Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Vlaamse regering houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen

Kort samengevat

Dit besluit regelt de rechtspositie van het personeel van een aantal Vlaamse openbare instellingen. Het is gebaseerd op diverse Europese richtlijnen en Vlaamse decreten.

Wat het regelt

  • De rechtspositie van personeel.
  • Maatregelen ter bevordering van veiligheid en gezondheid op het werk voor zwangere werkneemsters, na de bevalling en tijdens de lactatie.
  • Ouderschapsverlof.
  • Preventie van of schadevergoeding voor arbeidsongevallen, ongevallen op weg naar en van het werk en beroepsziekten in de overheidssector.

Wie het aanbelangt

  • Personeel van bepaalde Vlaamse openbare instellingen.
  • Werkneemsters tijdens zwangerschap, na bevalling en tijdens lactatie.

Kernpunten

  • Het besluit is van 30 juni 2000.
  • Het houdt rekening met Europese richtlijn 92/85/EEG over veiligheid en gezondheid van zwangere werkneemsters, na de bevalling en tijdens de lactatie.
  • Het houdt rekening met Europese richtlijn 96/34/EG betreffende ouderschapsverlof.
  • Het verwijst naar diverse decreten en wetten, waaronder het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs en de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
Wettekst
Wettekst

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP 30 JUNI 2000. - Besluit van de Vlaamse regering houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen De Vlaamse r

de bijzondere aanwervingsvoorwaarden bepaald in artikel VI 27 van dit besluit, kan een ambtenaar van niveau A van de instelling worden aangesteld in het hoger ambt van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal. § 2. De ambtenaar die een tuchtstraf opgelopen heeft, mag niet aangesteld worden voor het uitoefenen van een hoger ambt voor zijn straf doorgehaald is. Art. II 23. De uitoefening van het hoger ambt wordt toevertrouwd aan de ambtenaar die het meest geschikt bevonden wordt om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien. Art. II 24. § 1. De benoemende overheid beslist over de tijdelijke aanstelling in de betrekkingen van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal. Als de Vlaamse regering de benoemende overheid is, gebeurt dit op voorstel van de raad van bestuur. § 2. De benoemende overheid beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van rang A2 na advies van de leidend ambtenaar. De benoemende overheid beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van rang A1 en van niveau B, C en D, na advies van de directieraad. Art. II 25. § 1. In een tijdelijk vacante betrekking kan de ambtenaar voor de duur van de afwezigheid aangesteld worden tot de titularis van de graad zijn ambt opnieuw opneemt. § 2. Een definitief vacante betrekking kan slechts voor ten hoogste één jaar via een tijdelijke aanstelling waargenomen worden, op voorwaarde dat de procedure tot definitieve toekenning van die betrekking wordt ingezet. § 3. De duur van de aanstelling wordt bepaald volgens de dienstbehoeften. § 4. De akte tot aanstelling vermeldt : een omschrijving van het ambt dat definitief vacant is of dat tijdelijk vacant is, zijn laatste of huidige titularis en de reden van diens vertrek of afwezigheid; een verantwoording van de noodzaak om in de vacature een hoger ambt toe te kennen; een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar. Art. II 26. Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle prerogatieven die aan dat ambt zijn verbonden. HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepalingen Art. II 27. De aanwijzingen van de opdrachthouders die werden aangewezen voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden verlengd overeenkomstig de regeling die van kracht was voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, tot de opdrachthouders aangesteld zijn overeenkomstig de regeling van hoofdstuk VI. Art. II 28. De mandaten van de aangestelden van de dienst Veiligheid, Gezondheid en Verfraaiing van de werkplaatsen worden verlengd tot op het ogenblik dat eventueel de preventieadviseur-coördinator en de preventieadviseur(

  1. s)hun functie opnemen. DEEL III. - RECHTEN EN PLICHTEN Artikel III 1. § 1. De ambtenaar oefent zijn ambt op een loyale en correcte wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen. De ambtenaar zet zich op een actieve en constructieve wijze in voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van de instelling. § 2. In de omgang met meerderen, collega's of ondergeschikten en in de contacten met het publiek respecteert de ambtenaar de persoonlijke waardigheid. Art. III 2. § 1. De ambtenaar heeft recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt. Onverminderd de reglementering inzake openbaarheid van bestuur, is het hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op : 1° de veiligheid van het land;2° de bescherming van de openbare orde;3° de financiële belangen van de overheid;4° het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten;5° het medisch geheim;6° het vertrouwelijke karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens;7° het interne beraad, zolang in de betrokken aangelegenheid geen eindbeslissing is genomen. Het is hem ook verboden feiten bekend te maken indien de bekendmaking ervan een inbreuk is op de rechten en de vrijheden van de burger, in het bijzonder op het privé-leven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om op haar of hem betrekking hebbende gegevens openbaar te maken. Deze paragraaf geldt eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd. § 2. De ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt nalatigheden, misbruiken of misdrijven vaststelt, brengt zijn hiërarchische meerdere hiervan onmiddellijk op de hoogte. Art. III 3. De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn dienst welwillend en zonder enige discriminatie. De ambtenaar mag, zelfs buiten het ambt, rechtstreeks noch via een tussenpersoon, giften, beloningen of enig ander voordeel die verband houden met het ambt, vragen, eisen of aannemen. Art. III 4. De hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar met elke activiteit die de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor ofwel : 1° de ambtsplichten niet kunnen worden vervuld;2° de waardigheid van het ambt in het gedrang komt;3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast;4° een conflict tussen tegenstrijdige belangen ontstaat. De cumulatie van activiteiten binnen de beperkingen van het eerste lid wordt geregeld overeenkomstig deel IV. Art. III 5. § 1. De ambtenaar heeft recht op informatie en voortgezette vorming zowel wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de functie-uitoefening als om te kunnen voldoen aan de bevorderingsvereisten. De vorming moet worden verstrekt wanneer ze een bevorderingsvoorwaarde is of onderdeel van de functiebeschrijving. De ambtenaar heeft recht op vorming voor persoonlijke vervolmaking voor zover dit past in de globale organisatorische doelstellingen van zijn afdeling. § 2. De ambtenaar houdt zich op de hoogte van de evolutie van de technieken, reglementeringen en navorsingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. § 3. De vorming is een plicht wanneer zij noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een afdeling, of wanneer zij een onderdeel uitmaakt van een herstructurering of reorganisatie van een afdeling of een implementatie van nieuwe technieken en infrastructuur. Voor de ambtenaar van niveau A kan deze vorming plaatsvinden buiten en bovenop de normale arbeidsprestaties, eventueel zonder compensatie. De onkosten die inherent zijn aan de deelname aan deze vormingsactiviteiten worden gedragen door de instelling. Art. III 6. § 1. De rechten en de plichten worden nader toegelicht in een deontologische code die, bij wijze van omzendbrief, wordt vastgesteld door de Vlaamse minister bevoegd voor de ambtenarenzaken. § 2. Voor specifieke aangelegenheden met betrekking tot de instelling kan de raad van bestuur een aanvullende code vaststellen. Art. III 7. Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen. Het persoonlijk dossier van de ambtenaar bevat ten minste de administratieve stukken zoals bepaald in bijlage I. Aanbevelingen waaruit een levensbeschouwelijke, ideologische of politieke overtuiging blijkt, mogen niet voorkomen in het persoonlijk dossier. Art. III 8. Dit deel is tevens van toepassing op de stagiairs. DEEL IV. CUMULATIE VAN BEROEPSACTIVITEITEN HOOFDSTUK I. - Definities Art. IV 1. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder : 1° beroepsactiviteit :
  2. a)elke bezigheid waarvan de opbrengst als een bedrijfsinkomen belastbaar is overeenkomstig het wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.
  3. b)elke opdracht of dienst in particuliere zaken met winstoogmerk, zelfs als die niet bezoldigd is.

sub littera

  1. a)wordt een politiek mandaat of een ambt dat ermee gelijkgesteld kan worden niet beschouwd als een beroepsactiviteit. 2° beroepsactiviteit, inherent aan de uitoefening van het ambt :
  2. a)elke opdracht die ingevolge een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling verbonden is aan het ambt dat de ambtenaar uitoefent;
  3. b)elke opdracht waarvoor de ambtenaar wordt aangewezen door de overheid waaronder hij ressorteert;3° diensturen : diensturen van de ambtenaar, vastgelegd in de werktijdregeling van de instelling. Voor de toepassing van dit deel worden de uren van afwezigheid waarvoor dienstvrijstelling werd verleend, als diensturen beschouwd. HOOFDSTUK II. - Cumulatie van activiteiten buiten de diensturen Art. IV 2. Onverminderd artikel III 5 mag de ambtenaar activiteiten en beroepsactiviteiten buiten de diensturen cumuleren. Art. IV 3. Onverminderd andersluidende reglementaire bepalingen valt de ambtenaar die de toestemming kreeg om het ambt met verminderde prestaties uit te oefenen of volledig afwezig te zijn, en die daarbij aanspraak kan maken op salaris of op bevordering in graad, salarisschaal of salaris, onder de regeling van cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen. HOOFDSTUK III. - Cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen Art. IV 4. De ambtenaar mag geen beroepsactiviteiten cumuleren binnen de diensturen. Art. IV 5. Onverminderd andere, meer beperkende bepalingen wordt

artikel IV 4 de cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die inherent zijn aan de uitoefening van het ambt, van rechtswege uitgeoefend. Art. IV

  1. §
  2. De cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die niet inherent zijn aan het ambt, kan,

artikel IV 4 en onverminderd artikel III 4, toegestaan worden als die activiteiten zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek uitgeoefend kunnen worden. § 2 De cumulaties, bedoeld in § 1, worden jaarlijks meegedeeld aan de rechtstreeks betrokken personeelsleden. HOOFDSTUK IV. - De procedure Art. IV 7. Om de in artikel IV 6 genoemde toestemming tot cumulatie te verkrijgen dient de ambtenaar aangetekend of tegen ontvangstbewijs een schriftelijke en voorafgaande aanvraag in bij de leidend ambtenaar. Terzelfder tijd bezorgt de ambtenaar een afschrift van de aanvraag aan het afdelingshoofd. Art. IV 8. De cumulatiemachtiging, bedoeld in artikel IV 6, wordt verleend overeenkomstig de procedure, vastgesteld door de directieraad. Art. IV 9. Onverminderd de bepalingen van dit deel dienen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar een aanvraag tot cumulatie van ambten in bij de raad van bestuur. De raad van bestuur beslist binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van de volledige aanvraag of de cumulatie wordt toegestaan of geweigerd. Die termijn wordt in de maand augustus opgeschort. Art. IV 10. De toestemming tot cumulatie kan worden herroepen. De beslissing tot toestemming, tot weigering en tot herroeping van de cumulatie wordt met redenen omkleed. Art. IV 11. De overheid die de toestemming geeft tot cumulatie toetst de aard van de cumulatie binnen de diensturen, en onverminderd hoofdstuk II, eventueel ook buiten de diensturen, aan de deontologische code, vermeld in artikel III 6. Art. IV 12. Dit deel is eveneens van toepassing op de stagiairs. DEEL V. - HET DOELTREFFEND INZETTEN VAN HET PERSONEEL TITEL I. - Algemene bepalingen Art. V 1. Jaarlijks maakt de leidend ambtenaar een verslag op over de personeelsbezetting in de instelling. Het verslag wordt voorgelegd aan de raad van bestuur of bij ontstentenis van dit orgaan, aan de directieraad en toegestuurd aan de minister. Art. V 2. Als in een vacante betrekking op verschillende wijzen kan worden voorzien en als er geen bepaling is die een bepaalde wijze voorschrijft, kiest de benoemende overheid na advies van de directieraad op gemotiveerde wijze hoe zij de betrekkingen in de instelling opvult : 1° een vacante betrekking in de begingraad van elk niveau :

  1. a)door bevordering van de geslaagden voor de vergelijkende overgangsexamens, na oproep gericht tot de geslaagden van de instelling;
  2. b)of door mutatie;
  3. c)of door aanwerving;
  4. d)of door overplaatsing.2° een vacante betrekking in een hiërarchisch hogere graad dan de begingraad van elk niveau :
  5. a)door een interne oproep bij wijze van bevordering, en terzelfder tijd bij wijze van mutatie, waarbij de kandidaten onderling gerangschikt worden.In dit geval geldt de procedure voor bevordering. Alle kandidaten worden onderling gerangschikt op één lijst van personen die worden voorgedragen;
  6. b)of door aanwerving;
  7. c)of door overplaatsing. Er kan worden afgeweken van de in dit artikel genoemde wijzen om in een vacante betrekking te voorzien als dit wordt bepaald in het instellingsspecifiek besluit. Art. V 3. Als de administratieve standplaats om dienstredenen niet samenvalt met de plaats waar de centrale administratie of de buitendienst gevestigd is, wordt die standplaats schriftelijk bepaald door de leidend ambtenaar. TITEL II. - De mutatie Art. V 4. Voor de toepassing van deze titel wordt onder mutatie verstaan, de overplaatsing van een ambtenaar naar een andere administratieve standplaats binnen de instelling, zonder dat er een verandering van graad of een verhoging in graad mee gepaard gaat en nadat er een algemene oproep tot de kandidaten gedaan werd. Art. V 5. Onverminderd de bepalingen van deze titel kan de leidend ambtenaar na advies van de directieraad en via een uitdrukkelijke motivering, de dienstaanwijzing en standplaatsbepaling wijzigen van personeelsleden van niveau B, C, D en E en van rang A1. Art. V 6. Op basis van het in artikel V 1 genoemde verslag maakt de leidend ambtenaar een lijst op van de betrekkingen van de aanwervingsgraden of van de hiërarchisch hogere graden die door mutatie kunnen worden opgevuld. Art. V 7. § 1. De betrekkingen die door mutatie opgevuld worden, worden door de benoemende overheid, na advies van de directieraad, vacant verklaard. § 2.De directieraad stelt de te volgen procedure bij mutatie vast. Art. V 8. § 1. De ambtenaar kan slechts een mutatie verkrijgen als hij : 1° geen « onvoldoende » voor zijn functioneringsevaluatie heeft;2° zich in de administratieve toestand « dienstactiviteit » bevindt;3° voldoet aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om dat ambt uit te oefenen. § 2. De beslissing tot mutatie houdt rekening met : 1° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat;2° de functioneringsevaluatie. Art. V 9. § 1. De mutatie naar betrekkingen van rang A2 wordt verleend door de benoemende overheid na advies van de leidend ambtenaar. § 2. De mutatie naar betrekkingen van rang A1 en van het niveau B, C, D en E wordt verleend door de benoemende overheid. Art. V 10. Er kan in het instellingsspecifieke besluit worden afgeweken van de bepalingen van deze titel. TITEL III. - De herplaatsing HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied Art. V 11. Op herplaatsing kunnen, overeenkomstig de bepalingen van deze titel, aanspraak maken : 1° de ambtenaar die door een terugzetting in graad, het vernietigen of het intrekken van een bevordering, het vacantverklaren van zijn betrekking tijdens een langdurig verlof, moet worden aangewezen voor een andere betrekking;2° de ambtenaar die door de arbeidsgeneeskundige dienst ongeschikt werd bevonden voor de uitoefening van zijn ambt, maar die opnieuw geplaatst kan worden in een andere functie die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, ongeacht of hij ziek was of het slachtoffer was van een arbeidsongeval of een beroepsziekte;3° de ambtenaar van niveau B, C, D of E die op gemotiveerd verzoek een verandering van graad vraagt om persoonlijke of functionele redenen. HOOFDSTUK II. - Nadere bepalingen inzake herplaatsing Art. V 12. Bij de herplaatsing worden de bijzondere eisen voor het bekleden van het ambt, de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat in acht genomen. Art. V 13. Een ambtenaar wordt herplaatst in een vacante betrekking in zijn graad of in een graad van dezelfde rang of, bij gebrek aan vacatures, in overtal op die graad. De ambtenaar behoudt hoe dan ook zijn graad en de daaraan verbonden salarisschaal. Art. V 14. De herplaatsing van de ambtenaar om medische redenen, in een andere functie die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand zoals bepaald in artikel V 11, 2°, gebeurt in een graad van zijn rang of in een lagere rang.

artikel V 13 heeft de herplaatsing om medische redenen de benoeming in de nieuwe graad tot gevolg en wordt de ambtenaar ingeschaald in de nieuwe salarisschaal overeenkomstig artikel XIII 19, §

  1. Wanneer de ambtenaar evenwel het slachtoffer was van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, behoudt hij overeenkomstig artikel V13 zijn graad en de daaraan verbonden salarisschaal. Art. V
  2. De ambtenaar, die wordt herplaatst op eigen verzoek, als bedoeld in artikel V 11, 3°, wordt in een vacante betrekking in een andere graad van dezelfde rang herplaatst.

artikel V 13 heeft die herplaatsing de benoeming in de nieuwe graad en de inschaling in de nieuwe salarisschaal tot gevolg. TITEL IV. - De overplaatsing Art. V

  1. Voor de toepassing van deze titel wordt onder overplaatsing verstaan : de overgang van een ambtenaar naar de instelling vanuit een andere Vlaamse openbare instelling, waarop het stambesluit VOI van toepassing is, zonder dat er een verandering van graad of een verhoging in graad mee gepaard gaat en nadat er een algemene oproep tot de kandidaten gedaan werd. Art. V
  2. De betrekkingen die bij wijze van overplaatsing opgevuld worden, worden door de benoemende overheid, na advies van de directieraad, vacant verklaard. Art. V
  3. §
  4. Het bericht dat een betrekking bij wijze van overplaatsing begeven kan worden, omvat de volgende gegevens over die betrekking : 1° de graad;2° een functieomschrijving;3° het gewenste profiel. §
  5. De vacature wordt bekendgemaakt via de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. §
  6. De kandidaatstelling is enkel geldig als ze voldoet aan de voorschriften van het vacaturebericht en per aangetekende brief wordt verzonden binnen dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de eerste werkdag na de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad. Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken en wordt ingediend met het modelformulier, als bijlage II gevoegd bij dit besluit. §
  7. De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een overplaatsing, stuurt een afschrift van zijn kandidaatstelling aan de leidend ambtenaar van de instelling waar hij is tewerkgesteld. Art. V
  8. §
  9. De ambtenaar kan enkel worden overgeplaatst als hij aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° hij is in dienst getreden via een vergelijkend wervingsexamen, georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat of door een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel of door de instelling;2° hij is titularis van de graad van de te verlenen betrekking;3° hij heeft geen "onvoldoende" voor zijn functioneringsevaluatie;4° hij bevindt zich in de administratieve toestand "dienstactiviteit" 5° hij voldoet aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om dat ambt uit te oefenen. §
  10. De beslissing tot overplaatsing houdt rekening met : 1° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat;2° de functioneringsevaluatie;3° het vereiste advies, bepaald in artikel V
  11. Art. V
  12. De overplaatsing naar een betrekking van rang A2 en lager wordt verleend door de benoemende overheden, na advies van de directieraad van de ontvangende instelling. Art. V
  13. De overgeplaatste ambtenaar krijgt na zijn overplaatsing nooit een lager salaris dan dat wat hij op het tijdstip van zijn overplaatsing ontving. Hij behoudt de graad-, niveau-, dienst- en schaalanciënniteit alsook de geldelijke anciënniteit die hij op het tijdstip van zijn overplaatsing genoot. Art. V
  14. Er kan worden afgeweken van de bepalingen van deze titel in het instellingsspecifiek besluit. DEEL VI. - DE AANWERVING TITEL I. - De toelatingsvoorwaarden Art. VI
  15. §
  16. Voor de toegang tot een ambt in de instelling gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden : 1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldoen;4° de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt. De Sociaal-Medische Rijksdienst controleert de vereiste lichamelijke geschiktheid. Het onderzoek wordt aangevraagd door de Vast Wervingssecretaris indien de aanwervingsprocedure via hem verloopt, of in het andere geval door de leidend ambtenaar. De kosten aangerekend door de Sociaal-Medische Rijksdienst aan de ambtenaar voor het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid worden gedragen door de instelling. §
  17. Voor ambten waarvoor de functiebeschrijving en het profiel bepalen dat zij een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden en voor ambten die werkzaamheden omvatten ter bescherming van de algemene belangen van de Vlaamse Gemeenschap komen alleen Belgen in aanmerking. TITEL II. - De aanwerving HOOFDSTUK I. - De aanwervingsvoorwaarden Art. VI
  18. §
  19. Alleen wie aan de volgende voorwaarden voldoet, kan als ambtenaar worden aangeworven : 1° in het bezit zijn van een diploma of studiegetuigschrift, dat overeenstemt met het niveau van de te verlenen graad volgens de tabel die als bijlage III bij dit besluit is gevoegd en behalve de uitzonderingen bepaald door de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel;2° slagen voor het vergelijkend aanwervingsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel. Houders van een diploma of getuigschrift dat toegang verleent tot een bepaald niveau, mogen zich niet inschrijven voor een wervingsexamen voor een lager niveau. De voorwaarde dat men geen hoger diploma of getuigschrift mag bezitten geldt niet voor : - de diploma's die behaald werden na de inschrijving voor het wervingsexamen; - de toegang tot de niveaus D en E, waarvoor bepaalde diploma's of getuigschriften wel in aanmerking worden genomen als dat wordt vereist in de functiebeschrijving of het examenreglement. §
  20. De Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel, stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden, onverminderd de toepassing van artikel VI 3 wat het bezit van het vereiste diploma betreft. Hij controleert die vereisten en voorwaarden, met uitzondering van de lichamelijke geschiktheid. Art. VI 3.

artikel VI 2, § 1, 1°, worden ook de laatstejaarsstudenten tot het vergelijkend aanwervingsexamen toegelaten. De aldus toegelaten kandidaten kunnen slechts tot de stage worden toegelaten vanaf de dag waarop zij aan de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd. Art. VI

  1. §
  2. In overeenstemming met de aard van het ambt en op basis van de functiebeschrijving en het competentieprofiel kunnen na overleg met de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel, de volgende bijzondere aanwervingsvoorwaarden opgelegd worden : 1° een minimumleeftijd;2° bijzondere eisen inzake beroepsbekwaamheid en/of lichamelijke geschiktheid;3° diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen onder die, welke zijn opgesomd in de tabel, gevoegd als bijlage III bij dit besluit, of bijzondere studie- of opleidingsdiploma's of getuigschriften. §
  3. De Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de bijzondere aanwervingsvoorwaarden. Hij controleert die vereisten en voorwaarden, met uitzondering van de bijzondere eisen inzake lichamelijke geschiktheid. HOOFDSTUK II. - De vergelijkende aanwervingsexamens Afdeling
  4. - Algemene bepalingen Art. VI
  5. De Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel organiseert de vergelijkende aanwervingsexamens op aanvraag van de leidend ambtenaar die hiertoe beslist binnen het door de raad van bestuur goedgekeurd aanwervingsplan. De Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel kondigt elk vergelijkend aanwervingsexamen ten minste aan in het Belgisch Staatsblad. Art. VI
  6. §
  7. De Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel bepaalt de modaliteiten van de vergelijkende aanwervingsexamens in overleg met de leidend ambtenaar. Onder modaliteiten wordt verstaan : 1° de vaststelling van het huishoudelijk reglement betreffende de organisatie van de examens en de bekendmaking ervan;2° de vaststelling van het examenreglement met de volgende bepalingen : a) de termijn waarbinnen de inschrijvingen kunnen worden aanvaard;b) het examenprogramma en de deelnemingsvoorwaarden alsook de datum waarop aan die voorwaarden moet worden voldaan;c) het aantal punten dat aan het volledig examen, aan ieder examengedeelte en eventueel aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend;d) het minimum aantal punten dat voor het volledige examen, voor ieder examengedeelte en eventueel voor de onderverdelingen ervan wordt vereist;1° de aanwijzing van de leden van de examencommissies;2° de bepaling van datum en plaats van het examen;3° de vaststelling van de lijst van de kandidaten;4° de oproeping van de kandidaten;5° het opmaken van het proces-verbaal dat de rangschikking van de geslaagden vaststelt;6° de kennisgeving aan de kandidaten van het behaalde resultaat. §
  8. De Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel bepaalt de samenstelling van de examencommissies. Art. VI
  9. §
  10. De vergelijkende aanwervingsexamens worden georganiseerd voor benoeming in de graden van de laagste rang van elk niveau en eventueel in de graden van de andere rangen, die als bijlage V bij dit besluit zijn gevoegd. § 2.

artikel VI 2, § 1, 1°, mogen bij aanwerving in rang A2 de ambtenaren van de instelling van de onmiddellijk lagere rang meedingen als geen specifiek universitair diploma vereist wordt en op voorwaarde dat zij voldoen aan de andere gestelde voorwaarden. Afdeling

  1. - Het programma Art. VI
  2. De leidend ambtenaar stelt de programma's van de vergelijkende aanwervingsexamens vast na overleg met de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel. De programma's toetsen de vereiste geschiktheid van de kandidaten voor de te verlenen functie. Voor een zelfde graad kunnen het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen en dat van het vergelijkende examen voor overgang naar het andere niveau verschillend zijn. Art. VI
  3. De vergelijkende aanwervingsexamens bestaan uit drie gedeelten : 1° een gedeelte dat tot doel heeft de basisvaardigheden voor het uitoefenen van de te verlenen graad te evalueren;2° een gedeelte dat tot doel heeft de vaardigheden tot schriftelijke communicatie te evalueren;3° een gedeelte bestaande uit een interview dat tot doel heeft na te gaan of het profiel van de kandidaat overeenstemt met de specifieke vereisten van de functie. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor de reeds georganiseerde gedeelten kunnen tot het volgende gedeelte worden toegelaten. Als de aard van de functies het wettigt, kan de leidend ambtenaar in overleg met de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel het vergelijkend aanwervingsexamen beperken tot één of twee gedeelten. Art. VI
  4. De Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel bepaalt de duur en de volgorde van de verschillende examengedeelten. Een mondeling examengedeelte wordt afgenomen in aanwezigheid van ten minste twee bijzitters. Art. VI
  5. Iedere gegadigde die voor een vergelijkend aanwervingsexamen inschrijft, ontvangt op aanvraag het reglement. Afdeling
  6. - Bijzondere bepalingen Art. VI
  7. De leidend ambtenaar kan, rekening houdend met de aanwervingsvooruitzichten gedurende de geldigheidstermijn van het examen, het maximale aantal kandidaten bepalen dat : - tot een volgend examengedeelte wordt toegelaten; - als geslaagd voor het volledig examen aanvaard kan worden. Die bepaling wordt opgenomen in het examenreglement. Dit maximum wordt verminderd indien niet voldoende kandidaten het vastgestelde minimum aantal punten hebben behaald. Het wordt verhoogd indien voor de laatste plaats meerdere kandidaten een gelijk aantal punten hebben behaald. Art. VI
  8. §
  9. Indien de mogelijkheid in het examenreglement is voorzien, kan de leidend ambtenaar na het afsluiten van de inschrijvingen, wanneer hij oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten dat rechtvaardigt, aan het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen een voorselectie toevoegen. §
  10. De examencommissie stelt op basis van de uitslagen van de voorselectie het aantal kandidaten vast dat tot het vergelijkend aanwervingsexamen kan worden toegelaten. §
  11. Voor de rangschikking van de geslaagden voor het vergelijkend aanwervingsexamen wordt geen rekening gehouden met het resultaat van de voorselectie. Art. VI
  12. De Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel stelt in het proces-verbaal van het examen de lijst van de geslaagden vast met vermelding van hun rangschikking. De eindrangschikking van het volledig examen wordt opgemaakt volgens het totale aantal behaalde punten. De geldigheidsduur van het examen begint te lopen vanaf de datum waarop het proces-verbaal voor het volledige examen wordt afgesloten. De Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel publiceert de uitslag van het vergelijkend aanwervingsexamen in het Belgisch Staatsblad. Art. VI
  13. §
  14. De leidend ambtenaar kan beslissen dat de geslaagde kandidaten worden gerangschikt volgens hun uitslag in het eerst georganiseerde deel van het examen, voor zover dat in het examenreglement is vastgesteld. §
  15. Voor het tweede deel worden de geslaagden voor het eerste gedeelte, in de volgorde van hun rangschikking, opgedeeld in groepen. Het tweede deel wordt dan per groep afgenomen. De geslaagden behouden voor dit deel de rangschikking die zij hebben behaald voor het eerste deel. Alleen de kandidaten die slagen voor de eerste twee delen worden in de aanwervingsreserve opgenomen. §
  16. Een derde deel wordt georganiseerd als een aanwervingsaanvraag vergezeld is van een functiebeschrijving. De betrekkingen met functiebeschrijving worden uitsluitend toegekend aan de kandidaten die na het derde gedeelte door de examencommissie aanvaard worden. Ze worden aangeworven in de volgorde van de rangschikking die ze in het eerste deel hebben gekregen. Wie niet aanvaard wordt, blijft in de wervingsreserve, genoemd in §
  17. §
  18. Na elk examengedeelte wordt een proces-verbaal opgemaakt. De geldigheidsduur van het examen begint te lopen vanaf de datum waarop het proces-verbaal van het eerste gedeelte wordt afgesloten. Art. VI
  19. Als voor een bepaalde betrekking bijzondere vereisten worden gesteld, kunnen de kandidaten, die in een bestaande reserve zijn opgenomen, onderworpen worden aan een extra selectietest. De geslaagden voor die extra test worden voor deze betrekking opgenomen in een afzonderlijke rangschikking, in de volgorde van de punten, die ze hebben behaald. Art. VI
  20. Wanneer vergelijkende aanwervingsexamens georganiseerd worden voor graden van eenzelfde rang of van verschillende rangen volgens geheel of gedeeltelijk gelijke examenprogramma's, kan de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel een aanwervingsexamen organiseren dat bestaat uit een gemeenschappelijk gedeelte en uit afzonderlijke gedeelten voor elk van de betrokken graden. Als het programma hetzelfde is voor verschillende graden wordt er slechts één rangschikking opgesteld. Art. VI
  21. Als de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel in de loop van een examen vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan één van de voorwaarden om tot een vacante betrekking te worden toegelaten, sluit hij hem uit van het examen en deelt hem zijn gemotiveerde beslissing mee. Art. VI
  22. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend aanwervingsexamen vergewist de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel zich ervan dat de geslaagden aan de gestelde vereisten voldoen. Wie voldoet, wordt door hem toegelaten verklaard. Als hij van oordeel is dat een nader onderzoek moet uitmaken of een kandidaat al dan niet een gedrag heeft dat in overeenstemming is met de eisen van de te verlenen betrekking, wordt de kandidaat hiervan op de hoogte gebracht en voorlopig uitgesloten. Art. VI
  23. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend examen worden de geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de orde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de graad waarnaar zij hebben meegedongen. De geslaagden die voorlopig werden geweerd maar naderhand aan de gestelde eisen blijken te voldoen, worden tot de stage toegelaten in de graad waarvoor zij hebben meegedongen. Wie aan die eisen niet voldoet, wordt uitgesloten. Er kan worden afgeweken van de bepalingen van het eerste lid voor de aanwerving van een geneesheer in het instellingsspecifiek besluit van de in artikel I 1, 6°, vermelde instellingen. Art. VI
  24. De toelaatbaar verklaarde geslaagde mag zijn voorkeur voor een bepaalde dienstaanwijzing bekend maken. Met zijn voorkeur wordt volgens de volgorde van zijn rangschikking rekening gehouden. Wie zijn voorkeur voor één of meer betrekkingen laat kennen, verbindt er zich toe de betrekking die hem wordt toegewezen te aanvaarden. Als hij daarna weigert in dienst te treden, wordt hij van de lijst, genoemd in artikel VI 14, eerste lid, geschrapt. Wie om persoonlijke redenen uitstel van keuze vraagt, verliest het voordeel van zijn plaats in de rangschikking. Na het intrekken van zijn uitstel neemt hij zijn oorspronkelijke plaats in de rangschikking opnieuw in. Art. VI
  25. De geslaagden voor een vergelijkend aanwervingsexamen behouden het voordeel van hun uitslag gedurende vier jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het vergelijkend examen, tenzij de leidend ambtenaar een langere termijn bepaalt. Een kortere geldigheidsduur wordt vastgesteld in het examenreglement. De geldigheidsduur van de wervingsreserve kan om dienstredenen worden verlengd. Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende aanwervingsexamens, wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal het vroegst is afgesloten. TITEL III. - De aanwerving van personen met een handicap Art. VI
  26. Deze titel stelt de bepalingen inzake aanwerving vast die

het statuut van de ambtenaar worden vastgesteld om de aanwerving van personen met een handicap bij de instelling te bevorderen. Het is van toepassing op personen met een handicap die ingeschreven zijn bij het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap, hierna het VFSIPH te noemen. Art. VI

  1. §
  2. De personen met een handicap, die op basis van artikel VI 23 kunnen worden aangeworven, moeten voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden van de ambtenaar. Evenwel worden bij de organisatie van het vergelijkend aanwervingsexamen in overleg met de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel, de hinderpalen verbonden aan de handicap, zoveel mogelijk weggewerkt worden door het aanbieden van aangepaste faciliteiten. § 2.

§ 1

, eerste lid, wordt de persoon met een handicap, die in aanmerking komt voor een betrekking van niveau D of E, vrijgesteld van het vergelijkend aanwervingsexamen. Art. VI

  1. Het contingent personen met een handicap dat prioritair en op basis van de vacatures, binnen de niveaus D en E werk krijgt, bedraagt 2 procent van het aantal betrekkingen van niveau D en E op de personeelsformatie. Art. VI
  2. §
  3. Zolang het contingent niet bereikt is, onderzoekt de leidend ambtenaar in overleg met het VFSIPH en het Vast Wervingssecretariaat of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel, en op basis van de functiebeschrijving van de vacature en de profielvereisten van de kandidaat, welke personen met een handicap in aanmerking komen voor de vacatures. §
  4. De namen van de geselecteerde personen met een handicap worden samen met een gemotiveerd verslag voor beslissing aan de leidend ambtenaar voorgelegd. TITEL IV. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de aanwerving van de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal Art. VI
  5. Alleen wie aan de volgende voorwaarden voldoet, kan als administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal worden aangeworven : 1° de in artikel VI 1 bepaalde toelatingsvoorwaarden vervullen.

§ 1

, laatste lid, van dit artikel wordt het onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid aangevraagd door de raad van bestuur bij de aanwerving van de administrateur-generaal en door de leidend ambtenaar bij de aanwerving van de adjunct-administrateur-generaal. 2° aan de hiernavolgende bijzondere aanwervingsvoorwaarden voldoen :

  1. a)in het bezit zijn van een diploma dat toegang verleent tot niveau A volgens de tabel, die als bijlage III bij dit besluit is gevoegd;
  2. b)slagen voor een test waarbij wordt nagegaan of de kandidaat over voldoende leidinggevende capaciteiten beschikt.Die test wordt afgenomen door het Vast Wervingssecretariaat of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel. Naast de bovengenoemde voorwaarden kan de benoemende overheid extra aanwervingsvoorwaarden bepalen. Art. VI 28. § 1. De betrekkingen van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal worden door de benoemende overheid vacant verklaard. § 2. De vacature wordt via de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 3. Het vacaturebericht bevat de volgende gegevens over de te verlenen betrekkingen : 1° de toelatings- en aanwervingsvoorwaarden;2° een functiebeschrijving;3° het gewenste profiel;4° de salarisschalen;5° de termijn en de voorwaarden voor het indienen van de kandidaatstelling, overeenkomstig de bepalingen van § 4 en in voorkomend geval de voor te leggen stukken. § 4. De kandidaatstelling is enkel geldig als ze voldoet beantwoorden aan de voorschriften van het vacaturebericht en per aangetekende brief wordt ingediend binnen dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de eerste werkdag na de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad. Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken. Art. VI 29. Deze titel is niet van toepassing op Export Vlaanderen. TITEL V. - Overgangsbepaling Art. VI 30. Artikel VI 2, § 1, tweede lid, dat bepaalt dat een kandidaat die zich voor een wervingsexamen inschrijft geen hoger diploma of getuigschrift mag bezitten dan wat vereist wordt voor het niveau van de vacante betrekking, geldt niet voor de geslaagden van de wervingsexamens die werden aangevangen voor 8 juni 1998. DEEL VII. - DE STAGE EN DE BENOEMING TOT AMBTENAAR TITEL I. - De stage HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. VII 1. Wie voor een vergelijkend aanwervingsexamen is geslaagd, wordt door de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel, na controle van de toelatings- en aanwervingsvoorwaarden, toegelaten verklaard in de orde van zijn rangschikking. Art. VII 2. De leidend ambtenaar : 1° laat de toelaatbaar verklaarde geslaagde voor een vergelijkend aanwervingsexamen tot de stage toe in de instelling;2° laat de geslaagde voor een vergelijkend examen voor overgang naar het andere niveau tot de stage toe in de instelling in de orde van zijn rangschikking. De stagiair wordt geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. De leidend ambtenaar geeft de stagiair een voorlopige dienstaanwijzing. Art. VII 3. De geslaagde voor een vergelijkend aanwervingsexamen mag al tot de stage toegelaten worden voor zijn lichamelijke geschiktheid is gecontroleerd. Als hij nadien niet voldoet aan deze vereiste, wordt hij ambtshalve ontslagen. Uiterlijk op de datum van dat ontslag van ambtswege wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten. Die duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Als hij op de datum waarop die overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of als hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een salaris uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode die nodig is om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen. HOOFDSTUK II. - Nadere bepalingen Art. VII 4. Het personeelslid dat geslaagd is voor een vergelijkend aanwervingsexamen wordt uiterlijk op de eerste dag van de derde maand volgend op die waarin de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel de geslaagden beschikbaar voor de instelling heeft gesteld, uitgenodigd om in dienst te treden. Hij wordt aangewezen voor een vacante betrekking op de personeelsformatie. Als het personeelslid een opzeggingsperiode moet volbrengen met toepassing van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt. Voorzover er vacante betrekkingen zijn en voorzover de benoemende overheid heeft gekozen voor bevordering van geslaagden voor een vergelijkend overgangsexamen, wordt het personeelslid dat geslaagd is voor een vergelijkend overgangsexamen en zich kandidaat heeft gesteld voor een vacante betrekking, tot de stage toegelaten met ingang van de eerste van de tweede maand, volgend op de datum van oproep voor kandidaatstelling. Art. VII 5. De stage van de stagiair verloopt onder leiding van de leidend ambtenaar. Art. VII 6. De leidend ambtenaar kan de dienstaanwijzing tijdens de stage wijzigen. Art. VII 7. Als de stagiair tot de stage wordt toegelaten, legt hij de eed af in handen van de leidend ambtenaar. Art. VII 8. De eed luidt als volgt : "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk. » Art. VII 9. Als de stagiair weigert de voormelde eed af te leggen, is zijn aanstelling als stagiair van rechtswege nietig. HOOFDSTUK III. - Duur van de stage Art. VII 10. De duur van de stage bedraagt : 1° in niveau A : 12 maanden;2° in niveau B : 9 maanden;3° in niveau C : 6 maanden;4° in niveau D : 4 maanden;5° in niveau E : 4 maanden. Art. VII 11. § 1. Om de duur van de verrichte stage te berekenen worden alle perioden waarin de stagiair in actieve dienst is in aanmerking genomen. § 2. De stagiair beschikt over een bonus aan werkdagen afwezigheid waar geen rekening mee wordt gehouden bij de berekening van de duur van de stage. Die bonus bedraagt, afhankelijk van de stageduur : 1° voor een stage van 12 maanden : 25 werkdagen;2° voor een stage van 9 maanden : 20 werkdagen;3° voor een stage van 6 maanden : 15 werkdagen;4° voor een stage van 4 maanden : 10 werkdagen. Die bonus kan in een keer of gefractioneerd gebruikt worden. In die bonus aan werkdagen wordt geen rekening gehouden met de jaarlijkse vakantie. § 3. Als het aantal dagen afwezigheid meer bedraagt dan de in § 2 vermelde bonus, wordt de stage opgeschort, ook als de afwezigheid met dienstactiviteit gelijkgesteld wordt. § 4. Tijdens het opschorten van de stage behoudt de stagiair zijn hoedanigheid van stagiair. Zijn administratieve toestand wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die op hem van toepassing zijn tijdens zijn afwezigheid. § 5. Tijdens de periode waarin de einddatum van de stage overschreden wordt, behoudt de stagiair zijn hoedanigheid van stagiair. HOOFDSTUK IV. - Programma Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. VII 12. De leidend ambtenaar organiseert de ontvangst voor de stagiairs van alle niveaus; hij bepaalt de inhoud en de nadere bepalingen van de ontvangst. Art. VII 13. De vormingsactiviteiten, die de stagiair moet volgen, bestaan uit een verplicht en uit een vrij gedeelte. De verplichte en de vrije activiteiten samen mogen maximaal één vierde van de stageduur in beslag nemen. Afdeling 2. - Stage niveau A Art. VII 14. De leidend ambtenaar stelt het programma van het verplichte vormingsgedeelte voor de stagiair van niveau A vast. Art. VII 15. De leidend ambtenaar keurt het vrije vormingsgedeelte voor de stagiair van niveau A goed na advies van het afdelingshoofd. Afdeling 3. - Stage niveau B, C, D en E Art. VII 16. De leidend ambtenaar stelt het programma van het verplichte vormingsgedeelte voor de stagiair van niveau B, C, D en E vast. HOOFDSTUK V. - Evaluatie van de stagiair Afdeling 1. - Evaluatiecriteria Art. VII 17. Behoudens andersluidende instellingsspecifieke bepalingen wordt elke stagiair begeleid door een ambtenaar van zijn afdeling. Art. VII 18. Tijdens de stage wordt de stagiair gevolgd en tussentijds geëvalueerd volgens de nadere regelen, vastgesteld door de leidend ambtenaar. Op het einde van de stage maken de begeleidingsambtenaar, het afdelingshoofd en de leidend ambtenaar, na een gesprek met de stagiair, een samenvattend eindverslag op. Het eindverslag wordt opgemaakt binnen dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de einddatum van de stage, zo niet wordt ervan uitgegaan dat de stage met goed gevolg is afgelegd. Dit eindverslag wordt toegestuurd aan de benoemende overheid. Een afwijking van de bepalingen van het tweede lid van dit artikel kan worden bepaald in het instellingsspecifiek besluit van het permanent secretariaat van de Vlaamse Onderwijsraad. Art. VII 19. Ieder verslag wordt onverwijld ter kennisgeving aan de stagiair toegestuurd die het viseert en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Het wordt in zijn persoonlijk dossier opgenomen. Afdeling 2. - Ongeschiktheid van de stagiair Art. VII 20. Indien het eindverslag niet gunstig is, betekent de benoemende overheid aan de stagiair een gemotiveerd voorstel naargelang het geval tot afdanking of tot terugplaatsing in de vorige graad en betrekking. Art. VII 21. De stagiair kan tegen het voorstel tot negatieve evaluatie van de stage dat afdanking of terugplaatsing omvat beroep aantekenen bij de raad van beroep. Art. VII 22. De stagiair moet beroep instellen per aangetekende brief binnen vijftien kalenderdagen nadat het voorstel tot afdanking of terugplaatsing in de vorige graad en betrekking hem meegedeeld werd. Art. VII 23. De raad van beroep brengt binnen dertig kalenderdagen nadat de zaak aanhangig gemaakt werd een met redenen omkleed advies uit bij de benoemende overheid. Als de raad verzuimt het in het eerste lid bepaalde te respecteren, behandelt men het beroep alsof er een gunstig advies werd gegeven. Art. VII 24. De benoemende overheid beslist binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad. Als de raad van bestuur de benoemende overheid is, wordt de beslissing genomen binnen 30 kalenderdagen. De voormelde termijnen worden opgeschort in de maand augustus. Art. VII 25. Met ingang van de eerste werkdag die volgt op het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep of op de beslissing tot afdanking of terugplaatsing door de benoemende overheid, wordt hetzij met de stagiair een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden afgesloten die overeenstemt met een opzeggingstermijn van dezelfde duur of wordt de stagiair ambtshalve teruggeplaatst in zijn vorige graad en betrekking. In geval van afdanking en voorzover aan de voorwaarden van de desbetreffende reglementering is voldaan, stort de instelling bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de werkgevers- en werknemersbijdragen die verschuldigd zijn voor opname van de stagiair in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering- sector uitkeringen- en de moederschapsverzekering. Art. VII 26. § 1. Voor elke zware fout, die de stagiair tijdens zijn stage begaat, kan hij zonder opzegging worden afgedankt. Van het bestaan van een zware fout moet aan de stagiair kennis gegeven worden door een hiërarchische meerdere van niveau A, binnen drie werkdagen nadat deze hiërarchische meerdere de feiten heeft vastgesteld of door een derde van de feiten op de hoogte is gebracht. Deze laatste hoort, samen met de benoemende overheid, de stagiair binnen de in het tweede lid vermelde termijn. De stagiair kan zich hierbij laten bijstaan door een raadgever. Van de verklaring van de stagiair wordt een verslag gemaakt. Behoudens in geval van aanmaning, motiveert de benoemende overheid binnen drie werkdagen na het horen van de stagiair, bij aangetekende brief het ontslag om dringende redenen. § 2. De benoemende overheid spreekt de afdanking uit. TITEL II. - De benoeming tot ambtenaar Art. VII 27. § 1. Alleen wie aan de volgende voorwaarden voldoet, kan tot ambtenaar worden benoemd : 1° de toelatingsvoorwaarden vervullen en aan de aanwervingsvoorwaarden voldoen, die voor de te verlenen betrekking zijn vastgelegd;2° met goed gevolg de stage volbracht hebben;3° lichamelijk geschikt bevonden zijn. § 2.

§ 1

kan de stagiair van wie de lichamelijke geschiktheid niet met zekerheid beoordeeld kon worden tijdens de stage, onder voorbehoud benoemd worden. De totale duur van benoeming onder voorbehoud kan niet langer dan vijf jaar duren, te rekenen vanaf de datum van het eerste geneeskundige onderzoek. Gedurende die periode van vijf jaar is de regeling inzake de lichamelijke ongeschiktheidsverklaring tijdens de stage, genoemd in artikel VII 3 van toepassing. § 3.

§ 1

, 2°, doorlopen de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal geen stage. Art. VII 28. De bevoegde overheid benoemt de stagiair tot ambtenaar in de graad waarin hij tot de stage toegelaten werd op basis van het eindverslag, genoemd in artikel VII 18, tweede lid of na advies van de raad van beroep. Art. VII 29. Voor de berekening van de administratieve anciënniteiten wordt uitgegaan van de dag waarop de stagiair zijn stage is begonnen. Art. VII 30. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar leggen de eed, vermeld in artikel VII 8 af in handen van de minister. Art. VII 31. Als de leidend ambtenaar of de adjunct-leidend ambtenaar weigeren de eed af te leggen, is hun benoeming van rechtswege nietig. DEEL VIII. - DE ADMINISTRATIEVE LOOPBAAN TITEL I. - De personeelsformatie en de hiërarchie van de graden Art. VIII 1. De personeelsformatie is de lijst van het aantal betrekkingen dat de instelling nodig heeft om de permanente taken die voortvloeien uit haar opdrachten uit te voeren. Art. VIII 2. § 1. De personeelsformatie stelt het aantal betrekkingen vast per niveau en per rang, alsook de overeenkomstige graadbenamingen. Ze wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2. Er wordt voor de instelling een organogram opgemaakt door de directieraad, waarover overleg gepleegd wordt in het bevoegde overlegcomité, overeenkomstig de toepasselijke federale regelgeving. De raad van bestuur bekrachtigt het organogram. Art. VIII 3. De hiërarchie van de graden omvat vijf niveaus en twaalf rangen. Art. VIII 4. De vijf niveaus, die overeenstemmen met het ernaast vermelde vereiste onderwijsniveau zijn : 1° niveau A : universitair onderwijs en hoger onderwijs van twee cycli, gelijkgesteld met universitair niveau;2° niveau B : hoger onderwijs van één cyclus of daarmee gelijkgesteld onderwijs;3° niveau C : secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld onderwijs;4° niveau D : geen diploma;5° niveau E : geen diploma. De lijst van diploma's die toegang geven tot de verschillende niveaus, zijn vermeld in bijlage III, gevoegd bij dit besluit. Art. VIII 5. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad binnen zijn niveau. Elke rang wordt aangeduid met een letter en een cijfer. De letter geeft het niveau aan, het cijfer situeert de rang in zijn niveau. De vijf niveaus omvatten het volgende aantal rangen : 1° niveau A : vijf rangen, genummerd A1, A2, A2A, A2L en A3;2° niveau B : twee rangen, genummerd B1 en B2;3° niveau C : twee rangen, genummerd C1 en C2;4° niveau D : twee rangen, genummerd D1 en D2;5° niveau E : één rang, genummerd als E1. Binnen elk niveau worden de rangen genummerd volgens hun plaats in de hiërarchie, waarbij de hoogste rang het hoogste cijfer toegewezen krijgt. Binnen niveau A is de rang A2A hoger dan de rang A2 en lager dan de rang A2L en is de rang A2L hoger dan de rang A2A en lager dan de rang A3. Art. VIII 6. De graad is de titel die de ambtenaar situeert in een rang en hem machtigt tot het uitoefenen van een betrekking die met die graad overeenstemt. Art. VIII 7. De graden worden over de verschillende niveaus en rangen verdeeld overeenkomstig de bijlage IV, gevoegd bij dit besluit. Onverminderd bijlage IV, stelt de Vlaamse regering de verdeling vast over de verschillende niveaus en rangen van de overige graden, waarvan de ambtenaren van de instelling titularis kunnen zijn. TITEL II. - De functioneringsevaluatie HOOFDSTUK I. - Definities en toepassingsgebied Art. VIII 8. § 1. Voor de toepassing van deze titel en van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de functioneringsevaluatie : het beoordelen van het functioneren van de functiehouder in de huidige functie ten opzichte van vooraf bepaalde verwachtingen. In het begin van de evaluatieperiode worden de verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren bepaald (de planning). Na afloop van de evaluatieperiode worden de resultaten en het functioneren beoordeeld ten opzichte van die verwachtingen (de vaststelling van de evaluatie); 2° de functiebeschrijving : de beschrijving van een aantal relatief permanente aspecten van een functie zoals het doel van de functie, de resultaatgebieden en de functioneringscriteria. De resultaatgebieden expliciteren op welke domeinen welke resultaten verwacht worden in de functie (het 'wat'). De functioneringscriteria zijn de criteria die bepalend zijn voor het goed uitoefenen van een functie (het 'hoe'). De onderscheiden criteria worden opgenomen in een algemene lijst, die als bijlage bij het instellingsspecifieke besluit wordt gevoegd. 3° de hiërarchische meerdere :

  1. a)de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar of ambtenaren en de afdelingshoofden ten overstaan van de personeelsleden, die onder hun gezag staan;
  2. b)de ambtenaar die het afdelingshoofd of de adjunct-leidend ambtenaar of ambtenaren, of als die er niet zijn, de leidend ambtenaar heeft aangewezen, om gezag uit te oefenen over personeelsleden van een lagere rang of in uitzonderlijke gevallen, van dezelfde rang. Als een ambtenaar wordt aangewezen als hiërarchische meerdere over personeelsleden van dezelfde rang, dan moet die aanwijzing gemotiveerd worden en ter bekrachtiging aan de directieraad worden voorgelegd. De onmiddellijke hiërarchische meerdere is de hiërarchische meerdere die het dichtst in rang staat tot het onder zijn gezag staand personeel. Hij treedt op als eerste evaluator. § 2. De functioneringsevaluatie is verplicht voor elke ambtenaar die tijdens het evaluatiejaar minimum drie maanden in actieve dienst is geweest. HOOFDSTUK II. - Inhoud van de functioneringsevaluatie Art. VIII 9. § 1. Alle ambtenaren die met functioneringsevaluatie belast zijn, moeten een opleiding tot evaluator volgen. Alleen de functioneringsevaluaties van ambtenaren die deze opleiding hebben gevolgd, zijn geldig. § 2. De evaluatoren worden geëvalueerd op de kwaliteit van de functioneringsevaluaties die zij opmaken. § 3. In het begin van elke evaluatieperiode bespreekt de geëvalueerde met een evaluator de concrete verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren. De formele vaststelling door de evaluatoren in onderlinge overeenstemming, van deze verwachtingen qua resultaten en functioneren dient ook schriftelijk aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. Bij deze planning van de prestaties vertrekken de evaluatoren en de geëvalueerde van alle beschikbare informatie over de functie, zoals onder meer de resultaatgebieden en de functioneringscriteria, de resultaten van voorbije evaluaties en de doelstellingen van de entiteit. De geëvalueerde krijgt inzage in de functiebeschrijving en de doelstellingen van de eerste evaluator. § 4. Ingevolge onvoorziene wijzigingen in de doelstellingen of de organisatie van de werkzaamheden kunnen de verwachtingen over resultaten en functioneren van de geëvalueerde aangepast worden. Die aanpassing dient op dezelfde zorgvuldige manier te worden besproken en toegelicht als bij het begin van de evaluatieperiode. Ze dient ook schriftelijk aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. Die aanpassing wordt meegedeeld aan de instanties, die voor het individueel personeelsbeheer bevoegd zijn. § 5. Na afloop van elke evaluatieperiode wordt de geëvalueerde uitgenodigd voor een evaluatiegesprek. Tijdens dat evaluatiegesprek geeft de geëvalueerde ook zijn eigen visie weer op zijn functioneren tijdens de evaluatieperiode. Het evaluatiegesprek wordt gevoerd tussen de geëvalueerde en één evaluator. Op verzoek van de geëvalueerde of één van zijn evaluatoren, wordt het evaluatiegesprek met de twee evaluatoren gevoerd. Indien de ambtenaar van niveau D of E hierom schriftelijk vraagt, wordt het evaluatiegesprek tevens gevoerd in aanwezigheid van een waarnemer van zijn keuze. § 6. Na het evaluatiegesprek stellen de evaluatoren het definitieve beschrijvende evaluatieverslag op. Het beschrijvend evaluatieverslag omvat geen samenvattende waardering of einduitspraak over de geëvalueerde, behalve als de evaluatoren oordelen dat hij de vermelding "onvoldoende" verdient. De geëvalueerde kan zijn opmerkingen toevoegen aan het evaluatieverslag. HOOFDSTUK III. - Het evaluatiedossier Art. VIII 10. Over elke ambtenaar wordt jaarlijks een individueel evaluatiedossier aangelegd. Het bevat : 1° de functiebeschrijving als relatief permanente basis;2° de beschrijving van de verwachtingen over resultaten en functioneren in de evaluatieperiode, zoals geformuleerd in het begin van deze periode, of gedurende deze periode, als bedoeld in artikel VIII 9, § 4;3° de persoonlijke nota's, genoemd in artikel VIII 13 en de opmerkingen die de ambtenaar erbij heeft geformuleerd;4° de uitslagen die de betrokken ambtenaar tijdens dat jaar heeft behaald in de loopbaanexamens;5° de definitieve beschrijvende evaluatieverslagen en de bijlagen, genoemd in artikel VIII 23, § 1;6° de beslissingen in beroep, genoemd in artikel VIII 24 en VIII 25;7° de staat van tuchtstraffen, uitgesproken in het evaluatiejaar als bedoeld in artikel IX 26. Het evaluatiedossier is ter beschikking van alle instanties die voor het individuele personeelsbeheer bevoegd zijn. Art. VIII 11. Geen enkel document kan in het evaluatiedossier worden opgenomen zonder dat de belanghebbende ambtenaar voor kennisneming heeft getekend. Art. VIII 12. De ambtenaar kan op elk ogenblik kennis nemen van zijn evaluatiedossier. Art. VIII 13. De persoonlijke nota's, genoemd in artikel VIII 10, 3°, handelen over de behaalde resultaten en/of over het functioneren. Ze handelen eventueel over gebeurtenissen of gedragingen buiten de dienst die de ambtsuitoefening kunnen beïnvloeden of in het gedrang brengen. Die persoonlijke nota's bevatten een nauwkeurig relaas van gunstige of ongunstige feiten die als evaluatiegrond kunnen dienen. Telkens als de evaluatoren dat nodig achten, of op gemotiveerd verzoek van de belanghebbende ambtenaar, stellen zij een persoonlijke nota op over feiten die hoogstens één maand voor de ondertekening van de nota plaatshadden. Een persoonlijke nota wordt eveneens opgemaakt telkens als de ambtenaar gedurende een bepaalde periode die door de evaluatoren als voldoende significant wordt geacht, ter beschikking wordt gesteld voor een project. De projectleider is verantwoordelijk voor het opstellen van de persoonlijke nota. Elke persoonlijke nota wordt onmiddellijk aan de belanghebbende ambtenaar voorgelegd. Hij viseert het document, krijgt er een afschrift van en beschikt over vijftien kalenderdagen om zijn eventuele opmerkingen te formuleren. Als de ambtenaar opmerkingen formuleert, dan worden die aan de nota toegevoegd en opgenomen in het evaluatiedossier. HOOFDSTUK IV. - De evaluatieperiode Art. VIII 14. De functioneringsevaluatie wordt jaarlijks uitgevoerd. Voor elke ambtenaar loopt het evaluatiejaar van 1 januari tot en met 31 december. De ambtenaar die maar een deel van dat jaar in dienst is, wordt geëvalueerd voor de duur van die periode. De stagiair die in de loop van het jaar benoemd wordt tot ambtenaar, wordt geëvalueerd voor de periode vanaf de vaste benoeming tot het einde van het jaar. Het voeren van evaluatiegesprekken en het schrijven van evaluatieverslagen, tijdens het eerste kwartaal van een jaar, worden beschouwd als activiteiten van het voorbije evaluatiejaar. Art. VIII 15. § 1. De evaluatie over het afgelopen evaluatiejaar heeft plaats in januari en februari van het volgende jaar. Het beschrijvend evaluatieverslag dient uiterlijk op 15 maart aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. De planning voor het nieuwe evaluatiejaar moet eveneens op dat tijdstip zijn afgerond. § 2. De evaluatie gaat door ook indien tijdens de maanden januari en februari : 1° de geëvalueerde niet beschikbaar is;2° de te bevragen ambtenaren, leden van de raad van bestuur of de minister bedoeld in artikel VIII 17 niet bereikbaar zijn. HOOFDSTUK V. - De instanties die bevoegd zijn voor het opmaken van evaluaties en persoonlijke nota's Art. VIII 16. Alle ambtenaren van rang A2 en lager, met uitzondering van het staflid, worden geëvalueerd door minstens twee hiërarchische meerderen. De evaluatoren behoren tot minstens twee verschillende rangen. Art. VIII 17. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtena(a)r(
  3. en)worden geëvalueerd door de benoemende overheid op basis van een verslag van een externe evaluatie-instantie die door die overheid is aangesteld. Ter voorbereiding van dat verslag bevraagt deze externe evaluatie-instantie, de minister en de raad van bestuur. Daarnaast bevraagt de externe evaluatie-instantie de adjunct-leidend ambtenaar of ambtenaren en de afdelingshoofden voor de evaluatie van de leidend ambtenaar. De adjunct-leidend ambtenaar of ambtenaren, die belast zijn met de leiding van een afdeling worden geëvalueerd op hun functie van adjunct-leidend ambtenaar en hun functie van afdelingshoofd. In het instellingsspecifiek besluit kan de bevraging worden geregeld voor de evaluatie van de adjunct-leidend ambtenaar of ambtenaren. Enkel als de benoemende overheid niet de Vlaamse regering is, kan er worden afgeweken van de vereiste opgelegd in het eerste lid dat er een verslag moet worden opgesteld. Art. VIII 18. Behoudens andersluidende instellingsspecifieke bepalingen worden het afdelingshoofd en het staflid geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar of ambtenaren. Art. VIII 19. Behalve in de gevallen, genoemd in artikel VIII 20 worden de ambtenaren van rang A2, met uitzondering van het staflid, alsook de ambtenaren van rang A1, niveau B, C, D en E geëvalueerd door minstens twee evaluatoren die voldoen aan de voorwaarden van artikel VIII 16. Art. VIII 20. § 1. De ambtenaar met verlof voor opdracht als bedoeld in Deel XI, titel VIII, behoudt de functioneringsevaluatie die hij het laatst in de instelling heeft gekregen vóór zijn opdracht. Als hij kandidaat is voor een hiërarchische bevordering of voor mutatie, wordt hem een nieuwe functioneringsevaluatie toegekend door de leidend ambtenaar en de hiërarchische chef onder wie hij ressorteert tijdens zijn opdracht. De leidend ambtenaar wint daartoe alle nodige inlichtingen in bij de functioneel bevoegde instanties. De functioneringsevaluatie handelt in dit geval over de wijze waarop de opdracht wordt vervuld. Als de ambtenaar tijdens zijn opdracht kandidaat is voor een hiërarchische bevordering of mutatie en als hij niet over een functioneringsevaluatie beschikt, wordt hem een functioneringsevaluatie gegeven overeenkomstig het tweede lid. § 2. Als de ambtenaar tijdens het evaluatiejaar met verlof voor voltijdse loopbaanonderbreking gaat, wordt hij op het eerstvolgende evaluatietijdstip geëvalueerd over de periode waarin hij effectief in dienst was. De ambtenaar behoudt de evaluatie voor de duur van zijn voltijdse loopbaanonderbreking. § 3. De ambtenaar die in de loop van de evaluatieperiode of op het evaluatietijdstip onder het functioneel gezag van een andere hiërarchische meerdere respectievelijk heeft gestaan of staat dan de hem overeenkomstig zijn affectatie toegewezen evaluatoren, wordt geëvalueerd door deze laatsten rekening houdend met artikel VIII 13, derde lid. § 4. De preventieadviseur-coördinator of bij onstentenis van een preventieadviseur-coördinator de preventieadviseur wordt geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar of ambtenaren. Bij ontstentenis van een adjunct-leidend ambtenaar, treedt het afdelingshoofd bevoegd voor personeelszaken op als evaluator. De preventieadviseurs worden geëvalueerd door de preventieadviseur-coördinator en de leidend ambtenaar. De evaluatie handelt in de voormelde gevallen zowel bij een voltijdse opdracht als bij een deeltijdse opdracht over de wijze waarop zij de hun toegewezen opdrachten vervullen. § 5. De ambtenaar die belast is met emancipatietaken wordt, voor de wijze waarop hij die taken vervult, geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar of ambtenaren. Bij ontstentenis van een adjunct-leidend ambtenaar, treedt het afdelingshoofd bevoegd voor personeelszaken op als evaluator. Art. VIII 21. Als op het evaluatietijdstip blijkt dat één van de evaluatoren ontbreekt of nog geen opleiding opgelegd, door artikel VIII 9 gevolgd heeft, dan wordt hij vervangen door een andere hiërarchische meerdere, die door de evaluatoren van de ontbrekende evaluator wordt aangewezen. Art. VIII 22. De hiërarchische meerderen, die bevoegd zijn voor het opmaken van de persoonlijke nota's genoemd in artikel VIII 13 zijn degenen die bevoegd zijn voor het opmaken van de evaluatie, onverminderd het derde lid van hetzelfde artikel. HOOFDSTUK VI. - Procedurevoorschriften Afdeling 1. - Procedurevoorschriften in verband met de evaluatie Art. VIII 23. § 1. Het definitieve beschrijvende evaluatieverslag, genoemd in artikel VIII 9, § 6 wordt door de evaluatoren in onderlinge overeenstemming opgesteld, gedateerd en ondertekend. Het wordt binnen vijftien kalenderdagen na het evaluatiegesprek aan de geëvalueerde bezorgd. Als in uitzonderlijke gevallen de evaluatoren geen consensus bereiken, bezorgen zij terzelfder tijd de aparte verslagen aan de geëvalueerde. De evaluatie op basis waarvan beslissingen genomen worden, wordt uitgemaakt door het verslag van de evaluator met de hoogste rang. De geëvalueerde tekent dit document voor kennisneming en ontvangst en krijgt er een afschrift van; hij voegt binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst zijn eventuele opmerkingen toe en stuurt die naar de evaluatoren. De evaluatoren tekenen voor kennisneming en voegen de opmerkingen van de geëvalueerde op het evaluatieverslag aan het evaluatiedossier van de geëvalueerde toe. Als het beschrijvende evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding "onvoldoende" dan kan de geëvalueerde daartegen beroep instellen binnen vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvende evaluatieverslag overeenkomstig afdeling 2. § 2. Het beroep is opschortend. Het beroepschrift wordt aangetekend verstuurd of tegen ontvangstbewijs ingediend. Afdeling 2. - Beroep tegen de evaluatie Art. VIII 24. § 1. Een ambtenaar van rang A2A en lager die er niet mee kan instemmen dat zijn beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding "onvoldoende", of die meent dat een vormgebrek kan worden ingeroepen, kan de zaak binnen vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend evaluatieverslag, aanhangig maken bij de raad van beroep. § 2. De raad van beroep kan de betrokken evaluatoren horen en om uitleg vragen. § 3. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift. Als er geen advies is binnen de vooropgestelde termijn, wordt het beroep behandeld alsof er een gunstig advies werd gegeven. § 4. Het dossier wordt vervolgens binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de raad van bestuur voor de ambtenaar van rang A2A en rang A2, alsook voor de ambtenaar van rang A1 en lager die de leidend ambtenaar als eerste evaluator hebben en aan de directieraad voor de ambtenaar van rang A1 en lager. De raad van bestuur, respectievelijk de directieraad is bevoegd voor de definitieve beslissing over de toekenning van de vermelding "onvoldoende". De ambtenaar, die als evaluator bij de zaak betrokken is, neemt in dit geval niet aan de beraadslaging deel. Terzelfder tijd wordt het advies aan de verzoeker gestuurd. De raad van bestuur voor de ambtenaar van rang A2A en rang A2 en voor de ambtenaar van rang A1 en lager, die de leidend ambtenaar als eerste evaluator hebben, en de directieraad voor de ambtenaar van rang A1 en lager beslissen binnen dertig, respectievelijk vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad; zo niet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is. Art. VIII 25. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar die er niet mee kunnen instemmen dat hun beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding "onvoldoende" kunnen de zaak binnen vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend evaluatieverslag aanhangig maken bij de Vlaamse regering of bij een andere instantie, die in het instellingsspecifieke besluit is vermeld. De Vlaamse regering of de andere instantie, bedoeld in het eerste lid, kan de leidend ambtenaar wat de adjunct-leidend ambtenaar betreft, en de adjunct-leidend ambtenaar wat de leidend ambtenaar betreft en de externe evaluatie-instantie, alsook de leden en ambtenaren die zij geraadpleegd heeft, horen en om uitleg vragen. De minister neemt in dit geval niet aan de beraadslaging deel. De beslissing in beroep van de Vlaamse regering of van de andere instantie, bedoeld in het eerste lid, is bindend. De Vlaamse regering of de andere instantie, bedoeld in het eerste lid, beslist binnen dertig kalenderdagen; zo niet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is. Art. VIII 26. De gemotiveerde beslissing in beroep wordt aan het evaluatiedossier van de geëvalueerde toegevoegd. TITEL III. - Anciënniteit en rangschikking Art. VIII 27. § 1. In hoofde van een ambtenaar bestaan volgende administratieve anciënniteiten : 1° de graadanciënniteit;2° de niveauanciënniteit;3° de dienstanciënniteit;4° de schaalanciënniteit. § 2. Voor de toepassing van de reglementaire bepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt onder de ambtenaren van wie de anciënniteit moet worden vergeleken de voorrang als volgt bepaald : 1° de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit;2° de ambtenaar met de grootste niveauanciënniteit : bij gelijke graadanciënniteit;3° de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit : bij gelijke niveauanciënniteit;4° de oudste ambtenaar : bij gelijke dienstanciënniteit. Art. VIII 28. § 1. De graadanciënniteit en de niveauanciënniteit bestaan uit de werkelijke diensten die de ambtenaar als stagiair en als vastbenoemde heeft verricht als lid van het personeel van de instelling en als titularis van een ambt met volledige prestaties. § 2. Voor de graadanciënniteit worden de in aanmerking genomen diensten gerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in de graden die door de reglementering in aanmerking worden genomen voor toegang tot een andere graad. § 3. Voor de niveauanciënniteit worden de in aanmerking genomen diensten gerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in een graad van het betreffende niveau. Art. VIII 29. De dienstanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar in welke hoedanigheid ook heeft verricht als lid van het personeel van de instelling en als titularis van een ambt met volledige prestaties. Art. VIII 30. De schaalanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar als stagiair en als vastbenoemde heeft verricht in een bepaalde salarisschaal als lid van het personeel van de instelling en als titularis van een ambt met volledige prestaties. De schaalanciënniteit wordt opgebouwd overeenkomstig artikel VIII 78, § 2. Art. VIII 31. § 1. De ambtenaar wordt geacht werkelijke diensten te verrichten, zolang hij zich bevindt in een administratieve toestand op grond waarvan hij, krachtens dit besluit, zijn salaris of bij gebrek daarvan, zijn aanspraak op bevordering tot een hoger salaris behoudt. § 2. Volledige prestaties bedragen gemiddeld 38 uren per week. Art. VIII 32. De graad-, de niveau-, de dienst- en de schaalanciënniteit worden uitgedrukt in jaren en volle kalendermaanden. Ze beginnen op de eerste dag van een maand. Niet-volledige maanden worden weggelaten. De anciënniteiten beginnen in dat geval te lopen op de eerste dag van de volgende maand. Art. VIII 33. Voor de toepassing van artikel VIII 32 op ambtenaren die gemachtigd zijn hun ambt met verminderde prestaties uit te oefenen met non-activiteit pro rata voor de duur van de afwezigheid : 1° worden prestaties van 1976 uur deeltijdse arbeid geteld als twaalf volle kalendermaanden;2° worden prestaties van een twaalfde van 1976 uur deeltijdse arbeid geteld als één volle kalendermaand, waarbij elk uurgedeelte vervalt;3° vervallen de werkelijke diensten die niet de eerste dag van de maand begonnen zijn of die vóór de laatste dag van de maand beëindigd zijn. TITEL IV. - De hiërarchische loopbaan van de ambtenaar HOOFDSTUK I. - Definities en algemene bepalingen Art. VIII 34. § 1. Onder bevordering wordt verstaan : de benoeming van een ambtenaar in een graad van een hogere rang. § 2. Er zijn twee soorten van bevordering : 1° de bevordering door verhoging in graad binnen eenzelfde niveau;2° de bevordering door overgang naar een ander niveau. Art. VIII 35. § 1. De bevordering door verhoging in graad kan afhankelijk worden gesteld van het slagen voor een vergelijkend examen, georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat of door een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel of voor een vergelijkende bekwaamheidsproef. § 2. De bevordering door overgang naar een ander niveau wordt verleend bij wijze van een vergelijkend overgangsexamen, georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat of door een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel. Art. VIII 36. § 1. De bevordering door verhoging in graad en de bevordering door overgang naar een ander niveau zijn alleen mogelijk als een vaste betrekking van de toe te kennen graad vacant is. Bevorderingen worden verleend volgens de bepalingen vastgesteld in dit besluit. De betrekkingen worden door de benoemende overheid vacant verklaard na advies van de directieraad. § 2. De nadere regelen inzake de wijze van bekendmaking van de vacatures en de kandidaatstelling worden vastgesteld door de directieraad. Art. VIII 37. De ambtenaren mogen vooraf, per aangetekende brief een veralgemeende kandidaatstelling indienen voor alle betrekkingen die tijdens hun afwezigheid vacant worden verklaard. De geldigheid van die kandidaatstelling is bepaald op maximaal dertig kalenderdagen. De ambtenaar richt zijn kandidaatstelling aan de leidend ambtenaar. Art. VIII 38. § 1. Om voor een vergelijkend examen voor verhoging in graad, voor een vergelijkende bekwaamheidsproef of voor een vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau in te schrijven, moet de ambtenaar aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° hij voldoet aan de anciënniteitsvoorwaarden op de datum die de Vast Wervingssecretaris of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel heeft bepaald of in geval van een vergelijkende bekwaamheidsproef op de datum die de leidend ambtenaar heeft bepaald;2° hij mag geen functioneringsevaluatie hebben die besloten werd met de vermelding "onvoldoende". § 2. Om een bevordering te krijgen, 1° moet de ambtenaar zich in een administratieve toestand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden;2° mag de ambtenaar geen functioneringsevaluatie hebben die besloten werd met de vermelding "onvoldoende".3° moet de ambtenaar die zich kandidaat heeft gesteld voor een bevordering door overgang naar een ander niveau, met goed gevolg de stage volbracht hebben. Art. VIII 39. § 1. De ambtenaar die zich kandidaat heeft gesteld voor bevordering door verhoging in graad of voor bevordering door overgang naar een ander niveau, en die in een vacante betrekking bevorderd werd, kan deze bevordering weigeren. Hij kan nochtans die bevordering maar éénmaal weigeren in geval van bevordering door verhoging in graad na examen of na bekwaamheidsproef of in geval van bevordering door overgang naar een ander niveau. Als hij een tweede maal weigert, verliest hij het voordeel van het slagen voor dit examen of deze proef. § 2. De bevordering door verhoging in graad wordt ambtshalve ingetrokken als de ambtenaar de betrekking waarin hij bevorderd werd niet opgenomen heeft op de eerste van de derde maand die volgt op de betekening van het bevorderingsbesluit. De ambtenaar die op het tijdstip van de bevordering met verlof is gelijkgesteld met dienstactiviteit, alsook de preventieadviseur-coördinator en de preventieadviseurs van de interne dienst Preventie en Bescherming mogen respectievelijk het verlof, het mandaat of de opdracht voortzetten tot aan de toegestane einddatum. HOOFDSTUK II. - De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau en de vergelijkende examens voor verhoging in graad Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. VIII 40. De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau en de vergelijkend

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.