📄 Wettekst
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
28 JANUARI 1997. Besluit van de Vlaamse regering houdende statuut en organisatie van de Vlaamse wetenschappelijke instellingen en de regeling van de rechtspositie van het personeel
De Vlaamse regering, Gelet op de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 87, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988 en 16 juli 1993;
Gelet op het akkoord van de minister bevoegd voor pensioenen, gegeven op 18 september 1996;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor begroting, gegeven op 17 juli 1996;
Gelet op het protocol nr. 87/5 van 14 maart 1996 van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten;
Gelet op het protocol nr. 87/6 van 14 maart 1996 van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten;
Gelet op de protocollen nr. 54.120 van 20 mei 1996, nr. 54.120B van 4 juni 1996 en nr. 54.120C van 19 december 1996 van het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaamse Gewest;
Gelet op het advies van de Raad van State;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken;
Na beraadslaging, Besluit : DEEL I. - TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied Artikel I 1. Dit besluit is van toepassing op de Vlaamse wetenschappelijke instellingen en op het wetenschappelijk en het niet-wetenschappelijk personeel ervan.
De in het eerste lid bedoelde wetenschappelijke instellingen zijn : 1° het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen;2° het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën;3° het Instituut voor Natuurbehoud;4° het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer;5° het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium. HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen Art. I 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° instelling(en) : (één van) de Vlaamse wetenschappelijke instellingen;2° ministerie : het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;3° diensten van de Vlaamse regering : het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse wetenschappelijke instellingen;4° functionele administratie : de met betrekking tot de instelling inhoudelijk bevoegde administratie van het ministerie;5° functioneel departement : het departement van het ministerie waaronder de functionele administratie ressorteert;6° de regeling van de rechtspositie : het geheel van de bepalingen waardoor de Vlaamse regering : a) de administratieve en geldelijke rechtstoestand van de ambtenaar en de stagiair vaststelt;b) de aanwerving en de toelatingsvoorwaarden evenals de arbeidsvoorwaarden van de contractuele personeelsleden vaststelt;7° personeel : de ambtenaren, de stagiairs en de contractuele personeelsleden van de instellingen of, daar waar het uitdrukkelijk wordt vermeld, van de diensten van de Vlaamse regering;8° personeelslid : elk lid van het personeel van de instellingen. Bij verwijzing naar een personeelslid wordt hierna de mannelijke vorm gebruikt; 9° ambtenaar : elk personeelslid dat in vast dienstverband benoemd is;10° stagiair : elk personeelslid dat toegelaten is tot een proeftijd met het oog op een vaste benoeming;11° contractueel personeelslid : elk personeelslid dat in dienst genomen is bij arbeidsovereenkomst overeenkomstig de
wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
03/07/2008
numac
2008000527
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
12/03/2009
numac
2009000158
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten; 12° A.P.K.B. : het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen; 13° Vlaams personeelsstatuut : het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel;14° secretaris-generaal : de ambtenaar die belast is met de leiding van het functionele departement;15° het college van secretarissen-generaal : het college van secretarissen-generaal van het ministerie;16° leidend ambtenaar : de ambtenaar die belast is met de leiding van de functionele administratie;17° instellingshoofd : de ambtenaar van rang A3 die aan het hoofd staat van de instelling;18° afdelingshoofd : elke ambtenaar van rang A2 die belast is met de leiding van een afdeling;19° ambtenarenzaken : alles wat betrekking heeft op : a) het administratief en geldelijk statuut van het personeel;b) de personeelsformaties;c) de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;d) het ontwerpen en vaststellen van aanvullende bepalingen of gedragslijnen, algemene systemen en procedures inzake personeelsaangelegenheden, die gelden voor de diensten van de Vlaamse regering evenals het toezicht op de toepassing ervan;e) de organisatie en het functioneren met betrekking tot de personeelsaangelegenheden;f) het voeren van een beleid inzake human resources management;g) de coördinatie van de uitvoeringsmaatregelen betreffende het individueel personeelsbeheer;h) de aanwerving, de ontvangst en de vorming van het personeel;i) de sociale dienst;20° individueel personeelsbeheer : de toepassing van het beleid en van de bepalingen inzake ambtenarenzaken op het individuele personeelslid;21° personeelsverantwoordelijke : de ambtenaar die in de instelling onder de verantwoordelijkheid van het instellingshoofd met het individueel personeelsbeheer belast is;22° departementale personeelsdienst : de personeelsdienst van het functionele departement;23° functioneel bevoegde Vlaamse minister : het lid van de Vlaamse regering dat, onverminderd afwijkende decretale en reglementaire bepalingen, bevoegd is inzake individueel personeelsbeheer;24° inhoudelijk bevoegde Vlaamse minister : het lid van de Vlaamse regering dat overeenkomstig de bevoegdheidsverdeling binnen deze regering bevoegd is voor een aantal materies die krachtens de grondwet en de bijzondere wetten tot hervorming van de instellingen toevertrouwd zijn aan de Vlaamse Gemeenschap en/of het Vlaamse Gewest;25° Vlaamse minister bevoegd voor ambtenarenzaken : het lid van de Vlaamse regering dat bevoegd is voor ambtenarenzaken;26° raadgever : een ambtenaar, in actieve dienst of gepensioneerd, een advocaat of een afgevaardigde van een erkende vakorganisatie;27° raad van beroep : de raad van beroep bij de diensten van de Vlaamse regering;28° departementale vormingscoördinator : de vormingscoordinator van het functioneel departement;29° departementale HRM-coördinator : de HRM-coördinator van het functioneel departement. Art. I 3. Wat de regeling van de rechtspositie betreft worden als een administratieve eenheid beschouwd : 1° de diensten van de Vlaamse regering voor : - de bevorderingen van het niet-wetenschappelijk personeel via examen of bekwaamheidsproef voor verhoging in graad; - de bevorderingen in rang A2 van het niet-wetenschappelijk personeel; - de mutatie van het niet-wetenschappelijk personeel van rang A1 en lager. 2° de instelling in alle andere gevallen. Art. I 4. § 1. Alle bij dit besluit aan een bepaalde ambtenaar toegewezen bevoegdheden worden eveneens uitgeoefend door de ambtenaar die met de waarneming van het ambt van de titularis is belast.
Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering worden de toegewezen bevoegdheden uitgeoefend door de ambtenaar die de titularis vervangt overeenkomstig Deel II, Titel 2, Hoofdstuk 4. § 2. Behoudens andersluidende bepaling kan het instellingshoofd de bevoegdheden die hem bij dit besluit worden toegewezen, op algemene wijze delegeren aan de onder zijn gezag staande ambtenaren en aan de departementale personeelsdienst. In dat geval en in zover deze delegatie betrekking heeft op bevoegdheden inzake individueel personeelsbeheer kan, behoudens andersluidende bepaling, de functioneel bevoegde Vlaamse minister zijn eventuele bevoegdheid om in beroep uitspraak te doen, delegeren aan het instellingshoofd. § 3. De delegaties vermeld in § 2 dienen bekendgemaakt te worden aan de personeelsleden en worden bij wijze van uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
Art. I 5. Aan de personeelsbehoeften van de instelling(en) wordt voldaan door ambtenaren en stagiairs. Bij wijze van uitzondering en enkel om de redenen, opgesomd in artikel XIV 2, kunnen contractuele personeelsleden worden ingezet.
Aan het statutaire dienstverband van de ambtenaar kan slechts een einde worden gemaakt in de bij dit besluit bepaalde gevallen.
Art. I 6. Elke wijziging of aanvulling aan dit besluit wordt onderworpen aan het voorafgaand advies van de directieraad van de instelling(en).
De directieraad brengt uiterlijk advies uit binnen 30 kalenderdagen nadat erom verzocht werd. In dringende gevallen wordt het advies binnen 5 kalenderdagen uitgebracht.
Bij gebrek aan advies binnen de gestelde termijn wordt het advies geacht gegeven te zijn.
DEEL II. - STATUUT, ORGANISATIE EN WERKING VAN DE INSTELLINGEN TITEL 1. - Statuut van de instellingen Artikel II 1. De instellingen hebben als algemene taken : wetenschappelijk onderzoek, wetenschappelijke dienstverlening en beleidsgericht onderzoek.
Art. II 2. De instellingen worden opgericht door de Vlaamse regering op voorstel van de inhoudelijk bevoegde Vlaamse minister en na advies van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid.
De specifieke permanente taken van elke instelling worden op dezelfde wijze vastgesteld.
Art. II 3. De inhoudelijk bevoegde minister kan een instelling belasten met tijdelijke taken van wetenschappelijk onderzoek, wetenschappelijke dienstverlening en beleidsgericht onderzoek die niet tot de specifieke permanente taken van de instelling behoren.
Art. II 4. Elke instelling heeft wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk personeel. Het niet-wetenschappelijk personeel omvat het administratief en technisch personeel.
Art. II 5. Elke instelling wordt administratief ingedeeld bij de functionele administratie.
Voor het dagelijks beheer van de instelling, onder meer inzake individueel personeelsbeheer en logistiek, wordt een samenwerkingsprotocol afgesloten tussen het instellingshoofd, de secretaris-generaal en de leidend ambtenaar.
TITEL 2. - Organisatie en werking van de instellingen HOOFDSTUK 1. - De directieraad Art. II 6. § 1. In elke instelling is er een directieraad samengesteld uit : Voor de ene helft : 1° het instellingshoofd 2° de afdelingshoofden 3° de leidend ambtenaar Voor de andere helft : wetenschappelijke personaliteiten gekozen buiten de instelling vanwege hun bevoegdheid in de betrokken wetenschappelijke disciplines. De wetenschappelijke personaliteiten worden door de functioneel bevoegde Vlaamse minister benoemd voor een termijn van 4 jaar uit de lijst van de door het instellingshoofd voorgedragen kandidaten.
De door het instellingshoofd voorgedragen lijst van kandidaten bevat de helft meer kandidaten dan het aantal wetenschappelijke personaliteiten dat door de minister wordt benoemd.
Indien dit aantal geen geheel getal uitmaakt, wordt het afgerond naar de naast- hogere eenheid § 2. Voor de aangelegenheden bedoeld in de artikelen VIII 79 en VIII 105 wordt de directieraad uitgebreid met drie wetenschappelijke personaliteiten van dezelfde wetenschappelijke discipline als de functie van de betrokken ambtenaar.
Van deze drie wetenschappelijke personaliteiten zijn er ten minste twee lid van het onderwijzend of het wetenschappelijk personeel van een universiteit of van een daarmee gelijkgestelde instelling, andere dan waartoe desgevallend de in paragraaf 1 bedoelde leden behoren.
Deze drie wetenschappelijke personaliteiten worden door de functioneel bevoegde Vlaamse minister benoemd uit de lijst van de door het instellingshoofd voorgedragen kandidaten.
De door het instellingshoofd voorgedragen lijst van kandidaten bevat de helft meer kandidaten dan het aantal wetenschappelijke personaliteiten dat door de minister wordt benoemd. § 3. De wetenschappelijke personaliteiten krijgen een presentiegeld van 2.500,- frank per vergadering (100 %). Per dag kan slechts één presentiegeld worden toegekend. Dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel XIII 25. Zij genieten daarenboven de vergoedingen voor reis- en verblijfkosten toegekend aan de ambtenaren van het ministerie van rang A3. § 4. De directieraad wordt voorgezeten door het instellingshoofd, behalve indien hij optreedt bij werving en bevordering. In dat geval wordt de directieraad voorgezeten door de leidend ambtenaar.
Art. II 7. Onverminderd zijn bevoegdheden voortvloeiend uit de regeling van de rechtspositie van het personeel, beraadslaagt de directieraad over kwesties van wetenschappelijke aard van de instelling en over het bestuur, de algemene werking en de organisatie van de instelling.
Hij kan bovendien : 1° elk nuttig voorstel doen aan de Vlaamse regering of het bevoegde lid ervan en aan het college van secretarissen-generaal met betrekking tot het beheer van het personeel, de werking, de organisatie of de huisvesting van de instelling;2° beraadslagen over beleidsvoorstellen en problemen inzake beleidsondersteuning, interpretatie of prioriteitsstelling waarbij de instelling betrokken is;3° beraadslagen over samenwerkingsverbanden en -geschillen met andere instellingen en tussen de instelling en het ministerie;4° beraadslagen over de begrotingsvoorstellen. Art. II 8. De directieraad kan bovendien op eigen initiatief of op verzoek van een lid, te allen tijde deskundigen uitnodigen met het oog op een technische of inhoudelijke toelichting bij de bespreking van een specifiek probleem. De deskundigen hebben een raadgevende stem.
Art. II 9. § 1. De directieraad stelt een huishoudelijk reglement op dat ten minste bepaalt : 1° de frequentie van de vergaderingen;2° het vereiste quorum en de vereiste meerderheid voor de geldigheid van zijn beslissingen;3° de wijze van stemmen. § 2. Het huishoudelijk reglement wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Buiten de dringende gevallen kan de directieraad slechts geldig beslissen wanneer de meerderheid van zijn leden aanwezig is.
De voorzitter van de directieraad wijst een ambtenaar van niveau A aan die de functie van secretaris uitoefent. De secretaris is niet stemgerechtigd.
Art. II 10. Elke individuele beslissing betreffende personeelsleden wordt genomen bij geheime stemming over het gemotiveerd voorstel van de voorzitter, dat geformuleerd wordt na beraadslaging in de directieraad.
HOOFDSTUK 2. - De raad van beroep Art. II 11. De raad van beroep bij de diensten van de Vlaamse regering neemt kennis van alle beroepen die krachtens dit besluit. a) een ambtenaar kan instellen tegen de uitspraak van een tuchtstraf of van de schorsing in het belang van de dienst;b) een stagiair kan instellen tegen een voorstel tot negatieve evaluatie van de stage, en de ambtenaar tegen de evaluatie "onvoldoende" of tegen een vormgebrek tijdens de evaluatieprocedure;c) een ambtenaar kan instellen tegen de weigering van het verlof voor verminderde prestaties en van het gecontingenteerd verlof. HOOFDSTUK 3. - Het instellingshoofd Art. II 12. Het instellingshoofd oefent het wetenschappelijk en administratief bestuur van de instelling uit, onder het gezag van de functioneel bevoegde minister.
In dit verband : - neemt hij de leiding, de organisatie en de coördinatie van de instelling op zich; - zit hij de directieraad voor, behalve in het geval bedoeld in artikel II 6, § 4 en oordeelt over de opportuniteit van de behandeling van de in artikel II 7 derde lid bedoelde aangelegenheden; - waakt hij over de deontologie van de ambtenaren; - ziet hij erop toe dat de beslissingen van de Vlaamse regering en de directieraad worden uitgevoerd; - oefent hij gezag uit over het personeel van de instelling en zorgt hij voor de tucht, de orde en de organisatie van de afdelingen; - draagt hij de volle verantwoordelijkheid voor de onderzoeksactiviteiten en de beleidsondersteuning van de instelling; - neemt hij de voor zijn instelling bestemde zendingen in ontvangst onverminderd de eventuele delegatie die hij daartoe aan ambtenaren verleent en ondertekent de briefwisseling die de Vlaamse regering of het bevoegde lid ervan niet bindt; - neemt hij de besluiten inzake de vaststelling van het salaris en de toekenning van vergoedingen en toelagen aan de ambtenaren van zijn instelling.
HOOFDSTUK 4. - De tijdelijke vervanging Art. II 13. Het instellingshoofd dat tijdelijk afwezig of verhinderd is, kan, behoudens voor het voorzitterschap van de directieraad, zelf in zijn vervanging voorzien en kiezen uit de afdelingshoofden van het wetenschappelijk personeel of bij ontstentenis daarvan uit de overige ambtenaren van het wetenschappelijk personeel.
Het instellingshoofd dat tijdelijk afwezig of verhinderd is en dat niet in zijn vervanging heeft voorzien, wordt ambtshalve vervangen door een afdelingshoofd van het wetenschappelijk personeel waarbij de volgende orde van voorrang wordt aangehouden : 1° diegene met de grootste graadanciënniteit;2° bij gelijke graadanciënniteit : diegene met de grootste niveauanciënniteit;3° bij gelijke niveauanciënniteit : diegene met de grootste dienstanciënniteit;4° bij gelijke dienstanciënniteit : de oudste. Art. II 14. Het instellingshoofd kan kiezen uit de ambtenaren van de betrokken instelling om in de tijdelijke vervanging te voorzien van de afdelingshoofden.
HOOFDSTUK 5. - De waarneming van een hoger ambt Art. II 15. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaat men onder hoger ambt, elk ambt dat overeenstemt met de in de personeelsformatie voorkomende betrekking van een graad van hogere rang dan waarvan de ambtenaar titularis is. § 2. Een ambtenaar kan worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking van een graad die tijdelijk of definitief vacant is.
Art. II 16. § 1. Ongeacht het feit of een ambtenaar voldoet aan de statutaire vereisten om te worden benoemd in de graad die overeenstemt met het hoger ambt, kan de ambtenaar slechts het hoger ambt verkrijgen in de eerstvolgende rang. § 2. Voor de uitoefening van een hoger ambt in een betrekking van wetenschappelijk directeur komt enkel het wetenschappelijk personeel van rang A1 in aanmerking.
In een betrekking van rang A1 van het wetenschappelijk personeel is de uitoefening van een hoger ambt niet mogelijk. § 3. De ambtenaar die een tuchtstraf opgelopen heeft mag niet aangesteld worden voor het uitoefenen van een hoger ambt vooraleer zijn straf doorgehaald is.
Art. II 17. De uitoefening van het hoger ambt wordt toevertrouwd aan de ambtenaar die het meest geschikt bevonden wordt om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien.
Art. II 18. § 1. De Vlaamse regering beslist over de tijdelijke aanstelling in de betrekking van instellingshoofd, op voorstel van de functioneel bevoegde Vlaamse minister. § 2. De functioneel bevoegde Vlaamse minister beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van rang A2, na advies van de directieraad. § 3. Het instellingshoofd beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van rang A1 en van niveau B, C en D, na advies van de directieraad.
Art. II 19. § 1. In een tijdelijk vacante betrekking kan de ambtenaar voor de duur van de afwezigheid aangesteld worden tot de titularis van de graad opnieuw zijn ambt opneemt. § 2. Een definitief vacante betrekking kan slechts voor ten hoogste één jaar via een tijdelijke aanstelling waargenomen worden op voorwaarde dat de procedure tot definitieve toekenning van die betrekking wordt ingezet. § 3. De duur van de aanstelling wordt bepaald volgens de dienstbehoeften.
Indien de Inspectie van Financiën ongunstig advies uitbrengt over de aanstelling vraagt de bevoegde overheid het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor ambtenarenzaken. § 4. De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van het ambt dat definitief vacant is of dat tijdelijk vacant is, zijn laatste of huidige titularis en de reden van diens vertrek of afwezigheid;2° een verantwoording van de noodzaak om in de vacature een hoger ambt toe te kennen;3° een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar. Art. II 20. Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle aan dat ambt verbonden prerogatieven.
HOOFDSTUK 6. - De huisbewaarders Afdeling 1. - De aanstelling van huisbewaarders Art. II 21. De Vlaamse minister bevoegd voor logistiek wijst alle gebouwen of complexen aan die betrokken zijn door of ter beschikking staan van de diensten van de Vlaamse regering en waarvoor een huisbewaarder dient te worden aangesteld.
Art. II 22. § 1. De voorstellen tot aanstelling van huisbewaarders worden opgemaakt door het instellingshoofd en voorgelegd aan de secretaris-generaal van het departement Algemene Zaken en Financiën van het ministerie, die de beslissingsbevoegdheid bezit. § 2. Als huisbewaarder kunnen enkel worden aangesteld de ambtenaren die de hierna volgende voorwaarden vervullen : 1° bij voorkeur werken in het gebouw, waarvoor een huisbewaarder gezocht wordt;2° bij voorkeur behoren tot de instelling;3° bij voorkeur behoren tot de niveaus D of E;4° op de dag van de kandidatenvoordracht niet de evaluatie onvoldoende hebben; § 3. Bij ontstentenis van kandidaten kan een persoon contractueel aangesteld worden die niet tot de diensten van de Vlaamse regering behoort.
Afdeling 2. - Opdrachten en plichten van de huisbewaarders Art. II 23. § 1. Het instellingshoofd geeft aan de huisbewaarders de nodige opdrachten en richtlijnen in verband met de veiligheid, de hygiëne en de bewaking van de gebouwen. § 2. Het instellingshoofd legt daarenboven de specifieke verplichtingen op, die aangepast zijn aan de activiteiten die in ieder gebouw worden uitgeoefend.
Art. II 24. Onverminderd de bepalingen van deel III is de huisbewaarder onderworpen aan de volgende verplichtingen : 1° de huisbewaarder mag in het gebouw geen enkele commerciële activiteit uitoefenen;2° de huisbewaarder bewoont met zijn gezin alleen het gedeelte dat hem is toegewezen in het gebouw waarvan hij de bewaking heeft.De lokalen die ter beschikking van de huisbewaarder zijn gesteld, moeten altijd proper zijn. Deze lokalen worden op kosten van de overheid in goede staat gebracht, op het ogenblik dat de huisbewaarder in dienst treedt.
De huisbewaarder ondertekent een verklaring over de goede staat van de hem toevertrouwde woonvertrekken. Normaal opfrissings- en onderhoudswerk dat nodig mocht blijken bij het bewonen van de lokalen, moet geregeld door en op kosten van de huisbewaarder uitgevoerd worden; 3° de overheid betaalt evenwel het herstellingswerk veroorzaakt door werkzaamheden die ze heeft bevolen en die schade hebben toegebracht aan de lokalen van de huisbewaarderswoning.Hetzelfde geldt voor de herstelling van toevallige schade in genoemde lokalen en die niet kan worden toegeschreven aan een verzuim van de huisbewaarder; 4° de huisbewaarder mag het meubilair, het materiaal en de uitrusting van de diensten van de Vlaamse regering, die niet tot zijn woning behoren, niet aanwenden voor persoonlijk gebruik;5° de huisbewaarder is verplicht een brandverzekering te onderschrijven tegen de huurrisico's en het verhaal van buren. Art. II 25. § 1. Het gebouw mag buiten de diensturen in geen geval zonder toezicht worden gelaten. § 2. Bij een vakantieverlof van ten minste één week wordt bij de vakantieaanvraag een nota gevoegd waarin de aanstelling van de eventuele plaatsvervanger wordt voorgesteld.
De plaatsvervanger vervult de voorwaarden die de huisbewaarder moet vervullen.
De volledige identiteit en het juiste adres van die persoon moeten worden opgegeven. De aanvraag moet minstens vijftien dagen vóór de aanvangsdatum van de vakantie worden ingediend bij het instellingshoofd.
Art. II 26. De verhuiskosten van het eigen meubilair komen altijd ten laste van de huisbewaarder, behalve wanneer de diensten zelf hun lokalen verlaten en zich vestigen in een nieuw dienstgebouw waar de betrokkene weer als huisbewaarder wordt aangesteld.
Afdeling 3. - Beëindiging van de functie van de huisbewaarder Art. II 27. § 1. Wanneer de aanstelling van de huisbewaarder eindigt : 1° bij zijn pensionering;2° als hij ontslag neemt;3° als de bevoegde overheid deze functie van huisbewaarder afschaft;4° bij het overlijden van de huisbewaarder, krijgt de belanghebbende, of, bij overlijden, de echtgeno(o)t(e), de samenwonende partner of de nabestaanden die onder hetzelfde dak wonen, zes maanden de tijd om een andere woning te zoeken.Het instellingshoofd waarschuwt de betrokkene bij aangetekend schrijven.
Wanneer de aanstelling van de huisbewaarder beëindigd wordt in geval van tekortkomingen die van die aard zijn dat het noodzakelijk is dat hij als huisbewaarder wordt ontslagen, krijgt belanghebbende drie maanden de tijd om een andere woning te zoeken.
In geval van : - afzetting - of ontslag om dringende redenen door de werkgever of de werknemer wordt deze termijn ingekort tot 1 maand.
De tekortkoming wordt vastgesteld door de coördinator, aangesteld voor het gebouw of bij ontstentenis, door de ambtenaar met de hoogste graad in dat gebouw. Na de huisbewaarder te hebben gehoord, stuurt deze onverwijld zijn verslag met de eventuele schriftelijke opmerkingen van de huisbewaarder, door aan het instellingshoofd. De secretaris-generaal van het departement Algemene Zaken en Financiën van het ministerie neemt na overleg met het instellingshoofd de beslissing tot ontslag. § 2. De huisbewaarder die zijn functie wenst te beëindigen, moet het instellingshoofd hiervan ten minste drie maanden van te voren bij aangetekend schrijven in kennis stellen, behalve in geval van overmacht.
TITEL 3. - Overgangsbepalingen Art. II 28. De gevallen van beroep tegen verlofaanvragen ingesteld bij de commissie van beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid bij de diensten van de Vlaamse regering en sommige instellingen en publiekrechtelijke verenigingen die onder de Vlaamse Gemeenschap en/of het Vlaamse Gewest ressorteren, vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit worden verder afgehandeld door deze commissie volgens de op dat tijdstip geldende procedure en samenstelling.
Art. II 29. § 1. De gevallen van beroep tegen een tuchtstraf of schorsing in het belang van de dienst ingesteld bij de daartoe bevoegde raad van beroep, vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit worden verder afgehandeld door deze raden volgens de op dat tijdstip geldende procedure en samenstelling. § 2. De beroepen ingesteld tegen een beoordeling toegekend vóór 31 december 1996 worden verder afgehandeld door de bevoegde raad van beroep volgens de op 31 december 1995 geldende procedure en samenstelling.
Art. II 30. Alle aanstellingen in een hoger ambt worden in overeenstemming gebracht met de nieuwe statutaire voorschriften.
DEEL III. - RECHTEN EN PLICHTEN Art. III 1. De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt.
Het is hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op - de veiligheid van het land; - de bescherming van de openbare orde; - de financiële belangen van de overheid; - maatregelen ter voorkoming en bestraffing van strafbare feiten; - het medisch geheim; - het vertrouwelijk karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens; - de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privé-leven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om op hem betrekking hebbende gegevens openbaar te maken; - het intern beraad dat voorafgaat aan elke beslissing.
Dit artikel geldt eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd.
Art. III 2. § 1. De ambtenaar heeft recht op informatie en voortgezette vorming zowel wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakvervulling, als om te kunnen voldoen aan de evaluatiecriteria en bevorderingsvereisten.
De vorming moet hem worden verstrekt wanneer ze een bevorderingsvoorwaarde is of een onderdeel van de evaluatiecriteria uitmaakt.
De ambtenaar heeft recht op vorming voor persoonlijke vervolmaking voor zover dit kadert in de globale organisatorische doelstellingen van zijn dienst. § 2. De ambtenaar dient zich op de hoogte te houden van de evolutie van de technieken, reglementeringen en navorsingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. § 3. De vorming is een plicht wanneer zij noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een afdeling of wanneer zij een onderdeel uitmaakt van een herstructurering, reorganisatie van een afdeling of een implementatie van nieuwe technieken en infrastructuur.
Voor de ambtenaar van niveau A kan deze vorming plaatsvinden buiten en bovenop de normale arbeidsprestaties, eventueel zonder compensatie.
De onkosten die inherent zijn aan de deelname aan deze vormingsactiviteiten worden gedragen door het ministerie of de instelling.
Art. III 3. Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen.
Het persoonlijk dossier van de ambtenaar bevat ten minste de administratieve stukken zoals bepaald in bijlage 1 bij dit besluit.
Aanbevelingen waaruit een levensbeschouwelijke, ideologische of politieke overtuiging blijkt mogen niet voorkomen in het administratief dossier.
Art. III 4. § 1. Onverminderd de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting bepaald in artikel III 1 oefent de ambtenaar zijn ambt op loyale en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen die verantwoordelijk zijn voor de gegeven opdrachten. Hij moet inzonderheid : 1° in zijn handelingen en gedragingen in de uitoefening van zijn taken, de van kracht zijnde wetten, decreten en reglementeringen, de richtlijnen van de overheid waarvan hij afhangt alsmede de billijkheids- en doelmatigheidsaspecten in acht nemen;2° zijn raadgevingen, adviezen, opties en verslagen formuleren op basis van een precieze, volledige en praktische voorstelling van de feiten;3° zorgvuldig, plichtsbewust en met inachtneming van de richtlijnen van de overheid waarvan hij afhangt, de beslissingen uitvoeren en de desbetreffende programma's verwezenlijken en zelf de nodige initiatieven aan de dag leggen;4° in de omgang met meerderen, collega's of ondergeschikten en in zijn contacten met het publiek, de persoonlijke waardigheid respecteren. § 2. De ambtenaar verleent zijn medewerking aan beleidsvoorbereidend werk en neemt actief deel aan teamwerk. § 3. De ambtenaar vervult zijn ambt met openheid en zonder enige discriminatie tegenover de gebruikers van zijn dienst. Hij waakt ervoor geen enkel gegeven van persoonlijke aard dat werd verzameld bij die gebruikers, bekend te maken tenzij aan de personen, die bevoegd zijn om er kennis van te nemen.
Art. III 5. § 1. Buiten de uitoefening van zijn ambt moet de ambtenaar elke handelwijze vermijden die het vertrouwen van het publiek in zijn dienst kan aantasten. § 2. Zelfs buiten zijn ambt maar in verband ermee, mag de ambtenaar rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen.
Art. III 6. De hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar met elke activiteit die de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon verricht en die : 1° verhindert dat hij zijn ambtsplichten vervult;2° met de waardigheid van het ambt in strijd is;3° zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengt of;4° een strijdigheid van belangen tot gevolg heeft. De cumulatie van activiteiten binnen de beperkingen van het eerste lid wordt geregeld overeenkomstig deel IV. De personeelsleden van de instelling volgen de deontologische code, zoals vastgesteld bij omzendbrief voor het personeel van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap.
De directieraad kan de deontologische code aanvullen met bepalingen die specifiek zijn voor de instelling.
Art. III 7. De bepalingen van dit deel zijn eveneens van toepassing op de stagiairs.
DEEL IV. - CUMULATIE VAN BEROEPSACTIVITEITEN TITEL 1. - Definities Artikel IV 1. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder : 1° "beroepsactiviteit" : a) elke bezigheid waarvan de opbrengst als een bedrijfsinkomen belastbaar is overeenkomstig het wetboek van de Inkomstenbelastingen;b) elke, zelfs onbezoldigde, opdracht of dienst in particuliere zaken met winstoogmerk. In afwijking van sub littera a) wordt een openbaar mandaat van politieke aard niet beschouwd als een beroepsactiviteit. 2° "beroepsactiviteit inherent aan de uitoefening van het ambt" : a) elke opdracht die ingevolge een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling verbonden is aan het ambt dat de ambtenaar uitoefent;b) elke opdracht waarvoor de ambtenaar wordt aangewezen door de overheid waaronder hij ressorteert.3° "diensturen" : de stamtijden, in de diensten waar de variabele werktijd wordt toegepast. In de andere diensten bepaalt de bevoegde overheid wat onder diensturen moet worden verstaan.
Voor de toepassing van dit deel worden de uren van afwezigheid waarvoor dienstvrijstelling werd verleend, als diensturen beschouwd.
TITEL 2. - Cumulatie van activiteiten buiten de diensturen Art. IV 2. Onverminderd artikel III 6 mag de ambtenaar activiteiten en beroepsactiviteiten buiten de diensturen cumuleren met de eigen beroepsactiviteiten.
Art. IV 3. § 1. Onverminderd andersluidende reglementaire bepalingen mag de ambtenaar die toestemming kreeg zijn ambt met verminderde prestaties uit te oefenen of volledig afwezig te zijn, beroepsactiviteiten cumuleren inzover hij tijdens zijn afwezigheid : 1° geen salaris verkrijgt van de overheid waaronder hij ressorteert en 2° zich in een administratieve toestand bevindt waarin hij geen recht op bevordering en op bevordering tot een hogere salaris kan doen gelden. § 2. Indien aan de in § 1, 1° of 2° vermelde voorwaarden niet voldaan is, valt de cumulatiemachtiging onder de regeling van cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen.
TITEL 3. - Cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen Art. IV 4. De ambtenaar mag geen beroepsactiviteiten cumuleren binnen de diensturen.
Art. IV 5. Onverminderd andere meer beperkende bepalingen wordt in afwijking van artikel IV 4 de cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die inherent zijn aan de uitoefening van het ambt, van rechtswege uitgeoefend.
Art. IV 6. § 1. De cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die niet inherent zijn aan het ambt, kan, in afwijking van artikel IV 4 en onverminderd artikel III 6, toegestaan worden indien deze activiteiten zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek uitgeoefend kunnen worden. § 2. De lijst van cumulaties bedoeld in § 1 zal jaarlijks bij omzendbrief bekendgemaakt worden.
TITEL 4. - De procedure Art. IV 7. Om de in artikel IV 6 bedoelde toestemming tot cumulatie te verkrijgen dient de ambtenaar aangetekend of tegen ontvangstbewijs een schriftelijke en voorafgaande aanvraag in bij het instellingshoofd volgens een modelformulier dat als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd.
Terzelfder tijd bezorgt de ambtenaar een afschrift van de aanvraag aan het afdelingshoofd.
Art. IV 8. De cumulatiemachtiging bedoeld in artikel IV 6 wordt verleend overeenkomstig de volgende procedure : 1° het afdelingshoofd brengt een schriftelijk gemotiveerd advies uit bij het instellingshoofd binnen de 15 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag;2° het instellingshoofd geeft toestemming voor cumulatie of weigert die indien de aanvraag volledig is, binnen dertig kalenderdagen na de datum van de aanvraag;3° de ambtenaar wordt binnen dertig kalenderdagen na de datum van zijn aanvraag in kennis gesteld van de gemotiveerde beslissing van het instellingshoofd tot toestemming of tot weigering. Art. IV 9. Onverminderd de bepalingen van dit deel dient het instellingshoofd een aanvraag tot cumulatie van ambten in bij de functioneel bevoegde Vlaamse minister(s); deze laatste(n) staat (staan) de cumulatie toe of weigert (weigeren) binnen de 15 kalenderdagen na ontvangst van de volledige aanvraag.
Art. IV 10. Indien de nodige inlichtingen in het dossier niet voorhanden zijn, wordt hierom gevraagd door de personeelsverantwoordelijke van de instelling binnen een termijn van 15 kalenderdagen die begint op de datum van het binnenkomen van het dossier.
De ambtenaar verstrekt de gevraagde inlichtingen binnen een termijn van 30 kalenderdagen, zo niet wordt de aanvraag als vervallen beschouwd.
De termijnen vermeld in het eerste en tweede lid schorten de in de artikelen IV 8 en IV 9 bepaalde termijnen op.
Art. IV 11. De toestemming kan worden herroepen. De beslissing tot toestemming, tot weigering en tot herroeping wordt met redenen omkleed.
Art. IV 12. De personeelsleden van de instelling volgen de deontologische code inzake cumulaties, zoals vastgesteld bij omzendbrief voor het personeel van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap.
De directieraad kan de deontologische code aanvullen met bepalingen die specifiek zijn voor de instelling.
Aan de hand van de deontologische code wordt de aard van de cumulatie binnen de diensturen en, onverminderd titel 2, eventueel ook buiten de diensturen, getoetst door de overheid die de toestemming tot cumulatie geeft.
Art. IV 13. De bepalingen van dit deel zijn eveneens van toepassing op de stagiairs.
TITEL 5. - Overgangsbepalingen Art. IV 14. Binnen drie maanden na het van kracht worden van dit deel, moet de ambtenaar die beroepsactiviteiten binnen de diensturen cumuleert, met uitzondering van die beroepsactiviteiten binnen de diensturen die hij in toepassing van artikel IV 5 van rechtswege uitoefent, overeenkomstig de procedure bepaald in titel 4 van dit deel een aanvraag indienen tot het verkrijgen van een toestemming voor cumulatie.
Ingeval de overheid volgens de procedure bepaald in dezelfde titel de toestemming weigert, wordt binnen de door deze overheid gestelde termijn en in elk geval binnen twaalf maanden na het van kracht worden van dit besluit, een einde gemaakt aan de cumulatieactiviteiten.
De cumulatie in het onderwijs wordt bij weigering van de toestemming uitgeoefend tot het einde van het lopend schooljaar of academiejaar.
DEEL V. - HET DOELTREFFEND INZETTEN VAN HET PERSONEEL TITEL 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende het wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk personeel Artikel V 1. § 1. Jaarlijks wordt er in de maand januari door het instellingshoofd een verslag opgemaakt over de personeelsbezetting in de instelling.
Dit verslag wordt toegestuurd aan de functioneel bevoegde Vlaamse minister(s) en aan de Vlaamse minister bevoegd voor ambtenarenzaken. § 2. Op basis van het in § 1 vermelde verslag stelt de directieraad het tekort aan personeel en het overtallige personeel in de instelling vast en/of raamt overtollige personeel.
Het personeel is overtallig wanneer de bezetting het formatiecijfer overtreft.
Het personeel is overtollig wanneer er te veel personeel is in relatie tot de behoeften of taken van de instelling.
Art. V 2. § 1. Onverminderd de mogelijkheid om de personeelsformatie aan te passen, wordt het overtallige of overtollige wetenschappelijk personeel binnen de instellingen ingezet op vacante betrekkingen, en het overtollige of overtallige niet-wetenschappelijk personeel binnen de diensten van de Vlaamse regering ingezet op vacante betrekkingen of in dienst gehouden op de plaats waar zij werken. § 2. Het tekort aan personeel in de instelling wordt opgevuld via aanwervingsplannen opgesteld door de directieraad en goedgekeurd door de Vlaamse minister, bevoegd voor ambtenarenzaken.
HOOFDSTUK 2. - Specifieke bepalingen betreffende het wetenschappelijk personeel Art. V 3. Wanneer op verschillende wijzen in een vacante betrekking kan worden voorzien en er geen bepaling is die een bepaalde wijze voorschrijft, kiest de bevoegde overheid op gemotiveerde wijze hoe zij de betrekkingen in de instelling opvult : 1° een vacante betrekking in rang A1 of A3 : door aanwerving.2° een vacante betrekking in rang A2 : a) door een interne oproep bij wijze van bevordering, of b) door aanwerving. HOOFDSTUK 3. - Specifieke bepalingen betreffende het niet-wetenschappelijk personeel Art. V 4. Wanneer op verschillende wijzen in een vacante betrekking kan worden voorzien en er geen bepaling is die een bepaalde wijze voorschrijft, kiest de bevoegde overheid op gemotiveerde wijze hoe zij de betrekkingen in de instelling opvult : 1° een vacante betrekking in de begingraad van elk niveau : a) door bevordering van de geslaagden voor de vergelijkende overgangsexamens, na oproep gericht tot de geslaagden van het niet-wetenschappelijk personeel van de instellingen en terzelfder tijd tot de geslaagden van het personeel van het ministerie, of b) door aanwerving, of c) door mutatie 2° een vacante betrekking in een hiërarchisch hogere graad dan de begingraad van elk niveau : a) door een interne oproep bij wijze van bevordering. Als de betrekking bij bevordering na het slagen voor een examen of bekwaamheidsproef voor verhoging in graad verleend wordt, wordt de oproep terzelfder tijd tot het niet-wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke instellingen en tot het personeel van het ministerie gericht.
Alle kandidaten worden onderling gerangschikt op één lijst van personen die worden voorgedragen, of b) door aanwerving, of c) door mutatie. TITEL 2. - De mutatie HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. V 5. § 1. Voor de toepassing van deze titel wordt onder mutatie verstaan, de overplaatsing van een ambtenaar naar een andere instelling of naar het ministerie, zonder dat er een verandering van graad of een verhoging in graad mee gepaard gaat, en nadat er een algemene oproep tot de kandidaten gedaan werd.
De overplaatsing tussen de instellingen onderling of tussen een instelling en het ministerie is een interdepartementale mutatie. § 2. Er zijn twee wijzen van muteren : de vrijwillige mutatie en de mutatie ambtshalve.
De vrijwillige mutatie wordt toegepast vóór de mutatie ambtshalve.
Art. V 6. Onverminderd de bepalingen van deze titel kan het instellingshoofd na advies van de directieraad en met motivering de dienstaanwijzing en standplaatsbepaling wijzigen van personeelsleden van niveau B, C, D en E en van rang A1.
Art. V 7. § 1. Het college van secretarissen-generaal verklaart - zo nodig na advies van de directieraad - de betrekkingen vacant die bij wijze van vrijwillige mutatie ingevuld worden. § 2. Het bericht dat een betrekking bij wijze van mutatie vacant is, omvat inzake de te verlenen betrekking : 1° een functiebeschrijving;2° het gewenste profiel. § 3. De kennisgeving van de vacatures vindt plaats door : 1° een brief aan de in aanmerking komende kandidaten, verzonden naar het door de betrokkene laatst opgegeven correspondentieadres;2° de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. § 4. Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling beantwoorden aan de voorschriften van het vacaturebericht en hetzij per aangetekende brief worden verstuurd, hetzij door middel van een afgegeven brief waarvoor een bewijs van ontvangst wordt overhandigd, worden ingediend binnen dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad.
De kandidaatstelling die door middel van een afgegeven brief wordt ingediend, dient op de laatste werkdag van de ontvangende dienst uiterlijk om 16.00 uur te worden overhandigd.
Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken en wordt ingediend met het modelformulier dat als bijlage 3 bij dit besluit gevoegd is.
Art. V 8. § 1. De ambtenaar kan slechts een mutatie verkrijgen indien hij : 1° geen "onvoldoende" voor zijn functioneringsevaluatie heeft, behalve indien het een mutatie ambtshalve betreft;2° zich in de administratieve toestand "dienstactiviteit" bevindt;3° voldoet aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om dat ambt uit te oefenen.4° het gunstig advies heeft verkregen bedoeld in artikel V 9. § 2. De beslissing tot mutatie houdt rekening met : 1° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat;2° de functioneringsevaluatie. Art. V 9. Na gunstig advies van het instellingshoofd van de ontvangende instelling, verleent het college van secretarissen-generaal de de interdepartementale mutatie naar betrekkingen van rang A1 en lager.
HOOFDSTUK 2. - De vrijwillige mutatie Art. V 10. Op basis van het in artikel V 1 bedoelde verslag wordt door het college van secretarissen-generaal een lijst opgemaakt van de betrekkingen van de aanwervingsgraden die bij mutatie kunnen worden opgevuld.
Deze lijst is één jaar geldig en wordt voorgelegd aan de tot benoemen bevoegde overheid.
Art. V 11. Als op basis van het in artikel V 1, vermelde verslag wordt vastgesteld dat er in een instelling sprake is van overtallig of overtollig personeel, als en indien er vacatures in dezelfde graad in een andere instelling of het ministerie voorkomen, doet het college van secretarissen-generaal eerst een oproep tot interdepartementale vrijwillige mutatie.
De oproep en kandidaatstelling gebeurt vinden plaats volgens de procedure bepaald in deze titel.
HOOFDSTUK 3. - De mutatie ambtshalve Art. V 12. Als na de toepassing van de procedure voor vrijwillige mutatie de in artikel V 11 vermelde situatie van overtallig personeel per graad en overtollig personeel binnen een instelling blijft bestaan, zijn de volgende werkwijzen mogelijk : 1° het overtallige en overtollige personeel in een bepaalde graad dat in de loopbaan van die graad of op andere vacatures in de instelling, financieel kan worden gecompenseerd, blijft, mits het college van secretarissen-generaal ermee instemt, werken in de instelling van oorsprong.2° het overtallige en overtollige personeel dat na toepassing of niet-toepassing van § 1 overblijft, wordt door het college van secretarissen-generaal, naar rato van de vacatures die in de andere instellingen of het ministerie in dezelfde graad voorkomen als de graad waarin het overtal voorkomt, ambtshalve aangewezen als volgt : a) de contractuelen die aangewezen zijn voor een betrekking op de personeelsformatie met uitzondering van het contractuele personeel dat aangeworven werd voor specifieke opdrachten;b) de ambtenaren. Bij de aanwijzing ambtshalve voor de vacatures onderling wordt rekening gehouden met de bijzondere eisen voor het bekleden van het ambt, de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat. 3° het overtallige en overtollige personeel in een bepaalde graad dat na toepassing van 2° en bij gebrek aan vacatures of voldoende vacatures in dezelfde graad in de andere instellingen of het ministerie overblijft, wordt ambtshalve in dienst gehouden met financiële compensatie. De techniek van vrijwillige mutatie en mutatie ambtshalve van de overtallen wordt bovendien jaarlijks geëvalueerd.
TITEL 3. - De herplaatsing HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied Art. V 13. § 1. De herplaatsing gebeurt binnen de instellingen voor een ambtenaar van het wetenschappelijk personeel. § 2. De herplaatsing gebeurt binnen de diensten van de Vlaamse re gering voor een ambtenaar van het niet-wetenschappelijk personeel. § 3. Op herplaatsing kunnen, overeenkomstig de bepalingen van deze titel, aanspraak maken : 1° de ambtenaar die wegens enigerlei oorzaak, zoals een terugzetting in graad, het vernietigen of het intrekken van een bevordering, het vacantverklaren van zijn betrekking tijdens een langdurig verlof, moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking;2° de ambtenaar die door de arbeidsgeneeskundige dienst voor de uitoefening van zijn ambt ongeschikt werd bevonden, maar die opnieuw herplaatst kan worden in een andere functie die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, ongeacht of hij ziek was of het slachtoffer was van een arbeidsongeval of een beroepsziekte. HOOFDSTUK 2. - Nadere bepalingen inzake herplaatsing Art. V 14. De herplaatsing gebeurt met inachtneming van de bijzondere eisen voor het bekleden van het ambt, de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat.
Art. V 15. De herplaatsing van een ambtenaar gebeurt in een vacante betrekking in zijn graad of in een gelijkwaardige graad of bij gebrek aan vacatures in overtal op die graad.
Hoe dan ook behoudt de ambtenaar zijn graad en de daaraan verbonden salarisschaal.
Art. V 16. De herplaatsing van de ambtenaar om medische redenen, in een andere functie die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand zoals bepaald in artikel V 13, § 3, 2°, gebeurt in een graad van zijn rang of in een lagere rang.
In afwijking van artikel V 15 heeft deze herplaatsing de benoeming in de nieuwe graad tot gevolg. De ambtenaar wordt ingeschaald in de nieuwe salarisschaal overeenkomstig artikel XIII 22 § 2.
DEEL VI. - DE AANWERVING TITEL 1. - De toelatingsvoorwaarden Artikel VI 1. § 1. Voor de toegang tot een ambt in de instelling gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden : 1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldoen;4° de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt. De Sociaal-Medische Rijksdienst controleert de vereiste lichamelijke geschiktheid.
Het onderzoek wordt aangevraagd door de Vast Wervingssecretaris indien de aanwervingsprocedure via hem verloopt, of in het andere geval door het instellingshoofd. § 2. De ambten waarvoor in de functiebeschrijving en het profiel bepaald wordt dat zij een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden of die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Vlaamse Gemeenschap worden voorbehouden voor Belgen.
TITEL 2. - De aanwerving HOOFDSTUK 1. - De aanwervingsvoorwaarden Afdeling 1. - Specifieke bepalingen betreffende het wetenschappelijk personeel Art. VI 2. § 1. Als ambtenaar kan enkel worden aangeworven wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de leeftijd van 50 jaar niet bereikt hebben;2° in het bezit zijn van een diploma dat toegang verleent tot niveau A. § 2. De gegadigden dienen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden te voldoen op de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad. De directieraad controleert deze vereisten en voorwaarden met uitzondering van de lichamelijke geschiktheid.
Art. VI 3. In afwijking van artikel VI 2 - 1° worden de stagiair, de ambtenaar en het contractuele personeelslid van de instelling van de leeftijdseis vrijgesteld voor zover zij vóór de leeftijd van vijftig jaar in dienst getreden zijn van de instelling.
Art. VI 4. § 1. In overeenstemming met de aard van het ambt en op basis van de functiebeschrijving en het competentieprofiel kunnen de volgende bijzondere aanwervingsvoorwaarden opgelegd worden : 1° een leeftijdsgrens beneden vijftig jaar en/of een minimumleeftijd;2° bijzondere eisen inzake beroepsbekwaamheid en/of lichamelijke geschiktheid;3° het bezit van bijzondere studie- of opleidingsdiploma's of getuigschriften. § 2. De gegadigden dienen aan de bijzondere aanwervingsvoorwaarden te voldoen op de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad. De directieraad controleert deze vereisten en voorwaarden met uitzondering van de bijzondere eisen inzake lichamelijke geschiktheid.
Afdeling 2. - Specifieke bepalingen betreffende het niet-wetenschappelijk personeel Art. VI 5. § 1. Als ambtenaar kan enkel worden aangeworven wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de leeftijd van 50 jaar niet bereikt hebben;2° in het bezit zijn van een diploma of studiegetuigschrift, dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad volgens de bij dit besluit gevoegde tabel als bijlage 3 en behalve de uitzonderingen bepaald door de Vast Wervingssecretaris; De diploma's of studiegetuigschriften die toegang verlenen tot een bepaald niveau kunnen in aanmerking worden genomen voor de toelating tot de graden van lagere niveaus voor zover dit uitdrukkelijk in de functiebeschrijving of het examenreglement wordt bepaald; 3° slagen voor het vergelijkend aanwervingsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat. § 2. De Vast Wervingssecretaris stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden, onverminderd de toepassing van artikel VI 6 § 2 wat het bezit van het vereiste diploma betreft. Hij staat in voor de controle van deze vereisten en voorwaarden met uitzondering van de lichamelijke geschiktheid.
Art. VI 6. § 1. In afwijking van artikel VI 5 - 1° worden de stagiair, de ambtenaar en het contractuele personeelslid van de instelling van de leeftijdseis vrijgesteld voor zover zij vóór de leeftijd van vijftig jaar in dienst getreden zijn van de instelling. § 2. In afwijking van artikel VI 5 - 2° worden ook de laatstejaarsscholieren tot het vergelijkend aanwervingsexamen toegelaten. De aldus toegelaten kandidaten kunnen slechts tot de stage worden toegelaten vanaf de dag waarop zij aan de Vast Wervingssecretaris het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd.
Art. VI 7. § 1. In overeenstemming met de aard van het ambt en op basis van de functiebeschrijving en het competentieprofiel kunnen na overleg met de Vast Wervingssecretaris, de volgende bijzondere aanwervingsvoorwaarden opgelegd worden : 1° een leeftijdsgrens beneden vijftig jaar en/of een minimumleeftijd;2° bijzondere eisen inzake beroepsbekwaamheid en/of lichamelijke geschiktheid;3° het bezit van diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen onder die welke zijn opgesomd in de tabel als bijlage 3 bij dit besluit, of van bijzondere studie- of opleidingsdiploma's of getuigschriften. § 2. De Vast Wervingssecretaris stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de bijzondere aanwervingsvoorwaarden. Hij staat in voor de controle van deze vereisten en voorwaarden met uitzondering van de bijzondere eisen inzake lichamelijke geschiktheid.
HOOFDSTUK 2. - De aanwervingsprocedure Afdeling 1. - Specifieke bepalingen betreffende het wetenschappelijk personeel Art. VI 8. Het instellingshoofd doet door middel van ten minste een bericht in het Belgisch Staatsblad, een oproep tot de kandidaten voor elke door aanwerving te begeven vacante betrekking.
Art. VI 9. Na onderzoek van de kandidaturen, maakt de directieraad een proces-verbaal op van rangschikking op basis van : 1° een interview waarbij wordt nagegaan of het profiel van de kandidaat overeenstemt met de specifieke vereisten van de betrekking die vastgesteld werden in de functiebeschrijving;2° de ervaring en de wetenschappelijke verdiensten van de kandidaat die onder meer blijken uit zijn curriculum vitae. De directieraad deelt de rangschikking aan de gegadigden mee en publiceert ze in het Belgisch Staatsblad.
De rangschikking gebeurt overeenkomstig artikel II 10.
Art. VI 10. Na het afsluiten van het proces-verbaal van rangschikking wordt de kandidaat voor een betrekking van rang A1 die aan de gestelde eisen voldoet, in de orde van zijn rangschikking tot de stage toegelaten.
Art. VI 11. Na het afsluiten van het proces-verbaal van rangschikking wordt de kandidaat voor een betrekking van rang A2 die aan de gestelde vereisten voldoet én die bovendien geslaagd is voor een selectieproef, waarbij wordt nagegaan of de kandidaat over voldoende leidinggevende capaciteiten beschikt, in de orde van zijn rangschikking door de Vlaamse regering benoemd.
Afdeling 2. - Specifieke bepalingen betreffende het niet-wetenschappelijk personeel Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. VI 12. De Vast Wervingssecretaris organiseert de vergelijkende aanwervingsexamens op aanvraag van de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken die hiertoe beslist binnen de perken van het door de Vlaamse minister van Ambtenarenzaken, goedgekeurd aanwervingsplan.
De Vast Wervingssecretaris kondigt elk vergelijkend aanwervingsexamen ten minste aan in het Belgisch Staatsblad.
Art. VI 13. § 1. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de modaliteiten van de vergelijkende aanwervingsexamens in overleg met de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken.
Onder modaliteiten wordt verstaan : 1° de vaststelling van het huishoudelijk reglement betreffende de organisatie van de examens en de bekendmaking ervan;2° de vaststelling van het examenreglement waarin a) de termijn waarbinnen de inschrijvingen kunnen worden aanvaard, wordt bepaald;b) het examenprogramma en de deelnemingsvoorwaarden wordt vermeld en de datum wordt vastgesteld waarop aan deze voorwaarden moet worden voldaan;c) het aantal punten wordt bepaald dat aan het volledig examen, aan ieder examengedeelte en desgevallend aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend;d) het minimum aantal punten wordt bepaald dat voor het volledig examen, voor ieder examengedeelte en eventueel voor de onderverdelingen ervan wordt vereist;3° de aanwijzing van de leden van de examencommissies;4° de bepaling van datum en plaats van het examen;5° de vaststelling van de lijst van de kandidaten;6° de oproeping van de kandidaten;7° het opmaken van het proces-verbaal dat de rangschikking van de geslaagden vaststelt;8° de kennisgeving aan de kandidaten van het behaalde resultaat. § 2. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de samenstelling van de examencommissies.
Art. VI 14. De vergelijkende aanwervingsexamens worden georganiseerd voor benoeming in de graden van de laagste rang van elk niveau en eventueel in de graden van de andere rangen, opgenomen in bijlage 5 bij dit besluit.
Onderafdeling 2. - Het programma Art. VI 15. De leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken stelt de programma's van de vergelijkende aanwervingsexamens vast na overleg met de betrokken instelling voor wie de aanwerving bestemd is en met de Vast Wervingssecretaris.
De programma's toetsen de vereiste geschiktheid van de kandidaten om de te verlenen functie uit te oefenen.
Voor een zelfde graad kunnen het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen en dat van het vergelijkend examen voor overgang naar het ander niveau verschillend zijn.
Art. VI 16. De vergelijkende aanwervingsexamens bestaan uit drie gedeelten : 1° een gedeelte dat tot doel heeft de basisvaardigheden voor het uitoefenen van de te verlenen graad te evalueren;2° een gedeelte dat tot doel heeft de vaardigheden tot schriftelijke communicatie te evalueren;3° een gedeelte bestaande uit een interview dat tot doel heeft na te gaan of het profiel van de kandidaat overeenstemt met de specifieke vereisten van de functie. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor de reeds georganiseerde gedeelten kunnen tot het volgende gedeelte worden toegelaten.
Wanneer de aard van de functies het wettigt, kan de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken in overleg met de Vast Wervingssecretaris het vergelijkend aanwervingsexamen beperken tot één of twee gedeelten.
Art. VI 17. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de duur en de volgorde van de verschillende examengedeelten.
Een mondeling examengedeelte wordt afgenomen in aanwezigheid van ten minste twee bijzitters.
Art. VI 18. Iedere gegadigde die voor een vergelijkend aanwervingsexamen inschrijft, ontva …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.