← België

Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse regering stelt het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) vast, om de regelgeving aan te passen aan wijzigingen in het afvalstoffendecreet en Europese regelgeving. Het bundelt alle uitvoeringsbesluiten over afvalbeheer in één reglement voor meer transparantie en toegankelijkheid.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP 17 DECEMBER 1997. Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, derde kamer, op 8 juli 1997 door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling. verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering "tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) », heeft, na de zaak te hebben onderzocht op de zittingen van 16 september 1997 en 30 september 1997, op laatstvermelde datum het volgende advies gegeven : Algemene opmerkingen 1. Het voor advies voorgelegde ontwerpbesluit strekt ertoe de reglementering inzake afvalvoorkoming en -beheer aan te passen aan de wijzigingen die bij het decreet van 20 april 1994 werden aangebracht in het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, in het bijzonder wat betreft de invoering van een aanvaardingsplicht en van een regeling inzake de aanwending van afvalstoffen als secundaire grondstoffen. Tevens wordt beoogd de reglementering in overeenstemming te brengen met een aantal wijzigingen van de EG-regelingen inzake afvalstoffen, die nog niet waren omgezet in het interne recht. Het ontwerp beoogt meer bepaald de omzetting van beschikking 94/3/EG van de Commissie van 20 december 1993 houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen, en van beschikking 96/350/EG van de Commissie van 24 mei 1996 houdende aanpassing ingevolge artikel 17 van de bijlagen II A en II B bij richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen. Ter implementatie van die beschikkingen wordt in het ontwerp de afvalstoffencatalogus vastgesteld (artikel 1.2.1 en bijlage 1.2.1), enerzijds, en wordt er een omschrijving in opgenomen van de verwijderingshandelingen en de nuttige toepassingen van afvalstoffen (artikelen 1.3.1 en 1.4.1), anderzijds. Voorts strekt het ontwerp ertoe de omzetting te vervolledigen van beschikking 94/904/EG van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG (van de Raad) betreffende gevaarlijke afvalstoffen. Daartoe wordt in het ontwerp de lijst van gevaarlijke afvalstoffen aangevuld met de eigenschappen van die stoffen (artikel 2.4.1, § 1, 1° en 2°). Het ontwerp beperkt zich niet tot de hiervoren vermelde aanpassingen en aanvullingen van de afvalstoffenreglementering. Zoals in het verslag aan de Vlaamse regering wordt aangegeven, hebben de stellers van het ontwerp ervoor geopteerd, met het oog op de transparantie en de toegankelijkheid van de reglementering en naar analogie van de VLAREM-regeling, alle reglementaire uitvoeringsbesluiten van het voornoemde decreet van 2 juli 1981 - zowel de nieuwe als de bestaande, daar waar nodig geactualiseerd - te bundelen in één Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA). 2. Blijkens de aanhef van het ontwerp moet de rechtsgrond van de ontworpen regeling in het interne recht worden gezocht in het reeds vernoemde decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (hierna : het afvalstoffendecreet).Bedoeld zijn meer bepaald de artikelen 2, 3, 10, 11, 14, 16, 17, 26, 27, 28, 32, 33, 40, § 3, 42, 44, 54 en 55, § 1, 2, d, van dat decreet. Het merendeel van de ontworpen bepalingen vindt rechtsgrond in die artikelen van het afvalstoffendecreet. Voor sommige bepalingen van het ontwerp rijst terzake evenwel een probleem, met name voor de artikelen 3.2.7, 4.2.2.1, 4.2.2.4, 4.2.4.1, 5.1.2.3 en 5.5.4.5. Daarop wordt nader ingegaan bij de bespreking van die artikelen, hierna. 3.1. Het ontwerp bevat een aantal bepalingen die een weerslag kunnen hebben op het federale landbouwbeleid. Dit geldt met name voor de in de artikelen 4.2.1.1 tot 4.2.1.3 opgenomen regeling in verband met de voorwaarden voor het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstoffen in, of als meststof, of als bodemverbeterend middel, voor de in artikel 4.2.4 bepaalde voorwaarden voor het gebruik van afvalstoffen als dierenvoer en voor de in onderafdeling 5.5.4 van hoofdstuk 5 opgenomen regeling inzake dierlijk afval. Overeenkomstig artikel 6, § 3bis, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen dient over dergelijke maatregelen overleg te worden gepleegd tussen de betrokken gewestregeringen en de betrokken federale overheid (1). Volgens de gemachtigde van de regering heeft geen overleg plaatsgevonden met betrekking tot de voornoemde bepalingen van het ontwerp. Wat de artikelen 4.2.1.1 tot 4.2.1.3 betreft, wijst de gemachtigde in dat verband op het bepaalde in artikel 4.2.1.1, § 1, luidens hetwelk de in die artikelen bepaalde voorwaarden gelden "onverminderd de voorwaarden van het koninklijk besluit van 6 oktober 1977 betreffende de handel in meststoffen en bodemverbeterende middelen", waaruit volgens hem moet worden afgeleid dat de ontworpen bepalingen geen weerslag hebben op het landbouwbeleid van de federale overheid. Wat de bepalingen van onderafdeling 5.5.4 in verband met het dierlijk afval betreft, voert de gemachtigde aan dat deze, zonder enige wijziging, de bepalingen overnemen van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1995 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval, en dat dit besluit het voorwerp heeft uitgemaakt van overleg met de betrokken federale overheid, zodat een nieuw overleg niet vereist is. (1) Uit de rechtspraak van het Arbitragehof blijkt dat die overlegverplichting inzonderheid geldt voor door de gewesten vastgestelde regelingen inzake meststoffen (arrest nr.42/97 van 14 juli 1997, overweging B.10.2) en inzake dierlijk afval (arrest nr. 19/97 van 15 april 1997, overweging B.2.2). Die argumenten van de gemachtigde van de regering kunnen evenwel niet verantwoorden dat voorbijgegaan wordt aan de overlegverplichting opgelegd door artikel 6, § 3bis, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten : - de omstandigheid dat de ontworpen bepalingen gelden naast ("onverminderd") de voorwaarden vastgesteld in een koninklijk besluit, neemt immers niet weg dat die bepalingen het gebruik van afvalstoffen als meststof of bodemverbeterend middel aanvullend regelen en dus onbetwistbaar een weerslag hebben op het landbouwbeleid; - ook wanneer de ontworpen bepalingen de overname zijn van reeds geldende bepalingen waarover overleg werd gepleegd, blijft het ontworpen besluit een nieuwe wilsuiting van de Vlaamse regering waarop al de geldende vormvoorschriften toepassing moeten vinden; bovendien mag niet uit het oog verloren worden dat sedert 1995 de feitelijke en juridische context kan gewijzigd zijn; ten slotte moet erop worden gewezen dat in de beroepen tot schorsing en vernietiging van het voornoemde besluit van 24 mei 1995, ingesteld bij de afdeling administratie van de Raad van State (1), wordt ingeroepen dat het overleg over dat besluit niet heeft plaatsgehad in de interministeriële conferentie en dat derhalve niet overeenkomstig de voorgeschreven procedure voldaan zou zijn aan de overlegverplichting opgelegd door het meergenoemde artikel 6, § 3bis, 5°. De conclusie uit wat voorafgaat is derhalve dat omtrent de hiervoren bedoelde bepalingen wel degelijk overleg met de federale overheid diende plaats te vinden. De aandacht van de Vlaamse regering wordt erop gevestigd dat de miskenning van het voorschrift van artikel 6, § 3bis, 5°, van de bijzondere wet, overeenkomstig artikel 14bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, moet worden aangemerkt als de overtreding van een substantieel vormvoorschrift welke tot de vernietiging van de ontworpen bepalingen zou leiden indien daartegen een ontvankelijk annulatieberoep zou worden ingesteld. 3.2. Luidens artikel 3, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen moeten de voorschriften bedoeld in lid 2 van datzelfde artikel 3, tot uiterlijk drie maanden voordat ze van kracht worden, aan de Commissie worden toegezonden, die ze moet goedkeuren met toepassing van de procedure van artikel 18 van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen. Het gaat meer bepaald om voorschriften in verband met het nuttig toepassen van gevaarlijke afvalstoffen, waarvan de vaststelling een voorwaarde is opdat de lidstaat vrijstelling zou kunnen verlenen van de vergunningsplicht opgelegd bij artikel 10 van richtlijn 75/442/EEG. Volgens de gemachtigde van de regering dienen de voorschriften vervat in hoofdstuk 4 van het ontwerp en de bijhorende bijlagen, in zoverre ze de voorwaarden bepalen voor het gebruik van gevaarlijke afvalstoffen als secundaire grondstoffen, te worden aangemerkt als voorschriften in de zin van artikel 3, lid 2, van richtlijn 91/689/EEG. Er werd volgens hem evenwel met betrekking tot die ontworpen bepalingen geen mededeling aan de Commissie gedaan. 3.3. Over de bepalingen vermeld onder 3.1 en 3.2 hiervoren wordt slechts advies gegeven onder voorbehoud dat alsnog wordt voldaan aan de bedoelde overlegverplichting en mededelingsplicht. 4. De ontworpen bepalingen doen op een aantal punten vragen rijzen in verband met de verenigbaarheid ervan met het gelijkheidsbeginsel. Dat is met name het geval voor de in hoofdstuk 3 van het ontwerp opgenomen bepalingen waarbij de afvalstoffen worden aangewezen waarvoor een aanvaardingsplicht geldt als bedoeld in artikel 10 van het afvalstoffendecreet : - zo is bijvoorbeeld niet duidelijk waarom die aanvaardingsplicht alleen geldt voor de in artikel 3.1.1.1, 1° tot 5°, bedoelde afvalstoffen (papierafval, voertuigwrakken, rubberbanden, bruin- en witgoed en accu's en batterijen), en niet voor andere afvalstoffen; - voorts rijst de vraag waarom de aanvaardingsplicht zonder vervangende aanschaf alleen geldt voor accu's en batterijen (artikel 3.1.1.2, tweede lid); - ook de wijze waarop de aanvaardingsplicht nader wordt georganiseerd in de afdelingen 3.2 tot 3.6 doet vragen rijzen (zo bijvoorbeeld de keuze van de soorten papierafval waarvoor de aanvaardingsplicht geldt in artikel 3.2.2 en de uitsluiting van landbouwtractoren, landbouwmachines en toestellen voor openbare werken in artikel 3.3.1). Het verslag aan de Vlaamse regering bevat terzake geen toelichting, zodat de afdeling wetgeving niet over elementen beschikt om te oordelen of die bepalingen de toets van het gelijkheidsbeginsel kunnen doorstaan. 5. Wat de implementatie van de in de aanhef van het ontwerp vermelde EG-richtlijnen en -beschikkingen betreft, moet worden opgemerkt dat het ontwerp zich in een aantal bepalingen beperkt tot een loutere verwijzing naar de voorschriften van de richtlijn of beschikking, zonder de bedoelde voorschriften met zoveel woorden in de ontworpen regeling op te nemen.Dit is bijvoorbeeld het geval in de artikelen 2.4.1, § 3, 2.4.2, 11°, en 4.2.6.1, § 2, tweede lid. Uit de kenmerken van een EG-richtlijn of -beschikking volgt dat in principe niet de richtlijn of de beschikking zelf, maar de voorschriften van intern recht die de bepalingen ervan in de nationale rechtsorde omzetten, in die rechtsorde van toepassing zullen zijn. In de gevallen waar de richtlijn of de beschikking reeds in het interne recht is omgezet, dient verwezen te worden naar de betrokken internrechtelijke bepalingen. In de gevallen waar de omzetting plaatsvindt in het ontworpen besluit, dienen de bepalingen van de richtlijn of de beschikking in de tekst van het ontwerp verwerkt te worden. 6. In verscheidene bepalingen van het ontwerp worden - dikwijls woordelijk - voorschriften herhaald van het afvalstoffendecreet.Dit is met name het geval in de artikelen 1.2.1 (artikel 4 van het decreet), 2.1.1, 1°, en 2.2.1, 1° (artikel 3, § 2, 1° en 2°, van het decreet), 3.1.1.2 (artikel 10, § 2, van het decreet), 5.1.2.1 en 5.1.3.1 (artikel 14, §§ 2 en 3, van het decreet), 5.2.1 en 5.2.2 (artikel 14, §§ 1 en 6, van het decreet), 5.5.4.5, § 1, tweede lid, en § 2 (artikel 28, §§ 2 en 3, van het decreet), 7.1.1 (artikel 40, § 3, laatste volzin, van het decreet). Het overnemen in een lagere regeling (het ontworpen besluit) van bepalingen van een hogere regeling (het afvalstoffendecreet) dient vanuit wetgevingstechnisch oogpunt principieel te worden afgeraden. Niet alleen is een dergelijke werkwijze overbodig op het normatieve vlak aangezien ze geen nieuwe norm tot stand brengt, maar bovendien kan ze tot verwarring leiden over de precieze aard van het in de lagere regeling opgenomen voorschrift en kan ze inzonderheid aanleiding ertoe zijn dat later uit het oog verloren wordt dat alleen de hogere regelgever het betrokken voorschrift kan wijzigen. Het overnemen van bepalingen van een decreet in een uitvoeringsbesluit kan dan ook alleen worden gedoogd in zoverre zulks noodzakelijk is voor de leesbaarheid van het besluit (2), in welk geval een verwijzing naar het betrokken artikel van het decreet het aangewezen middel zal zijn om de aard van de betrokken bepaling herkenbaar te houden. Dezelfde opmerking geldt, mutatis mutandis, voor de overname van bepalingen van EG-verordeningen (zie inzonderheid de artikelen 6.1, § 1, tweede lid, en 6.7 en bijlage 6 bij het ontwerp waarin bepalingen worden overgenomen van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap). (1) Zie hierna de opmerking bij onderafdeling 5.5.4 van het ontwerp. (2) In het verslag aan de Vlaamse regering (onder 1°, b), derde lid) wordt terzake aangevoerd dat de herhaling van een aantal decreetsbepalingen « voor de duidelijkheid en/of leesbaarheid van het besluit » nodig was. 7. In het ontwerp is herhaaldelijk sprake van "Europese Unie" (bijvoorbeeld in artikel 1.1.1, § 2, 7°), en van de afkorting "EU" in o.m. "EU-code" (bijvoorbeeld in de artikelen 1.3.1 en 1.4.1) en EU-Verordening" (bijvoorbeeld in artikel 6.1). De afvalstoffenreglementering is vastgesteld op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Men schrijve bijgevolg telkens "Europese Gemeenschap" en "EG". Bijzondere opmerkingen Artikel 1.3.1 In dit artikel worden de handelingen opgesomd, die als "verwijdering van afvalstoffen" verstaan moeten worden. Voor een correcte omzetting van artikel 1, e, van richtlijn 75/442/EEG is vereist dat in de opsomming alle handelingen voorkomen, bedoeld in bijlage II A van de richtlijn, zoals vervangen bij beschikking 96/350/EG van de Commissie van 24 mei 1996. Dit blijkt echter niet het geval te zijn. Met name ontbreekt de verwijderingshandeling "D 11 Verbranding op zee". Volgens de gemachtigde van de regering berust deze weglating op een materiële vergissing. Artikel 2.4.1 Voor de omschrijving van wat onder "gevaarlijke afvalstoffen » moet worden verstaan, wordt in paragraaf 1 van dit artikel verwezen naar de lijst van afvalstoffen opgenomen in bijlage 2.4.1. bij het ontworpen besluit. Daaraan wordt evenwel toegevoegd dat die op de lijst vermelde afvalstoffen moeten "worden geacht éen of meer van de... (onder 1° en 2° vermelde) eigenschappen te bezitten".Bovendien wordt in de paragrafen 2 en 3 verwezen, enerzijds, naar de criteria op grond waarvan de in paragraaf 1 genoemde eigenschappen aan de afvalstoffen worden toegeschreven, en, anderzijds, naar de terzake te gebruiken testmethoden. Blijkens artikel 1, lid 4, eerste streepje, van richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen moeten onder "gevaarlijke afvalstoffen" onder meer verstaan worden "alle afvalstoffen die voorkomen op een lijst die overeenkomstig de procedure van artikel 18 van richtlijn 75/442/EEG en op basis van de bijlagen I en II van deze richtlijn... is opgesteld. Deze afvalstoffen moeten een of meer van de in bijlage III vermelde eigenschappen bezitten.... » . Aan die bepaling is uitvoering gegeven bij beschikking 94/904/EG van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG betreffende gevaarlijke afvalstoffen. Zoals uit de consideransen van de genoemde beschikking blijkt, sluit de lijst niet uit "dat de lidstaten in uitzonderlijke gevallen bepalingen kunnen vaststellen om, op grond van bewijsstukken die door de houder op passende wijze zijn verstrekt, te bepalen dat een specifieke in de lijst opgenomen afvalstof geen van de in bijlage III bij richtlijn 91/689/EEG vermelde eigenschappen bezit ». Hieruit blijkt dat, naar het oordeel van de auteurs van de beschikking, de opneming van een stof op de lijst slechts geldt als vermoeden "juris tantum", althans indien de lidstaat in de mogelijkheid van een tegenbewijs voorziet. Die opvatting strookt met de bedoeling van de stellers van het voor advies voorgelegde ontwerp. De gemachtigde van de regering heeft immers verklaard dat "er voor de afvalstoffen op de lijst (1) van uitgegaan wordt dat zij een of meer van de vermelde eigenschappen hebben en dus als gevaarlijk moeten beschouwd worden, tenzij... de houder kan bewijzen dat aan geen enkele eigenschap voldaan wordt, waardoor de afvalstof derhalve niet als gevaarlijk beschouwd wordt". Om die bedoeling duidelijker tot uitdrukking te brengen in de tekst zelf van het ontwerp, zou artikel 2.4.1 beter herschreven worden als volgt : « § 1. Onder gevaarlijke afvalstoffen worden verstaan de afvalstoffen die een of meer van de volgende eigenschappen hebben : ... (opsomming van de eigenschappen H1 tot H14). Wat de onder H3-A, H3-B en H8 bedoelde eigenschappen betreft (2), dienen de stoffen bovendien een of meer van de volgende eigenschappen te hebben : ... (opsomming van de eigenschappen a) tot i), lees 1° tot 9°). § 2. De in § 1 genoemde gevaarlijke eigenschappen worden aan de afvalstoffen toegeschreven volgens de criteria bepaald in deel II van bijlage 7 bij titel I van het VLAREM. § 3. De met betrekking tot de in § 1 bedoelde eigenschappen te gebruiken testmethoden... (deze bepaling dient aangevuld te worden met een overname van de desbetreffende bepalingen van de betrokken richtlijnen; zie algemene opmerking 5). § 4. De afvalstoffen opgenomen in de lijst vervat in bijlage 2.4.1 bij dit besluit worden geacht een of meer van de eigenschappen te hebben, bedoeld in § 1. Die afvalstoffen zijn echter geen gevaarlijke afvalstoffen indien de houder bewijst dat zij geen van die eigenschappen hebben. ». Artikel 2.4.2 In dit artikel worden een aantal afvalstoffen opgesomd die "aanvullend aan de afvalstoffen genoemd in artikel 2.4.1 (...) ook als gevaarlijke afvalstoffen (worden) gedefinieerd". Overeenkomstig artikel 1, lid 4, tweede streepje, van richtlijn 91/689/EEG kunnen de lidstaten andere afvalstoffen dan die vermeld op de lijst welke met toepassing van dat lid 4, eerste streepje, wordt opgesteld, als gevaarlijke afvalstoffen aanmerken, op voorwaarde evenwel dat ze, naar het oordeel van de betrokken lidstaat, een of meer van de in bijlage III bij de richtlijn vermelde eigenschappen bezitten (3). De afdeling wetgeving beschikt niet over de feitelijke gegevens om te beoordelen of dit het geval is met de afvalstoffen die in dit artikel worden vermeld. (1) Bedoeld is de lijst opgenomen in bijlage 2.4.1 bij het ontworpen besluit, welke overeenstemt met de lijst vastgesteld bij beschikking 94/904/EG. (2) In artikel 2.4.1, § 1, 2°, van het ontwerp is sprake van de EU-codes H3 « tot en met » H8. In artikel 1, tweede alinea, van beschikking 94/904/EG is daarentegen slechts sprake van de punten H3 « en » H8. (3) De lijst van gevaarlijke eigenschappen vermeld in die bijlage bij de richtlijn is overgenomen in artikel 2.4.1, § 1, 1°, van het ontwerp (zie § 1, eerste lid, van het tekstvoorstel van de Raad van State bij artikel 2.4.1). Artikel 3.1.1.4 Luidens dit artikel wordt de wijze waarop aan de in artikel 3.1.1.1 bepaalde aanvaardingsplicht wordt voldaan vastgelegd, hetzij in een milieubeleidsovereenkomst (bepaling sub 1°), hetzij in "een afvalbeheerplan dat door de producenten en invoerders of door een erkende afvalbeheerorganisatie ter goedkeuring aan de OVAM wordt voorgelegd" (bepaling sub 2°). Die bepaling zou, blijkens de inleidende zin van het artikel, rechtsgrond moeten vinden in artikel 10, § 6, van het afvalstoffendecreet. Luidens dat artikel kan de Vlaamse regering "aanvullende regels" vaststellen betreffende de wijze waarop aan de aanvaardingsplicht moet worden voldaan en kan zij o.m. ook milieubeleidsovereenkomsten sluiten. In die decreetsbepaling is weliswaar geen sprake van een "afvalbeheerplan". Toch lijkt te kunnen worden aangenomen, gelet op de ruime delegatie die artikel 10, § 6, verleent om "aanvullende regels" vast te stellen, dat dit artikel een voldoende rechtsgrond biedt om een regeling vast te stellen die voorziet in een dergelijk afvalbeheerplan. Wel moeten in het ontwerp preciseringen worden opgenomen omtrent dat beheerplan, inzonderheid i.v.m. de juridische aard ervan, de bindende kracht ten aanzien van de indieners, enz.... Artikel 3.2.7 Luidens paragraaf 2, vierde lid, van dit artikel kan de OVAM o.m. eenheidsprijzen die aansluiten bij de gemiddelde kostprijs van de verstrekte dienst "opleggen", in het kader van de goedkeuring die de OVAM moet verlenen aan de overeenkomsten die de papierproducenten en de invoerders met betrekking tot hun aanvaardingsplicht kunnen sluiten met de gemeenten of de verenigingen van gemeenten waar de papierafval ontstaat. De gemachtigde van de regering heeft hieromtrent het volgende verklaard : « Met (die) bepaling... wordt beoogd... een zo groot mogelijke eenvormigheid te bewerkstelligen voor de verschillende gemeenten die dergelijke overeenkomst afsluiten. Alleszins wil voorkomen worden dat gemeenten of intercommunales hier abnormale hoge of abnormale lage prijzen zouden gaan aanrekenen. Het spreekt vanzelf dat beide partijen, in casu de papierproducenten of invoerders, enerzijds, en de gemeenten of verenigingen van gemeenten, anderzijds, uiteindelijk soeverein beslissen". Het is niet duidelijk of die verklaring moet begrepen worden in die zin dat de bedoelde eenheidsprijzen niet bindend zijn, dan wel in de zin dat het de partijen vrijstaat geen overeenkomst te sluiten indien ze niet akkoord gaan met de door de OVAM vastgestelde prijzen. Het is overigens erg betwistbaar of de Vlaamse regering voldoende rechtsgrond vindt in artikel 10, § 6, van het afvalstoffendecreet om in bindende "eenheidsprijzen" te voorzien en om de bevoegdheid tot het vaststellen ervan toe te kennen aan de OVAM. De vraag rijst bovendien of met een dergelijke regeling niet het domein wordt betreden van de federale bevoegdheid inzake prijsbeleid (artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen) (1). Om betwistingen te vermijden, zou de bepaling in verband met de eenheidsprijzen best weggelaten worden. Artikel 3.5.2 Luidens paragraaf 2 van dit artikel kunnen de eindverkopers, tussenhandelaars, producenten, invoerders en gemeenten, voor de in paragraaf 1 bedoelde scheiding in herbruikbaar en niet-herbruikbaar bruin- of witgoed, een beroep doen op "door de administrateur-generaal van de OVAM erkende kringloopcentra". Volgens de gemachtigde van de regering zou de bedoelde erkenning worden verleend op basis van een "interne regeling". De rechtszekerheid vereist dat op zijn minst de erkenningsvoorwaarden door de Vlaamse regering worden vastgesteld. De gemachtigde is het ermee eens dat het ontwerp in die zin moet worden aangevuld. Hoofdstuk 4 De in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen inzake de "aanwending van afvalstoffen als secundaire grondstoffen" worden vastgesteld op grond van artikel 11, § 1, van het afvalstoffendecreet. Dat artikel machtigt de Vlaamse regering om de lijst op te stellen van afvalstoffen die op wettige wijze mogen worden gebruikt als secundaire grondstoffen indien ze voldoen aan de voorwaarden inzake samenstelling en/of gebruik welke de Vlaamse regering bepaalt. De ontworpen bepalingen omvatten, enerzijds, normen waaraan afvalstoffen moeten voldoen om te kunnen worden aangewend als secundaire grondstoffen, en, anderzijds, voorwaarden inzake het gebruik van die secundaire grondstoffen. Het onderscheid tussen die twee soorten van bepalingen is van belang vanuit het oogpunt van de bevoegdheidsverdeling. Uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 16 juli 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/07/1993 pub. 25/03/2016 numac 2016000195 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gewone wet tot vervollediging van de federale staatsstructuur. - Officieuze coördinatie in het Duits van uittreksels sluiten tot vervollediging van de federale staatsstructuur en uit de rechtspraak van het Arbitragehof blijkt dat de bij artikel 6, § 1, II, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten aan de gewesten opgedragen bevoegdheid inzake het afvalstoffenbeleid betrekking heeft op elke stof waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, ongeacht of ze al dan niet, als dusdanig of na verwerking, voor hergebruik geschikt is (2). Het Arbitragehof is voorts van oordeel dat "stoffen... hun aard van afvalstof (behouden) en... derhalve aan de reglementering van de afvalstoffen onderworpen (blijven) tot op het ogenblik dat zij bij de derden die ze hergebruiken, worden afgeleverd, in het geval waarin het gaat om afvalstoffen die zonder enige voorbehandeling opnieuw kunnen worden hergebruikt, of tot op het ogenblik dat zij zijn omgevormd, in het geval waarin het gaat om afvalstoffen die slechts na voorbehandeling kunnen worden hergebruikt" (3). (1) Er kan in casu geen beroep worden gedaan op de impliciete bevoegdheden van het Vlaamse Gewest bedoeld in artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten : die bepaling vereist immers een optreden van de decreetgever.(2) Arbitragehof, arrest nr.19/97 van 15 april 1997, overweging B.4.1. (3) Vermeld arrest, overweging B.4.2. Daaruit volgt dat de gewesten, op grond van hun bevoegdheid inzake het afvalstoffenbeleid, normen kunnen vaststellen waaraan afvalstoffen moeten voldoen om te kunnen worden aangewend als zogenaamde "secundaire grondstoffen" in productieprocessen of bij andere nuttige toepassingen (4). Het vaststellen van de voorwaarden inzake het gebruik van de bedoelde stoffen nadat ze voor hergebruik werden afgeleverd of nadat ze werden omgevormd tot secundaire grondstoffen, behoort evenwel niet meer tot het afvalstoffenbeleid. De gewesten kunnen die voorwaarden m.a.w. alleen vaststellen op grond van andere bevoegdheden dan die inzake het afvalstoffenbeleid, bijvoorbeeld op grond van hun bevoegdheden inzake het leefmilieu of het natuurbehoud. Uit wat voorafgaat volgt dat de in hoofdstuk 4 van het ontwerp opgenomen bepalingen in verband met het gebruik van secundaire grondstoffen, slechts kunnen worden geacht rechtsgrond te vinden in artikel 11, § 1, van het afvalstoffendecreet in zoverre die bepalingen kunnen worden ingepast in een aan het Vlaamse Gewest toegewezen bevoegdheid (andere dan inzake het afvalstoffenbeleid). Voor het merendeel van de in afdeling 4.2 opgenomen bepalingen blijkt zich terzake geen moeilijkheid voor te doen : de ontworpen regels kaderen grotendeels in de gewestbevoegdheid inzake de bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging (artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten). Alleen met betrekking tot de artikelen 4.2.2.1 en 4.2.4.1 dient in dat verband voorbehoud te worden gemaakt. Daarop wordt nader ingegaan bij de bespreking van die artikelen, hierna. Artikel 4.1.1 In de bepaling sub 16° van dit artikel dient te worden verwezen naar "subbijlage 4.2.1.C" in plaats van naar "bijlage 4.1.D". Artikel 4.1.4 Volgens de gemachtigde van de regering moeten in dit artikel, naar analogie van het bepaalde in artikel 4.2.1.3, de woorden "een laboratorium, erkend door de OVAM » worden vervangen door "een overeenkomstig afdeling 7.1 (van dit besluit) erkend laboratorium". Artikel 4.2.1.3 Met het bepaalde in paragraaf 2 van dit artikel wordt de omzetting beoogd van artikel 10 van richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw. In dat verband moet worden opgemerkt dat luidens artikel 10, lid 1, d), van de richtlijn, in het register ook de plaatsen moeten worden vermeld waar het slib wordt gebruikt. Die vermelding wordt niet opgelegd in artikel 4.2.1.3, § 2, eerste lid. Artikel 4.2.2.1 Volgens de gemachtigde van de regering wordt, in de inleidende zin van dit artikel, met de woorden "onverminderd de geldende voorwaarden voor werken of bouwstoffen" verwezen naar "eventuele andere voorwaarden die van kracht zijn in uitvoering van een andere basiswetgeving, zoals bestekken voor de uitvoering van overheidsopdrachten". Het is overbodig de gelding van "geldende normen" te bevestigen. Voorzover het normen betreft die door de federale overheid binnen haar eigen bevoegdheidssfeer zijn vastgesteld, is het Vlaamse Gewest daartoe bovendien niet bevoegd en vindt de bepaling dus geen rechtsgrond in het bevoegdheidsconform te interpreteren artikel 11, § 1, van het afvalstoffendecreet (zie opmerking bij hoofdstuk 4). Artikel 4.2.2.4 Luidens paragraaf 1 van dit artikel is het gebruik van afvalstoffen in of als bouwstof enkel toegestaan "binnen de realisatie van bouwwerken waarvoor, indien nodig, een geldige bouwvergunning voorhanden is". Er valt niet in te zien hoe een dergelijke bepaling kan worden ingepast in de ratio legis van artikel 11, § 1, van het afvalstoffendecreet. De gemachtigde van de regering kon daaromtrent geen sluitende uitleg verstrekken. Artikel 4.2.4.1 1. Wat de « voorwaarden voor het gebruik (van afvalstoffen) als dierenvoer » betreft, verwijst dit artikel naar het koninklijk besluit van 10 september 1987 betreffende de handel en het gebruik van stoffen bestemd voor dierlijke voeding. Volgens de toelichting verstrekt door de gemachtigde van de regering worden de bedoelde voorwaarden voor samenstelling en gebruik van de bedoelde afvalstoffen als secundaire grondstof "om technische redenen... (de secundaire grondstof is een alternatief voor het primaire product) eensluidend gesteld met de terzake door de federale overheid vastgestelde productnormering". De techniek van regeling door verwijzing - die, vanuit wetgevingstechnisch oogpunt, op zich al geen aanbeveling verdient - moet ten stelligste worden afgeraden wanneer het, zoals in casu, gaat om een verwijzing naar een federaal besluit in een gewestelijke regeling. Voorzover in het voornoemde koninklijk besluit normen zouden zijn opgenomen die tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest kunnen worden gerekend, inzonderheid normen waaraan de afvalstoffen moeten voldoen om te kunnen worden aangewend als secundaire grondstof en eventueel normen inzake het gebruik van de secundaire grondstoffen (zie opmerking bij hoofdstuk 4), zouden die bepalingen in het ontwerp moeten worden opgenomen en zouden de overeenstemmende bepalingen van het koninklijk besluit, wat het Vlaamse Gewest betreft, moeten worden opgeheven. Voorzover dat koninklijk besluit normen bevat die binnen de bevoegdheidssfeer van de federale overheid vallen, inzonderheid normen betreffende het gebruik van de secundaire grondstoffen, is het Vlaamse Gewest niet bevoegd om de gelding van die normen te bevestigen, en vindt de verwijzing naar dat besluit geen rechtsgrond in artikel 11, § 1, van het afvalstoffendecreet. 2. Artikel 9.1, § 1, 14°, van het ontwerp voorziet in de opheffing van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1995 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval, waarnaar in artikel 4.2.4.1 wordt verwezen. Die verwijzing dient te worden vervangen door een verwijzing naar de artikelen 5.5.4.1 e.v. van het ontwerp, die in de plaats komen van het genoemde besluit. (4) Zie in die zin ook de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 16 juli 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/07/1993 pub. 25/03/2016 numac 2016000195 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gewone wet tot vervollediging van de federale staatsstructuur. - Officieuze coördinatie in het Duits van uittreksels sluiten, verklaringen van de heer Lisabeth, rapporteur, en van de Eerste Minister, verslag namens de Kamercommissie, Parl.St., Kamer, 1992-93, nr. 1063/7, pp. 36 en 44. Artikel 4.2.6.1 1. De grenswaarden bepaald in paragraaf 1 van dit artikel zijn reeds vervat in artikel 5.2.2.8.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (VLAREM II). De gemachtigde van de regering heeft daaromtrent de volgende toelichting verstrekt : « Geoordeeld wordt dat de regelgeving inzake secundaire grondstoffen van het afvalstoffendecreet juridisch een meer geschikte basis vormt om de omzetting van artikel 8, 3 van (richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie) (= vertaling van emissiegrenswaarden in samenstellingscriteria) te verwezenlijken. Daarom werd in uitvoering van artikel 11 van het afvalstoffendecreet afgewerkte olie als secundaire grondstof ingedeeld, op voorwaarde dat ze voldoet aan bepaalde criteria. Deze criteria worden bepaald in artikel 4.2.6.1 van het VLAREA en zijn gelijk aan deze van artikel 5.2.3.2 van titel II van het VLAREM. Daarbij is naar analogie met titel II van het VLAREM een overgangstermijn voorzien om de bestaande inrichtingen de kans te geven zich met de nieuwe normering in regel te stellen. Deze is met name veel strenger dan de vroegere uit het afvaloliebesluit van 25/07/1985 en de "oude" VLAREM II". Gelet op die toelichting dient in het ontwerp een bepaling te worden opgenomen waarbij artikel 5.2. 2.8. 3 van het voornoemde besluit van 1 juni 1995 wordt opgeheven. 2. In paragraaf 1 moet worden verwezen naar "artikel 5.5.1.4" in plaats van naar "artikel 5.3.1.4". 3. Wat de bepaling van paragraaf 2, tweede lid, betreft, die ertoe strekt de overeenstemming van de in het eerste lid opgenomen overgangsregering met richtlijn 75/439/EEG te garanderen, wordt verwezen naar de algemene opmerking 5. Afdeling 5.1 1. Artikel 14, § 7, van het afvalstoffendecreet schrijft voor dat de natuurlijke personen en rechtspersonen die een activiteit als bedoeld in de paragrafen 1, 2, 3 of 6 van datzelfde artikel 14 uitoefenen, een afvalstoffenregister moeten bijhouden, en belast de Vlaamse regering met het bepalen van de vorm van het register en van de gegevens die erin moeten worden opgenomen. Artikel 17, § 1, van het afvalstoffendecreet bepaalt dat ook de producenten van bedrijfsafvalstoffen een afvalstoffenregister moeten bijhouden. Paragraaf 3 van artikel 17 belast de Vlaamse regering met het vaststellen van nadere regels met betrekking tot de vorm en de modaliteiten van dat register. Luidens artikel 23, § 2, van het afvalstoffendecreet moeten gevaarlijke afvalstoffen vergezeld gaan van een identificatieformulier en stelt de Vlaamse regering de nadere regels vast in verband met die identificatie. Aan die bepalingen waarbij de Vlaamse regering wordt opgedragen uitvoeringsmaatregelen te nemen, wordt door het ontwerp geen uitvoering gegeven. Volgens de gemachtigde zijn de vereiste ontwerpen in voorbereiding en zullen de vast te stellen bepalingen later in het voorliggende besluit worden ingevoegd. Wat gevaarlijke afvalstoffen betreft, wordt het bijhouden van de voornoemde registers en het opmaken van het bedoelde identificatieformulier opgelegd door respectievelijk artikel 4, lid 2, en artikel 5, lid 3, van meergenoemde richtlijn 91/689/EEG. Het uitblijven van de uitvoeringsbesluiten terzake impliceert dat het Vlaamse Gewest in gebreke blijft die bepalingen van de richtlijn volledig om te zetten. Volgens de gemachtigde van de regering zijn de stellers van het ontwerp zich hiervan bewust. Artikel 5.1.2.1 In zoverre paragraaf 1 van dit artikel alleen met betrekking tot de sub 1° tot 4° vermelde afvalstoffen het vereiste van de erkenning oplegt aan de in die bepaling bedoelde ophalers en handelaars of makelaars, is de ontworpen regeling strijdig met artikel 14, § 2, van het afvalstoffendecreet : die decreetsbepaling voorziet enkel in een uitzondering met betrekking tot huishoudelijke afvalstoffen die door de gemeente huis aan huis worden opgehaald". Artikel 5.1.2.3 1. Luidens paragraaf 1 van dit artikel moeten voor elke aanvraag tot erkenning vooraf dossier- en behandelingskosten worden betaald ten belope van 5.OOO frank. Het afvalstoffendecreet biedt geen rechtsgrond voor die bepaling van het ontwerp. Ze dient dan ook te worden weggelaten. 2. De gegevens die krachtens paragraaf 2, tweede lid, 4° en 5°, van dit artikel moeten worden gevoegd bij de aanvraag tot erkenning, blijken geen verband te vertonen met enige erkenningsvoorwaarde bepaald in artikel 5.1.2.2. Beide artikelen dienen beter op elkaar te worden afgestemd. 3. Gelet op opmerking 1 dient het bepaalde onder paragraaf 2, tweede lid, 9°, te worden geschrapt. Artikel 5.1.3.1 Met betrekking tot dit artikel dient een analoge opmerking te worden gemaakt als bij artikel 5.1.2.1 : de beperking tot de in paragraaf 1, 1° tot 4°, van dat laatste artikel vermelde afvalstoffen is strijdig met artikel 14, § 3, van het afvalstoffendecreet dat niet voorziet in enige uitzondering op de registratieverplichting. Die beperking is bovendien niet verenigbaar met artikel 12 van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen. Naar luid van die bepaling dient elke ophaler, vervoerder of ondernemer die regelingen treft voor de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen, voorzover hij geen vergunning behoeft, zich te laten registreren. De gemachtigde van de regering is het met deze opmerkingen eens. Artikel 5.1.6.6 Dit artikel komt erop neer dat een specifieke regeling wordt ingevoerd met betrekking tot de openbaarheid van de gegevens opgenomen in de databank voor afvalstoffen bedoeld in artikel 5.1.6.2 (niet : artikel 5.2.2, zoals verkeerdelijk vermeld). Overeenkomstig artikel 42 van het afvalstoffendecreet wordt de bedoelde databank uitgebouwd bij de OVAM. Die openbare instelling valt onder de toepassing van het decreet van 23 oktober l991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in diensten en instellingen van de Vlaamse regering. Overeenkomstig artikel 32 van de Grondwet moeten de uitzonderingen op het principe van de openbaarheid van bestuursdocumenten bij decreet worden bepaald. De bij het voornoemde artikel 42 aan de Vlaamse regering gegeven opdracht om nadere regels te bepalen voor "de inrichting, de werking en de toegankelijkheid van... (de) databank", kan niet worden geacht de machtiging te impliceren om van de decretale regeling inzake de openbaarheid van bestuursdocumenten af te wijken. Artikel 5.1.6.6 zou in het licht van het voorgaande herschreven moeten worden. Onderafdeling 5.5.3 In deze onderafdeling wordt herhaaldelijk verwezen naar de "ADR-reglementering". Bedoeld is het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.), ondertekend op 30 september 1957 te Genève en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1960. Wil men vermijden dat de bedoelde regeling met haar volledig opschrift in de bepalingen van onderafdeling 5.5.3 wordt vermeld, dan kan worden overwogen in artikel 1.1.1, § 2, van het ontwerp een definitie van ADR-reglementering op te nemen. Een andere mogelijkheid is, bij een eerste vermelding van de regeling in het ontwerp, de omschrijving volledig op te nemen en te laten volgen door de verder te gebruiken term (« hierna ADR-reglementering te noemen"). Onderafdeling 5.5.4 1. In deze onderafdeling worden de bepalingen overgenomen van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1995 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval. In het kader van het beroep tot schorsing en tot vernietiging dat bij de afdeling administratie tegen genoemd besluit werd ingesteld (zaak aanhangig onder nr. A. 65.833/X-5956), stelde de Raad van State bij arrest nr. 59.059 van 15 april 1996, verbeterd bij arrest nr. 59.492 van 3 mei 1996, aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag met betrekking tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest om de bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 5 (dierlijk afval) van het afvalstoffendecreet vast te stellen. Bij arrest nr. 19/97 van 15 april 1997 bevestigde het Arbitragehof deze bevoegdheid (zie in het bijzonder de overwegingen B.4.1 en B.5). Het Hof deed uiteraard geen uitspraak over de vraag of de Vlaamse regering bij het vaststellen van het besluit van 24 mei 1995 binnen de gewestelijke bevoegdheid is gebleven (zie overweging B.6). Die vraag moet beslecht worden bij de afhandeling van de bij de Raad van State hangende beroepen. Gelet op het bestaan van dit geschil bij de afdeling administratie, komt het de afdeling wetgeving niet toe zich over het opgeworpen bevoegdheidsvraagstuk uit te spreken. 2. Met betrekking tot artikel 5.5.4.4 van het ontwerp, waarin de bepalingen worden overgenomen van artikel 4 van het voornoemde besluit van 24 mei 1995, kan de opmerking worden herhaald welke de Raad van State met betrekking tot die bepaling maakte in zijn advies L. 24.385/1 van 12 april 1995 en die luidde als volgt : « Het ontwerp stelt een meldingsplicht in voor producenten van hoog-risicomateriaal en een verplichting tot ophaling van het aangemelde dierlijk afval door een erkend ophaler. Enkel het op die wijze opgehaalde afval dient te worden bewerkt of verwerkt in een erkend bewerkings- of verwerkingsbedrijf. De regering zal moeten nagaan of de criteria op grond waarvan producenten al dan niet onderworpen zijn aan de meldingsplicht kunnen verantwoord worden gelet op het bepaalde in artikel 3 van de richtlijn 90/667/EEG (1) en in artikel 26, § 1, van het voornoemde decreet van 2 juli 1981, en in het licht van het gelijkheidsbeginsel". 3. De gemachtigde van de regering is het ermee eens dat in het ontwerp een overgangsregeling zou moeten worden opgenomen met betrekking tot de erkenningen en registraties die werden verleend op grond van het besluit van 24 mei 1995. Artikel 5.5.4.5 Luidens paragraaf 1, derde lid, van dit artikel bepaalt de Vlaamse minister het bedrag van de tegemoetkoming dat voor de gemaakte kosten wordt uitbetaald aan een erkende ophaler door het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur. Die bepaling vindt geen rechtsgrond in artikel 28 van het afvalstoffendecreet. De gemachtigde van de regering kon ook geen andere decreetsbepaling aanwijzen die voor de ontworpen regeling rechtsgrond zou bieden. Artikel 5.5.4.14 Volgens de gemachtigde van de regering wordt de toestemming waarvan sprake in paragraaf 1, inleidende zin, van dit artikel verleend door de OVAM. Dit dient in de ontworpen bepaling te worden gepreciseerd. Artikel 5.5.4.19 In paragraaf 2, 3°, e, derde streepje, van dit artikel wordt de tekst overgenomen van artikel 19, § 2, III, 5°, derde streepje, van het voornoemde besluit van 24 mei 1995, zoals die bepaling oorspronkelijk luidde. Die bepaling van het besluit van 24 mei 1995 is inmiddels echter vervangen bij het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 03/06/1997 pub. 25/07/1997 numac 1997035948 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1995 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval en van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne type besluit van de vlaamse regering prom. 03/06/1997 pub. 01/10/1997 numac 1997035874 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende algemene beschermingsvoorschriften, advies- en toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen sluiten, met name om de tekst aan te passen aan beschikking 96/449/EG van de Commissie van 18 juli 1996 inzake de goedkeuring van alternatieve warmtebehandelingssystemen voor de verwerking van dierlijke afvallen met het oog op de inactivering van de agentia van spongiforme encefalopathie (2). Rekening houdend met de vigerende tekst van de genoemde bepaling van het besluit van 24 mei 1995, vervange men paragraaf 2, 3°, e, derde streepje, als volgt : « - een rapport om aan te tonen dat het verwerkingsproces van afval afkomstig van zoogdieren verloopt overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5.2.2.10.8, §§ 1, 2 en 5, en 5.2.2.10.9 van titel II van het VLAREM;". (1) Bedoeld is richtlijn 90/667/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen, voor het in de handel brengen van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) en tot wijziging van richtlijn 90/425/EEG.(2) Bij de genoemde beschikking 96/449/EG wordt de in het ontwerp nog genoemde beschikking 94/382/EG van de Commissie van 27 juni 1994 overigens opgeheven. Artikelen 5.5.4.22 en 5.5.4.23 Met betrekking tot deze artikelen die ertoe strekken de "Commissie Dierlijk Afval" op te richten en de samenstelling ervan te regelen, moet erop worden gewezen dat het afvalstoffendecreet de Vlaamse regering niet op expliciete wijze de bevoegdheid verleent om een adviescommissie zoals bedoeld in dit artikel op te richten. De Vlaamse regering vindt evenwel, in de bepalingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten die haar belasten met de uitvoerende macht en met de organisatie van haar diensten, de bevoegdheid om commissies of adviesorganen op te richten, op voorwaarde dat de bedoelde organen enkel tot taak hebben haar bij de uitoefening van haar uitvoeringsopdrachten voor te lichten of niet-bindende adviezen of voorstellen te doen en op voorwaarde dat de raadpleging van die organen niet verplicht is. Wanneer echter, zoals in casu, voor de samenstelling van het consultatief orgaan een beroep wordt gedaan op privé-personen (met name de vertegenwoordigers van de producenten en van de verwerkers van dierlijk afval), of op openbare instellingen met een eigen rechtspersoonlijkheid (met name de OVAM), is een uitdrukkelijke decretale machtiging vereist. Wat de bepalingen van artikel 5.5.4.23, eerste lid, 5° en 6°, betreft, die voorzien in een vertegenwoordiging van de federale ministeries van Middenstand en Landbouw en van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu in de Commissie Dierlijk Afval, dient er bovendien te worden op gewezen dat het beginsel van de autonomie van de Staat, binnen diens bevoegdheidssfeer, een beletsel vormt voor de gewestoverheid om de federale regering te verplichten haar medewerking te verlenen aan een gewestelijke overheidstaak. Voorschriften in verband met die medewerking - die enkel uitwerking kunnen hebben in de mate dat de federale overheid bereid is er gevolg aan te geven - mogen dan ook niet derwijze worden geconcipieerd dat aan de naleving of de niet-naleving ervan rechtsgevolgen worden verbonden die de gewestoverheid op enigerlei wijze zouden binden. De eventuele weigering van de federale regering om afgevaardigden aan te wijzen - om welke reden dan ook - mag m.a.w. de geldige beraadslaging van de Commissie Dierlijk Afval niet in de weg staan. De ontworpen regeling dient in het licht van deze opmerkingen te worden herzien. Artikel 7.2.1 In zoverre het tweede lid van paragraaf 1 van dit artikel de bevoegdheid om monsters te nemen ook toekent aan de erkende laboratoria, wijkt het af van artikel 55, § 1, 2°, d), van het afvalstoffendecreet. De laatstgenoemde bepaling kent die bevoegdheid immers alleen toe aan de provinciegouverneur, de burgemeester en de ambtenaren welke door de Vlaamse regering werden aangewezen op grond van artikel 54. Artikel 9.2 1. In de inleidende zin van dit artikel dient het woord "publicatie" te worden vervangen door "bekendmaking". 2. Luidens het bepaalde sub 1° treden de artikelen 2.1.1 en 2.2.1 van het ontwerp (en de opheffing van het in artikel 9.1, § 1, 1°, vermelde besluit) in werking op 1 januari 1998. De bepalingen van de artikelen 2.1.1, 1°, en 2.2.1, 1°, zijn echter een loutere overname van artikel 3, § 2, van het afvalstoffendecreet. De regering vermag niet de inwerkingtreding van die decreetsbepalingen uit te stellen. De gemachtigde van de regering heeft verklaard dat de uitgestelde inwerkingtreding enkel betrekking heeft op de artikelen 2.1.1, 2°, en 2.2.1, 2°. Indien de bepalingen van de artikelen 2.1.1, 1°, en 2.2.1, 1°, in het ontwerp worden behouden (zie algemene opmerking 6), dient de onderhavige bepaling te worden aangepast. 3. De gemachtigde van de regering heeft bevestigd dat de verwijzing sub 2° naar artikel 3.1.1.2 foutief is; de woorden "alsook deze van het artikel 3.1.1.2" moeten worden weggelaten. 4. In de bepaling sub 4° moet worden verwezen naar artikel 5.1.2.1 in plaats van naar artikel 5.1.1.2. Bijlagen 1. In de bijlagen 4.2.1 tot 4.2.3 wordt herhaaldelijk verwezen naar methoden voor het bepalen van de totale concentratie van aanwezige stoffen "opgenomen in het afvalstoffenanalysecompendium (Ref. D/1992/5024/3)". Overeenkomstig artikel 190 van de Grondwet kan het document waarnaar wordt verwezen slechts worden geacht verbindend te zijn nadat het is bekendgemaakt. Dit kan gebeuren door dat document bijvoorbeeld zelf als bijlage bij het ontworpen besluit op te nemen. 2. In subbijlage 4.2.1.C dient in de bepalingen sub 3°, tweede lid, en sub 5° te worden verwezen naar "subbijlage 4.2.1.B" in plaats van respectievelijk naar "bijlage 4.1.B" en "bijlage 4.1.D". De kamer was samengesteld uit : de heren : W. Deroover, kamervoorzitter; P. Lemmens, L. Hellin, staatsraden; A. Alen, H. Cousy, assessoren van de afdeling wetgeving; Mevr. F. Lievens, griffier. Het verslag werd uitgebracht door de heer Mevr. R. Thielemans, auditeur. De nota van het coördinatiebureau werd opgesteld door de heer J. Drijkoningen, referendaris, en toegelicht door de heer C. Adams, adjunct-referendaris. De griffier, F. Lievens. De voorzitter, W. Deroover. Verslag aan de Vlaamse regering 1° Algemene toelichting a) Bundeling reglementering inzake afvalvoorkoming en -beheer Het afvalstoffendecreet van 2 juli 1981 werd vrij grondig gewijzigd bij decreet van 20 april 1994 (B.S. van 29 april 1994). Zo werden o.m. de artikelen 2 tot 46octies van het decreet van 2 juli 1981 vervangen door nieuwe bepalingen. Inzonderheid werden daarbij de begrippen "afvalstof", "producent", "houder", "beheer", "verwijdering", "nuttige toepassing" en "inzameling" gedefiniëerd overeenkomstig de EG-richtlijn 91/156/EEG van 18 maart 1991. Tevens werd een geëigende regelgeving ingevoerd o.m. inzake "de aanwending van afvalstoffen als secundaire grondstoffen" alsook inzake de "aanvaardingsplicht". Ingevolge deze wijziging van de decretale basisbepalingen dringt zich vooreerst een actualisering op van een hele reeks van bestaande uitvoeringsbesluiten. Verder dient uitvoering gegeven aan de nieuwe decretale basisbepalingen. Ten slotte dringen zich ook aanpassingen op ingevolge de wijzigingen van de EG-wetgeving, inzonderheid wat betreft de lijst van afvalstoffen en de lijsten van verwijderingshandelingen en nuttige toepassingen. De noodzakelijke wijzigingen van de bestaande besluiten en de verdere uitvoering van het afvalstoffendecreet zouden kunnen resulteren in een reeks van meerdere tientallen afzonderlijke uitvoeringsbesluiten. Met de bedoeling de reglementering inzake afvalvoorkoming en -beheer klaarder, doorzichtiger en beter raadpleegbaar te maken, wordt - naar analogie met de VLAREM-reglementering - evenwel geopteerd alle reglementaire uitvoeringsbesluiten, zowel de nieuwe als de bestaande, daar waar nodig geactualiseerd, te bundelen in één Vlaams reglement inzake de afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA). b) Structuur In afwijking van de bepalingen van aanwijzing 83 van de omzendbrief 97/4 betreffende de wetgevingstechniek, maar naar analogie met titel II van het VLAREM, wordt om reden van gebruiksvriendelijkheid ook hier geopteerd voor een artikelnummering bestaande uit meerdere cijfers. Het eerste cijfer verwijst naar het hoofdstuk en in voorkomend geval het tweede en het derde cijfer respectievelijk naar de afdeling en de onderafdeling. Het laatste cijfer verwijst naar het artikel zelf. Deze structuur biedt vooral het grote voordeel dat latere aanvullingen en/of wijzigingen gemakkelijker inpasbaar zijn. Gelet op de aard van de problematiek en de op dit terrein te verwachten technologische evolutie alsook de evolutie van de EG-voorschriften, kan immers verwacht worden dat in de toekomst zich quasi jaarlijks aanpassingen van deze VLAREA-reglementering zullen opdringen. Daar waar dit voor de duidelijkheid en/of leesbaarheid van het besluit nodig wordt geacht, worden bepaalde decretale bepalingen in extenso opgenomen in het besluit. Dit geldt o.m. voor de omschrijving van het toepassingsgebied onder het artikel 1.2.1. Ten einde de tekst zo veel mogelijk te verlichten werden grote delen onder bijlagen ondergebracht. Deze bijlagen volgen dezelfde nummering als de hoofdstukken, afdelingen of onderafdelingen waartoe ze behoren. Dit brengt mee dat de bijlagen niet doorlopend genummerd zijn. c) Inhoudsopgave Als bijlage bij dit verslag aan de Vlaamse regering gaat de inhoudsopgave van het besluit. Het besluit is opgesplitst in 9 hoofdstukken : het hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen met inzonderheid definities, de bepaling van de afvalstoffencatalogus en de omschrijving van verwijderingshandelingen en van de nuttige toepassingen; om de leesbaarheid te bevorderen worden definities die enkel in een specifiek hoofdstuk, geëigende afdeling of onderafdeling worden gebruikt, opgenomen onder dit hoofdstuk, afdeling of onderafdeling; onder het hoofdstuk 2 worden de verschillende categorieën van afvalstoffen gedefinieerd; het betreft hier in de eerste plaats huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen; ook worden de bijzondere afvalstoffen en de gevaarlijke afvalstoffen nader bepaald; onder het hoofdstuk 3 wordt de aanvaardingsplicht geregeld voor bepaalde papierafval, voertuigwrakken, rubberbanden, bruin- en witgoed alsook voor accu's en batterijen; het hoofdstuk 4 geeft uitvoering aan het afvalstoffendecreet om bepaalde afvalstoffen als secundaire grondstoffen te mogen aanwenden; het hoofdstuk 5 stelt een aantal regels vast met betrekking tot de inzameling, het vervoer en de verwerking van afvalstoffen; het hoofdstuk 6 regelt de invoer en uitvoer van afvalstoffen; onder het hoofdstuk 7 worden de regels vastgelegd voor de monsterneming en de analyse van afvalstoffen; het hoofdstuk 8 wijst de toezichthoudende ambtenaren aan; het hoofdstuk 9 ten slotte bevat een aantal slot- en opheffingsbepalingen en preciseert inzonderheid de data van inwerkingtreding van de bepalingen van het besluit. Aan het besluit zijn tien bijlagen toegevoegd. Het betreft : de bijlage 1.2.1 die de Afvalstoffencatalogus bevat; de bijlage 2.4.1.1 die de te gebruiken testmethoden voor de bepaling van de in het artikel 2.4.1, § 1 van het VLAREA bedoelde eigenschappen omschrijft; de bijlage 2.4.1.2 met de lijst van gevaarlijke afvalstoffen; de bijlage 4.1 die de lijst van afvalstoffen die in aanmerking komen voor gebruik als secundaire grondstoffen omvat; de bijlage 4.2.1 die de voorwaarden inzake samenstelling en gebruik vaststelt om afvalstoffen als secundaire grondstoffen voor meststof of bodemverbeterend middel te mogen aanwenden; deze bijlage bestaat uit de volgende 3 subbijlagen : - subbijlage 4.2.1.A : samenstellingsvoorwaarden; - subbijlage 4.2.1.B: gebruiksvoorwaarden; - subbijlage 4.2.1.C: specifieke voorwaarden voor gebruik van behandeld slib als meststof of bodemverbeterend middel; de bijlage 4.2.2 die de voorwaarden inzake samenstelling vaststelt om afvalstoffen als secundaire grondstoffen voor bouwstof te mogen aanwenden; deze bijlage bestaat uit de volgende 3 subbijlagen : - subbijlage 4.2.2.A : voorwaarden voor gebruik in of als niet-vormgegeven bouwstof; - subbijlage 4.2.2.B : voorwaarden voor gebruik in of als vormgegeven bouwstof; - subbijlage 4.2.2.C : immissiegrenswaarden voor bodem; de bijlage 4.2.3 die de voorwaarden inzake samenstelling vaststelt om afvalstoffen als secundaire grondstoffen voor bodem te mogen aanwenden; de bijlage 4.3 met het standaardformulier voor de aanvraag van het gebruikscertificaat secundaire grondstoffen; de bijlage 5.5.3.2 omvattende 2 (sub)bijlagen met betrekking tot de medische afval; de bijlage 6 die de groene, oranje en rode afvalstoffenlijsten omvat behorende bij de Verordening (EEG) 259/93/EG zoals vastgesteld door de Beschikking van de EG-Commissie 94/721/EG van 21 oktober 1994; deze bijlage bestaat uit de volgende 3 subbijlagen : - subbijlage 6.A : groene lijst van afvalstoffen; - subbijlage 6.B : oranje lijst van afvalstoffen; - subbijlage 6.C : rode lijst van afvalstoffen. 2° Toelichting van enkele belangrijke bepalingen a) Definitie en omschrijving van het begrip afvalstof Het begrip afvalstof is in het afvalstoffendecreet gedefinieerd (artikel 2, 1°).Met toepassing van het artikel 3, § 1 van het afvalstoffendecreet en in overeenstemming met de EG-voorschriften (de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen 94/3/EG van 20 december 1993 houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a) van Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen 75/442/EEG betreffende afvalstoffen) wordt door artikel 1.2.1 de Afvalstoffencatalogus vastgesteld (bijlage 1.2.1 bij het besluit). Het is belangrijk te onderstrepen dat de stoffen en voorwerpen voorkomend op voornoemde Afvalstoffencatalogus niet altijd en niet zonder meer als afvalstof mogen worden beschouwd (z …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.