn aanvraag bij aangetekende brief met ontvangstbewijs via het afdelingshoofd aan de leidend ambtenaar. De directieraad brengt zijn gemotiveerd advies uit binnen een termijn van dertig kalenderdagen nadat hij de aanvraag ontvangen heeft. De raad van bestuur doet uitspraak over de aanvraag van het statutaire personeelslid binnen een termijn van dertig kalenderdagen die volgt op de in het vorige lid vermelde termijn. Na verloop van die termijn wordt de beslissing geacht gunstig te zijn. Als de nodige inlichtingen in het dossier niet voorhanden zijn, vraagt de raad van bestuur erom binnen de in het vorige lid vermelde termijn. Het statutaire personeelslid verstrekt deze inlichtingen binnen een termijn van vijftien kalenderdagen zoniet wordt de aanvraag als vervallen beschouwd. Binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van de gevraagde inlichtingen, doet de raad van bestuur een definitieve uitspraak. § 2. De in § 1 bedoelde machtiging kan worden herroepen. De beslissingen tot machtiging, tot weigering en tot herroeping worden met redenen omkleed. § 3. De raad van bestuur bepaalt wat onder diensturen moet worden verstaan. Art. IV 5. Overtredingen op de bepalingen van dit deel geven aanleiding tot tuchtstraffen. DEEL V. - HET DOELTREFFEND INZETTEN VAN HET PERSONEEL TITEL I. - Algemene bepalingen Art. V 1. § 1. Jaarlijks in de maand januari maakt de leidend ambtenaar een verslag op over de personeelsbezetting in de Maatschappij. Het verslag wordt voorgelegd aan de raad van bestuur en ter kennis gebracht van de minister. § 2. Op basis van het in § 1 vermelde verslag stelt de directieraad het tekort aan personeel en het overtallige personeel in de Maatschappij vast en/of raamt het overtollige personeel. Het personeel is overtallig wanneer de bezetting het formatiecijfer overtreft. Het personeel is overtollig wanneer er te veel personeel is in relatie tot de behoeften of taken van de Maatschappij. Art. V 2. § 1. Onverminderd de mogelijkheid om de personeelsformatie aan te passen, wordt het personeel binnen de Maatschappij in dienst gehouden. § 2. Het tekort aan personeel in de Maatschappij wordt opgevuld via aanwervingsplannen opgesteld door de directieraad en goedgekeurd door de raad van bestuur. Art. V 3. Wanneer op verschillende wijzen in een vacante betrekking kan worden benoemd en er geen bepaling is die een bepaalde wijze voorschrijft, kiest de raad van bestuur op gemotiveerd voorstel van de directieraad, op gemotiveerde wijze hoe de betrekking moet worden opgevuld : 1° een vacante betrekking in de graad van de laagste rang van elk niveau : a) mutatie of b) bevordering van de geslaagden voor de vergelijkende overgangsexamens of c) aanwerving;2° een vacante betrekking in een hiërarchisch hogere graad dan de begingraad van elk niveau : a) mutatie of b) bevordering of c) in het niveau K, indien de keuze voor a) of b) geen geschikte kandidaten oplevert, aanwerving. Bij de beslissingen die krachtens dit artikel worden genomen, wordt rekening gehouden met de functiebeschrijving en het gewenste profiel. De functiebeschrijving en het gewenste profiel worden ter kennis gebracht van de betrokken kandidaten. De in het vorige lid bedoelde kennisgeving omvat inzake de te verlenen betrekking de volgende elementen : 1° een functiebeschrijving;2° het gewenste profiel;3° de salarisschaal;4° de datum waarop zij zal worden vacant verklaard;5° de termijn waarbinnen de kandidaturen kunnen worden ingediend;6° de wijze waarop de kandidaturen moeten worden ingediend. TITEL II. - De mutatie Art. V 4. Voor de toepassing van deze titel wordt onder mutatie verstaan, de overplaatsing binnen de Maatschappij van een statutair personeelslid met een graad tot en met rang K2 naar een betrekking met een andere administratieve standplaats, zonder dat er voor het definitief benoemde statutaire personeelslid een verandering van graad of een verhoging in graad mee gepaard gaat. Art. V 5. Onder "administratieve standplaats" wordt verstaan de plaats waar het statutaire personeelslid hoofdzakelijk zijn functie uitoefent. Onverminderd de bepalingen van deze titel, stelt de raad van bestuur de administratieve standplaats van de statutaire personeelsleden vast, alsmede de wijziging ervan. Art. V 6. De raad van bestuur verklaart de betrekkingen vacant die bij wijze van mutatie ingevuld worden. De raad van bestuur bepaalt tevens de datum waarop een betrekking zoals bedoeld in het vorige lid, vacant wordt verklaard. Art. V 7. § 1. Voor de in artikel V 6 bepaalde betrekkingen waaraan een specifieke functiebeschrijving en profiel zijn verbonden, wordt een algemene oproep tot de kandidaten gedaan. Voor de in artikel V 6 bepaalde betrekkingen waaraan geen specifieke functiebeschrijving en profiel zijn verbonden, wordt geen algemene oproep tot de kandidaten gedaan. Voor laatstgenoemde betrekkingen kan steeds een spontane mutatieaanvraag worden ingediend, zelfs vóór de in artikel V 6 bedoelde vacantverklaring door de raad van bestuur. § 2. Het statutaire personeelslid dat een mutatie wenst, moet daartoe via het afdelingshoofd een gemotiveerde aanvraag indienen bij de leidend ambtenaar. Het afdelingshoofd voegt zijn gemotiveerd advies bij de aanvraag, rekening houdend met het belang van de dienst. Art. V 8. Bij de toewijzing van de definitief vacante betrekkingen wordt enkel rekening gehouden met de aanvragen die voor de in artikel V 6, tweede lid vermelde datum aan de leidend ambtenaar zijn bezorgd. Elke aanvraag ingediend na de in het eerste lid van dit artikel vermelde termijn, is niet ontvankelijk. Art. V 9. § 1. Het statutaire personeelslid kan slechts een mutatie verkrijgen indien het : 1° geen "onvoldoende" voor zijn laatste functioneringsevaluatie heeft;2° zich in de administratieve toestand "dienstactiviteit" bevindt;3° voldoet aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om deze functie uit te oefenen. § 2. De beslissing tot mutatie houdt rekening met : 1° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat;2° de functioneringsevaluatie;3° het in artikel V 7, § 2 bedoelde vereiste advies van het afdelingshoofd. Art. V 10. Het statutaire personeelslid dat op zijn verzoek volgens de bepalingen van deze titel wordt gemuteerd, kan binnen een periode van twee jaar geen nieuwe mutatie krijgen. Dit geldt ook voor het statutaire personeelslid dat een bevordering aanvaardt in een betrekking waaraan een andere administratieve standplaats is verbonden. Bovendien is er geen mutatie mogelijk gedurende de eerste twee jaar na de indiensttreding bij de Maatschappij. Art. V 11. De raad van bestuur kan een mutatie uitstellen indien de overplaatsing van het betrokken statutaire personeelslid niet verenigbaar is met de goede werking van de dienst waarin het is tewerkgesteld. Dit uitstel kan maar maximum zes maanden duren, ingaand op de datum vermeld in artikel V 6, tweede lid. Gedurende deze periode kan er in die betrekking niet worden benoemd. Art. V 12. Als meerdere statutaire personeelsleden een mutatieaanvraag op de in deze Titel bepaalde wijze hebben ingediend, worden de openstaande betrekkingen toegekend aan de meest geschikte kandidaat, rekening houdend met : 1° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat;2° de functioneringsevaluatie. Bij gelijkwaardigheid van de kandidaten wordt de voorrang bepaald als volgt : 1° het statutaire personeelslid met de grootste graadanciënniteit;2° bij gelijke graadanciënniteit, het statutaire personeelslid met de grootste niveauanciënniteit;3° bij gelijke niveauanciënniteit, het statutaire personeelslid met de grootste dienstanciënniteit;4° bij gelijke dienstanciënniteit, het oudste statutaire personeelslid. Art. V 13. Het statutaire personeelslid dat op zijn verzoek door de raad van bestuur wordt gemuteerd, neemt zijn nieuwe dienst zo spoedig mogelijk op en in ieder geval binnen een periode van drie maanden ingaand de eerste dag van de maand na die waarin de beslissing van de raad van bestuur is genomen. In uitzonderlijke en gemotiveerde gevallen wordt de in het eerste lid vermelde termijn met drie maanden verlengd. Art. V 14. Elke mutatieaanvraag in een bepaalde graad blijft geldig zolang het statutaire personeelslid de aanvraag niet schriftelijk heeft ingetrokken. Art. V 15. De mutatieaanvragen, met uitzondering van de aanvragen voor een betrekking die wordt verleend op basis van de functiebeschrijving en het profiel, worden vermeld in het administratief jaarboek van het personeel van de Maatschappij. De statutaire personeelsleden die vaststellen dat hun mutatieaanvraag niet in het administratief jaarboek van het personeel is opgenomen, moeten de leidend ambtenaar hiervan in kennis stellen. Art. V 16. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de stagedoende statutaire personeelsleden. TITEL III. - De herplaatsing Art. V 17. De raad van bestuur kan het statutaire personeelslid dat door de arbeidsgeneeskundige dienst ongeschikt werd bevonden, maar dat opnieuw in een andere functie geplaatst kan worden die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, herplaatsen in een graad van zijn rang of van een lagere rang. Deze herplaatsing heeft de benoeming in de nieuwe graad tot gevolg. Indien de herplaatsing plaatsvindt in een graad van een lagere rang, wordt het statutaire personeelslid ingeschaald in de nieuwe salarisschaal overeenkomstig artikel XIII 19, § 2. Art. V 18. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de stagedoende statutaire personeelsleden. DEEL VI. - DE AANWERVING TITEL I. - De toelatingsvoorwaarden Art. VI 1. § 1. Voor de toegang tot een functie in de Maatschappij gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden : 1° zich gedragen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldoen;4° de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor de uit te oefenen functie. De lichamelijke geschiktheidsvereisten worden vastgesteld in de functiebeschrijving en via een door de raad van bestuur aangestelde geneeskundige dienst gecontroleerd. § 2. De functies waarvoor in de functiebeschrijving en het profiel bepaald wordt dat zij een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden, of die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Vlaamse gemeenschap en/of het Vlaamse gewest, zijn voorbehouden voor Belgen. TITEL II. - De aanwerving HOOFDSTUK I. - De aanwervingsvoorwaarden Art. VI 2. De bepalingen van deze titel zijn niet toepasselijk op de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren. Art. VI 3. § 1. Als statutair personeelslid kan enkel worden aangeworven wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, volgens de bij dit besluit gevoegde tabel als bijlage 2;2° slagen voor het voorgeschreven vergelijkend aanwervingsexamen. Houders van een diploma of getuigschrift dat toegang verleent tot een bepaald niveau, worden uitgesloten van inschrijving voor een wervingsexamen voor een lager niveau. De voorwaarde dat men geen hoger diploma of getuigschrift mag bezitten, geldt niet voor : - de diploma's die behaald werden na de inschrijving voor het wervingsexamen; - de toegang tot de niveaus U en W waarvoor bepaalde diploma's of getuigschriften wel in aanmerking worden genomen indien dit wordt vereist in de functiebeschrijving of het examenreglement. § 2. De raad van bestuur stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden, onverminderd de toepassing van artikel VI 4, § 2, wat betreft het bezit van het vereiste diploma of studiegetuigschrift. Art. VI 5. § 1. In overeenstemming met de aard van de functie en op basis van de functiebeschrijving en het competentieprofiel, kan de raad van bestuur bijzondere aanwervingsvoorwaarden opleggen zoals : 1° een minimum- en/of maximumleeftijdsgrens;2° bijzondere eisen inzake beroepsbekwaamheid en/of lichamelijke geschiktheid;3° het bezit van diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen onder die welke zijn opgesomd in de tabel van bijlage 2 bij dit besluit, of van bijzondere studie- of opleidingsdiploma's of getuigschriften. § 2. De raad van bestuur stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de bijzondere aanwervingsvoorwaarden. HOOFDSTUK II. - De vergelijkende aanwervingsexamens Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. VI 6. De raad van bestuur organiseert de vergelijkende aanwervingsexamens. De raad van bestuur kondigt elk vergelijkend aanwervingsexamen aan door elk middel van bekendmaking dat hij passend vindt. Het bericht vermeldt ten minste de algemene en eventueel ook de bijzondere vereisten waaraan de gegadigden moeten voldoen om benoemd te kunnen worden en de datum waarop de vereisten vervuld moeten zijn. Art. VI 7. § 1. De raad van bestuur bepaalt de modaliteiten van de vergelijkende aanwervingsexamens. Hij kan de organisatie en de bepaling van de modaliteiten van die vergelijkende examens echter geheel of gedeeltelijk opdragen aan de leidend ambtenaar of aan de adjunct-leidend ambtenaren. Hij kan ook de Vast Wervingssecretaris vragen sommige examens geheel of gedeeltelijk te organiseren. § 2. Onder de in § 1 bedoelde modaliteiten wordt verstaan : 1° de vaststelling van het huishoudelijk reglement betreffende de organisatie van de examens en de bekendmaking ervan;2° de vaststelling van het examenreglement waarin de volgende elementen worden vastgesteld : a) de termijn waarbinnen de inschrijvingen kunnen worden aanvaard;b) het examenprogramma, de deelnemingsvoorwaarden en de datum waarop aan deze voorwaarden moet worden voldaan;c) het cijfer punten dat aan het volledig examen, aan ieder examengedeelte en eventueel aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend;d) het minimum cijfer punten dat voor het volledig examen, voor ieder examengedeelte en eventueel voor de onderverdelingen ervan wordt vereist;3° de aanwijzing van de leden van de examencommissies;4° de bepaling van datum en plaats van het examen;5° de vaststelling van de lijst van de kandidaten;6° de oproeping van de kandidaten;7° het opmaken van het proces-verbaal dat de rangschikking van de geslaagden vaststelt;8° de kennisgeving aan de kandidaten van het behaalde resultaat. § 2. De raad van bestuur bepaalt de samenstelling van de examencommissies. Art. VI 8. De vergelijkende aanwervingsexamens worden georganiseerd voor benoeming in de graden van de laagste rang van elk niveau en in de graden van de andere rangen van het niveau K waarvoor de raad van bestuur overeenkomstig artikel V 3 tot aanwerving heeft beslist. Afdeling 2. - Het programma Art. VI 9. De raad van bestuur stelt de programma's van de vergelijkende aanwervingsexamens vast. De programma's toetsen de vereiste geschiktheid van de kandidaten om de te verlenen functie uit te oefenen. Voor een zelfde graad kunnen het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen en dat van het vergelijkend examen voor overgang naar het ander niveau verschillend zijn. Art. VI 10. De vergelijkende aanwervingsexamens bestaan uit drie onderdelen : 1° een onderdeel om de basisvaardigheden voor het uitoefenen van de te verlenen graad, te evalueren;2° een onderdeel om de vaardigheden tot schriftelijke communicatie te evalueren;3° een onderdeel bestaande uit een interview om na te gaan of het profiel van de kandidaat overeenstemt met de specifieke vereisten van de functie. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor de reeds georganiseerde onderdelen, kunnen tot het volgende onderdeel worden toegelaten. Wanneer de aard van de functies het wettigt, kan het vergelijkend aanwervingsexamen worden beperkt tot een of twee onderdelen. Art. VI 11. De raad van bestuur bepaalt de duur en de volgorde van de verschillende examenonderdelen. Een mondeling examen wordt afgenomen in aanwezigheid van ten minste twee bijzitters. Art. VI 12. Ieder gegadigde die zich voor een vergelijkend aanwervingsexamen inschrijft, ontvangt op aanvraag het reglement. Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen Art. VI 13. De raad van bestuur kan, rekening houdend met de aanwervingsvooruitzichten gedurende de geldigheidstermijn van het examen, het maximum aantal kandidaten bepalen dat : - tot een volgend examengedeelte wordt toegelaten; - als geslaagd voor het volledig examen aanvaard kan worden. Het in het eerste lid bedoelde maximum wordt opgenomen in het examenreglement. Dit maximum wordt verminderd indien niet voldoende kandidaten het vastgestelde minimum aantal punten hebben behaald. Het wordt verhoogd indien voor de laatste plaats meerdere kandidaten een gelijk aantal punten hebben behaald. Art. VI 14. § 1. Indien de mogelijkheid in het examenreglement is opgenomen, kan de raad van bestuur, wanneer hij oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten het rechtvaardigt, na het afsluiten van de inschrijvingen aan het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen een voorselectie toevoegen. § 2. De examencommissie stelt op basis van de uitslagen van de voorselectie het aantal kandidaten vast dat tot het vergelijkend aanwervingsexamen kan worden toegelaten. § 3. Voor de rangschikking van de geslaagden voor het vergelijkend aanwervingsexamen wordt geen rekening gehouden met het resultaat van de voorselectie. Art. VI 15. De examencommissie stelt in het proces-verbaal van het examen de lijst van de geslaagden vast met vermelding van hun rangschikking. De eindrangschikking van het volledig examen wordt opgemaakt volgens het totaal aantal behaalde punten. De geldigheidsduur van het examen begint te lopen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van de beslissing van de raad van bestuur tot opname van de geslaagden in de wervingsreserve. Art. VI 16. Indien voor een bepaalde betrekking bijzondere bijkomende vereisten worden gesteld, kunnen de in een bestaande reserve opgenomen kandidaten onderworpen worden aan een bijkomende selectietest. De geslaagden voor deze test worden voor deze betrekking opgenomen in een bijkomende afzonderlijke rangschikking in volgorde van de door hen behaalde punten. Art. VI 17. Wanneer vergelijkende aanwervingsexamens georganiseerd worden voor graden van eenzelfde rang of van verschillende rangen volgens geheel of gedeeltelijk gelijke examenprogramma's, kan de raad van bestuur een aanwervingsexamen organiseren bestaande uit een gemeenschappelijk gedeelte en uit afzonderlijke gedeelten voor elk van de betrokken graden. Art. VI 18. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend aanwervingsexamen vergewist de raad van bestuur zich ervan dat de geslaagden aan de gestelde vereisten voldoen. Indien blijkt dat nader onderzoek moet worden verricht omtrent het voldoen aan de gestelde eisen van een bepaalde kandidaat, wordt de kandidaat hiervan in kennis gesteld en voorlopig uitgesloten. Art. VI 19. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend examen worden de geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, door de raad van bestuur opgenomen in een wervingsreserve in de orde van hun rangschikking. De geslaagden die voorlopig werden geweerd doch naderhand aan de gestelde eisen voldoen, worden opgenomen in de wervingsreserve. Zij die aan deze eisen niet voldoen, worden uitgesloten. Art. VI 20. De geslaagde die, vooraleer hem een betrekking wordt aangeboden, wegens persoonlijke redenen uitstel van indiensttreding vraagt, verliest het voordeel van zijn plaats in de rangschikking. Na het intrekken van zijn uitstel neemt hij zijn oorspronkelijke plaats in de rangschikking opnieuw in. Art. VI 21. De geslaagde die een betrekking aangeboden krijgt op basis van zijn vooraf kenbaar gemaakte voorkeur en deze betrekking weigert, verliest het voordeel van zijn rangschikking. Art. VI 22. De geslaagden voor een vergelijkend aanwervingsexamen behouden het voordeel van hun uitslag gedurende vier jaar te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van de beslissing van de raad van bestuur tot opname van de geslaagden in de wervingsreserve, tenzij de raad van bestuur een andere termijn heeft vastgesteld, welke in het examenreglement wordt bepaald. Achteraf kan de raad van bestuur de geldigheidsduur van de wervingsreserve verlengen, doch enkel om redenen die verband houden met de goede werking van de dienst. Onder geslaagden van twee of meer examens wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het examen waarvan het proces-verbaal het vroegst is afgesloten. TITEL III. - De aanwerving van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren Art. VI 23. Als leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaar kunnen enkel worden aangeworven wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de in artikel VI 1 bepaalde toelatingsvoorwaarden vervullen;2° aan de hiernavolgende bijzondere aanwervingsvoorwaarden voldoen : a) in het bezit zijn van een diploma dat toegang verleent tot niveau K volgens de als bijlage 4 bij dit besluit gevoegde tabel;b) slagen voor een selectieproef, uitgevoerd door een extern advieskantoor of door het Vast Wervingssecretariaat, waarbij wordt nagegaan of de kandidaat over voldoende leidinggevende capaciteiten beschikt. Art. VI 24. § 1. De Vlaamse regering verklaart de betrekkingen van leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaar vacant. § 2. De kennisgeving van de vacature vindt plaats via een publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. § 3. Het vacaturebericht omvat inzake de te verlenen betrekkingen de volgende elementen : 1° de toelatings- en aanwervingsvoorwaarden;2° een functiebeschrijving;3° het gewenste profiel;4° de salarisschaal;5° de termijn en de modaliteiten voor het indienen van de kandidaatstelling, overeenkomstig de bepalingen van § 4 en in voorkomend geval de over te leggen stukken. § 4. Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling beantwoorden aan de voorschriften van het vacaturebericht, en per aangetekende brief worden ingediend binnen dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad. Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken. TITEL IV. - De aanwerving van personen met een handicap Art. VI 25. Deze titel stelt de bepalingen inzake aanwerving vast die in afwijking van het statuut van het statutaire personeelslid worden getroffen om de aanwerving van personen met een handicap bij de Maatschappij te bevorderen. Zij zijn van toepassing op personen met een handicap die zijn ingeschreven bij het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap, hierna te noemen het VFSIPH. Art. VI 26. § 1. De gerechtigde op deze titel moet voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden voor het statutaire personeelslid. Evenwel worden bij de organisatie van het vergelijkend aanwervingsexamen de hinderpalen verbonden aan de handicap zoveel mogelijk weggewerkt door het aanbieden van aangepaste faciliteiten. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, wordt het statutaire personeelslid dat in aanmerking komt voor een betrekking in het niveau U en W, vrijgesteld van het vergelijkend aanwervingsexamen. Art. VI 27. Het contingent personen met een handicap dat prioritair en op basis van de vacatures, binnen het niveau U en W werk krijgt, bedraagt twee procent van het aantal betrekkingen op de personeelsformatie. Art. VI 28. § 1. Zolang het contingent niet bereikt is, onderzoekt de directieraad in overleg met het VFSIPH en op basis van de functiebeschrijving van de vacature en de profielvereisten van de kandidaat, welke personen met een handicap in aanmerking komen voor de vacatures. § 2. De namen van de geselecteerde personen met een handicap worden samen met een gemotiveerd verslag voor beslissing aan de raad van bestuur voorgelegd. TITEL V. - Overgangs- en opheffingsbepalingen Art. VI 29. De geslaagden voor een vergelijkend aanwervingsexamen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit opgenomen zijn in een bij de Maatschappij voor een bepaalde graad bestaande wervingsreserve, worden ambtshalve opgenomen in een wervingsreserve voor een graad die met toepassing van artikel VIII 75, eerste en tweede lid, de vroegere graad vervangt waarvoor zij het vergelijkend examen hebben afgelegd. Onverminderd de bepalingen van artikel VI 22 behouden zij het voordeel van hun uitslag gedurende vier jaar te rekenen vanaf de datum waarop dit besluit in werking treedt. Art. VI 30 Het besluit van de Vlaamse regering van 5 augustus 1988 tot vaststelling van sommige bepalingen van het administratief statuut van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, wordt opgeheven. DEEL VII. - DE STAGE EN DE DEFINITIEVE BENOEMING TITEL I. - De stage HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. VII 1. De raad van bestuur stelt de geslaagden van een vergelijkend aanwervingsexamen die aan de gestelde eisen voldoen, in de orde van hun rangschikking aan tot stagedoend statutair personeelslid in een vaste openstaande betrekking van de graad waarnaar zij hebben meegedongen. Art. VII 2. Het stagedoende statutaire personeelslid wordt geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. VII 3. De geslaagde voor een vergelijkend aanwervingsexamen mag pas tot de stage toegelaten worden nadat zijn lichamelijke geschiktheid is gecontroleerd. HOOFDSTUK II. - Nadere bepalingen Art. VII 4. De raad van bestuur organiseert de stage. Ze verloopt onder leiding van de opdrachthouder voor de vorming. Art. VII 5. De directieraad kan op elk ogenblik tijdens de stage bij gemotiveerde beslissing de dienstaanwijzing van het stagedoende statutaire personeelslid wijzigen. HOOFDSTUK III. - Duur van de stage Art. VII 6. De duur van de stage bedraagt : 1° in niveau K :12 maanden;2° in niveau Ma : 9 maanden;3° in niveau Mb : 6 maanden;4° in niveau U : 6 maanden;5° in niveau W : 6 maanden. Art. VII 7. § 1. Om de duur van de verrichte stage te berekenen, worden alle perioden waarin het stagedoende statutaire personeelslid in actieve dienst is, in aanmerking genomen. § 2. Het stagedoende statutaire personeelslid beschikt over een bonus aan werkdagen afwezigheid die niet meetelt bij het berekenen van de duur van de stage, zoals hierna vermeld naast de stageduur : 1° 12 maanden : 25 werkdagen;2° 9 maanden : 20 werkdagen;3° 6 maanden : 15 werkdagen. Deze bonus kan in één keer of gefractioneerd gebruikt worden. In deze bonus wordt geen rekening gehouden met de jaarlijkse vakantie. § 3. Afwezigheid boven de in § 2 vermelde bonus, zelfs de afwezigheid die met dienstactiviteit gelijkgesteld wordt, heeft schorsing van de stage tot gevolg. § 4. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagedoend statutair personeelslid; zijn administratieve toestand wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die op hem van toepassing zijn tijdens zijn afwezigheid. § 5. Tijdens de periode waarin de einddatum van de stage overschreden wordt, behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagedoend statutair personeelslid. HOOFDSTUK IV. - Programma Art.VII 8. Het stageprogramma wordt opgenomen in de functiebeschrijving. HOOFDSTUK V. - Evaluatie van het stagedoende statutaire personeelslid Afdeling 1. - Evaluatie Art. VII 9. Elk stagedoend personeelslid wordt begeleid door een statutair personeelslid van zijn afdeling, hierna te noemen de stagebegeleider. Art. VII 10. Na een gesprek met het stagedoende statutaire personeelslid, maakt het afdelingshoofd om de drie maanden voor het stagedoende statutaire personeelslid van niveau Ma, Mb, U en W en om de zes maanden voor het stagedoende statutaire personeelslid van niveau K, een verslag op van de wijze waarop het stagedoende statutaire personeelslid de hem opgedragen taken heeft vervuld. Ieder stageverslag wordt onverwijld ter kennisgeving aan het betrokken stagedoend statutair personeelslid opgestuurd dat dit viseert. Als de betrokkene het stageverslag niet wil of kan viseren, wordt het hem bij aangetekende brief opgestuurd. Het stagedoende statutaire personeelslid kan binnen twee werkdagen na visering of ontvangst van het stageverslag, er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegen. Het stageverslag en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen. Art. VII 11. Als in het eindverslag van de stage een negatieve evaluatie van de stage met voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid wordt gegeven, kan het stagedoende statutaire personeelslid dat deze evaluatie betwist, bij aangetekend schrijven binnen vijftien kalenderdagen volgend op de visering of ontvangst van het stageverslag, beroep aantekenen bij de raad van beroep. De raad van beroep brengt binnen de dertig kalenderdagen nadat de zaak aanhangig gemaakt werd, een met redenen omkleed advies uit bij de raad van bestuur. Als de raad van beroep verzuimt het in het vorige lid bepaalde te respecteren, behandelt men het beroep alsof er een voor de verzoeker gunstig advies werd gegeven. Art. VII 12. De raad van bestuur beslist over de definitieve benoeming. Afdeling 2. - Ongeschiktheid van het stagedoende statutaire personeelslid Art. VII 13. De raad van bestuur kan het stagedoende statutaire personeelslid dat een negatieve evaluatie zoals bedoeld in artikel VII 11, eerste lid, heeft gekregen, wegens beroepsongeschiktheid ontslaan. Met ingang van de eerste werkdag volgend op de beslissing tot ontslag, wordt met het stagedoende statutaire personeelslid een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden afgesloten die overeenstemt met een opzeggingstermijn van dezelfde duur. Eventueel kan de opzeggingsperiode verlengd worden zo lang als nodig is opdat het betrokken statutaire personeelslid in orde kan zijn met de wetgeving inzake sociale zekerheid. Art. VII 14. § 1. Voor elke zware fout begaan tijdens de stage kan het stagedoende statutaire personeelslid zonder opzegging worden ontslaan. Een zware fout moet door een hiërarchische meerdere van niveau K binnen drie werkdagen vastgesteld worden. Deze laatste hoort, samen met de directieraad, het stagedoende statutaire personeelslid binnen de in het vorige lid vermelde tijdspanne. Het stagedoende statutaire personeelslid kan zich hierbij laten bijstaan door een raadgever. Van de verklaring van het stagedoende statutaire personeelslid wordt een verslag gemaakt. Behoudens in geval van aanmaning, motiveert de directieraad binnen drie werkdagen na het horen van het stagedoende statutaire personeelslid, in een aangetekende brief het voorstel tot ontslag om dringende redenen. § 2. Het ontslag wordt uitgesproken door de raad van bestuur op gemotiveerd voorstel van de directieraad. TITEL II. - De definitieve benoeming Art. VII 15. § 1. Tot definitief benoemd statutair personeelslid kan enkel worden benoemd wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de voor de te verlenen betrekking bepaalde toelatingsvoorwaarden vervullen en aan de aanwervingsvoorwaarden voldaan hebben;2° met goed gevolg de stage volbracht hebben;3° lichamelijk geschikt bevonden zijn. § 2. In afwijking van § 1, 2°, doorlopen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren geen stage. Art. VII 16. De tot benoemen bevoegde overheid is de raad van bestuur. De raad van bestuur kan zijn bevoegdheid tot benoemen geheel of gedeeltelijk delegeren aan de leidend ambtenaar. In afwijking van het eerste lid van dit artikel worden de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren benoemd door de Vlaamse regering op advies van de raad van bestuur. Art. VII 17. De raad van bestuur benoemt het stagedoende statutaire personeelslid definitief in de graad waarin hij tot de stage toegelaten werd op basis van het eindverslag van de stage of na het advies van de raad van beroep bedoeld in artikel VII 11, tweede lid. Art. VII 18. Voor de berekening van de administratieve anciënniteiten wordt uitgegaan van de dag waarop het stagedoende statutaire personeelslid zijn stage is begonnen. Art. VII 19. Het stagedoende statutaire personeelslid legt, wanneer het tot de stage wordt toegelaten, de eed af in handen van de leidend ambtenaar. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaren leggen de eed af in handen van de minister. Art. VII 20. De eed luidt als volgt : "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk". Art. VII 21. Als de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar of het stagedoende statutaire personeelslid weigert de voormelde eed af te leggen, is zijn aanstelling van rechtswege nietig. TITEL III. - Overgangsbepaling Art. VII 22. Het stagedoende statutaire personeelslid dat tot de stage toegelaten werd voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, zet zijn stage voort overeenkomstig de reglementaire bepalingen die van kracht waren op de datum van het begin van de stage. DEEL VIII. - DE ADMINISTRATIEVE LOOPBAAN TITEL I. - De personeelsformatie en de hiërarchie van de graden Art. VIII 1. De personeelsformatie is de lijst van het aantal betrekkingen die de Maatschappij nodig heeft om haar maatschappelijke opdracht, zoals bepaald bij het decreet van 28 juni 1983 houdende oprichting van de instelling Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, zoals gewijzigd bij decreet van 7 juli 1998 tot wijziging en opheffing van sommige bepalingen van decreten en wetten betreffende sommige Vlaamse openbare instellingen en tot opheffing van wettelijke bepalingen inzake prioritaire aanwerving bij de Vlaamse openbare instellingen, uit te voeren. Art. VIII 2. § 1. De personeelsformatie stelt het aantal betrekkingen vast per niveau, per graad en per rang. § 2. De raad van bestuur stelt voor de Maatschappij een organogram op. Art. VIII 3. De hiërarchie van de graden omvat vijf niveaus en 11 rangen. Art. VIII 4. Onverminderd de bepalingen van artikel VI 3, § 1, 2°, zijn de vijf niveaus binnen de Maatschappij, die overeenstemmen met het ernaast vermelde vereiste onderwijsniveau, de volgende : 1° niveau K : universitair onderwijs en hoger onderwijs van twee cycli gelijkgesteld met universitair niveau;2° niveau Ma : hoger onderwijs van één cyclus of daarmee gelijkgesteld onderwijs;3° niveau Mb : secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld onderwijs;4° niveau U : geen diplomavereisten;5° niveau W : geen diplomavereisten. Art. VIII 5. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad binnen zijn niveau. Elke rang wordt aangeduid met een letter en een cijfer. De letter geeft het niveau aan, het cijfer situeert de rang in zijn niveau. De vijf niveaus omvatten het volgende aantal rangen : 1° niveau K : vier rangen, genummerd K1, K2, K2A, K3 2° niveau Ma : twee rangen, genummerd Ma1 en Ma2 3° niveau Mb : twee rangen, genummerd Mb1 en Mb2 4° niveau U : twee rangen, genummerd U1 en U2 5° niveau W : één rang, genummerd als W1. Binnen elk niveau worden de rangen genummerd volgens hun plaats in de hiërarchie, waarbij de hoogste rang het hoogste cijfer toegewezen krijgt. Binnen niveau K is de rang K2A hoger dan de rang K2 en lager dan de rang K3 Art. VIII 6. De graad is de titel die het statutaire personeelslid in een rang situeert en hem machtigt tot het bekleden van een betrekking die met de graad overeenstemt. De graden van eenzelfde hiërarchische rang zijn gelijkwaardige graden. Binnen elke graad kan de raad van bestuur functiebenamingen vaststellen. Art. VIII 7. De graden worden over de verschillende niveaus en rangen verdeeld zoals bepaald in bijlage 3 bij dit besluit. TITEL II. - De functioneringsevaluatie HOOFDSTUK I. - Definities en toepassingsgebied Art. VIII 8. § 1. Voor de toepassing van deze titel van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de functioneringsevaluatie : het beoordelen van het functioneren van de functiehouder in de huidige functie ten opzichte van vooraf bepaalde verwachtingen; In het begin van de evaluatieperiode worden de verwachtingen ten aanzien van resultaten en functioneren bepaald (de planning). Na afloop van de evaluatieperiode worden de resultaten en het functioneren beoordeeld ten opzichte van deze verwachtingen (vaststelling van de evaluatie). 2° de functiebeschrijving : de beschrijving van een aantal relatief permanente aspecten van een functie zoals het doel van de functie, de resultaatgebieden en de functioneringscriteria. De resultaatgebieden zijn de explicitering op welke domeinen welke resultaten verwacht worden in de functie (het « wat »). De functioneringscriteria zijn die criteria bepalend voor het goed uitoefenen van een functie (het « hoe »). De onderscheiden criteria worden opgenomen in een algemene lijst zoals vastgesteld in bijlage 7 bij dit besluit; 3° de hiërarchische meerdere : enerzijds de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar en de afdelingshoofden ten overstaan van de onder hun gezag staande personeelsleden, en anderzijds het personeelslid dat is aangewezen door het afdelin …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.