Decreet betreffende de omgevingsvergunning
In het kort
Dit decreet regelt de omgevingsvergunning in Vlaanderen, met als doel een efficiënte en geïntegreerde vergunningverlening voor projecten die stedenbouwkundige handelingen, verkavelingen of de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvatten.
Wat het regelt
- De vergunnings- en meldingsplicht voor diverse projecten.
- De bevoegdheden van verschillende overheden (gemeentelijk, provinciaal, Vlaams) voor het behandelen van vergunningsaanvragen.
- De oprichting en werking van omgevingsvergunningscommissies voor adviesverlening.
- De aanwijzing van gemeentelijke en gewestelijke omgevingsambtenaren.
Wie het aanbelangt
- Natuurlijke personen en rechtspersonen die projecten uitvoeren die onder de vergunnings- of meldingsplicht vallen.
- Lokale besturen (gemeenten en provincies) en de Vlaamse Regering, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering en handhaving van dit decreet.
Kernpunten
- Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning een vergunningsplichtig project uitvoeren, exploiteren, verkavelen of wijzigen.
- Niemand mag zonder voorafgaande meldingsakte een meldingsplichtig project uitvoeren, exploiteren of wijzigen.
- Er wordt een dossiertaks geheven voor het indienen van vergunningsaanvragen of beroepen, variërend van 100 euro tot 500 euro.
- Gemeenten moeten minimaal één gemeentelijke omgevingsambtenaar aanwijzen met voldoende kennis van ruimtelijke ordening en milieu.
Wettekst
Wettekst
25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning
(1)Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet betreffende de omgevingsvergunning HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities Artikel 1.Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid. Art. 2.In dit decreet wordt verstaan onder: 1° betrokken publiek: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn;2° beveiligde zending: een van de hiernavolgende betekeningswijzen:
- a)een aangetekend schrijven;
- b)een afgifte tegen ontvangstbewijs;
- c)elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;3° DABM: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;4° definitieve beslissing: een beslissing waartegen geen georganiseerd administratief beroep meer kan worden ingesteld;5° gemeentelijke projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen;6° meldingsakte: het document waaruit blijkt dat de bevoegde overheid akte heeft genomen van een melding;7° omgevingsvergunning: de schriftelijke beslissing van de vergunningverlenende overheid houdende toelating voor een vergunningsplichtig project;8° project: het geheel van zowel stedenbouwkundige handelingen als de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten, of minstens een van die elementen, dan wel het verkavelen van gronden, die onderworpen zijn aan de vergunnings- of meldingsplicht, vermeld in artikel 5;9° provinciale projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de deputatie bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen;10° VCRO: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;11° Vlaamse projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de Vlaamse Regering bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen. Tenzij bij dit decreet een andersluidende definitie is bepaald, zijn de volgende definities van toepassing in dit decreet: 1° de definities, vermeld in artikel 1.1.2 en 4.1.1 van de VCRO; 2° de definities, vermeld in artikel 5.1.1 en 5.1.2 van het DABM. Art. 3.Dit decreet beoogt een efficiënte, doelgerichte en geïntegreerde vergunningverlening die bijdraagt tot de doelstellingen, vermeld in: 1° artikel 1.1.4 van de VCRO; 2° artikel 5.1.3 van het DABM. Dit decreet doet geen afbreuk aan de inhoudelijke verplichtingen die zijn vastgesteld bij of krachtens: 1° titel IV van de VCRO;2° titel V van het DABM. Voor projecten die onder de toepassing vallen van een Europese verordening gelden de bepalingen van dit decreet in de mate dat zij een aanvulling vormen op de bepalingen van de toepasselijke verordening. Art. 4.Binnen de perken van de begroting verleent de Vlaamse Regering subsidies aan lokale besturen voor de meerkosten die verband houden met de voorbereiding, organisatie en uitvoering van dit decreet. Deze subsidies kunnen aangewend worden voor bijkomende investeringen en voor personeels- en werkingskosten voor de behandeling en de evaluatie van de omgevingsvergunningen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel. Art. 5.Dit decreet is van toepassing op projecten die zijn onderworpen aan: 1° de vergunningsplicht, namelijk voor:
- a)het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de VCRO;
- b)het verkavelen van gronden als vermeld in artikel 4.2.15 van de VCRO;
- c)de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of tweede klasse als vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM; 2° de meldingsplicht, namelijk voor:
- a)het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.2 van de VCRO;
- b)de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse als vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM. Afdeling 2. - Vergunnings- en meldingsplicht Art. 6.Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning een project dat bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, is onderworpen aan vergunningsplicht uitvoeren, exploiteren, verkavelen of een vergunningsplichtige verandering eraan doen. Niemand mag zonder voorafgaande meldingsakte een project dat bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, is onderworpen aan meldingsplicht uitvoeren, exploiteren of een meldingsplichtige verandering eraan doen. Art. 7.Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM, geldt de omgevingsvergunning als aktename voor het deel van het project dat meldingsplichtig is, als het project zowel aan de meldings- als aan de vergunningsplicht wordt onderworpen. Afdeling 3. - Projectvergadering Art. 8.De initiatiefnemer kan ter voorbereiding van een vergunningsaanvraag, als een realistische projectstudie voorhanden is, de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, verzoeken een projectvergadering te organiseren met de adviesinstanties, aangewezen met toepassing van artikel 24. De projectvergadering beoogt de procedurele afstemming tussen de betrokken overheden en de bespreking van de eventueel nodig of nuttig geachte projectbijsturingen. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer, derde belanghebbenden uitnodigen op een projectvergadering. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de projectvergadering en kan hierbij het toepassingsgebied beperken. Afdeling 4. - Aanwijzing gemeentelijke en gewestelijke omgevingsambtenaar Art. 9.§ 1. Iedere gemeente wijst bij gemeenteraadsbeslissing minimaal één gemeentelijke omgevingsambtenaar aan. De gemeente kan daarvoor een beroep doen op eigen personeel, op personeel van een intergemeentelijk samenwerkingsverband of op personeel van een intercommunale. De gemeente zorgt ervoor dat de aangestelde ambtenaar of ambtenaren gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt. § 2. De gemeentelijke omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan. § 3. Als er geen gemeentelijke omgevingsambtenaar binnen de gemeente, het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de intercommunale beschikbaar is, oefent de gemeentesecretaris de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uit of wijst hij een waarnemende gemeentelijke omgevingsambtenaar aan die de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uitoefent. § 4. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering financiële of andere ondersteuning verlenen aan de gemeenten voor de opleiding en loonkosten van de gemeentelijke omgevingsambtenaar. Art. 10.De Vlaamse Regering wijst een of meer gewestelijke omgevingsambtenaren aan. De Vlaamse Regering zorgt ervoor dat de aangestelde ambtenaar of ambtenaren gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt. De gewestelijke omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan. Afdeling 5. - Omgevingsfonds en dossiertaksen Art. 11.§ 1. Er wordt een Omgevingsfonds opgericht. Het Omgevingsfonds is een begrotingsfonds in de zin van de bepalingen van artikel 12 van het Reken decreet van 8 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten4. § 2. De middelen waarover het Omgevingsfonds beschikt zijn: 1° het per 31 december van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar beschikbare saldo van het Omgevingsfonds;2° alle ontvangsten voortvloeiend uit de toepassing van dit decreet;3° andere middelen aan het fonds toegewezen krachtens wettelijke en decretale bepalingen. § 3. De middelen van het Omgevingsfonds worden aangewend voor beleidskosten die verband houden met de voorbereiding, organisatie en uitvoering van dit decreet. § 4. De Vlaamse Regering beheert het Omgevingsfonds. Ze stelt de nodige administratieve en logistieke ondersteuning ter beschikking van het Omgevingsfonds en kan, overeenkomstig de geldende regels, sommige van haar bevoegdheden delegeren aan de leidend ambtenaar die ze daartoe aanwijst. § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de organieke regels die van toepassing zijn op het financiële en materiële beheer van het Omgevingsfonds. Art. 12.§ 1. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon is een dossiertaks verschuldigd in de volgende gevallen: 1° bij het indienen van een vergunningsaanvraag in eerste aanleg bij de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar;2° bij het indienen van een beroep tegen een beslissing in eerste aanleg over een aanvraag tot omgevingsvergunning, behalve in geval van een beroep tegen een stilzwijgende weigering;3° bij het indienen van een beroep tegen een beslissing in eerste aanleg over een verzoek tot bijstelling, behalve in geval van een beroep tegen een stilzwijgende weigering. De beroepsindieners, vermeld in artikel 53, 3° tot en met 6°, zijn geen dossiertaks verschuldigd. § 2. De dossiertaks bedraagt: 1° in het geval van een aanvraag, vermeld in paragraaf 1, 1°, die behandeld wordt overeenkomstig de gewone procedure: 500 euro;2° in alle andere in paragraaf 1 bedoelde gevallen: 100 euro. § 3. De dossiertaks wordt gestort op de volgende rekening: 1° de rekening van de provincie, als het een beroep bij de deputatie betreft;2° de rekening van het Omgevingsfonds, als het een aanvraag of beroep bij de Vlaamse Regering betreft. § 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de dossiertaks. Afdeling 6. - Administratieve lus Art. 13.Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 of artikel 52, vaststelt dat een onregelmatigheid die kan leiden tot een vernietiging van de beslissing, is begaan, kan ze de onregelmatigheid herstellen. De bevoegde overheid kan in voorkomend geval: 1° een nieuw openbaar onderzoek organiseren;2° het advies van de omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 24, artikel 42 of artikel 59, alsnog, dan wel een tweede keer inwinnen. Afdeling 7. - Rapportage naleving beslissingstermijnen Art. 14.De vergunningverlenende overheden rapporteren jaarlijks via de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement over de naleving van de beslissingstermijnen voor vergunningsaanvragen, vermeld in dit decreet. De rapportage door de gemeenten en de provincies gebeurt via de Vlaamse Regering volgens het model en op de wijze die door haar worden bepaald. De rapportage heeft betrekking op vergunningsaanvragen die ingediend werden in het kalenderjaar dat zich situeert twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin wordt gerapporteerd. HOOFDSTUK 2. - De vergunningsprocedure in eerste administratieve aanleg Afdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 1. - Overheden die bevoegd zijn voor de kennisneming van en de beslissing over de vergunningsaanvraag Art. 15.De Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar is in eerste administratieve aanleg bevoegd voor de volgende aanvragen van en veranderingen aan: 1° de Vlaamse projecten; 2° de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer provincies. De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen de gewestelijke omgevingsambtenaar over de vergunningsaanvraag kan beslissen. De deputatie is voor haar ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor de volgende aanvragen van en veranderingen aan: 1° de provinciale projecten; 2° de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer gemeenten in hun provincie; 3° de projecten die in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvatten die noch een Vlaams noch een gemeentelijk project of een onderdeel van een van beide zijn. Het college van burgemeester en schepenen is voor zijn ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor volgende aanvragen van en veranderingen aan: 1° de gemeentelijke projecten;2° andere gevallen dan deze waarvoor de Vlaamse Regering of de deputatie bevoegd is. Onderafdeling 2. - Omgevingsvergunningscommissie Art. 16.§ 1. In iedere provincie wordt een provinciale omgevingsvergunningscommissie opgericht die het college van burgemeester en schepenen en de deputatie advies verleent in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald. Er wordt een gewestelijke omgevingsvergunningscommissie opgericht die de Vlaamse Regering advies verleent in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald. § 2. De commissies zijn samengesteld uit een voorzitter, een secretaris, deskundigen en vertegenwoordigers van de instanties die bevoegd zijn om advies te geven. Het betrokken college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar maakt deel uit van de commissies met raadgevende stem behalve als de te behandelen aanvraag of het te behandelen beroep van het college uitgaat. De deputatie en de Vlaamse Regering wijzen de voorzitter, de secretaris en de deskundigen aan die in de provinciale respectievelijk de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie zetelen. De provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie beschikken elk over een permanent secretariaat. § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling en de werking van de provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie. Onderafdeling 3. - Soorten vergunningsprocedures Art. 17.§ 1. Er bestaan twee onderscheiden procedures voor het verlenen van de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg, namelijk: 1° de gewone vergunningsprocedure, vermeld in afdeling 2;2° de vereenvoudigde vergunningsprocedure, vermeld in afdeling 3. § 2. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is van toepassing voor: 1° een beperkte verandering van een vergund project; 2° een project dat uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvat als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM; 3° de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, tenzij de wijziging of aanvulling van de indelingslijst tot gevolg heeft dat een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld of een passende beoordeling moet worden uitgevoerd;4° de types van projecten die door de Vlaamse Regering worden aangewezen. De Vlaamse Regering bepaalt de criteria waaronder de vergunningverlenende overheid vaststelt dat een verandering van een vergund project beperkt is als vermeld in het eerste lid, 1°. § 3. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is niet van toepassing voor projecten waarvoor de vergunningsaanvraag minstens een van de volgende bijlagen moet omvatten: 1° een milieueffectrapport;2° een veiligheidsrapport;3° een passende beoordeling als vermeld in artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu type decreet prom. 21/10/1997 pub. 20/11/1997 numac 1997036367 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende afschaffing van het goedkeuringstoezicht op de beslissingen van de intercommunale verenigingen inzake de informatisering van hun diensten sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Afdeling 2. - Gewone vergunningsprocedure Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek Art. 18.De vergunningsaanvraag wordt per beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15. Als het project zowel vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen als de vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvat en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt de vergunningsaanvraag ingediend zowel voor de stedenbouwkundige handelingen als voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de vergunningsaanvraag. Art. 19.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar onderzoekt de vergunningsaanvraag op haar ontvankelijkheid en volledigheid. Als de vergunningsaanvraag onvolledig is, kan de bevoegde overheid, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar de vergunningsaanvrager per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen en de termijn bepalen waarbinnen dit moet gebeuren. Art. 20.Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM bij de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar die nota en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Art. 21.Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 19 en 20, wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten. De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag en de stopzetting van de vergunningsprocedure tot gevolg. Als het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 20, niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, aan de indiener van de vergunningsaanvraag is verzonden, doet de bevoegde vergunningverlenende overheid uitdrukkelijk uitspraak in haar beslissing over de vergunningsaanvraag of er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld. Als een milieueffectrapport moet worden opgesteld, is de aanvraag onvolledig en wordt de vergunning geweigerd. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 20, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in artikel 20. Art. 22.Als de overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, vaststelt dat ze niet bevoegd is voor de aanvraag, stuurt ze die aanvraag onmiddellijk door naar de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15. De overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, brengt de aanvrager er tegelijkertijd van op de hoogte dat de aanvraag is doorgestuurd. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, behandelt vervolgens de vergunningsaanvraag. Voor de toepassing van dit decreet geldt de datum waarop de overheid de vergunningsaanvraag doorstuurt naar de bevoegde overheid als de datum waarop de aanvraag is ingediend. Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project Art. 23.Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd over de vergunningsaanvraag. Gedurende het openbaar onderzoek kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn standpunten, opmerkingen en bezwaren indienen. Als de vergunningsaanvraag een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport over een project omvat, behandelt het openbaar onderzoek ook de inhoud van dat rapport. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van het openbaar onderzoek. Ze kan de vergunningsaanvragen bepalen waarvoor het openbaar onderzoek een informatievergadering omvat alsook de nadere regels voor de organisatie van die informatievergadering. Art. 24.De Vlaamse Regering wijst de adviesinstanties aan die over een vergunningsaanvraag advies verlenen. Het advies van het college van burgemeester en schepenen of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft, wordt altijd ingewonnen als de deputatie of de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is tenzij: 1° de aanvraag ingediend is door het betrokken college;2° de aanvraag louter betrekking heeft op mobiele of verplaatsbare ingedeelde inrichtingen of activiteiten. Art. 25.In de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar het advies van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1. De provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie vraagt de adviesinstanties, vermeld in artikel 24, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 24, tweede lid, om advies. Als er geen advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar de adviesinstanties en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 24, om advies. Als met toepassing van het eerste lid, een advies van een omgevingsvergunningscommissie als vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, verlenen de adviesinstanties en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 24, hun advies aan de omgevingsvergunningscommissie. Die commissie verleent een geïntegreerd advies. Art. 26.De Vlaamse Regering stelt de adviestermijnen vast en kan de elementen bepalen waarop de adviezen moeten ingaan. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Art. 27.De vergunningsaanvrager kan vragen om door de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie gehoord te worden. Art. 28.De afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage maakt haar beslissing over de goedkeuring of afkeuring van het milieueffectrapport en het omgevingsveiligheidsrapport bekend met toepassing van artikel 4.3.8, § 3, en artikel 4.5.7, § 3, van het DABM. Als de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage het milieueffectrapport of omgevingsveiligheidsrapport afkeurt, dan wordt de vergunningsprocedure van rechtswege stopgezet. Art. 29.Als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, maakt de gemeentelijke omgevingsambtenaar voor elke beslissing over een vergunningsaanvraag een verslag op, dat deel uitmaakt van het vergunningendossier. Het verslag toetst de aanvraag aan de beoordelingsgronden vermeld in titel IV van de VCRO en titel V van het DABM. Het verslag omvat in voorkomend geval een voorstel van antwoord op de tijdens het eventuele openbaar onderzoek ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren. Art. 30.Na het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 23, kunnen wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht. Een openbaar onderzoek over de gewijzigde vergunningsaanvraag is niet vereist als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de wijzigingen doen geen afbreuk aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening;2° de wijzigingen komen tegemoet aan de adviezen of aan de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend;3° de wijzigingen brengen kennelijk geen schending van de rechten van derden met zich mee. Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, kan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, beslissen om over de gewijzigde vergunningsaanvraag een openbaar onderzoek te organiseren. In voorkomend geval wint ze het advies van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 24, alsnog, dan wel een tweede keer in. Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en de bevoegde overheid geen openbaar onderzoek heeft georganiseerd over de gewijzigde vergunningsaanvraag, houdt deze overheid bij haar beslissing geen rekening met de wijzigingen aan de vergunningsaanvraag. Art. 31.Als de vergunningsaanvraag wegenwerken omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft en de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, oordeelt dat de omgevingsvergunning kan worden verleend, neemt de gemeenteraad een beslissing over de zaak van de wegen voor de bevoegde overheid een beslissing neemt over de aanvraag. Als dat nodig is, roept de provinciegouverneur op verzoek van de deputatie respectievelijk de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar, de gemeenteraad samen. De gemeenteraad neemt een beslissing over de zaak van de wegen en deelt die beslissing mee binnen een termijn van zestig dagen vanaf de samenroeping door de provinciegouverneur. Onderafdeling 3. - Beslissing over een vergunningsaanvraag Art. 32.§ 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt een beslissing over een vergunningsaanvraag binnen een termijn van: 1° honderdenvijf dagen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;2° honderdtwintig dagen als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is. § 2. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, worden van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in de volgende gevallen: 1° als met toepassing van artikel 30, derde lid, een openbaar onderzoek georganiseerd wordt;2° als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13;3° als de vergunningsaanvraag wegenwerken omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft. De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager verzonden vóór de einddatum van de normale beslissingstermijn. § 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan altijd in op de dag na de datum dat de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend. § 4. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd. In afwijking van het eerste lid, worden de termijnen, vermeld in paragraaf 1, als termijnen van orde beschouwd als de vergunningsaanvraag het gevolg is van een wijziging of aanvulling van de indelingslijst waardoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld of een passende beoordeling moet worden uitgevoerd. In voorkomend geval mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing wordt genomen over de vergunningsaanvraag. Art. 33.De beslissing, vermeld in artikel 32, vermeldt de lasten en voorwaarden, met inbegrip van de bijzondere milieuvoorwaarden, die op het project van toepassing zijn. Voor de algemene en sectorale milieuvoorwaarden volstaat een verwijzing naar de regelgeving in kwestie. Als de omgevingsvergunning voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de vergunning en de reden daarvoor. Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project, geeft de beslissing de geactualiseerde vergunningssituatie zowel op het vlak van de stedenbouwkundige handelingen als de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen. Art. 34.Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM wordt de aktename van de melding in de beslissing geacht zonder voorwerp te zijn als een project bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, onderworpen is aan zowel de meldings- als de vergunningsplicht en de omgevingsvergunning uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt geweigerd. Art. 35.Van een omgevingsvergunning mag gebruik worden gemaakt als de aanvrager niet binnen een termijn van vijfendertig dagen die ingaat na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep als vermeld in artikel 52. De aanvrager mag onmiddellijk gebruikmaken van de omgevingsvergunning: 1° in de gevallen, vermeld in artikel 55, tweede lid;2° als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de omgevingsvergunning verleend heeft. Art. 36.De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de gewone vergunningsprocedure met inbegrip van de bekendmaking van de beslissing. Afdeling 3. - Vereenvoudigde vergunningsprocedure Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek Art. 37.De vergunningsaanvraag wordt per beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15. Als het project zowel vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen als de vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvat en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt de vergunningsaanvraag ingediend zowel voor de stedenbouwkundige handelingen als voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de vergunningsaanvraag. Art. 38.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar onderzoekt de vergunningsaanvraag op haar ontvankelijkheid en volledigheid. Als de vergunningsaanvraag onvolledig is, kan de bevoegde overheid, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar de vergunningsaanvrager per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen en de termijn bepalen waarbinnen dit moet gebeuren. Art. 39.Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM bij de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar die nota en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Art. 40.Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 38 en 39, wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten. De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag en de stopzetting van de vergunningsprocedure tot gevolg. Als het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 39, niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, aan de indiener van de vergunningsaanvraag is verzonden, doet de bevoegde vergunningverlenende overheid uitdrukkelijk uitspraak in haar beslissing over de vergunningsaanvraag of er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld. Als een milieueffectrapport moet worden opgesteld, is de aanvraag onvolledig en wordt de vergunning geweigerd. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar. Art. 41.Als de overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, vaststelt dat ze niet bevoegd is voor de aanvraag, stuurt ze die aanvraag onmiddellijk door naar de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15. De overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, brengt de aanvrager er tegelijkertijd van op de hoogte dat de aanvraag is doorgestuurd. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, behandelt vervolgens de vergunningsaanvraag. Voor de toepassing van dit decreet geldt de datum waarop de overheid de vergunningsaanvraag doorstuurt naar de bevoegde overheid als de datum waarop de aanvraag is ingediend. Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project Art. 42.De Vlaamse Regering wijst de adviesinstanties aan die over een vergunningsaanvraag advies verlenen. Het advies van het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar wordt altijd ingewonnen als de deputatie of de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is tenzij de aanvraag ingediend is door het betrokken college. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar vraagt de instanties, vermeld in het eerste lid, om advies. Art. 43.De Vlaamse Regering stelt de adviestermijnen vast en kan de elementen bepalen waarop de adviezen moeten ingaan. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Art. 44.Als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, maakt de gemeentelijke omgevingsambtenaar voor elke beslissing over een vergunningsaanvraag een verslag op, dat deel uitmaakt van het vergunningendossier. Het verslag toetst de aanvraag aan de beoordelingsgronden, vermeld in titel IV van de VCRO en titel V van het DABM. Art. 45.Aan het voorwerp van de aanvraag en het plan kunnen wijzigingen worden aangebracht als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de wijzigingen doen geen afbreuk aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening;2° de wijzigingen komen tegemoet aan de adviezen;3° de wijzigingen mogen niet tot gevolg hebben dat een openbaar onderzoek over de gewijzigde aanvraag zou dienen te worden georganiseerd. Onderafdeling 3. - Beslissing over een vergunningsaanvraag Art. 46.§ 1.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt een beslissing over een vergunningsaanvraag binnen een termijn van zestig dagen. De termijn gaat altijd in op de dag na de datum dat de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend. § 2. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde termijn, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd. Art. 47.De beslissing, vermeld in artikel 46, vermeldt de lasten en voorwaarden, met inbegrip van de bijzondere milieuvoorwaarden, die op het project van toepassing zijn. Voor de algemene en sectorale milieuvoorwaarden volstaat een verwijzing naar de regelgeving in kwestie. Als de omgevingsvergunning voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de vergunning en de reden daarvoor. Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project, geeft de beslissing de geactualiseerde vergunningssituatie zowel op het vlak van de stedenbouwkundige handelingen als de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen. Art. 48.Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM, wordt de aktename van de melding in de beslissing geacht zonder voorwerp te zijn als een project bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, onderworpen is aan zowel de meldings- als de vergunningsplicht en de omgevingsvergunning uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt geweigerd. Art. 49.Van een omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep als vermeld in artikel 52. De aanvrager mag onmiddellijk gebruikmaken van de omgevingsvergunning: 1° in de gevallen, vermeld in artikel 55, tweede lid;2° als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de omgevingsvergunning verleend heeft. Art. 50.De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vereenvoudigde vergunningsprocedure, met inbegrip van de bekendmaking van de beslissing. Onderafdeling 4. - Aanvulling of wijziging van de indelingslijst Art. 51.De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, deelt het bestaan van de exploitatie mee aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag na de datum van de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging. De termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 46, wordt voor de projecten, vermeld in het eerste lid, als een termijn van orde beschouwd. In voorkomend geval mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing is genomen over de verlening van de omgevingsvergunning. HOOFDSTUK 3. - De vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 52.De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg. De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg. Art. 53.Het beroep kan worden ingesteld door: 1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;2° het betrokken publiek;3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde. Art. 54.Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat: 1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen. Art. 55.Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg. In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van: 1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst. Afdeling 2. - Beroepsprocedure Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek Art. 56.Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52. Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan: 1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt. De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld. Art. 57.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid. Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen. Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd. Art. 58.Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 57, wordt aan de beroepsindiener binnen een termijn van dertig dagen die ingaat de dag na de datum van de verzending van het beroepschrift per beveiligde zending meegedeeld. De onvolledigheid of onontvankelijkheid heeft van rechtswege de stopzetting van de beroepsprocedure tot gevolg. De beslissing wordt ter kennis gebracht van: 1° de beroepsindiener;2° de vergunningsaanvrager;3° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;4° het college van burgemeester en schepenen. Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project Art. 59.De Vlaamse Regering wijst de adviesinstanties aan die over een vergunningsaanvraag in beroep advies verlenen. Het advies van het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft, of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar wordt altijd ingewonnen tenzij het beroep ingesteld is door het betrokken college. Art. 60.In de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar het advies van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1. De provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie vraagt de adviesinstanties, vermeld in artikel 59, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 59, tweede lid, om advies. Als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar de adviesinstanties, vermeld in artikel 59, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 59, tweede lid, om advies. Als met toepassing van het eerste lid een advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, verlenen de adviesinstanties, vermeld in artikel 59, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 59, tweede lid, hun advies aan de omgevingsvergunningscommissie. De voormelde commissie verleent een geïntegreerd advies. Art. 61.De Vlaamse Regering stelt de adviestermijnen vast en kan de elementen bepalen waarop de adviezen moeten ingaan. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Art. 62.De vergunningsaanvrager alsook elke beroepsindiener kan in tweede administratieve aanleg vragen om gehoord te worden door: 1° de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;2° de bevoegde overheid, de door haar gemachtigde ambtenaar of de gewestelijke omgevingsambtenaar, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de organisatie van en de vertegenwoordiging op de hoorzitting. Art. 63.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, onderzoekt de vergunningsaanvraag in haar totaliteit. Art. 64.In beroep kunnen wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht. Het openbaar onderzoek over de gewijzigde vergunningsaanvraag is niet vereist als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de wijzigingen doen geen afbreuk aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening;2° de wijzigingen komen tegemoet aan de adviezen of aan de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend;3° de wijzigingen brengen kennelijk geen schending van de rechten van derden met zich mee. Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, kan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, beslissen om over de gewijzigde vergunningsaanvraag een openbaar onderzoek te organiseren. In voorkomend geval wint ze het advies van de omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 59, alsnog, dan wel een tweede keer in. Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en de bevoegde overheid geen openbaar onderzoek heeft georganiseerd over de gewijzigde vergunningsaanvraag, houdt deze overheid bij haar beslissing geen rekening met de wijzigingen aan de vergunningsaanvraag. Art. 65.Als de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid had met toepassing van artikel 31, maar hetzij geen beslissing heeft genomen over de zaak van de wegen hetzij een weigeringsbeslissing heeft genomen en er beroep is ingesteld tegen de vergunningsbeslissing, roept de provinciegouverneur op verzoek van de deputatie respectievelijk de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar, de gemeenteraad samen. De gemeenteraad neemt een beslissing over de zaak van de wegen en deelt die beslissing mee binnen een termijn van zestig dagen vanaf de samenroeping door de provinciegouverneur. Onderafdeling 3. - Beslissing over het ingestelde beroep Art. 66.§ 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, neemt een definitieve beslissing over de vergunningsaanvraag binnen een termijn van: 1° honderdtwintig dagen als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld werd;2° zestig dagen als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de vereenvoudigde vergunningsprocedure behandeld werd. § 2. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, worden van rechtswege eenmalig met dertig dagen verlengd in een van de volgende gevallen: 1° als met toepassing van artikel 64, derde lid, een openbaar onderzoek georganiseerd wordt;2° als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13;3° als de vergunningsaanvraag wegenwerken omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft en de gemeenteraad in de loop van de beroepsprocedure samengeroepen wordt met toepassing van artikel 65. De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager en de beroepsindiener verzonden vóór de einddatum van de normale beslissingstermijn. § 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan altijd in op de dag na de datum dat het laatste beroep ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop het laatste beroep is ingediend. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het beroep of worden de beroepen geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aanzien. § 4. Artikel 33 en 34 zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing. Art. 67.De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de procedure in laatste administratieve aanleg. HOOFDSTUK 4. - Duur van de omgevingsvergunning Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 68.De omgevingsvergunning geldt voor onbepaalde duur. In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur verlenen in de volgende gevallen: 1° op verzoek van de vergunningsaanvrager; 2° voor projecten die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvatten, vermeld in artikel 5.2.1, § 2, tweede lid, van het DABM; 3° als de exploitatie betrekking heeft op een grondwaterwinning of een ontginning;4° als een omgevingsvergunning op proef noodzakelijk is;5° met het oog op de herlokalisatie van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die niet verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming; 6° als met toepassing van artikel 4.4.4 van de VCRO een omgevingsvergunning voor bepaalde duur mogelijk wordt geacht voor een project dat in strijd is met een stedenbouwkundig voorschrift; 7° om rekening te kunnen houden met:
- a)de localiseerbare gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven opgenomen in een voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning definitief vastgesteld ruimtelijk structuurplan;
- b)de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan;8° voor constructies die door de aard ervan een tijdelijk karakter hebben;9° voor veranderingen van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de initiële omgevingsvergunning voor een bepaalde duur is verleend. De vergunning van bepaalde duur die verleend wordt op basis van het tweede lid, 7°, a), wordt geacht voor onbepaalde duur te zijn verleend als bij het verstrijken van de duur van de vergunning de gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven niet zijn verankerd in een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan. De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van het tweede lid de minimale en maximale geldigheidsduur van de omgevingsvergunning vaststellen. Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen voor omgevingsvergunningen van bepaalde duur Onderafdeling 1. - Omgevingsvergunning op proef Art. 69.§ 1. De bevoegde overheid kan voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project waarvoor geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handeling is vereist, een omgevingsvergunning op proef verlenen voor minimaal zes maanden en ten hoogste twee jaar om na te gaan of de exploitatie na de proefperiode verder aanvaardbaar is voor de mens en het milieu. § 2. Voor het verstrijken van de proefperiode neemt de vergunningverlenende overheid een beslissing over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode van een door haar verleende omgevingsvergunning op proef, wordt de bestreden beslissing uit eerste administratieve aanleg als definitief beschouwd. § 3. De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de uitspraak na de proefperiode. Onderafdeling 2. - Hernieuwen van de omgevingsvergunning van bepaalde duur Art. 70.§ 1. De hernieuwing van een omgevingsvergunning die of van een gedeelte ervan dat voor bepaalde duur is verleend, kan op zijn vroegst 24 maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning aangevraagd worden. Als de vergunningsaanvraag ten minste twaalf maanden voor de einddatum van een omgevingsvergunning van bepaalde duur wordt ingediend, mag de stedenbouwkundige handeling in stand worden gehouden of mag de ingedeelde inrichting of activiteit verder geëxploiteerd worden na de einddatum in afwachting van een definitieve beslissing over de aanvraag. § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan een omgevingsvergunning voor de verdere exploitatie vroeger dan 24 maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning worden aangevraagd als: 1° een overname van de vergunde ingedeelde inrichting of activiteit door een andere exploitant is gepland;2° de exploitant een belangrijke verandering van de vergunde ingedeelde inrichting beoogt.In dat geval heeft de vergunningsaanvraag zowel betrekking op de delen van de inrichting of activiteit die verder in exploitatie blijven als op de geplande verandering. § 3. Voor een tijdelijke inrichting of activiteit als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM, kan de bevoegde overheid de omgevingsvergunning slechts eenmaal verlengen voor maximaal dezelfde duur als die van de initiële omgevingsvergunning. § 4. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de hernieuwing van de omgevingsvergunning van bepaalde duur. HOOFDSTUK 5. - Kenmerken van de omgevingsvergunning Afdeling 1. - Voorwaarden en lasten die verbonden zijn aan de omgevingsvergunning Onderafdeling 1. - Voorwaarden Art. 71.Met behoud van de toepassing van de voorwaarde van rechtswege in de zin van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990 kan de bevoegde overheid voorwaarden verbinden aan de uitvoering van een stedenbouwkundige handeling of de verkaveling van gronden. Art. 72.Met behoud van de toepassing van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, verplichtingen en de toepassingsregels ervan, bepaald bij of krachtens het DABM, kan de bevoegde overheid de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit afhankelijk stellen van de naleving van bijzondere milieuvoorwaarden. Art. 73.§ 1. De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72, bevatten de bijkomende maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de mens en het milieu tegen onaanvaardbare risico's en hinder afkomstig van de exploitatie. De bijzondere milieuvoorwaarden kunnen onder meer bestaan uit een verplichting: 1° om een studie uit te voeren of te voorzien in een monitoring met als doel de toepassing van de bijzondere milieuvoorwaarden te controleren;2° om lastens de exploitant een saneringscontract als vermeld in artikel 32septies, § 4 en § 5, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging af te sluiten.Het afsluiten van dat saneringscontract kan verwezenlijkt worden door toedoen van de exploitant, met name door zelf de procedure op te starten. De Vlaamse Regering stelt daarvoor de nadere regels vast. § 2. Als beste beschikbare technieken bestaan, vormen ze de referentie voor de vaststelling van de bijzondere milieuvoorwaarden. In afwijking van het eerste lid, kan de bevoegde overheid volgens de criteria die door de Vlaamse Regering worden bepaald, strengere bijzondere milieuvoorwaarden vaststellen dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden. Art. 74.Alle voorwaarden zijn voldoende precies en redelijk in verhouding tot het vergunde project. Ze kunnen worden verwezenlijkt door toedoen van de aanvrager, bouwheer, gebruiker of exploitant. Onderafdeling 2. - Lasten Art. 75.De bevoegde overheid kan aan een omgevingsvergunning lasten verbinden. Die lasten vinden hun oorsprong in het voordeel dat de begunstigde van de omgevingsvergunning uit die vergunning haalt en in de bijkomende taken die de overheid door de uitvoering van de vergunning op zich moet nemen. Buiten het voorzien in de nodige financiële waarborgen kunnen lasten onder meer betrekking hebben op: 1° de verwezenlijking of de renovatie van groene ruimten, ruimten voor openbaar nut, openbare gebouwen, infrastructuur met het oog op een verbetering van de mobiliteit, nutsvoorzieningen of woningen op kosten van de vergunninghouder.Vooraleer lasten op te leggen met betrekking tot nutsvoorzieningen worden de nutsmaatschappijen die actief zijn in de gemeente waarin het voorwerp van de vergunning gelegen is, door de bevoegde overheid, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar om advies verzocht. Hierbij wordt gestreefd naar het gelijktijdig aanleggen van nutsvoorzieningen, waardoor de hinder ten gevolge van deze aanleg maximaal wordt beperkt; 2° de bewerkstelliging van een vermenging van kavels die tegemoetkomen aan de behoeften van diverse maatschappelijke groepen op grond van de grootte van de kavels, respectievelijk de typologie, de kwaliteit, de vloeroppervlakte, het volume of de lokalenindeling van de woningen die erop opgericht worden, of van de op te stellen vaste of verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt. Lasten kunnen ook inhouden dat als de werken zijn begonnen, aan de overheid gratis, vrij en onbelast de eigendom wordt overgedragen van de in de vergunningsaanvraag vermelde openbare wegen, groene of verharde ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen, of de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd. Als voldaan is aan de uitsluitende voorwaarde, vermeld in artikel 4.2.5 van het decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7 betreffende het grond- en pandenbeleid, verbindt de vergunningverlenende overheid van rechtswege een last aan de omgevingsvergunning met het oog op de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod. Als de uitvoering van diverse lasten financieel moet worden gewaarborgd, dan hanteert het bestuur één waarborg voor de totaliteit van de lasten in kwestie waarbij aangegeven wordt welk waarborggedeelte betrekking heeft op elk van de lasten afzonderlijk. Art. 76.De lasten zijn redelijk in verhouding tot het vergunde project. Ze kunnen worden verwezenlijkt door toedoen van de aanvrager. De bevoegde overheid kan een gefaseerde uitvoering van de lasten voorschrijven. Art. 77.Als een last als vermeld in artikel 75 niet is uitgevoerd binnen de daarvoor gestelde termijn en niet of onvoldoende gedekt is door een financiële waarborg, kan de schuldeiser van de last per beveiligde zending een beslissing tot toepassing van bestuursdwang betekenen aan de schuldenaar van de last. De beslissing vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de schuldenaar van de last plaatsvindt. In de beslissing wordt een termijn gesteld waarbinnen de schuldenaar van de last de tenuitvoerlegging kan voorkomen door de last alsnog uit te voeren. Als niet tot tijdige uitvoering wordt overgegaan, kan de schuldeiser van de last ambtshalve in de uitvoering van de lasten voorzien. De schuldenaar van de last is verplicht alle uitvoeringskosten te vergoeden, op voorlegging van een staat, opgesteld door de schuldeiser van de last. Afdeling 2. - Zakelijk karakter Art. 78.§ 1. De omgevingsvergunning heeft een zakelijk karakter. Ze wordt verleend onder voorbehoud van de burgerlijke rechten die betrekking hebben op het onroerend goed. De beslissingen genomen op grond van dit decreet doen geen afbreuk aan de burgerlijke rechten van derden. § 2. In afwijking van paragraaf 1 doet een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden door de mens gevestigde erfdienstbaarheden en bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen met betrekking tot het grondgebruik teniet voor zover ze onverenigbaar zijn met de omgevingsvergunning en uitdrukkelijk in de vergunningsaanvraag zijn vermeld. De afgifte van de omgevingsvergunning verhindert op geen enkele wijze dat de begunstigden van de erfdienstbaarheden of verplichtingen een eventueel recht op schadeloosstelling ten laste van de aanvrager uitoefenen. Art. 79.Een omgevingsvergunning kan zonder plichtplegingen worden overgedragen. De Vlaamse Regering kan de gevallen bepalen waarin de overdracht gemeld moet worden en de wijze waarop. Als er lasten aan een omgevingsvergunning verbonden zijn, blijft de overdrager ertoe gehouden ten aanzien van de bevoegde overheid tenzij deze met de substitutie van haar schuldenaar heeft ingestemd. Afdeling 3. - Fasering Art. 80.Een omgevingsvergunning kan de verschillende fasen of onderdelen van een project vermelden en kan daarbij de verschillende referentiemomenten vaststellen. Afdeling 4. - Regularisatievergunningen Art. 81.§ 1. Een regularisatievergunning is een omgevingsvergunning die tijdens of na de uitvoering van vergunningsplichtige projecten als vermeld in artikel 5, 1°, wordt afgeleverd. Bij de beoordeling van het aangevraagde wordt de actuele regelgeving, met inbegrip van stedenbouwkundige voorschriften, eventuele verkavelingsvoorschriften en algemene en sectorale milieuvoorwaarden, als uitgangspunt genomen. § 2. Een aanvraag tot regularisatie bevat een afschrift van eventuele processen-verbaal, administratieve beslissingen en rechterlijke beslissingen met betrekking tot het project die ter kennis van de aanvrager zijn gebracht. § 3. Het niet vervolgen van een inbreuk door de overheid, wettigt de regularisatie op zich niet. De sanctionering van een inbreuk sluit een regularisatie niet uit. § 4. De regularisatievergunning wordt afgeleverd met inachtneming van de gebruikelijke beoordelingscriteria en conform de gebruikelijke vergunningsprocedure. Aan de vergunning kunnen de voorwaarden en lasten, vermeld in artikel 71 tot en met 77, worden verbonden. HOOFDSTUK 6. - Het bijstellen van de omgevingsvergunning Afdeling 1. - Bijstelling van in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden Art. 82.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan de milieuvoorwaarden die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd, wijzigen of aanvullen: 1° ambtshalve via een gemotiveerd initiatief; 2° op gemotiveerd verzoek van:
- a)de bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale omgevingsvergunningscommissie of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie als gevolg van een evaluatie die zij hebben uitgevoerd als vermeld in artikel 5.4.11 van het DABM;
- b)de vergunninghouder of de exploitant;
- c)het betrokken publiek;
- d)de toezichthouder die met toepassing van titel XVI van het DABM is aangewezen om op de ingedeelde inrichting of activiteit toezicht uit te oefenen;
- e)de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen. Het verzoek, vermeld in punt 2°, e), wordt ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van dertig dagen voorafgaand aan de maand waarin de evaluatie, vermeld in artikel 5.4.11 van het DABM, zou plaatsvinden. Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5. Afdeling 2. - Bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit Art. 83.§ 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit beperken: 1° ambtshalve via een gemotiveerd initiatief;2° op gemotiveerd verzoek van:
- a)het betrokken publiek;
- b)de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen. Het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt op straffe van onontvankelijkheid ingediend respectievelijk genomen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de bekendmaking van het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur. De bekendmaking, vermeld in het tweede lid, gebeurt op initiatief van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van zes maanden voor het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur. De geldigheidsperiode van twintig jaar vangt een eerste keer aan op de dag na de datum waarop de lopende initiële omgevingsvergunning is verleend en vervolgens telkens op de eerste dag die volgt op de einddatum van een nieuwe twintigjarige geldigheidsperiode van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur. De Vlaamse Regering kan het indienen van een verzoek als vermeld in het eerste lid aan bijkomende ontvankelijkheidsvoorwaarden onderwerpen. § 2. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan in haar beslissing over het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling als vermeld in paragraaf 1: 1° de milieuvoorwaarden wijzigen of aanvullen;2° het voorwerp van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover de risico's en de hinder niet via milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;3° de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover deze niet verder verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming.In dat geval zal de resterende duur van de omgevingsvergunning niet minder dan zeven jaar bedragen. § 3. Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5. Afdeling 3. - Bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden Art. 84.Een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan worden bijgesteld ingevolge de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan op voorwaarde dat dit bij de voorlopige en de definitieve vaststelling van het plan uitdrukkelijk aangegeven is, ten minste op het grafische plan. In het geval, vermeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan dat met toepassing van titel II, hoofdstuk II, van de VCRO bevoegd is voor de planopmaak, de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling. Afdeling 4 - en 5 zijn niet van toepassing op dit artikel. Art. 85.§ 1. Op initiatief van het college van burgemeester en schepenen kan een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor wat het niet-vervallen gedeelte betreft, worden bijgesteld na verloop van vijftien jaar na de afgifte van deze omgevingsvergunning in laatste administratieve aanleg. Het college van burgemeester en schepenen plakt het voornemen om de bijstelling aan te vragen aan op de plaats waarop de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden betrekking heeft. Het college van burgemeester en schepenen brengt alle eigenaars van de kavels per beveiligde zending op de hoogte van het voornemen om de bijstelling aan te vragen. § 2. De bevoegde overheid weigert de bijstelling als de eigenaars van meer dan één vierde van de in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels een ontvankelijk, gegrond en op ruimtelijke motieven gebaseerd schriftelijk of digitaal bezwaar hebben ingediend tijdens het openbaar onderzoek. Dit bezwaar geeft duidelijk aan dat het bezwaar afkomstig is van een eigenaar van een of meer in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels, zoniet houdt de bevoegde overheid geen rekening met dit bezwaar voor de berekening, vermeld in het eerste lid. De bevoegde overheid die zich uitspreekt over de bijstelling, kan de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling. § 3. Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van de gewone vergunningsprocedure, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling. Art. 86.§ 1. De eigenaar van een kavel die begrepen is in een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, kan gemotiveerd om een bijstelling van deze omgevingsvergunning verzoeken voor het deel dat hij in eigendom heeft. Alvorens zijn verzoek tot bijstelling in te dienen, verstuurt de eigenaar per beveiligde zending een afschrift van de aanvraag aan alle eigenaars van een kavel die de aanvraag niet medeondertekend hebben. De bewijzen van deze beveiligde zendingen worden op straffe van onontvankelijkheid bij het aanvraagdossier gevoegd. § 2. De bevoegde overheid weigert de bijstelling als de eigenaars van meer dan de helft van de in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels een ontvankelijk, gegrond en op ruimtelijke motieven gebaseerd schriftelijk of digitaal bezwaar hebben ingediend tijdens het openbaar onderzoek. Dit bezwaar geeft duidelijk aan dat het bezwaar afkomstig is van een eigenaar van een of meer in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels, zoniet houdt de bevoegde overheid geen rekening met dit bezwaar voor de berekening, vermeld in het eerste lid. § 3. Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van de gewone vergunningsprocedure, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling. Afdeling 4. - Procedure voor het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2, in eerste administratieve aanleg Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek Art. 87.§ 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of de gemeentelijke omgevingsambtenaar onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning. Voor elk ambtshalve initiatief en elk verzoek tot bijstelling, vermeld in artikel 83, § 1, 1°, respectievelijk 83, § 1, 2°, b), dat niet de individuele toepassing van een door de Vlaamse Regering ter bescherming van de mens en het milieu goedgekeurd programma of plan als voorwerp heeft, evenals voor elk verzoek, vermeld in artikel 83, § 1, 2°, a), wordt door de omgevingsvergunningscommissie onderzocht of de aangevoerde motieven tot bijstelling kennelijk ongegrond zijn. Als de omgevingsvergunningscommissie bij haar onderzoek vaststelt dat het ambtshalve initiatief of het verzoek tot bijstelling uitsluitend gebaseerd is op motieven die kennelijk ongegrond zijn, wordt de procedure tot bijstelling definitief stopgezet. § 2. Het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en indien van toepassing, het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, wordt bij beveiligde zending aan de verzoeker of aan het bestuursorgaan dat het ambtshalve initiatief heeft genomen, meegedeeld binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek is ingediend. De exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt op dezelfde dag van de mededeling waarvan sprake in het eerste lid, op de hoogte gebracht van elk verzoek tot bijstelling dat hij niet zelf heeft ingediend evenals van elk initiatief tot ambtshalve bijstelling, voor zover ze niet onontvankelijk, onvolledig of indien van toepassing kennelijk ongegrond werden bevonden. § 3. Als het verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning niet bij de bevoegde overheid werd ingediend, is artikel 22 van overeenkomstige toepassing. Onderafdeling 2. - Onderzoek van het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning Art. 88.Het onderzoek van het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 23 tot en met 27 en 29. In afwijking van artikel 23 wordt voor een bijstelling van een project dat uitsluitend een tijdelijke inrichting omvat, geen openbaar onderzoek georganiseerd. De omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, verleent een advies over: 1° de bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt;2° de bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83. De exploitant is verplicht aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, en de adviesinstanties die erom vragen, alle beschikbare gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling. Onderafdeling 3. - Beslissing over het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning Art. 89.§ 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt een beslissing over het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning binnen een termijn van: 1° honderdenvijf dagen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;2° honderdtwintig dagen als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is. § 2. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, worden van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in het geval toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13. De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager verzonden vóór de einddatum van de normale beslissingstermijn. § 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan in: 1° in het geval van een verzoek of een ambtshalve initiatief tot bijstelling als vermeld in artikel 82 en 83 dat niet van de exploitant uitgaat, de dag na de datum dat de exploitant in toepassing van artikel 87, § 2, tweede lid, op de hoogte wordt gebracht van het ontvankelijk, volledig of in voorkomend geval niet kennelijk ongegrond bevonden verzoek of ambtshalve initiatief;2° in het geval van een verzoek tot bijstelling als vermeld in artikel 82 van de vergunninghouder of de exploitant, de dag na de datum dat hij op de hoogte wordt gebracht dat zijn verzoek ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de vijftigste dag na de datum waarop het verzoek tot bijstelling is ingediend. § 4. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning geacht te zijn afgewezen. Afdeling 5. - Procedure voor het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2, in laatste administratieve aanleg Art. 90.§ 1. Tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing over een verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning van het college van burgemeester en schepenen of van de deputatie kan beroep worden ingesteld bij respectievelijk de deputatie en de Vlaamse Regering. Het beroep schorst de beslissing. § 2. De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op het instellen van, behandelen van en beslissen over het beroep. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn als vermeld in artikel 66, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aanzien. Afdeling 6. - Delegatiebepaling Art. 91.De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de bijstelling van de omgevingsvergunning, vermeld in dit hoofdstuk. HOOFDSTUK 7. - Schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning Afdeling 1. - Schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning voor wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit Art. 92.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit volledig of gedeeltelijk schorsen of geheel of gedeeltelijk opheffen als de algemene, de sectorale of de bijzondere milieuvoorwaarden niet worden nageleefd. De vergunninghouder of exploitant wordt per beveiligde zending in kennis gesteld van het initiatief om de omgevingsvergunning te schorsen of op te heffen. De vergunninghouder of exploitant wordt gehoord op zijn verzoek. Art. 93.Tenzij de beslissing tot schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning door de Vlaamse Regering is genomen, kan de vergunninghouder of exploitant tegen deze beslissing beroep instellen bij de Vlaamse Regering. Het beroep schorst de beslissing. Art. 94.Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, niet of onvolkomen optreedt, kan de Vlaamse Regering bij gemotiveerd besluit, op elk moment en ongeacht de indelingsklasse de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit volledig of gedeeltelijk schorsen of opheffen. Art. 95.Als de bevoegde overheid de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit geheel of gedeeltelijk schorst of opheft, kan ze ook de omgevingsvergunning voor de stedenbouwkundige handeling die onlosmakelijk verbonden is met de exploitatie geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen. Als het een bestaande constructie betreft, is dit laatste slechts mogelijk als die constructie bouwfysisch niet geschikt is voor eenzelfde of een nieuwe functie. Art. 96.Als tegen een schorsing of opheffing als vermeld in artikel 92, geen beroep is ingesteld of als ze in laatste administratieve aanleg is bevestigd, wordt toepassing gemaakt van titel XVI van het DABM. Afdeling 2. - Opheffing van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden Art. 97.Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan geheel of gedeeltelijk worden opgeheven in de gevallen en onder dezelfde voorwaarden en procedurele bepalingen, vermeld in artikel 84 en 85. In het geval, vermeld in het eerste lid, kan de schorsing worden gelast van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling. Afdeling 3. - Delegatiebepaling Art. 98.De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2 van dit hoofdstuk. HOOFDSTUK 8. - Verval en afstand van de omgevingsvergunning Afdeling 1. - Verval van de omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen of de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit Art. 99.§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen: 1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen drie jaar na de aanvang van de vergunde stedenbouwkundige handelingen;4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt. Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee of drie jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie. § 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen: 1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie; 3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 09/03/2001 pub. 30/03/2001 numac 2001035304 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten sluiten tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan.De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting. § 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte. Art. 100.De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd. In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden. Art. 101.De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9. Afdeling 2. - Verval van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden Art. 102.§ 1. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden waarbij geen nieuwe wegen worden aangelegd of het tracé van bestaande gemeentewegen niet moet worden gewijzigd, verbreed of opgeheven, vervalt van rechtswege als: 1° binnen een termijn van vijf jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de verkoop, de verhuring voor meer dan negen jaar of de vestiging van erfpacht of opstalrecht ten aanzien van ten minste één derde van de kavels;2° binnen een termijn van tien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot dergelijke registratie ten aanzien van ten minste twee derde van de kavels. Voor de toepassing van het eerste lid: 1° wordt met verkoop gelijkgesteld: de nalatenschapsverdeling en de schenking, met dien verstande dat slechts één kavel per deelgenoot of begunstigde in aanmerking komt;2° komt de verkoop van de verkaveling in haar geheel niet in aanmerking;3° komt alleen de huur die erop gericht is de huurder te laten bouwen op het gehuurde goed in aanmerking. Voor de toepassing van het eerste lid wordt tijdige bebouwing door de verkavelaar conform de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met verkoop gelijkgesteld. § 2. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden waarbij nieuwe wegen worden aangelegd of waarbij het tracé van bestaande gemeentewegen gewijzigd, verbreed of opgeheven wordt, vervalt van rechtswege als: 1° binnen een termijn van vijf jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot de oplevering van de onmiddellijk uit te voeren lasten of tot het verschaffen van waarborgen betreffende de uitvoering van deze lasten op de wijze, vermeld in artikel 75;2° binnen een termijn van tien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de in paragraaf 1 vermelde rechtshandelingen ten aanzien van ten minste één derde van de kavels;3° binnen een termijn van vijftien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de in paragraaf 1 vermelde rechtshandelingen ten aanzien van ten minste twee derde van de kavels. Voor de toepassing van het eerste lid wordt tijdige bebouwing door de verkavelaar conform de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met verkoop gelijkgesteld. § 3. Als de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, worden de termijnen van verval, vermeld in de paragrafen 1 tot en met 2, gerekend per fase. Voor de tweede en volgende fasen worden de termijnen van verval dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de betrokken fase. § 4. Het verval, vermeld in paragraaf 1 en 2, 2° en 3°, geldt slechts ten aanzien van het niet bebouwde, verkochte, verhuurde of aan een erfpacht of opstalrecht onderworpen gedeelte van de verkaveling. § 5. Onverminderd paragraaf 4, kan het verval van rechtswege niet worden tegengesteld aan personen die zich op de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden beroepen als zij kunnen aantonen dat de overheid na het verval en ten aanzien van een of meer van hun kavels binnen de verkaveling, wijzigingen aan deze omgevingsvergunning heeft toegestaan of stedenbouwkundige of bouwvergunningen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend in zoverre deze door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig werden bevonden. § 6. De Vlaamse Regering kan maatregelen treffen aangaande de kennisgeving van het verval van rechtswege. Art. 103.De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig artikel 105. Afdeling 3. - Afstand van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden Art. 104.Een verkavelaar kan eenzijdig afstand doen van de rechten die hij verkregen heeft uit de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, tenzij al een aanvang werd genomen met de verwezenlijking van deze omgevingsvergunning, hetzij door het stellen van een of meer rechtshandelingen, vermeld in artikel 102, § 1, hetzij door de uitvoering van de werken waaraan de afgifte van de omgevingsvergunning verbonden werd. Aan het geheel van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan worden verzaakt door de eigenaar die alle kavels heeft verworven of in geval van akkoord van alle eigenaars, ongeacht of deze omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk verwezenlijkt is. Een verzaking wordt per beveiligde zending gemeld aan het college van burgemeester en schepenen. HOOFDSTUK 9. - Beroep tegen beslissingen genomen in laatste administratieve aanleg Art. 105.§ 1. De uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning, genomen in laatste administratieve aanleg, of de aktename van een melding, vermeld in artikel 111, kan bestreden worden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk VIII, van de VCRO. § 2. Het beroep kan worden ingesteld door: 1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder, de exploitant of de persoon die de melding heeft verricht;2° het betrokken publiek;3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties, vermeld in artikel 24 of in artikel 42 of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als die instantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde. De persoon aan wie kan worden verweten dat hij een voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet heeft bestreden door middel van het daartoe openstaande georganiseerd administratief beroep bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden. § 3. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een vervaltermijn van zestig dagen die ingaat: 1° de dag na de datum van de betekening, voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;2° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing in de overige gevallen. § 4. Elk van de personen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kan in de zaak tussenkomen. HOOFDSTUK 1 0. - Meldingen Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 106.De melding wordt gedaan zowel voor de meldingsplichtige stedenbouwkundige handelingen als voor de meldingsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die het project omvat. Art. 107.Het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de melding betrekking heeft of de gemeentelijke omgevingsambtenaar is bevoegd voor de aktename van meldingsplichtige handelingen of meldingsplichtige exploitatie. In afwijking van het eerste lid is de overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar bevoegd voor de aktename als een project bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, onderworpen aan zowel de meldings- als de vergunningsplicht. Onverminderd artikel 5.2.1 van het DABM geldt de omgevingsvergunning als aktename voor dat deel van het project dat meldingsplichtig is als tegelijkertijd uitspraak wordt gedaan over de vergunningsaanvraag en de melding. Art. 108.De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de wijze waarop de melding gebeurt, de procedure en de aktename, vermeld in afdeling 2 en 3 van dit hoofdstuk. Afdeling 2. - Meldingsprocedure Art. 109.De melding wordt per beveiligde zending bezorgd aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 107. Art. 110.De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit die meldingsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, deelt binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de dag na de datum van de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging het bestaan van de exploitatie mee aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 107. In afwijking van artikel 112 mag de exploitatie worden voortgezet. Art. 111.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, gaat na of de gemelde handelingen of exploitatie meldingsplichtig zijn of niet verboden zijn bij of krachtens: 1° artikel 5.4.3, § 3, van het DABM; 2° artikel 4.2.2, § 1, van de VCRO. Als de handelingen of de exploitatie meldingsplichtig en niet verboden zijn, neemt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, akte van de melding. Ze bezorgt de meldingsakte per beveiligde zending aan de persoon die de melding heeft verricht binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum van ontvangst van de melding. Als de handelingen of de exploitatie niet meldingsplichtig of verboden zijn, stelt de overheid, vermeld in artikel 107, de persoon die de melding heeft verricht binnen dezelfde ordetermijn daarvan in kennis. In dat geval wordt geen akte genomen en wordt aan de melding geen verder gevolg gegeven. Art. 112.Het project mag worden uitgevoerd of geëxploiteerd de dag na de datum van de betekening van de meldingsakte. Afdeling 3. - Kenmerken van de melding Art. 113.§ 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, kan in de meldingsakte voorwaarden, met inbegrip van bijzondere milieuvoorwaarden, opleggen. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, kan ook tijdens de exploitatie bijzondere milieuvoorwaarden opleggen aan de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. In dat geval bezorgt de bevoegde overheid haar beslissing daartoe per beveiligde zending aan de persoon die de melding heeft verricht. § 2. De voorwaarden mogen de melding niet onevenredig beperken of verbieden. De bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd met het oog op de bescherming van de mens en het milieu tegen de gevolgen van de exploitatie. De bijzondere milieuvoorwaarden kunnen geen emissiegrenswaarden bevatten en niet afwijken van de beste beschikbare technieken als beschreven in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, vermeld in titel V, hoofdstuk 4, van het DABM. HOOFDSTUK 1 1. - Wijzigingsbepalingen Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 28 december 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging Art. 114.In artikel 5 van de wet van 28 december 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid". Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging Art. 115.In artikel 2, 1°, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, vervangen bij het decreet van 23 december 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten2, wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning". Art. 116.In artikel 32septies van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 1988, vervangen bij het decreet van 12 september 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/1996 pub. 12/09/1997 numac 1997035791 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1997 sluiten5, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 4, eerste en vijfde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";3° in paragraaf 5, eerste, derde en negende lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";4° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, evenals de bepalingen uit de betreffende milieuvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, alsook de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting of activiteit". Art. 117.In artikel 35bis, § 6, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 27 juni 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/02/1939 pub. 15/10/1998 numac 1998000328 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bescherming van de titel en van het beroep van architect . - Duitse vertaling sluiten3, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning". Art. 118.In artikel 35ter van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, eerste lid, a), wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" en wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";2° in paragraaf 2, eerste lid, b), paragraaf 4, 1°, tweede alinea, en paragraaf 4, 2°, tweede alinea, e), wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";3° in paragraaf 4, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
- a)in punt 1°, tweede lid, wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
- b)in punt 2°, eerste lid, wordt de zinsnede "een milieudeskundige in de discipline water vermeld in hoofdstuk 1.3 van titel II van het Vlarem, die daarvoor is erkend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid";
- c)in punt 2°, tweede lid, e), wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-"; 4° in paragraaf 7, 3°, a), en 5°, a), wordt de zinsnede "een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting" vervangen door de zinsnede "een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid"; 5° in paragraaf 8, tweede lid, a), en vierde lid, a), wordt de zinsnede "een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting" vervangen door de zinsnede "een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid"; 6° in paragraaf 10 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning". Art. 119.In artikel 35quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-" en wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid". Art. 120.In artikel 35sexies, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en vervangen bij het decreet van 25 juni 1992, wordt de zinsnede "door een door de regering erkend laboratorium, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "door een laboratorium dat daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid". Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 18 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten betreffende de bestrijding van de geluidshinder Art. 121.In artikel 5 van de wet van 18 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten betreffende de bestrijding van de geluidshinder, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid". Art. 122.In artikel 7 van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";2° in het tweede lid wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid". Afdeling 4. - Wijzigingen van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten Art. 123.In artikel 11 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het laatst gewijzigd bij het decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 4 worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen"; 2° in paragraaf 4, derde lid, wordt de zinsnede "de stedenbouwkundige melding, vermeld in artikelen 94 en 96, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/05/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999035652 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening type decreet prom. 18/05/1999 pub. 15/07/1999 numac 1999035935 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van sommige decreten betreffende de raadpleging van adviesorganen door het Vlaams Parlement type decreet prom. 18/05/1999 pub. 08/07/1999 numac 1999035737 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van artikel 116quinquies van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995 sluiten houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" telkens vervangen door de zinsnede "de melding voor stedenbouwkundige handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening"; 3° in paragraaf 4/1, 4/2 en 4/3 worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";4° in paragraaf 4/2, derde lid, wordt de zinsnede "door het decreet van 18 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/05/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999035652 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening type decreet prom. 18/05/1999 pub. 15/07/1999 numac 1999035935 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van sommige decreten betreffende de raadpleging van adviesorganen door het Vlaams Parlement type decreet prom. 18/05/1999 pub. 08/07/1999 numac 1999035737 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van artikel 116quinquies van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995 sluiten houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "door het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning". Art. 124.In artikel 12/2, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning voor het slopen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het slopen"; 2° in het tweede lid wordt de zinsnede "artikelen 119 en 120 van het decreet van 18 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/05/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999035652 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening type decreet prom. 18/05/1999 pub. 15/07/1999 numac 1999035935 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van sommige decreten betreffende de raadpleging van adviesorganen door het Vlaams Parlement type decreet prom. 18/05/1999 pub. 08/07/1999 numac 1999035737 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van artikel 116quinquies van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995 sluiten houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" en worden de woorden "stedenbouwkundige vergunningsprocedure" vervangen door het woord "omgevingsvergunningsprocedure". Afdeling 5. - Wijzigingen van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer Art. 125.In artikel 7, § 2, vijfde lid, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, worden de woorden "Bestendige Deputatie van de provincie" vervangen door het woord "deputatie". Art. 126.In artikel 9, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/1996 pub. 12/09/1997 numac 1997035791 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1997 sluiten en vervangen bij het decreet van 1 maart 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/1996 pub. 12/09/1997 numac 1997035791 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1997 sluiten5, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid". Art. 127.In artikel 12 van hetzelfde decreet, hersteld bij het decreet van 1 maart 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/1996 pub. 12/09/1997 numac 1997035791 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1997 sluiten5, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid". Art. 128.In artikel 28ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/1996 pub. 12/09/1997 numac 1997035791 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1997 sluiten, vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2001, 7 mei 2004, 18 december 2009 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, 7°, a), wordt de zinsnede "een milieudeskundige die overeenkomstig titel II van het Vlarem is erkend in de discipline grondwater" vervangen door de zinsnede "een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";2° in paragraaf 3, eerste lid, 1°,
- a)en b), wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning". Art. 129.In artikel 28quater, § 2, 2°, 1) en 2), van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/1996 pub. 12/09/1997 numac 1997035791 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1997 sluiten en vervangen bij het decreet van 23 december 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten2, worden de woorden "van het Vlarem" vervangen door de zinsnede "van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning". Art. 130.In artikel 28quinquies, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/1996 pub. 12/09/1997 numac 1997035791 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1997 sluiten, vervangen bij het decreet van 22 december 2000 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten1, wordt de zinsnede "het decreet betreffende de milieuvergunning d.d. 28 juni 1985" vervangen door de zinsnede "titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid". Afdeling 6. - Wijzigingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990 Art. 131.In artikel 47, tweede lid, van het Bosdecreet van 13 juni 1990, vervangen bij het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu type decreet prom. 21/10/1997 pub. 20/11/1997 numac 1997036367 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende afschaffing van het goedkeuringstoezicht op de beslissingen van de intercommunale verenigingen inzake de informatisering van hun diensten sluiten en gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006, 12 december 2008, 20 april 2012 en 11 mei 2012, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing" vervangen door de woorden "de vergunningsplicht voor ontbossing". Art. 132.In artikel 87, vijfde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006, 7 december 2007, 20 april 2012 en 11 mei 2012, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing" vervangen door de woorden "de vergunningsplicht voor ontbossing". Art. 133.In artikel 90bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu type decreet prom. 21/10/1997 pub. 20/11/1997 numac 1997036367 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende afschaffing van het goedkeuringstoezicht op de beslissingen van de intercommunale verenigingen inzake de informatisering van hun diensten sluiten, vervangen bij het decreet van 17 juli 2000 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2001, 7 december 2007, 12 december 2008, 23 december 2010 en 20 april 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "een omgevingsvergunning", worden de woorden "Een stedenbouwkundige vergunning voor ontbossing of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "Een omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden" en wordt de zinsnede "de artikelen 4.1.1, 5°, 4.4.7, § 2, en 4.7.1, § 2," vervangen door de zinsnede "artikel 4.1.1, 5°, en artikel 4.4.7, § 2,"; 2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of de verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden";3° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden";4° in paragraaf 2, 1°, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing";5° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "De vergunning tot ontbossing";6° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen" vervangen door de woorden "de vergunning tot ontbossing"; 7° in paragraaf 5, derde lid, wordt de zinsnede "adviestermijn, zoals bepaald in artikelen 4.7.16 en 4.7.26, § 4, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening," vervangen door de zinsnede "adviestermijn, vermeld in artikel 26 en 43 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,". Afdeling 7. - Wijzigingen van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning Art. 134.In artikel 14bis, derde lid, van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning, ingevoegd bij het decreet van 3 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten0, worden de woorden "houder van de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "houder van de omgevingsvergunning". Art. 135.In artikel 20bis, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 3 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten0, worden de woorden "houder van de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "houder van de omgevingsvergunning". Afdeling 8. - Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Art. 136.In artikel 2.1.16 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt het woord "bestendige" opgeheven;2° in paragraaf 2 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie". Art. 137.In artikel 2.1.17 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie";2° in paragraaf 1 en 2 wordt het woord "bestendige" telkens opgeheven. Art. 138.In artikel 2.1.19, § 1, van hetzelfde decreet wordt het woord "bestendige" opgeheven. Art. 139.In artikel 2.1.23 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie";2° in paragraaf 1, paragraaf 3, tweede lid, en paragraaf 6 wordt het woord "bestendige" telkens opgeheven. Art. 140.In artikel 2.1.23bis, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 28 april 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/02/1939 pub. 15/10/1998 numac 1998000328 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bescherming van de titel en van het beroep van architect . - Duitse vertaling sluiten9, wordt het woord "bestendige" opgeheven. Art. 141.In artikel 3.1.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 18 december 2002 en 21 december 2007, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt: "1° inrichtingen en activiteiten: de inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, en artikel 5.1.1, 1° ; 2° vergunningverlenende overheid: de overheid die de omgevingsvergunning, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, kan afleveren;". Art. 142.In artikel 3.2.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009 en 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, 3, 4, 5, eerste lid, en paragraaf 11 wordt het woord "inrichtingen" telkens vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten";2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt: " § 2.De Vlaamse Regering wijst de inrichtingen of activiteiten van de tweede klasse aan waarvoor de exploitant een milieucoördinator moet aanstellen."; 3° in paragraaf 3 wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit";4° in paragraaf 11, tweede lid, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6". Art. 143.In artikel 3.2.2, § 1, van hetzelfde decreet, inge