Wet houdende instemming met het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszake
Kort samengevat
Deze wet bekrachtigt een Verdrag en bijbehorende Protocollen en Slotakte, opgesteld in Lugano op 16 september 1988, die regels vaststellen voor rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Het doel is om de rechtsbescherming te vergroten en de rechtsgang in internationale zaken te vergemakkelijken.
Wat het regelt
- De bevoegdheid van gerechten in internationale burgerlijke en handelszaken.
- De erkenning en tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen.
- De eenheid in de uitlegging van het Verdrag.
- Specifieke regels voor bevoegdheid in verzekeringszaken.
Wie het aanbelangt
- Personen die woonplaats hebben op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat.
- Verzekeraars en verzekeringnemers in internationale geschillen.
Kernpunten
- Het Verdrag is van toepassing op burgerlijke en handelszaken, maar niet op fiscale, douane- of administratiefrechtelijke zaken, noch op zaken betreffende de staat van natuurlijke personen, huwelijksgoederenrecht, testamenten, erfenissen, faillissement, sociale zekerheid of arbitrage.
- Degenen die woonplaats hebben in een Verdragsluitende Staat worden in principe opgeroepen voor de gerechten van die Staat.
- Specifieke uitzonderingen op deze hoofdregel zijn mogelijk, bijvoorbeeld voor verbintenissen uit overeenkomst, onderhoudsverplichtingen, onrechtmatige daad, of geschillen betreffende filialen.
- In verzekeringszaken kan een verzekeraar met woonplaats in een Verdragsluitende Staat worden opgeroepen voor de gerechten van zijn woonplaats, de woonplaats van de verzekeringnemer, of in bepaalde gevallen de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.
Wettekst
MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING 27 NOVEMBER 1996. Wet houdende instemming met het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, het Protocol nr. 1 betreffende enkele onderwerpen van bevoegdheid, wijze van procederen en tenuitvoerlegging, het Protocol nr. 2 betreffende de eenheid in de uitlegging van het Verdrag, het Protocol nr. 3 betreffende de toepassing van artikel 57, de drie Verklaringen, en de Slotakte, opgemaakt te Lugano op 16 september 1988
- a)de omstandigheid dat een het geding inleidend stuk wordt betekend of medegedeeld aan de verweerder die tijdelijk in het Verenigd Koninkrijk verblijft;
- b)de aanwezigheid van goederen die toebehoren aan de verweerder in het Verenigd Koninkrijk;of
- c)het beslag door de eiser gelegd op goederen die zich in het Verenigd Koninkrijk bevinden. Artikel 4 Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, wordt de bevoegdheid in elke Verdragsluitende Staat geregeld door de wetgeving van die Staat, onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 16. Tegen deze verweerder kan ieder, ongeacht zijn nationaliteit, die op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat woonplaats heeft, aldaar op dezelfde voet als de eigen onderdanen van die Staat de bevoegdheidsregels inroepen die er van kracht zijn, met name de regels, bedoeld in artikel 3, tweede lid. Afdeling 2. - Bijzondere bevoegdheid Artikel 5 De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen : 1. ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst : voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht en, wanneer de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, de plaats waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen; 2. ten aanzien van onderhoudsverplichtingen : voor het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is die verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen wet bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen;3. ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad : voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan;4. ten aanzien van een op een strafbaar feit gegronde rechtsvordering tot schadevergoeding of tot teruggave : voor het gerecht waarbij de strafvervolging is ingesteld, zulks voor zover volgens de interne wetgeving dit gerecht van de burgerlijke vordering kennis kan nemen;5. ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging : voor het gerecht van de plaats waar zij gelegen zijn;6. als oprichter, trustee of begunstigde van een trust, die in het leven is geroepen op grond van de wet of bij geschrifte dan wel bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst : voor de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de trust gevestigd is;7. ten aanzien van een geschil betreffende de betaling van de beloning wegens de hulp of berging die aan een lading of vracht ten goede is gekomen : voor het gerecht in het rechtsgebied waarvan op deze lading of de daarop betrekking hebbende vracht :
- a)beslag is gelegd tot zekerheid van deze betaling, of
- b)daartoe beslag had kunnen worden gelegd, maar borgtocht of andere zekerheid is gesteld; deze bepaling is slechts van toepassing indien wordt beweerd dat de verweerder een recht heeft op de lading of de vracht, of dat hij daarop een zodanig recht had op het tijdstip van deze hulp of berging. Artikel 6 Deze verweerder kan ook worden opgeroepen : 1. indien er meer dan één verweerder is : voor het gerecht van de woonplaats van één hunner;2. bij een vordering tot vrijwaring of bij een vordering tot voeging of tussenkomst : voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is, tenzij de vordering slechts is ingesteld om de opgeroepene af te trekken van de rechter die de wet hem toekent;3. en aanzien van een tegeneis die voortspruit uit de overeenkomst of uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke eis is gegrond : voor het gerecht waar deze laatste aanhangig is;4. ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst, indien de vordering vergezeld kan gaan van een zakelijke vordering betreffende een onroerend goed tegen dezelfde verweerder : voor de gerechten van de Verdragsluitende Staat waarin het onroerend goed gelegen is. Artikel 6bis Wanneer een gerecht van een Verdragsluitende Staat uit hoofde van dit verdrag bevoegd is kennis te nemen van vorderingen ter zake van aansprakelijkheid voortvloeiend uit het gebruik of de exploitatie van een schip, neemt dit gerecht, of elk ander gerecht dat volgens het nationale recht van deze Staat in zijn plaats treedt, tevens kennis van de vorderingen tot beperking van deze aansprakelijkheid. Afdeling 3. - Bevoegdheid in verzekeringszaken Artikel 7 De bevoegdheid in verzekeringszaken is in deze afdeling geregeld, onverminderd bepaalde in de artikelen 4 en 5, nr. 5. Artikel 8 De verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat kan worden opgeroepen : 1. voor de gerechten van de Staat waar hij woonplaats heeft, of 2.in een andere Verdragsluitende Staat, voor het gerecht van de woonplaats van de verzekeringnemer, of 3. indien het een medeverzekeraar betreft, voor het gerecht van een Verdragsluitende Staat waar de vordering tegen de eerste verzekeraar is ingesteld. Wanneer de verzekeraar geen woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, maar in een Verdragsluitende Staat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die Staat. Artikel 9 De verzekeraar kan bovendien worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, indien het geschil een aansprakelijkheidsverzekering of een verzekering welke betrekking heeft op onroerende goederen betreft. Hetzelfde geldt voor het geval dat de verzekering zowel betrekking heeft op onroerende als op roerende goederen welke door een zelfde polis zijn gedekt en door hetzelfde onheil zijn getroffen. Artikel 10 Ter zake van aansprakelijkheidsverzekering kan de verzekeraar eveneens worden opgeroepen voor het gerecht waar de rechtsvordering van de getroffene tegen de verzekerde aanhangig is, indien de voor dit gerecht geldende wetgeving het toelaat. De artikelen 7, 8 en 9 zijn van toepassing op de vordering welke door de getroffene rechtstreeks tegen de verzekeraar wordt ingesteld, indien de rechtstreekse vordering mogelijk is. Indien de wettelijke bepalingen betreffende deze rechtstreekse vordering het in het geding roepen van de verzekeringnemer of de verzekerde regelen, is hetzelfde gerecht ook te hunnen opzichte bevoegd. Artikel 11 Onverminderd het bepaalde in artikel 10, derde lid, kan de vordering van de verzekeraar slechts worden gebracht voor de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, ongeacht of deze laatste verzekeringnemer, verzekerde of begunstigde is. De bepalingen van deze afdeling laten het recht om een tegeneis in te stellen bij het gerecht voor hetwelk met inachtneming van deze afdeling de oorspronkelijke eis is gebracht, onverlet. Artikel 12 Van de bepalingen van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten : 1. gesloten na het ontstaan van het geschil, of 2.die aan de verzekeringnemer, de verzekerde of de begunstigde de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken, of 3. waarbij een verzekeringnemer en een verzekeraar die, op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, hun woonplaats of gewone verblijfplaats in dezelfde Verdragsluitende Staat hebben, zelfs als het schadebrengende feit zich in het buitenland heeft voorgedaan, de gerechten van die Staat bevoegd verklaren tenzij de wetgeving van die Staat dergelijke overeenkomsten verbiedt, of 4.gesloten door een verzekeringnemer die zijn woonplaats niet in een Verdragsluitende Staat heeft, behoudens in geval van verplichte verzekering dan wel in geval van verzekering van een in een Verdragsluitende Staat gelegen onroerend goed, of 5. die betrekking hebben op een verzekeringsovereenkomst, voor zover daarmee een of meer van de risico's bedoeld in artikel 12bis worden gedekt. Artikel 12bis. De in artikel 12, nr. 5 bedoelde risico's zijn de volgende : 1. elke schade :
- a)aan zeeschepen, vaste installaties in de kustwateren of in volle zee, of luchtvaartuigen, die wordt veroorzaakt door gebeurtenissen in verband met het gebruik daarvan voor handelsdoeleinden;
- b)aan andere goederen dan de bagage van passagiers, toegebracht tijdens het vervoer met deze schepen of luchtvaartuigen of tijdensgemengd vervoer waarbij mede met deze schepen of luchtvaartuigen wordt vervoerd;2. elke aansprakelijkheid, met uitzondering van die voor lichamelijk letsel van passagiers of schade aan hun bagage :
- a)voortvloeiend uit het gebruik of de exploitatie van de schepen, installaties of luchtvaartuigen overeenkomstig nr.1, sub a), voor zover ter zake overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter niet zijn verboden bij de wet van de Verdragsluitende Staat waar de luchtvaartuigen ingeschreven zijn;
- b)veroorzaakt door de goederen gedurende vervoer als bedoeld onder nr.1, sub b); 3. de geldelijke verliezen in verband met het gebruik of de exploitatie van de schepen, installaties of luchtvaartuigen overeenkomstig nr.1, sub a), inzonderheid verlies van vracht of verlies van opbrengst van vervrachting; 4. elk risico dat komt bij een van de onder nr.1 tot en met nr. 3 genoemde risico's. Afdeling 4. Bevoegdheid inzake door consumenten gesloten overeenkomsten Artikel 13 Ter zake van overeenkomsten gesloten door een persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, hierna te noemen de consument, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 en 5, nr. 5, 1. wanneer het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken, 2.wanneer het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van koopovereenkomsten van zodanige zaken, 3. voor elke andere overeenkomst die betrekking heeft op de verstrekking van diensten of op de levering van roerende lichamelijke zaken indien
- a)de sluiting van de overeenkomst in de Staat waar de consument woonplaats heeft, is voorafgegaan door een bijzonder voorstel of reclame, en
- b)de consument in die Staat de voor de sluiting van die overeenkomst noodzakelijke handelingen heeft verricht. Wanneer de wederpartij van de consument geen woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, maar in een Verdragsluitende Staat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die Staat. Deze afdeling is niet van toepassing op de vervoerovereenkomst. Artikel 14 De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan deze partij woonplaats heeft, hetzij voor de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft. De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de andere partij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft. Deze bepalingen laten het recht om een tegeneis in te stellen bij het gerecht, waarvoor met inachtneming van deze afdeling de oorspronkelijke eis is gebracht, onverlet. Artikel 15 Van de bepalingen van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten : 1. gesloten na het ontstaan van het geschil, of 2.die aan de consument de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken, of 3. waarbij een consument en zijn wederpartij, die op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst hun woonplaats of hun gewone verblijfplaats hebben in dezelfde Verdragsluitende Staat, de gerechten van die Staat bevoegd verklaren, tenzij de wetgeving van die Staat dergelijke overeenkomsten verbiedt. Afdeling 5. - Exclusieve bevoegdheid Artikel 16 Ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd : 1.
- a)ten aanzien van zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen : de gerechten van de Verdragsluitende Staat waar het onroerend goed gelegen is,
- b)ten aanzien evenwel van huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor ten hoogste zes opeenvolgende maanden : eveneens de gerechten van de Verdragsluitende Staat waar de verweerder woonplaats heeft, mits de huurder of pachter een natuurlijke persoon is en geen van de partijen woonplaats heeft in de Verdragsluidende Staat waar het onroerend goed gelegen is;2. ten aanzien van de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen met plaats van vestiging in een Verdragsluitende Staat, dan wel ten aanzien van de besluiten van hun organen : de gerechten van die Staat;3. ten aanzien van de geldigheid van inschrijvingen in openbare registers : de gerechten van de Verdragsluitende Staat waar deze registers worden gehouden;4. ten aanzien van de registratie of de geldigheid van octrooien, merken, tekeningen en modellen van nijverheid, en andere soortgelijke rechten welke aanleiding geven tot deponering of registratie : de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de deponering of registratie is verzocht, heeft plaatsgehad of geacht wordt te hebben plaatsgehad in de zin van een internationale overeenkomst;5. ten aanzien van de tenuitvoerlegging van beslissingen : de gerechten van de Verdragsluitende Staat van de plaats van tenuitvoerlegging. Afdeling 6. - Door partijen aangewezen bevoegde rechter Artikel 17 1. Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, een gerecht of de gerechten van een Verdragsluitende Staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die Staat bij uitsluiting bevoegd.Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter dient te worden gesloten :
- a)hetzij bij een schriftelijke overeenkomst, hetzij bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;
- b)hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelswijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;
- c)hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen. Wanneer een dergelijke overeenkomst wordt gesloten door partijen die geen van allen woonplaats op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat hebben, kunnen de gerechten van de andere Verdragsluitende Staten van het geschil geen kennis nemen, zolang het aangewezen gerecht of de aangewezen gerechten zich niet onbevoegd hebben verklaard. 2. Het gerecht of de gerechten van een Verdragsluitende Staat waaraan in de oprichtingsakte van een trust bevoegdheid is toegekend, zijn bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van een vordering tegen een oprichter, een trustee of een begunstigde van een trust, als het gaat om de betrekkingen tussen deze personen of om hun rechten of verplichtingen in het kader van de trust.3. Overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter en soortgelijke bedingen in akten tot oprichting van een trust hebben geen rechtsgevolg indien zij strijdig zijn met de bepalingen van de artikelen 12 en 15, of indien de gerechten op welker bevoegdheid inbreuk wordt gemaakt, krachtens artikel 16 bij uitsluiting bevoegd zijn.4. Indien een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter slechts is gemaakt ten behoeve van een der partijen, behoudt deze het recht zich te wenden tot elk ander gerecht dat op grond van dit verdrag bevoegd is.5. Ten aanzien van geschillen inzake individuele arbeidsovereenkomsten hebben overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter alleen gevolg indien deze laatste overeenkomsten zijn gesloten na het ontstaan van het geschil. Artikel 18 Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van dit verdrag, is de rechter van een Verdragsluitende Staat voor wie de verweerder verschijnt, bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning uitsluitend ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 16 bij uitsluiting bevoegd is. Afdeling 7. - Toetsing van de bevoegdheid en de ontvankelijkheid Artikel 19 De rechter van een Verdragsluitende Staat bij wie een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor krachtens artikel 16 een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat bij uitsluiting bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd. Artikel 20 Wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat voor een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart de rechter zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van dit verdrag. De rechter is verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan. Het bepaalde in het voorgaande lid wordt vervangen door de bepalingen van artikel 15 van het verdrag van 's-Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken, indien de toezending van het stuk dat het geding inleidt, overeenkomstig het bepaalde in dat verdrag moest geschieden. Afdeling 8. - Aanhangigheid en samenhang Artikel 21 Wanneer voor gerechten van verschillende Verdragsluitende Staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd. Artikel 22 Wanneer samenhangende vorderingen bij gerechten van verschillende Verdragsluitende Staten zijn aangebracht en in eerste aanleg aanhangig zijn, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden. Dit gerecht kan, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijdering overgaan mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat en het gercht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, bevoegd is van de beide vorderingen kennis te nemen. Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven. Artikel 23 Wanneer ten aanzien van detvorderingen meer dan een gerecht bij uitsluiting bevoegd is, worden partijen verwezen naar het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt. Afdeling 9. Voorlopige maatregelen en maatregelen tot bewaring van recht Artikel 24 In de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voorziene voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de rechterlijke autoriteiten van die Staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat krachtens dit verdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen. TITEL III. - Erkenning en tenuitvoerlegging Artikel 25 Onder beslissing in de zin van dit verdrag wordt verstaan, elke door een gerecht van een Verdragsluitende Staat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel, alsmede de vaststelling door de griffie van het bedrag der proceskosten. Afdeling 1. - Erkenning Artikel 26 De in een Verdragsluitende Staat gegeven beslissingen worden in de overige Verdragsluitende Staten erkend zonder vorm van proces. Indien tegen de erkenning van een beslissing bezwaar wordt gemaakt, kan iedere partij die er belang bij heeft, ten principale te zien vastgesteld dat de beslissing erkend dient te worden, gebruik maken van de procedure, geregeld in de afdelingen 2 en 3 van deze titel. Wordt ten overstaan van een gerecht van een Verdragsluitende Staat de erkenning bij wege van tussenvordering gevraagd, dan is dit gerecht bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Artikel 27 Beslissingen worden niet erkend : 1. indien de erkenning strijdig is met de openbare orde van de aangezochte Staat;2. indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld;3. indien de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte Staat gegeven beslissing;4. indien de rechter van de Staat van herkomst, om tot zijn beslissing te komen, zich heeft uitgesproken over een vraag betreffende de staat of de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen en daarbij een regel van internationaal privaatrecht van de aangezochte Staat heeft geschonden, tenzij de beslissing tot hetzelfde resultaat voert als wanneer de regels van internationaal privaatrecht van de aangezochte Staat zouden zijn toegepast;5. indien de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een niet bij het verdrag partij zijn de Staat tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte Staat. Artikel 28 De belissingen worden eveneens niet erkend indien de bepalingen van de afdelingen 3, 4 en 5 van titel II zijn geschonden, alsook indien het in artikel 59 bedoelde geval zich voordoet. Erkenning van een beslissing kan voorts worden geweigerd indien een van de in artikel 54ter, derde lid, of in artikel 57, vierde lid, bedoelde gevallen zich voordoet. Bij de toetsing of de in de vorige leden genoemde bevoegdheidsregels niet geschonden zijn, is de aangezochte instantie gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan het gerecht van de Staat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen. Onverminderd het bepaalde in de eerste twee leden, mag de bevoegdheid van de gerechten van de Staat van herkomst niet worden getoetst; de bevoegdheidsregels betreffen niet de openbare orde als bedoeld in artikel 27, nr. 1. Artikel 29 In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing. Artikel 30 De rechterlijke autoriteit van een Verdragsluitende Staat, bij wie de erkenning van een in een andere Verdragsluitende Staat gegeven beslissing wordt ingeroepen, kan haar uitspraak aanhouden indien tegen deze belissing een gewoon rechtsmiddel is aangewend. De rechterlijke autoriteit van een Verdragsluitende Staat, bij wie de erkenning wordt ingeroepen van een in Ierland of het Verenigd Koninkrijk gegeven beslissing, waarvan de tenuitvoerlegging door een daartegen aangewend rechtsmiddel in de Staat van herkomst is geschorst, kan haar uitspraak aanhouden. Afdeling 2. - Tenuitvoerlegging Artikel 31 De beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. In het Verenigd Koninkrijk worden deze beslissingen in Engeland en Wales, in Schotland of in Noord-Ierland echter eerst ten uitvoer gelegd na ten verzoeke van iedere belanghebbende partij in het betrokken deel van het Verenigd Koninkrijk voor tenuitvoerlegging te zijn geregistreerd. Artikel 32 1. Het verzoek wordt gericht : - in België, tot de rechtbank van eerste aanleg of tribunal de premiere instance; - in Denemarken, tot de byret; - in de Bondsrepubliek Duitsland, tot de president van een kamer van het Landgericht; - in Griekenland, tot; - in Spanje, tot de Juzgado de Primera Instancia; - in Frankrijk, tot de president van het tribunal de grande instance; - in lerland, tot het High Court; - in IJsland, tot de hérasdómari; - in Italië, tot het corte d'appello; - in Luxemburg, tot de president van het tribunal d'arrondissement; - in Nederland, tot de president van de arrondissementsrechtbank; - in Noorwegen, tot de herredsratt of byrett als namsrett; - in Oostenrijk, tot het Landesgericht of het Kreisgericht; - in Portugal, tot het Tribunal Judicial de Circulo; de beslissing wordt gegeven door de Juiz de Circulo; - in Zwitserland :
- a)ten aanzien van beslissingen houdende een veroordeling tot betaling van een geldsom, tot het gerecht dat opheffing gelast/juge de la mainlevée/Rechtsöffnungsrichter/giudice competente a pronunciare sul rigetto dell' opposizione, in het geval van de procedure krachtens de artikelen 80 en 81 van de federale wet op vervolging wegens faillissementsschulden/Loi fédérale sur la poursuite pour dettes et la faillite/Bundesgesetz über Schuldbetreibung und Konkurs/Legge federale sulla esecuzione e sul fallimento;
- b)ten aanzien van beslissingen niet houdende een veroordeling tot betaling van een geldsom, tot de bevoegde exequaturrechter van het kanton/juge cantonal d'exequatur compétent/zuständiger kantonaler Vollstreckungsrichter/giudice cantonele competente a pronunciare l'exequatur; - in Finland, tot de ulosotonhaltija/överexejutor; - in Zweden, tot de Svea hovrätt; - in het Verenigd Koninkrijk :
- a)in Engeland en Wales, tot het High Court of Justice of, in geval van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, tot het Magistrates' Court, door tussenkomst van de Secretary of State;
- b)in Schotland, tot het Court of Session of, in geval van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, door tussenkomst van de Secretary of State, tot het Sheriff Court;
- c)in Noord-Ierland, tot het High Court of Justice of, in geval van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, door tussenkomst van de Secretary of State, tot het Magistrates' Court.2. Het relatief bevoegde gerecht is dat van de woonplaats van de partij tegen wie dede tenuinoerlegging wordtgevraagd.Indien deze partij geen woonplaats heeft in de aangezochte Staat, wordt de bevoegdheid bepaald door de plaats van tenuitvoerlegging. Artikel 33 De vereisten waaraan het verzoek moet voldoen, worden vastgesteld door de wet van de aangezochte Staat. De verzoeker moet, binnen het rechtsgebied van het gerecht dat van het verzoek kennis neemt, woonplaats kiezen. Kent echter de wetgeving van de aangezochte Staat geen woonplaatskeuze, dan kan de verzoeker een procesgemachtigde aanwijzen. Bij het verzoek worden gevoegd de in de artikelen 46 en 47 genoemde documenten. Artikel 34 Het gerecht tot hetwelk het verzoek is gericht, doet onverwijld uitspraak; de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in deze stand van de procedure niet gehoord. Het verzoek kan slechts om een van de in de artikelen 27 en 28 genoemde redenen worden afgewezen. In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing. Artikel 35 De op het verzoek gegeven beslissing wordt door bemiddeling van de griffier onverwijld ter kennis van de verzoeker gebracht op de wijze als is bepaald in de wetgeving van de aangezochte Staat. Artikel 36 Indien de tenuitvoerlegging wordt toegestaan, kan de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, binnen één maand na de betekening van de beslissing daartegen verzet doen. Indien deze partij woonplaats heeft in een andere Verdragsluitende Staat dan die waar de beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging is gegeven, beloopt de termijn twee maanden en vangt aan op de dag dat de beslissing aan de partij in persoon of aan haar woonplaats is betekend. Deze termijn mag niet op grond van de afstand worden verlengd. Artikel 37 1. Het verzet wordt volgens de regels van de procedure op tegenspraak gebracht : - in België, voor de rechtbank van eerste aanleg of tribunal de première instance; - in Denemarken, voor de landsret; - in de Bondsrepubliek Duitsland, voor het Oberlandesgericht; - in Griekenland, voor de; - in Spanje, voor de Audiencia Provincial; - in Frankrijk, voor het cour d'appel; - in Ierland, voor het High Court; - in IJsland, voor de hérasdómari; - in Italië, voor het corte d'appello; - in Luxemburg, voor het Cour supérieure de justice siégeant en matière d'appel civil; - in Nederland, voor de arrondissementsrechtbank; - in Noorwegen, voor de Lagmansrett; - in Oostenrijk, voor het Landesgericht of het Kreisgericht; - in Portugal, voor het Tribunal da Relaç½o; - in Zwitserland, voor het tribunal du canton/ Kantons gericht/tribunale cantonale; - in Finland, voor de hovioikeus/hovrätt; - in Zweden, voor de Svea hovrätt; - in het Verenigd Koninkrijk :
- a)in Engeland en Wales, voor het High Court of Justice of, in geval van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, voor het Magistrates' Court;
- b)in Schotland voor het Court of Session of, in geval van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, voor het Sheriff Court;
- c)in Noord-Ierland, voor het High Court of Justice of, in geval van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, voor het Magistrates Court.2. Tegen de op het verzet gegeven beslissing kan - in België, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland slechts een beroep in cassatie worden ingesteld; - in Denemarken slechts, met machtiging van de minister van Justitie, een beroep bij de hojesteret worden ingesteld; - in de Bondsrepubliek Duitsland slechts het middel van Rechtsbeschwerde worden aangewend; - in Ierland slechts het rechtsmiddel van beroep over een rechtsvraag bij het Supreme Court worden aangewend; - in IJsland slechts een beroep bij de Hjstiréttur worden ingesteld; - in Noorwegen slechts een beroep (« Kjaeremal » of « anke ») bij de Hoyesteretts Kjjeremalsutvalg of Hoyesterett worden ingesteld; - in Oostenrijk, in geval van beroep, slechts Revisionsrekurs worden ingesteld, en in geval van verzet slechts Berüfung met de eventuele mogelijkheid van Revision; - in Portugal slechts het rechtsmiddel van beroep inzake een rechtsvraag worden aangewend; - in Zwitserland slechts een recours de droit public devant le tribunal fédéral/staatsrechtliche Beschwerde beim Bundesgericht/ricorso di diritto publico davanti al tribunale federale worden ingesteld; - in Finland slechts een beroep bij het korkein oikeus/högsta domstolen worden ingesteld; -in Zweden slechts een beroep bij het högsta domstolen worden ingesteld; - in het Verenigd Koninkrijk slechts in één hogere instantie het rechtsmiddel van beroep over een rechtsvraag worden aangewend. Artikel 38 Het gerecht dat over het verzet oordeelt, kan op verzoek van de partij die het verzet heeft gedaan, zijn uitspraak aanhouden indien tegen de in den vreemde gegeven beslissing in de Staat van herkomst een gewoon rechtsmiddel is aangewend of indien de termijn daarvoor nog niet is verstreken; in dit laatste geval kan het gerecht een termijn stellen waarbinnen het rechtsmiddel moet worden aangewend. Indien de beslissing in Ierland of het Verenigd Koninkrijk is gegeven, wordt elk rechtsmiddel dat in de Staat van herkomst kan worden ingesteld, voor de toepassing van het eerste lid beschouwd als een gewoon rechtsmiddel. Dit gerecht kan het verlof tot tenuitvoerlegging ook geven op voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld; de zekerheid wordt door het gerecht omschreven. Artikel 39 Gedurende de termijn van verzet bedoeld in artikel 36 en tot het tijdstip dat daarover uitspraak is gedaan, kunnen slechts bewarende maatregelen worden genomen ten aanzien van de goederen van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd. De beslissing waarbij de tenuitvoerlegging wordt toegestaan, houdt tevens het verlof in deze maatregelen te treffen. Artikel 40 1. Indien zijn verzoek is afgewezen, kan de verzoeker daartegen beroep instellen : - in België, bij het hof van beroep of cour d'appel; - in Denemarken, bij de landsret; - in de Bondsrepubliek Duitsland, bij het Oberlandesgericht; - in Griekenland, bij de; - in Spanje, bij de Audienca Provincial; - in Frankrijk, bij het cour d'appel; - in Ierland, bij het High Court; - in IJsland, bij de hérasdómari; - in Italië, bij het corte d'appello; - in Luxemburg, bij het Cour supérieure de justice siégeant en matière d'appel civil; - in Nederland, bij het gerechtshof; - in Noorwegen, bij de lagmansrett; - in Oostenrijk, bij het Landesgericht of het Kreisgericht; - in Portugal, bij het Tribunal da Relac½o; - in Zwitserland, bij het tribunal cantonal/Kantonsgericht/ tribunale cantonale; - in Finland, bij de hovioikeus/hovrätt; - in Zweden, bij de Svea hovrätt; - in het Verenigd Koninkrijk :
- a)in Engeland en Wales, bij het High Court of Justice of, in geval van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, bij het Magistrates' Court;
- b)in Schotland bij het Court of Session of, in geval van een,beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, bij het Sheriff Court;
- c)in Noord-Ierland, bij het High Court of Justice of, in geval van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, bij het Magistrates' Court.2. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, wordt opgeroepen te verschijnen voor het gerecht bij hetwelk het beroep is ingesteld.In geval van verstek zijn de bepalingen van artikel 20, tweede en derde lid, van toepassing, ook wanneer deze partij geen woonplaats heeft op het grondgebied van een der Verdragsluitende Staten. Artikel 41 Tegen de beslissing waarbij over het beroep bedoeld in artikel 40 uitspraak wordt gedaan, kan - in België, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland slechts een beroep in cassatie worden ingesteld; - in Denemarken slechts, met machtiging van de minister van Justitie, een beroep bij de hojesteret worden ingesteld; - in de Bondsrepubliek Duitsland slechts het middel van Rechtsbeschwerde worden aangewend; - in Ierland slechts het rechtsmiddel van beroep over een rechtsvraag bij het Supreme Court worden aangewend; - in IJsland slechts een beroep bij de Hjstiréttur worden ingesteld; - in Noorwegen slechts een beroep (« kjjremal » of « anke ») bij de Hoyesteretts kjjremalsutvalg of Hoyesterett worden ingesteld; - in Oostenrijk slechts Revisionsrekurs worden ingesteld; - in Portugal slechts het rechtsmiddel van beroep inzake een rechtsvraag worden aangewend; - in Zwitserland slechts een recours de droit public devant le tribunal fédéral/staatsrechtliche Beschwerde beim Bundesgericht/ricorso di diritto pubblico davanti al tribunale fedsrale worden ingesteld; - in Finland slechts een beroep bij het korkein oikeus/högsta domstolen worden ingesteld; - in Zweden slechts een beroep bij het högsta domstolen worden ingesteld; - in het Verenigd Koninkrijk slechts in één hogere instantie het rechtsmiddel van beroep over een rechtsvraag worden aangewend. Artikel 42 Wanneer in de in den vreemde gegeven beslissing uitspraak is gedaan over meer dan een punt van de eis, en de tenuitvoerlegging niet voor het geheel kan worden toegestaan, staat de rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging toe voor één of meer onderdelen daarvan. De verzoeker kan vorderen dat het verlof tot tenuitvoerlegging een gedeelte van de uitspraak betreft. Artikel 43 In den vreemde gegeven beslissingen die een veroordeling tot een dwangsom inhouden, kunnen in de aangezochte Staat slechts ten uitvoer worden gelegd indien het bedrag ervan door de gerechten van de Staat van herkomst definitief is bepaald. Artikel 44 De verzoeker die in de Staat van herkomst in aanmerking kwam voor gehele of gedeeltelijke kosteloze rechtsbijstand of vrijstelling van kosten en uitgaven, komt in de procedure volgens de artikelen 32 tot en met 35 in aanmerking voor de meest gunstige bijstand of voor de meest ruime vrijstelling waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet. De verzoeker die tenuitvoerlegging van een in Denemarken of IJsland door een administratieve autoriteit gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen vraagt, kan in de aangezochte Staat een beroep doen op het in het eerste lid bedoelde voorrecht, indien hij een door het Deense of door het IJslandse ministerie van Justitie afgegeven verklaring overlegt ten bewijze van het feit dat hij voldoet aan de economische voorwaarden om hem geheel of gedeeltelijk voor kosteloze rechtsbijstand of vrijstelling van kosten en uitgaven in aanmerking te doen komen. Artikel 45 Aan de partij die een Verdragsluitende Staat de tenuitvoerlegging vraagt van een in een andere Verdragsluitende Staat gegeven beslissing, kan geen enkele zekerheid of depot, onder welke benaming ook, worden opgelegd wegens de hoedanigheid van vreemdeling dan wel wegens het ontbreken van een woonplaats of verblijfplaats in eerstgenoemde Staat. Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen Artikel 46 De partij die de erkenning inroept of de tenuitvoerlegging verzoekt van een beslissing, moet overleggen : 1. een expeditie ervan die voldoet aan de voorwaarden nodig voor haar echtheid;2. indien de beslissing bij verstek gewezen is, het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het document waaruit blijkt dat het stuk dat het geding heeft ingeleid of een gelijkwaardig stuk aan de niet-verschenen partij is betekend of is medegedeeld. Artikel 47 De partij die de tenuitvoerlegging verzoekt, moet bovendien overleggen : 1. enig document waaruit kan worden vastgesteld dat de beslissing volgens de wet van de Staat van herkomst uitvoerbaar is en betekend is geworden;2. voor zover nodig, een document waaruit blijkt dat de verzoeker in de Staat van herkomst vergunning heeft verkregen om kosteloos of tegen verminderd tarief te procederen. Artikel 48 Bij gebreke van overlegging van de in de artikelen 46, nr. 2, en 47, nr. 2, bedoelde documenten kan de rechterlijke autoriteit voor de overlegging een termijn bepalen of gelijkwaardige documenten aanvaarden, dan wel, indien zij zich voldoende voorgelicht acht, van de overlegging vrijstelling verlenen. Indien de rechterlijke autoriteit zulks verlangt, wordt van de documenten een vertaling overgelegd; de vertaling wordt gewaarmerkt door degene die in een van de Verdragsluitende Staten daartoe gemachtigd is. Artikel 49 Geen enkele legalisatie of soortgelijke formaliteit mag worden geëist met betrekking tot de documenten genoemd in de artikelen 46, 47 en 48, tweede lid, alsook, in voorkomend geval, met betrekking tot de procesvolmacht. TITEL IV. - Authentieke akten en gerechtelijke schikkingen Artikel 50 Authentieke akten, verleden en uitvoerbaar in een Verdragsluitende Staat, worden op verzoek, overeenkomstig de in de artikelen 31 en volgende bedoelde procedure, in een andere Verdragsluitende Staat uitvoerbaar verklaard. Het verzoek kan slechts worden afgewezen indien de tenuitvoerlegging van de authentieke akte strijdig is met de openbare orde van de aangezochte Staat. De overgelegde akte moet voldoen aan de voorwaarden, nodig voor haar echtheid in de Staat van herkomst. De bepalingen van de afdeling 3 van titel III zijn, voor zover nodig, van toepassing. Artikel 51 Gerechtelijke schikkingen welke in de loop van een geding tot stand zijn gekomen en die uitvoerbaar zijn in de Staat van herkomst, zijn op dezelfde voet als authentieke akten uitvoerbaar in de aangezochte Staat. TITEL V. - Algemene bepalingen Artikel 52 Om vast te stellen of een partij woonplaats heeft op het grondgebied van de Verdragsluitende Staat, bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past de rechter zijn interne wet toe. Indien een partij geen woonplaats heeft in de Staat, bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past de rechter ter vaststelling of zij een woonplaats heeft in een andere Verdragsluitende Staat, de wet van die Staat toe. Artikel 53 Voor de toepassing van dit verdrag wordt de plaats van vestiging van vennootschappen en rechtspersonen gelijkgesteld met de woonplaats. Om deze plaats van vestiging vast te stellen, past de rechter evenwel de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht toe. Om vast te stellen of een trust gevestigd is in de Verdragsluitende Staat bij welks gerechten de zaak aanhangig is gemaakt, past de rechter de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht toe. TITEL VI. - Overgangsbepalingen Artikel 54 De bepalingen van dit verdrag zijn slechts van toepassing op rechtsvorderingen ingesteld en authentieke akten verleden na de inwerkingtreding van het verdrag in de Staat van herkomst en, indien de erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing of authentieke akte wordt verzocht, na de inwerkingtreding in de aangezochte Staat. Evenwel worden beslissingen, gegeven na de dag van inwerkingtreding van dit verdrag in de betrekkingen tussen de Staat van herkomst en de aangezochte Staat naar aanleiding van voor deze dag ingestelde vorderingen, erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig de bepalingen van titel III, indien de toegepaste bevoegdheidsregels overeenkomen met de regels voorzien in titel II, of neergelegd in een verdrag dat tussen de Staat van herkomst en de aangezochte Staat van kracht was toen de vordering werd ingesteld. Indien de partij en in een geschil over een overeenkomst vóór de inwerkingtreding van dit verdrag schriftelijk waren overeengekomen op deze overeenkomst het Ierse recht of het recht van een deel van het Verenigd Koninkrijk toe te passen, blijven de gerechten van Ierland of van dit deel van het Verenigd Koninkrijk bevoegd om van dit geschil kennis te nemen. Artikel 54bis Gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van dit verdrag voor respectievelijk Denemarken, Griekenland, Ierland, IJsland, Noorwegen, Finland en Zweden, wordt in elk van deze Staten de bevoegdheid in zaken van zeerecht niet alleen bepaald overeenkomstig titel II ervan, maar ook overeenkomstig de bepalingen van nr. 1 tot en met nr. 7 hierna. Deze bepalingen zijn in elk van deze Staten evenwel niet langer van toepassing zodra het op 10 mei 1952 te Brussel ondertekende internationale verdrag tot eenmaking van enkele bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen voor die Staat in werking is getreden. 1. Hij die zijn woonplaats heeft in een Verdragsluitende Staat, kan in de volgende gevallen voor de gerechten van een van de hierboven genoemde Staten worden gedaagd ter zake van een zeerechtelijke vordering, wanneer op het schip waarop de vordering betrekking heeft of op enig ander schip waarvan hij eigenaar is, op het grondgebied van laatstgenoemde Staat gerechtelijk beslag is gelegd als zekerheid voor de vordering, of wanneer aldaar beslag had kunnen worden gelegd, maar er borgtocht dan wel enige andere zekerheid is gesteld :
- a)indien de eiser zijn woonplaats in die Staat heeft;
- b)indien de vordering in die Staat is ontstaan;
- c)indien de vordering is ontstaan op een reis tijdens welke het beslag is gelegd of had kunnen worden gelegd;
- d)indien de vordering voortspruit uit een aanvaring of schade die, hetzij door het uitvoeren of nalaten van een maneuvre, hetzij door niet-naleving der reglementen, een schip heeft toegebracht aan een ander schip dan wel aan de zich aan boord van een van deze schepen bevindende zaken of personen;
- e)indien de vordering is ontstaan uit hulp of berging;
- f)indien de vordering betrekking heeft op een hypotheek of een andere vorm van zekerheid betreffende het schip waarop beslag is gelegd.2. Beslag kan worden gelegd op elk schip waarop de zeerechtelijke vordering betrekking heeft of op elk ander schip dat toebehoort aan degene die op het tijdstip van het ontstaan van de vordering eigenaar was van het schip waarop deze vordering betrekking heeft.Ter zake van de in nr. 5, sub o),
- p)of q), bedoelde vorderingen kan evenwel alleen beslag worden gelegd op het schip waarop de vordering betrekking heeft. 3. Schepen worden geacht dezelfde eigenaar te hebben wanneer alle aandelen in handen zijn van dezelfde persoon of personen.4. In geval van bevrachting waarbij de zeggenschap over het schip is overgedragen, kan, wanneer alleen de bevrachter aansprakelijk is voor een zeerechtelijke vordering ter zake van het schip, op dit schip of op enig ander schip van deze bevrachter beslag worden gelegd, doch kan ter zake van deze vordering geen beslag worden gelegd op enig ander schip van de eigenaar.Dit geldt ook in alle gevallen waarin een ander dan de eigenaar aansprakelijk is voor een zeerechtelijke vordering ter zake van het schip. 5. Onder « zeerechtelijke vordering » wordt verstaan een vordering voortvloeiend uit :
- a)schade veroorzaakt door een schip door aanvaring of anderszins;
- b)dood of persoonlijk letsel veroorzaakt door een schip of voortspruitend uit de exploitatie van een schip;
- c)hulp en berging;
- d)overeenkomsten betreffende het gebruik of de huur van een schip bij wijze van bevrachting of anderszins;
- e)overeenkomsten betreffende goederenvervoer per schip bij wijze van bevrachting, cognossement of anderszins;
- f)verlies van of schade aan goederen, met inbegrip van de bagage, vervoerd per schip;
- g)avarij-grosse;
- h)bodemerij;
- i)slepen;
- j)loodsen;
- k)aan een schip geleverde goederen of materiaal ten behoeve van de exploitatie of het onderhoud van het schip, ongeacht de plaats van de levering;
- l)bouw, herstelling of uitrusting van een schip, of havengelden;
- m)de lonen van kapitein, officieren of bemanning;
- n)uitgaven van de kapitein, met inbegrip van uitgaven gedaan door verschepers, bevrachters, of agenten voor rekening van het schip of zijn eigenaar;
- o)geschillen over de eigendom van een schip;
- p)geschillen tussen medeëigenaars van een schip over eigendom, bezit, exploitatie of opbrengsten van dat schip;
- q)elke hypotheek of andere vorm van zekerheid betreffende een schip.6. In Denemarken dekt de uitdrukking « beslag », voor wat de in nr.5, sub
- o)en p), bedoelde zeerechtelijke vorderingen betreft, ook de « forbud », voor zover ingevolge de artikelen 646 tot en met 653 van de wet op de burgerlijke rechtsvordering (Lov om rettens pleje) alleen deze procedure ter zake is toegelaten. In IJsland wordt de term « beslag » voor wat de in nr. 5, sub
- o)en p), bedoelde zeerechtelijke vorderingen betreft, geacht ook de « lögbann » te omvatten, wanneer dit krachtens de wetgeving inzake beslag en bevel (lög um kyrrsetningu og lögbann) de enig toegestane procedure voor een dergelijke vordering is. TITEL VII Verhouding tot het Verdrag van Brussel en tot andere verdragen Artikel 54ter 1. Dit verdrag laat onverlet de toepassing door de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen van het op 27 september 1968 te Brussel ondertekende verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en van het op 3 juni 1971 te Luxemburg ondertekende protocol betreffende de uitlegging van genoemd verdrag door het Hof van Justitie, zoals gewijzigd bij de verdragen betreffende de toetreding tot genoemd verdrag en tot genoemd protocol door de tot de Europese Gemeenschappen toetredende Staten, welk geheel van deze verdragen en van dit protocol hierna het « Verdrag van Brussel » worden genoemd.2. Dit verdrag is echter in elk geval van toepassing :
- a)ten aanzien van de rechterlijke bevoegdheid, indien de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat die geen lid is van de Europese Gemeenschappen of indien de artikelen 16 of 17 van dit verdrag de gerechten van een dergelijke Verdragsluitende Staat bevoegdheid verlenen;
- b)ten aanzien van aanhangigheid of samenhang zoals bedoeld in de artikelen 21 en 22, indien procedures zijn aangespannen in een Verdragsluitende Staat die geen lid is van de Europese Gemeenschappen en in een Verdragsluitende Staat die wel lid is van de Europese Gemeenschappen;
- c)ten aanzien van erkenning en tenuitvoerlegging, indien de Staat van herkomst of de aangezochte Staat geen lid is van de Europese Gemeenschappen.3. Behalve op de gronden genoemd in titel III kan erkenning of tenuitvoerlegging worden geweigerd indien de rechterlijke bevoegdheidsgrond waarop de beslissing gebaseerd is, verschilt van de grond krachtens dit verdrag en erkenning of tenuitvoerlegging wordt geëist tegen een partij met woonplaats in een Verdragsluitende Staat die geen lid is van de Europese Gemeenschappen, tenzij de beslissing volgens het recht van de aangezochte Staat anderszins kan worden erkend of ten uitvoer kan worden gelegd. Artikel 55 Onverminderd de bepalingen van de artikelen 54, tweede lid, en 56, vervangt dit verdrag tussen de Staten die daarbij partij zijn, de tussen twee of meer van deze Staten gesloten verdragen, te weten : - het verdrag tussen Frankrijk en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken, ondertekend te Parijs op 15 juni 1869, - het verdrag tussen de Zwitserse Bondsstaat en Spanje betreffende de wederzijdse tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Madrid op 19 november 1896, - het verdrag tussen de Zwitserse Bondsstaat en het Duitse Rijk betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en scheidsrechterlijke uitspraken, ondertekend te Bern op 2 november 1929, - het verdrag tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen, ondertekend te Kopenhagen op 16 maart 1932, - het verdrag tussen de Zwitserse Bondsstaat en Italië betreffende de erkenningen tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, ondertekend te Rome op 3 januari 1933, - het verdrag tussen Zweden en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en scheidsrechterlijke uitspraken, ondertekend te Stockholm op 15 januari 1936, - het verdrag tussen het Koninkrijk België en Oostenrijk inzake de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten op het gebied van onderhoudsverplichtingen, ondertekend te Wenen op 25 oktober 1957, - het verdrag tussen de Zwitserse Bondsstaat en België betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en scheidsrechterlijke uitspraken, ondertekend te Bern op 29 april 1959, - het verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en Oostenrijk inzake de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen en schikkingen, alsmede van authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 6 juni 1959, - het verdrag tussen het Koninkrijk België en Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, scheidsrechterlijke uitspraken en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 16 juni 1959, - het verdrag tussen Oostenrijk en de Zwitserse Bondsstaat inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, ondertekend te Bern op 16 december 1960, - het verdrag tussen Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken, ondertekend te Londen op 12 juni 1961, - het verdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk inzake de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 14 juli 1961, met protocol, ondertekend te Londen op 6 maart 1970, - het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oostenrijk inzake de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Den Haag op 6 februari 1963, - het verdrag tussen Frankrijk en Oostenrijk inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 15 juli 1966, - het verdrag tussen Luxemburg en Oostenrijk inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Luxemburg op 29 juli 1971, - het verdrag tussen Italië en Oostenrijk inzake de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en schikkingen en van authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Rome op 16 november 1971, - het verdrag tussen Noorwegen en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen en executoriale akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Oslo op 17 juni 1977, - het verdrag tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken, ondertekend te Kopenhagen op 11 oktober 1977, - het verdrag tussen Oostenrijk en Zweden inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken, ondertekend te Stockholm op 16 september 1982, - het verdrag tussen Oostenrijk en Spanje inzake de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en schikkingen en van authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 17 februari 1984, - het verdrag tussen Noorwegen en Oostenrijk inzake de.erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken, ondertekend te Wenen op 21 mei 1984, en - het verdrag tussen Finland en Oostenrijk inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken, ondertekend te Wenen op 17 november 1986. Artikel 56 De in artikel 55 vermelde verdragen blijven van kracht ten aanzien van onderwerpen waarop dit verdrag niet van toepassing is. Zij blijven voorts van kracht met betrekking tot vóór de inwerkingtreding van dit verdrag gegeven beslissingen en verleden akten. Artikel 57 1. Dit verdrag laat onverlet de verdragen waarbij de Verdragsluitende Staten partij zijn of zullen zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.2. Dit verdrag staat er niet aan in de weg dat een gerecht van een Verdragsluitende Staat die partij is bij een in het eerste lid bedoeld verdrag, overeenkomstig dat verdrag kennis neemt van een zaak, ook indien de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat die geen partij is bij dat verdrag.Dat gerecht past in ieder geval artikel 20 van het onderhavige verdrag toe. 3. Beslissingen die een gerecht van een Verdragsluitende Staat heeft gegeven uit hoofde van rechterlijke bevoegdheid die ontleend wordt aan een in het eerste lid bedoeld verdrag, worden in de andere Verdragsluitende Staten overeenkomstig titel III van het onderhavige verdrag erkend en ten uitvoer gelegd.4. Behalve op de gronden genoemd in titel III kan erkenning of tenuitvoerlegging worden geweigerd wanneer de aangezochte Staat geen parij is bij een in het eerste lid bedoeld verdrag en de persoon tegen wie erkenning of tenuitvoerlegging wordt gevraagd woonplaats heeft in die Staat, tenzij de beslissing volgens het recht van de aangezochte Staat anderszins kan worden erkend of ten uitvoer kan worden gelegd.5. Indien een in het eerste lid bedoeld verdrag, waarbij zowel de Staat van herkomst als de aangezochte Staat partij zijn, voorwaarden vaststelt voor de erkenning of tenuitvoerlegging van beslissingen, vinden die voorwaarden toepassing.In elk geval kunnen de bepalingen van het onderhavige verdrag betreffende de procedures voor erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, worden toegepast. Artikel 58 (Zonder voorwerp) Artikel 59 Dit verdrag belet niet dat een Verdragsluitende Staat zich tegenover een derde Staat, bij een verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, verbindt om een beslissing niet te erkennen, welke, met name in een andere Verdragsluitende Staat, gegeven is tegen een verweerder die zijn woonplaats of zijn gewone verblijf had op het grondgebied van die derde Staat, indien in een door artikel 4 voorzien geval de beslissing slechts gegrond kon worden op een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid. Een Verdragsluitende Staat kan zich echter niet jegens een derde Staat verbinden om een beslissing niet te erkennen, die in een andere Verdragsluitende Staat is gegeven door een gerecht dat zijn bevoegdheid grondt op de aanwezigheid in laatstgenoemde Staat van goederen die aan de verweerder toebehoren, of op het beslag dat door de eiser is gelegd op daar aanwezige goederen, 1. indien de vordering betrekking heeft op eigendom of bezit van die goederen, strekt tot verkrijging van machtiging daarover te beschikken, dan wel verband houdt met een ander geschil omtrent deze goederen, of 2.indien de goederen de zekerheid vormen voor een schuld die het onderwerp is van de vordering. TITEL VIII. - Slotbepalingen Artikel 60 Aan dit verdrag kunnen deelnemen :
- a)de Staten die op het tijdstip waarop dit verdrag voor ondertekening wordt opengesteld, lid zijn van de Europese Gemeenschappen of van de Europese Vrijhandelsassociatie;
- b)de Staten die, nadat dit verdrag voor ondertekening is opengesteld, lid worden van de Europese Gemeenschappen of van de Europese Vrijhandelsassociatie,
- c)de Staten die overeenkomstig artikel 62, eerste lid, sub b), tot toetreding worden uitgenodigd. Artikel 61 1. Dit verdrag staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en van de Europese Vrijhandelsassociatie.2. Het verdrag wordt ter bekrachtiging voorgelegd aan de ondertekenende Staten.De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Zwitserse Bondsraad. 3. Het verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de datum waarop twee Staten, waarvan de een lid is van de Europese Gemeenschappen en de ander van de Europese Vrijhandelsassociatie, hun akten van bekrachtiging nederleggen.4. Het verdrag wordt met betrekking tot elke andere ondertekenende Staat van kracht op de eerste dag van de derde maand volgende op het nederleggen van de akte van bekrachtiging van die Staat. Artikel 62 1. Na de inwerkingtreding kunnen tot dit verdrag toetreden :
- a)de in artikel 60, sub b), genoemde Staten;
- b)de overige Staten die daartoe door een Verdragsluitende Staat via de Staat van nederlegging zijn uitgenodigd.De Staat van nederlegging zal de betrokken Staat pas om toetreding verzoeken nadat hij de ondertekenende Staten alsook de overige in artikel 60, sub
- a)en b), vermelde Verdragsluitende Staten in kennis heeft gesteld. van de inhoud van de mededelingen die deze Staat overeenkomstig artikel 63 wil doen, en daarop hun algemene instemming heeft verkregen. 2. Indien een toetredende Staat bijzonderheden voor de toepassing van protocol 1 wenst te verstrekken, worden daartoe onderhandelingen geopend.Voor deze onderhandelingen wordt een conferentie bijeengeroepen door de Zwitserse Bondsraad. 3. Met betrekking tot elke toetredende Staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op het neerleggen van de akte van toetreding.4. Ten aanzien van een in het eerste lid, sub
- a)of b), bedoelde toetredende Staat treedt het verdrag echter slechts in werking in betrekkingen tussen deze Staat en de Verdragsluitende Staten die geen bezwaar tegen deze toetreding hebben gemaakt voor de eerste dag van de derde maand die volgt op het nederleggen van de akte van toetreding. Artikel 63 De toetredende Staat doet bij het nederleggen van zijn akte van toetreding de voor de toepassing van de artikelen 3, 32, 37, 40, 41 en 55 van dit verdrag vereiste mededelingen en verstrekt zo nodig de bijzonderheden die tijdens de onderhandelingen voor de toepassing van protocol 1 worden vastgesteld. Artikel 64 1. Dit verdrag wordt gesloten voor een eerste periode van vijf jaar vanaf de datum waarop het overeenkomstig artikel 61, derde lid, in werking treedt, ook met betrekking tot Staten die het nadien bekrachtigen of die nadien toetreden.2. Aan het einde van de eerste periode van vijf jaar wordt het verdrag stilzwijgend van jaar tot jaar verlengd.3. Na het verstrijken van de eerste periode van vijf jaar kunnen de deelnemende Staten het verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving aan de Zwitserse Bondsraad.4. De opzegging wordt van kracht aan het einde van het kalenderjaar volgende op het verstrijken van een periode van zes maanden na de datum van ontvangst door de Zwitsere Bondsraad van de kennisgeving van opzegging. Artikel 65 Aan dit verdrag zijn toegevoegd : - een protocol 1, betreffende enkele onderwerpen van bevoegdheid, wijze van procederen en tenuitvoerlegging; - een protocol 2, betreffende de eenheid in de uitlegging van het verdrag; - een protocol 3, betreffende de toepassing van artikel 57. Deze protocollen maken deel uit van het verdrag. Artikel 66 Iedere Verdragsluitende Staat kan verzoeken om herziening van dit verdrag. Daartoe roept de Zwitserse Bondsraad binnen zes maanden na het verzoek om herziening een conferentie voor de herziening bijeen. Artikel 67 De Zwitserse Bondsraad geeft aan de Staten die vertegenwoordigd waren op de diplomatieke Conferentie van Lugano en aan de Staten die nadien zijn toegetreden tot het verdrag, kennis van :
- a)de nederlegging van elke akte van bekrachtiging of van toetreding;
- b)de data van inwerkingtreding van dit verdrag voor de Verdragsluitende Staten;
- c)de overeenkomstig artikel 64 ontvangen opzeggingen;
- d)de uit hoofde van artikel Ibis van protocol 1 ontvangen verklaringen;
- e)de uit hoofde van artikel Iter van protocol 1 ontvangen verklaringen;
- f)de uit hoofde van artikel IV van protocol 1 ontvangen verklaringen;
- g)de uit hoofde van artikel VI van protocol 1 gedane mededelingen. Artikel 68 Dit verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de IJslandse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Noorse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, welke veertien teksten gelijkelijk authentiek zijn, zal worden nedergelegd in het archief van de Zwitserse Bondsraad, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift ervan toezendt aan de regering van elke Staat die vertegenwoordigd was op de diplomatieke conferentie van Lugano en aan de regering van elke toetredende Staat En foi de quoi, les plénipotentiaires soussignés ont apposé leurs signatures au bas de la présente convention. Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit verdrag hebben gesteld. Fait à Lugano, le seize septembre mil neuf cent quatre-vingt-huit. Gedaan te Lugano, de zestiende september negentienhonderd achtentachtig. PROTOCOL 1 Betreffende enkele onderwerpen van bevoegdheid, wijze van procederen en tenuitvoerlegging DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OVER DE VOLGENDE BEPALINGEN, DIE ALS BIJLAGE AAN HET VERDRAG WORDEN TOEGEVOEGD : Artikel I leder die in Luxemburg woonplaats heeft en met toepassing van artikel 5, nr. 1, voor een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat is opgeroepen, kan de bevoegdheid van dit gerecht afwijzen. Dit gerecht verklaart zich ambtshalve onbevoegd indien de verweerder niet verschijnt. Een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in de zin van artikel 17 heeft, ten opzichte van een persoon die in Luxemburg woonplaats heeft, slechts rechtsgevolg indien deze de overeenkomst uitdrukkelijk en in het bijzonder heeft aanvaard. Artikel Ibis 1. De Zwitserse Bondsstaat behoudt zich het recht voor om bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging te verklaren dat een in een andere Verdragsluitende Staat gegeven beslissing in Zwitserland niet wordt erkend of ten uitvoer gelegd wanneer
- a)de bevoegdheid van het gerecht dat de beslissing heeft gegeven, alleen op artikel 5, nr.1, van dit verdrag berust;
- b)de verweerder op het tijdstip dat de procedure werd ingeleid, woonplaats had in Zwitserland;voor de toepassing van dit artikel wordt een vennootschap of rechtspersoon geacht woonplaats in Zwitserland te hebben wanneer de hoofdvestiging en het daadwerkelijke centrum van de activiteiten zich in Zwitserland bevinden, en
- c)de verweerder bezwaar maakt tegen de erkenning of tenuitvoerlegging van de beslissing in Zwitserland, voor zover hij geen afstand gedaan heeft van zijn recht om de in dit lid bedoelde verklaring af te leggen.2. Dit voorbehoud zal niet van toepassing zijn voor zover op het tijdstip waarop om erkenning of tenuitvoerlegging wordt verzocht, een uitzondering op artikel 59 van de Zwitserse Federale Grondwet zal zijn toegestaan.De Zwitserse Regering zal de ondertekenende en de toetredende Staten in kennis stellen van dergelijke uitzonderingen. 3. Dit voorbehoud heeft geen gevolg meer na 31 december 1999.Het kan te allen tijde worden ingetrokken. Artikel Iter Elke Verdragsluitende Staat kan, door middel van een verklaring die wordt afgelegd bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding, zich het recht voorbehouden om, in weerwil van het bepaalde in artikel 28, in de andere Verdragsluitende Staten gegeven beslissingen niet te erkennen en ten uitvoer te leggen wanneer de bevoegdheid van het gerecht in de Staat van herkomst overeenkomstig artikel 16, nr. 1, sub b), uitsluitend berust op de woonplaats van de verweerder in de Staat van herkomst en het onroerend goed gelegen is in de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt. Artikel II Degenen die in een Verdragsluitende Staat woonplaats hebben en wegens een onopzettelijk gepleegd strafbaar feit vervolgd worden voor de gerechten van een andere Verdragsluitende Staat, waarvan zij geen onderdaan zijn, zijn, onverminderd aldaar geldende gunstigere bepalingen, bevoegd zich te doen verdedigen door daartoe bevoegde personen, zelfs indien zij niet persoonlijk verschijnen. Het gerecht dat de zaak berecht, kan echter de persoonlijke verschijning bevelen; indien deze niet heeft plaatsgevonden behoort de beslissing, op de burgerlijke rechtsvordering gewezen zonder dat de betrokkene de gelegenheid heeft gehad zich te doen verdedigen, in de overige Verdragsluitende Staten niet te worden erkend, noch ten uitvoer te worden gelegd. Artikel III Ter zake van de procedure tot verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging, wordt in de aangezochte Staat geen belasting, recht of heffing, evenredig aan het geldelijke belang der zaak, geheven. Artikel IV De gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, opgemaakt op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, die medegedeeld of betekend moeten worden aan personen die zich op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat bevinden, worden toegezonden op de wijze als is bepaald in tussen de Verdragsluitende Staten gesloten verdragen of overeenkomsten. Tenzij de Staat van bestemming zich daartegen verzet bij een verklaring gedaan aan de Zwitserse Bondsraad, kunnen deze stukken ook rechtstreeks door de deurwaarders van de Staat waar de stukken zijn opgesteld, worden toegezonden aan de deurwaarders van de Staat op het grondgebied waarvan degene voor wie het stuk bestemd is, zich bevindt. In dat geval zendt de deurwaarder van de Staat van herkomst een afschrift van het stuk aan de deurwaarder, die in de aangezochte Staat bevoegd is het stuk uit te reiken aan degene voor wie het bestemd is. Deze uitreiking geschiedt volgens de door de wet van de aangezochte Staat voorgeschreven formaliteiten. De daarvan opgemaakte verklaring wordt rechtstreeks aan de deurwaarder van de Staat van herkomst toegezonden. Artikel V De rechterlijke bevoegdheid, bepaald in de artikelen 6, nr. 2, en 10, ten aanzien van de vordering tot vrijwaring of de vordering tot voeging of tussenkomst, kan in de Bondsrepubliek Duitsland, in Spanje, in Oostenrijk en in Zwitserland niet worden ingeroepen. Ieder die woonplaats heeft in een andere Verdragsluitende Staat, kan worden opgeroepen voor de gerechten van : - de Bondsrepubliek Duitsland, met toepassing van de artikelen 68, 72, 73 en 74 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende de litis denuntiatio; - Spanje, met toepassing van artikel 1482 van het Burgerlijk Wetboek; - Oostenrijk, overeenkomstig artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zivilprozessordnung) betreffende de litis denuntiatio; - de Zwitserse Bondsstaat, met toepassing van de bepalingen betreffende de litis denuntiatio in de kantonale wetboeken van burgerlijke rechtsvordering. De in de overige Verdragsluitende Staten krachtens de artikelen 6, nrs. 2 en 10, gegeven beslissingen worden in de Bondsrepubliek Duitsland, in Spanje, in Oostenrijk en in Zwitserland overeenkomstig titel III erkend en ten uitvoer gelegd. De gevolgen voor derden van de beslissingen welke in deze Staten met toepassing van het bepaalde in het voorgaande lid zijn gegeven, worden eveneens in de overige Verdragsluitende Staten erkend. Artikel Vbis Ten aanzien van onderhoudsverplichtingen worden onder de termen « rechter » en « gerecht » mede begrepen de Deense, IJslandse en Noorse administratieve autoriteiten. Ten aanzien van burgerlijke en handelszaken worden onder de termen « rechter » en « gerecht » mede begrepen de Finse « ulosotonhaltija/överexekutor ». Artikel Vter Bij geschillen tussen de kapitein en een bemanningslid van een in Denemarken, Griekenland, Ierland, IJsland, Noorwegen, Portugal of Zweden geregistreerd zeeschip over de beloning of andere arbeidsvoorwaarden moet het gerecht van een Verdragsluitende Staat nagaan of de ten aanzien van het schip bevoegde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger van het geschil in kennis is gesteld. Zolang deze vertegenwoordiger van het geschil niet van het geschil in kennis gesteld, moet het gerecht zijn uitspraak aanhouden. Het gerecht moet zich, zelfs ambtshalve, onbevoegd verklaren, indien deze vertegenwoordiger, na naar behoren van het geschil in kennis te zijn gesteld, gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden die hij krachtens een consulaire overeenkomst bezit, dan wel bij gebreke van een dergelijke overeenkomst, binnen de gestelde termijn bezwaren heeft gemaakt tegen de bevoegdheid. Artikel Vquater (Zonder voorwerp) Artikel Vquinquies Onverminderd de bevoegdheid van het Europees Octrooibureau volgens het op 5 oktober 1973 te Munchen ondertekende Europees Octrooiverdrag, zijn de gerechten van elke Verdragsluitende Staat, zonder acht te slaan op de woonplaats, bij uitsluiting bevoegd ter zake van inschrijving of geldigheid van een Europees octrooi dat voor die Staat is verleend en dat geen Gemeenschapsoctrooi is krachtens artikel 86 van het op 15 december 1975 te Luxemburg ondertekende Verdrag betreffende het Europees octrooi voor de gemeenschappelijke markt. Artikel VI De Verdragsluitende Staten zullen aan de Zwitserse Bondsraad mededeling doen van de tekst van hun wettelijke bepalingen, die verandering brengen hetzij in de in het verdrag vermelde artikelen uit hun wetgeving, hetzij in de aanwijzing van de gerechten in titel III, tweede afdeling, van het verdrag. PROTOCOL 2 betreffende de eenheid in de uitlegging van het verdrag Préambule DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, GELET OP artikel 65 van het onderhavige verdrag, OVERWECENDE dat er een hechte band bestaat tussen dit verdrag en het verdrag van Brussel, OVERWEGENDE dat bij het protocol van 3 juni 1971 de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is erkend om uitspraak te doen over de uitlegging van het verdrag van Brussel, MET VOLLEDIGE KENNIS VAN de beslissingen die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag van Brussel tot het tijdstip van de ondertekening van het onderhavige verdrag, heeft gegeven, OVERWEGENDE dat de onderhandelingen die tot de sluiting van dit verdrag hebben geleid, in het licht van die beslissingen gebaseerd zijn op het verdrag van Brussel, VERLANGENDE om, met volledige eerbiediging van de onafhankelijkheid van de gerechten, verschillen in uitlegging te voorkomen en een zo groot mogelijke eenheid te bereiken in de uitlegging van dit verdrag, alsmede van het onderhavige verdrag en de bepa!ingen van het verdrag van Brussel die in hoofdzaak in dit verdrag zijn overgenomen, HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OVER HET VOLGENDE : Artikel 1 De gerechten van elke Verdragsluitende Staat houden bij de toepassing en de uitlegging vap dit verdrag naar behoren rekening met de beginselen vervat in alle relevante beslissingen van de gerechten van de andere Verdragsluitende Staten met betrekking tot het onderhavige verdrag. Artikel 2 1. De Verdragsluitende Partijen komen overeen een systeem in te stellen voor de uitwisseling van informatie betreffende de uit hoofde van dit verdrag gegeven beslissingen en de relevante, uit hoofde van het verdrag van Brussel gegeven beslissingen.Dit systeem omvat : - toezending aan een centrale instantie, door de bevoegde autoriteiten, van de door de gerechten van laatste aanleg en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gegeven beslissingen, alsmede van andere in kracht van gewijsde gegane en uit hoofde van dit verdrag of het verdrag van Brussel gegeven beslissingen die van bijzonder belang zijn; - classificatie van die beslissingen door de centrale instantie, met inbegrip van, voor zover nodig, het maken en publiceren van vertalingen en samenvattingen; - toezending, door de centrale instantie, van documentatie aan de bevoegde nationale autoriteiten van alle ondertekende en toetredende Staten bij dit verdrag en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen. 2. De centrale instantie is de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Artikel 3 1. Voor het onderhavige protocol wordt een permanent Comité opgericht.2. Het Comité bestaat uit vertegenwoordigers die worden aangewezen door elke ondertekenende en toetredende Staat.3. De Europese Gemeenschappen (de Commissie, het Hof van Justitie en het Secretariaat-Generaal van de Raad) en de Europese Vrijhandelsassociatie kunnen als waarnemer aan de vergaderingen deelnemen. Artikel 4 1. Op verzoek van een Verdragsluitende Staat roept de instantie van nederlegging van het verdrag het Comité bijeen om van gedachten te wisselen over de werking van het verdrag, met name over - de ontwikkeling van de overeenkomstig artikel 2, eerste lid eerste streepje, medegedeelde jurisprudentie, - de toepassing van artikel 57 van het verdrag.2. In het licht van die gedachtenwisselingen kan het Comité ook nagaan of het wenselijk is het verdrag op bepaalde punten te herzien, en aanbevelingen doen. PROTOCOL 3 betreffende de toepassing van artikel 57 DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN : 1. Voor de toepassing van dit verdrag worden de bepalingen betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning of tenuitvoerlegging van beslissingen in bijzondere zaken, welke bepalingen in besluiten van de Instellingen van de Europese Gemeenschappen zijn of zullen worden vervat, op gelijke voet gesteld met de in artikel 57, eerste lid, van dit verdrag bedoelde verdragen.2. Wanneer volgens een Verdragsluitende Staat een bepaling in een besluit van de Instellingen van de Europese Gemeenschappen niet verenigbaar is met het verdrag, beraden de Verdragsluitende Staten zich onverwijld over een wijziging van dit verdrag overeenkomstig artikel 66, onverminderd de toepassing van de bij protocol 2 ingestelde procedure. VERKLARING van de vertegenwoordigers van de regeringen van de Staten die het Verdrag van Lugano hebben ondertekend en lid zijn van de Europese Gemeenschappen over protocol 3 betreffende de toepassing van artikel 57 van het verdrag Op het tijdstip van de ondertekening van het verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken te Lugano op 16 september 1988, VERKLAREN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LID-STATEN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, IN OVERWEGING NEMEND de verplichtingen die zij tegenover de Lid-Staten van de Europese Vrijhandelsassociatie hebben aangegaan, VERLANGENDE de eenheid van het door dit verdrag ingevoerde rechtsstelsel niet aan te tasten, Dat zij alles zullen doen wat in hun vermogen ligt om bij de opstelling van besluiten van de Gemeenschap als bedoeld in punt 1 van protocol 3 betreffende de toepassing van artikel 57, zorg te dragen voor de naleving van de bij dit Verdrag ingestelde regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen. En foi de quoi, les soussignés ont signé la présente déclaration. Ten blijke waarvan de ondergetekenden deze verklaring hebben ondertekend. Fait à Lugano, le seize septembre mil neuf cent quatre-vingt-huit. Gedaan te Lugano, de zestiende september negentienhonderd achtentachtig. VERKLARING van de vertegenwoordigers van de regeringen van de Staten die het verdrag van Lugano hebben ondertekend en lid zijn van de Europese Gemeenschappen Op het tijdstip van de ondertekening van het verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken te Lugano op 16 september 1988, VERKLAREN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LID-STATEN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, dat zij het juist achten dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij de uitlegging van het verdrag van Brussel naar behoren rekening houdt met de jurisprudentie over het verdrag van Lugano. En foi de quoi, les soussignés ont signé la présente déclaration. Ten blijke waarvan de ondergetekenden deze verklaring hebben ondertekend. Gedaan te Lugano, de zestiende september negentienhonderd achtentachtig. VERKLARING van de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Staten die het verdrag van Lugano hebben ondertekend en lid zijn van de Europese Vrijhandelsassociatie Op het tijdstip van de ondertekening van het verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken te Lugano op 16 september 1988, VERKLAREN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LID-STATEN VAN DE EUROPESE VRIJHANDELSASSOCIATIE, dat zij het juist achten dat hun gerechten bij de uitlegging van het verdrag van Lugano naar behoren rekening houden met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en van de gerechten van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de bepalingen van het verdrag van Brussel die in hoofdzaak in het verdrag van Lugano zijn overgenomen. En foi de quoi, les soussignés ont signé la présente déclaration. Ten blijke waarvan de ondergetekenden deze verklaring hebben ondertekend. Fait à Lugano, le seize septembre mil neuf cent quatre-vingt-huit. Gedaan te Lugano, de zestiende september negentienhonderd achtentachtig. SLOTAKTE De vertegenwoordigers van : De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Koninkrijk Denemarken De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, De Regering van de Helleense Republiek, De Regering van het Koninkrijk Spanje, De Regering van de Franse Republiek, De Regering van Ierland, De Regering van de Republiek IJsland, De Regering van de Italiaanse Republiek, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, De Regering van het Koninkrijk Noorwegen, De Regering van de Republiek Oostenrijk, De Regering van de Portugese Republiek, De Regering van het Koninkrijk Zweden, De Regering van de Zwitserse Bondsstaat, De Regering van de Republiek Finland, De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, bijeengekomen te Lugano, de zestiende september negentienhonderd achtentachtig, voor de diplomatieke conferentie over de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke zaken, hebben vastgesteld dat de volgende teksten op deze conferentie zijn opgesteld en aangenomen : I. het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; II. de volgende protocollen die deel uitmaken van het Verdrag : - Protocol nr. 1 betreffende enkele onderwerpen van bevoegdheid, wijze procederen en tenuitvoerlegging; - Protocol nr. 2 berreffende de eenheid van uitlegging van het Verdrag; - Protocol nr. 3 betreffende de toepassing van artikel 57. III. de volgende verklaringen : - Verklaring van de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Staten die het Verdrag van Lugano hebben ondertekend en lid zijn van de Europese Gemeenschappen over Protocol nr. 3 betreffende de toepassing van artikel 57 van het Verdrag; - Verklaring van de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Staten die het Verdrag van Lugano hebben ondertekend en lid zijn van de Europese Gemeenschappen; - Verklaring van de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Staten die het Verdrag van Lugano hebben ondertekend en lid zijn van de Europese Vrijhandelsassociatie. VERDRAG betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gedaan te Lugano op 16 september 1988 (90/C 189/07) RAPPORT van de heer P. JENARD ere-bestuursdirecteur bij het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken en de heer G. MÖLLER president van de rechtbank te Toijala Evenals het ontwerp-Verdrag en de overige door de regeringsdeskundigen opgestelde teksten, is de ontwerp-toelichting vóór de Diplomatieke Conferentie van 12 tot en met 16 september 1988 te Lugano aan de Regeringen van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en van de Europese Vrijhandelsassociatie voorgelegd. In dit rapport is rekening gehouden met de opmerkingen van een aantal Regeringen en met de wijzigingen die de diplomatieke conferentie in de haar voorgelegde ontwerpen heeft aangebracht. Het rapport geldt als commentaar op het 16 september 1988 te Lugano ondertekende Verdrag. HOOFDSTUK I ALGEMENE BESCHOUWINGEN 1. OPMERKINGEN VOORAF 1.Het Verdrag van Lugano, dat op 16 september 1988 ter ondertekening werd opengesteld, is gesloten tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en de Lid-Staten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA). Hoewel het tijdens de voorbereiding als het Nevenverdrag werd aangeduid, zullen wij het Verdrag hier het Verdrag van Lugano noemen. De benaming Nevenverdrag werd gebruikt omdat dit Verdrag grote gelijkenis vertoont met het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, dat tussen de zes oorspronkelijke Lid-Staten van de Gemeenschappen werd gesloten
- BESTAANSGROND EN VOORGESCHIEDENIS VAN HET VERDRAG VAN LUGANO 3.De Europese Gemeenschappen en de Europese Vrijhandelsassociatie omvatten thans een groot aantal Europese landen die er in grondwettelijk (scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht), juridisch (voorrang voor het recht en de persoon) en economisch (markteconomie) opzicht zeer verwante opvattingen op nahouden. Beide organisaties onderscheiden zich echter door hun. doelstellingen en instellingen, waarvan een bondig overzicht ons dan ook nuttig leek. A. DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
- De Europese Gemeenschappen verschillen van de andere internationale of Europese organisaties vooral door hun doelstellingen en de oorspronkelijkheid van het institutionele apparaat. De Europese Gemeenschappen vertonen specifieke doelstellingen die hun bij de drie oprichtingsverdragen (EGKS, EEG en Euratom) zijn toegewezen, maar hun einddoel is de vorming van een echte Europese Unie. Deze Unie in wording kenmerkt zich niet alleen door een economische dimensie, maar ook door een politieke discussie die gevoerd wordt in de Europese politieke samenwerking waarmee de Twaalf hun buitenlandse beleid trachten te harmoniseren. De Europese constructie die door de zes oprichters, België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, het Groothertogdom Luxemburg en Nederland, werd aangevat, heeft zich geleidelijk ontwikkeld met de successieve ondertekening van het Verdrag van Parijs (18 april 1951) tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en de twee Verdragen van Rome waarop de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) zijn gebouwd (25 maart 1957). Tot deze Verdragen zijn toegetreden : Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk op 1 januari 1973 (Europa van de Negen), Griekenland op 1 januari 1981 (Europa van de Tien) en Spanje en Portugal op 1 januari 1986 (Europa van de Twaalf). Thans omvatten de Europese Gemeenschappen dus twaalf Europese Staten die door gemeenschappelijke verplichtingen verbonden zijn.
- Met de op 1 juli 1987 in werking getreden Europese Akte is een nieuwe stap gezet op de weg naar een Europese Unie.Dit nieuwe communautaire rechtsinstrument beoogt met name geleidelijk en uiterlijk op 31 december 1992 een echte interne markt tot stand te doen brengen met vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitalen. Voorts wil de Europese Akte de aanzet geven tot betekenisvolle vooruitgang in zowel monetaire zaken als in nieuwe beleidssectoren (met name milieu en nieuwe technologieën). Op een aantal terreinen moet nu de communautaire besluitvorming soepeler verlopen en is de Europese politieke samenwerking op formele grondslagen geïnstitutionaliseerd.
- Het institutionele bouwwerk van de Gemeenschappen berust op vier pijlers : 1° De Raad van ministers De Raad is samengesteld uit de vertegenwoordigers van de Lid-Staten; elke Regering delegeert één van haar leden, al naar gelang van diens bevoegdheden en de aard van de behandelde dossiers. De ministers van Buitenlandse Zaken coördineren het algemene communautaire beleid. De Raad van ministers is de besluitvormingsinstantie van de Gemeenschap. Hij is betrokken bij de wetgeving en kan als zodanig maatregelen uitvaardigen in de vorm van verordeningen of richtlijnen die rechtstreeks verbindend zijn voor de Lid-Staten en/of hun onderdanen. Verordeningen zijn rechtstreeks toepasselijk in de Lid-Staten, terwijl richtlijnen in nationaal recht moeten worden omgezet. De besluiten van de Raad worden voorbereid door het Comité van Permanente Vertegenwoordigers van de Lid-Staten bij de Gemeenschappen (Coreper). Naar gelang van hun rechtsgrondslag besluit de Raad eenparig, met een gewone meerderheid of met een gekwalificeerde meerderheid. In de Europese Akte wordt ernaar gestreefd de meerderheidsstemming zoveel mogelijk tot regel te verheffen, om de werkzaamheden in de Gemeenschap met haar nieuwe grenzen vooruit te helpen. In de Europese Raad komen de staatshoofden en regeringsleiders van de Lid-Staten tweemaal per jaar bijeen. De Europese Raad werd uit politieke overwegingen in 1975 op het hoogste niveau ingesteld en kreeg formele erkenning ingevolge de Europese Akte. Hij heeft hoofdzakelijk tot taak beleidskeuzen te bepalen en de vereiste stimuli tot de ontwikkeling van de Gemeenschap te geven. 2° De Commissie De Commissie bestaat thans uit 17 leden die in onderlinge overeenstemming door de Regeringen worden benoemd. De Commissie is de meest typerende Instelling van de Gemeenschap. Zij kan niet met een secretariaat worden gelijkgesteld, omdat de opstellers van de Verdragen zich haar als de motor van de Europese integratie hebben gedacht. Krachtens haar initiatiefrecht neemt de Commissie actief deel aan de voorbereiding en opstelling van de Raadsbesluiten. 3° Het Hof van Justitie Het Hof verzekert de eerbiediging van het Gemeenschapsrecht bij de toepassing van de drie oprichtingsverdragen.Het Hof heeft talrijke bevoegdheden en kan onder meer bij arrest uitspraak doen over de geldigheid van de besluiten van de communautaire Instellingen en over de uitlegging van Verdragen en Gemeenschapsbesluiten. In zijn jurisprudentie heeft het Hof de voorrang van het Gemeenschapsrecht op de grondwets- en wetsbepalingen van de Lid-Staten gevestigd. Bij het Protocol van Luxemburg van 3 juni 1971 hebben de Lid-Staten van de Gemeenschappen het Hof van Justitie en bevoegdheid verleend zich uit te spreken over de uitlegging van het Verdrag van Brussel van 1968, dat meer bepaald onze aandacht vasthoudt. 4° Het Europese Parlement Sinds 1979 worden de leden van het Europese Parlement voor vijf jaar verkozen door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen. Hoewel het Parlement een betrekkelijk uitgebreide politieke controle op het optreden van Raad en Commissie en in begrotingszaken uitoefent, heeft het geen wetgevende bevoegdheid die vergelijkbaar is met die van de nationale parlementen. Door middel van nieuwe samenwerkingsvormen wil de Europese Akte het Parlement nauwer bij de uitoefening van de gezamenlijke wettelijke bevoegdheden van Raad en Commissie betrekken.
- Als conclusie moet wat ons betreft vermeld worden dat : 1) het Verdrag van Lugano aansluit bij het Verdrag van Brussel van 1968, dat stoelt op artikel 220 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap;2) de normatieve bevoegdheid inzake Gemeenschapsbesluiten in hoofdzaak bij de Raad berust;3) de Europese Gemeenschappen.een zeer dicht net van externe betrekkingen hebben geweven, die gestalte hebben gekregen in overeenkomsten van uiteenlopend karakter, naargelang het om Staten of om organisaties gaat. B. DE EUROPESE VRIJHANDELSASSOCIATIE
- De Europese- Vrijhandelsassociatie verenigt zes Europese Staten, die even als de Europese Gemeenschappen streven naar het scheppen van een dynamische en homogene Europese economische ruimte met deelneming van EEG- en EVA-Lid-Staten.Deze doelstelling is neergelegd in de verklaring van Luxemburg die op 9 april 1984 door de ministers van alle Lid-Staten van de EEG en de EVA werd aangenomen. Doel van de EVA is de invoerrechten, quota en andere handelsbelemmeringen in West-Europa op te heffen en liberale, niet discriminerende praktijken in het internationale handelsverkeer te bevorderen. De Associatie werd in 1960 opgericht en telt thans zes leden : Finland, Oostenrijk, IJsland, Noorwegen, Zweden en Zwitserland. De oprichting en de ontwikkeling van de EVA liggen in de lijn van de economische integratie in West-Europa. De stichtende leden, waaronder Denemarken, Portugal en het Verenigd Koninkrijk, hadden als hoofddoel onderling de handel in industrieprodukten te liberaliseren. Dit doel werd eind 1966, drie jaar voor de voorziene datum, bereikt.
- De onderlinge handel tussen de EVA-landen vormt slechts 13 tot 14 % van hun totale handelsvolume.Het verkeer met de EEG is veel omvangrijker, namelijk meer dan de helft van hun invoer en ook van hun uitvoer. Op hun beurt zijn de EVA-landen belangrijke handelspartners voor de EEG, die 20 tot 25 % van haar uitvoer (zonder het intracommunautaire handelsverkeer) op de EVA-markt afzet. Mede wegens de hechte commerciële banden tussen de landen van de EVA en de EEG werd in de jaren vijftig getracht een vrijhandelszone tussen de zes oorspronkelijke EEG-Staten en de overige Westeuropese landen in te stellen. Deze poging mislukte, maar zeven van de landen besloten hun betrekkingen aan te halen en de EVA op te richten; zij zagen daarin onder meer een middel om de weg te bereiden voor de uiteindelijke vorming van de grote markt die zij in Europa wilden zien ontstaan. De EVA is dus geboren uit de ambitie één grote markt van alle Westeuropese landen tot stand te brengen. Dit was het tweede doel van de oprichters van de EVA. Dit tweede doel werd inderdaad bereikt in de jaren zeventig toen via onderhandelingen elk van de huidige EVA-leden in staat werd gesteld, nieuwe betrekkingen met de EEG aan te knopen; dat was precies in de tijd dat de EEG zich uitbreidde met twee voormalige EVA-leden, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk, naast Ierland. Vrijhandelsovereenkomsten traden in werking op 1 januari 1973 tussen de uitgebreide Gemeenschap en Oostenrijk, Portugal, Zweden en Zwitserland, en op 1 april 1973 tussen de EEG en IJsland. Soortgelijke overeenkomsten gingen in op 1 juli 1973 tussen Noorwegen en de EEG en op 1 januari 1974 tussen Finland en de EEG. Krachtens deze overeenkomsten werden in juli 1977 de invoerrechten op vrijwel alle industrieprodukten opgeheven. Deze vrijhandelsovereenkomsten gelden ook voor de handel tussen de EVA-landen en drie landen die later tot de EEG zijn toegetreden : Griekenland op 1 januari 1981 en Portugal en Spanje op 1 januari
- Zoals gezegd hebben de uitbreiding en de intensivering van de samenwerking tussen de EEG en de EVA sinds 1984 op tal van terreinen die direct of indirect verband houden met het ambitieuze programma van de EEG om in 1992 een echte interne markt tot stand te brengen, geleid tot contacten tussen beide groepen Staten. Het gaat om kwesties als technische handelsbelemmeringen, concurrentieregels, intellectuele eigendom, produktaansprakelijkheid enz. In dat licht moeten de onderhandelingen over het Verdrag van Lugano worden gezien. C. BESTAANSGROND VAN HET VERDRAG
- In een rapport ten behoeve van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa (doc.5774 van 9 september 1987 - FDO C 5774), schrijft de heer Johnsen dat de landen van de EVA en van de EEG tegenwoordig een uitgebreide markt van 350 miljoen Europese consumenten vormen. Op enkele uitzonderingen na is het verkeer van industrieprodukten binnen dit gebied niet aan douanerechten of kwantitatieve beperkingen onderworpen. Het is de grootste markt ter wereld, vóór die van de Verenigde Staten (240 miljoen) en van Japan (120 miljoen). Het leek daarom aangewezen deze economische samenwerking tussen beide Europese Statenverbanden te versterken door middel van een Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen. Geoordeeld werd dat het Verdrag van Brussel in dit opzicht een aantal beginselen bevatte waarmee de rechterlijke en economische samenwerking tussen de betrokken Staten kon worden versterkt. Opzet van het Verdrag van Brussel was namelijk de formaliteiten voor de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te vereenvoudigen. Hiertoe stelt het Verdrag in de eerste plaats de regels vast inzake de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken van vermogensrechtelijke aard. Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van in een andere Lid-Staat gegeven beslissingen voorziet het Verdrag in een procedure die eenvoudiger is dan volgens de traditionele regels en ook snel omdat ze in een eerste fase niet op tegenspraak verloopt. Het Verdrag van Brussel en het Protocol van 1971 over de uitlegging ervan door het Hof van Justitie hebben grote praktische betekenis gekregen : in de Lid-Staten zijn honderden beslissingen op grond van het Verdrag gegeven en een aantal arresten van het Hof heeft betrekking op de uitlegging ervan (zie hoofdstuk VI). Gezien met name het aanzienlijke handelsverkeer tussen de Lid-Staten van de EEG en de EVA was het te verwachten dat de behoefte zou ontstaan om een in een EEG-Lid-Staat gegeven beslissing in een EVA-Staat ten uitvoer te laten leggen, of omgekeerd een in een EVA-Staat gegeven beslissing in een EEG-Lid-Staat ten uitvoer te laten leggen. D. VOORGESCHIEDENIS VAN HET VERDRAG
- In 1973, ten tijde van de besprekingen over de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk tot het Verdrag van Brussel, opperde de Zweedse Regering belangstelling om op overeenkomsten berustende banden te smeden tussen de Lid-Staten van de Gemeenschappen enerzijds en Zweden en mogelijke andere geïnteresseerde landen anderzijds, ten einde de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken. In 1981 nam de Zwitserse Missie bij de Europese Gemeenschappen de fakkel van de Zweedse Regering over; zij verzocht de bevoegde Commissiediensten na te gaan of en hoe, naar het model van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken tussen de Lid-Staten van de Gemeenschappen en Zwitserland vergemakkelijkt kon worden. In april 1982 werd dat verzoek herhaald door de heer Furgler, lid van de Zwitserse Bondsraad, ten overstaan van de heer Thorn, Voorzitter van de Commissie. In opdracht van de Raad van de Gemeenschappen bestudeerde een ad hoc-groep in januari 1985, aan de hand van een Commissiedocument, de mogelijkheid om met de EVA-landen onderhandelingen aan te knopen over een territoriale uitbreiding van het Verdrag van Brussel. In dit verband werden met medewerking van het secretariaat van de Raad en de Commissiediensten inleidende gesprekken met de EVA-Staten gevoerd, om uit te maken of een uitbreiding van het Verdrag van Brussel denkbaar was. Hierbij bleek dat Noorwegen, Zweden, Zwitserland en Finland en later IJsland positief stonden tegenover onderhandelingen over de opstelling van een nevenverdrag bij het Verdrag van Brussel. Aan het slot van deze verkennende fase constateerden de vertegenwoordigers van de Regeringen van de EEG-Lid-Staten, in mei 1985 in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers bijeen, dat alle voorwaarden voor onderhandelingen vervuld waren. Zij kwamen bijgevolg overeen aan de EVA-Staten een uitnodiging te richten om aan die onderhandelingen deel te nemen. Hiervoor werd een groep ingesteld met regeringsdeskundigen van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en door de EVA-Staten aangewezen deskundigen. Deze groep, die voor het eerst op 8 en 9 oktober 1985 vergaderde, werd afwisselend voorgezeten door de heer Voyame, directeur bij het Ministerie van Justitie van de Zwitserse Bondsraad, en de heer Saggio, raadsheer bij het Italiaanse Hof van Cassatie. Een delegatie van de Oostenrijkse Regering en vertegenwoordigers van de Conferentie van Den Haag woonden de onderhandelingen als waarnemer bij. Voorts wees de groep twee rapporteurs aan, voor de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen de heer P. Jenard, destijds bestuursdirecteur bij het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken, en voor de EVA-Staten de heer Möller, toen adviseur inzake wetgeving bij het Finse Ministerie van Justitie en thans president van de arrondissementsrechtbank te Toijala. De werkzaamheden van de groep namen twee jaar in beslag en leidden tot de redactie van een voorontwerp van een verdrag, dat bestemd was als basisdocument voor een diplomatieke conferentie. In hun geheel kunnen de resultaten van de groep slechts positief worden genoemd omdat een ruime consensus bereikt werd over zowel het ontwerpverdrag als de Protocollen die het Verdrag aanvullen en er integrerend deel van uitmaken, alsmede drie verklaringen. Hoe dan ook, het sluiten van een multilateraal verdrag tussen vele Staten biedt meer garanties voor rechtszekerheid en is praktischer dan het sluiten van een reeks bilaterale overeenkomsten die onvermijdelijk uiteenlopen. Een dergelijk verdrag maakt ook de weg vrij voor een systeem van gemeenschappelijke interpretatie. Dit systeem heeft trouwens zijn beslag gekregen in Protocol nr.
- Een andere mogelijkheid was geweest dat de EVA-Staten tot het Verdrag van Brussel toetraden. Deze oplossing werd afgewezen omdat het Verdrag van Brussel, dat op artikel 220 van het Verdrag van Rome gebaseerd is en aangevuld is door het Protocol van 3 juni 1971 waarbij het Hof van Justitie van de Gemeenschappen uitleggingsbevoegdheid werd verleend, een communautair instrument is en Derde Staten moeilijk verzocht konden worden zich hierbij aan te sluiten.
- Het ontwerp-verdrag en de overige door de groep opgestelde instrumenten werden voorgelegd aan een diplomatieke conferentie die op uitnodiging van de Zwitserse Bondsregering van 12 tot en met 16 september 1988 te Lugano bijeenkwam.Alle Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en van de Europese Vrijhandelsassociatie waren op die conferentie vertegenwoordigd. De ontwerpen van de groep werden op enkele punten gewijzigd. Luidens de slotakte van de conferentie (zie bijlage III) hebben de vertegenwoordigers van alle betrokken Staten de definitieve tekst van het Verdrag, van de drie Protocollen en van de drie Verklaringen aangenomen. Op 16 september 1988, de datum waarop het Verdrag voor ondertekening werd opengesteld, kreeg het de vereiste handtekeningen van de vertegenwoordigers van tien Staten, namelijk België, Denemarken, Griekenland, Italië, Luxemburg en Portugal aan de kant van de Europese Gemeenschappen, en IJsland, Noorwegen, Zweden en Zwitserland aan de kant van de EVA. Het Verdrag werd op 30 november 1988 door Finland en op 7 februari 1989 door Nederland ondertekend.
- IDENTIEKE STRUCTUUR VAN HET VERDRAG VAN BRUSSEL EN HET VERDRAG VAN LUGANO - GRONDBEGINSELEN 13.De twee Verdragen berusten op dezelfde grondbeginselen, die hieronder worden uiteengezet : Eerste beginsel : Het toepassingsgebied « ratione materiae » van beide Verdragen is beperkt tot burgerlijke zaken en handelszaken van vermogensrechtelijke aard. Het eerste artikel van beide Verdragen is exact hetzelfde. Tweede beginsel : Het zijn beide « dubbele verdragen", omdat zij de directe bevoegdheid regelen. Directe bevoegdheidsregels gelden voor de vaststelling van het bevoegde gerecht in de Staat waar het oorspronkelijke geding dient, terwijl « enkelvoudige verdragen" slechts de « indirecte" bevoegdheid regelen, die pas in het stadium van de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen wordt vastgesteld. Derde beginsel : Spil van de bevoegdheidsregels is de woonplaats van de verweerder. Met het oog op toepassing van het Toetredingsverdrag van 1978, hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland hun wetgeving aangepast om hun domiciliebegrip af te stemmen op dat van vele continentale landen
- a)Aanvullende bevoegdheidsregels Afdeling 2 van titel II (artikelen 5 en 6) behelst aanvullende bevoegdheidsregels die voorzien in jurisdictiekeuze naast het bepaalde in artikel 2.Het gaat om betwistingen waarvan gesteld kan worden dat er een zeer nauwe band is met het gerecht dat ervan kennis moet nemen. De bevoegdheidsregels van deze afdeling hebben een bijzonder karakter omdat beide Verdragen doorgaans rechtstreeks het bevoegde gerecht aanwijzen. Zoals wij zullen zien, bestaan er enkele verschillen tussen de bepalingen van deze afdeling in het Verdrag van Brussel en die in het Verdrag van Lugano (zie de artikelen 5, punt 1, en 6, punt 4; nummers 36 tot en met 44 en 46 en 47 van dit rapport).
- b)Dwingende voorschriften Beide Verdragen bevatten dwingende bevoegdheidsregels voor verzekeringen (afdeling 3) en voor consumentenzaken (afdeling 4) die in de eerste plaats ten doel hebben de zwakkere partij te beschermen. Deze regels zijn dwingend omdat de partijen er niet van kunnen afwijken vóór het ontstaan van het geschil. Deze afdelingen zijn identiek in de twee Verdragen.
- c)Exclusieve bevoegdheid Beide Verdragen bevatten exclusieve bevoegdheidsregels (afdeling 5, artikel 16) :
- a)in sommige materies moet het geschil noodzakelijk voor de gerechten van een bepaalde Staat worden gebracht (zakelijke rechten op onroerende goederen en huurovereenkomsten;geldigheid, nietigheid of ontbinding van vennootschappen; geldigheid van de registratie van octrooien, merken, tekeningen en modellen; geschillen over de tenuitvoerlegging van beslissingen);
- b)partijen kunnen niet afwijken van de regel van bevoegde aangewezen rechter, door een overeenkomst tot aanwijzing van een onbevoegde rechter, zelfs niet na het ontstaan van het geschil (artikel 17), of door stilzwijgende prerogatie (artikel 18);
- c)elke rechter van een andere Staat dan die waarvan de gerechten exclusief bevoegd zijn, moet zich ambtshalve onbevoegd verklaren (artikel 19);
- d)schending van deze regels is een grond om erkenning en tenuitvoerlegging te weigeren (artikelen 28 en 34);
- e)deze regels zijn steeds van toepassing, ongeacht of de verweerder in een verdragsluitende Staat gedomicilieerd is. Het enige verschil tussen beide Verdragen heeft betrekking op huurovereenkomsten (zie de nummers 49 tot en met 54)
- d)Door partijen aangewezen bevoegde rechter Beide Verdragen behelzen ook voorschriften inzake al dan niet stilzwijgende aanwijzing van een bevoegde rechter (afdeling 6 van titel I, artikelen 17 en 18).Er zijn verschillen tussen beide Verdragen in artikel 17 (uitdrukkelijke aanwijzing - zie de nummers 55 tot en met 61), maar niet in artikel 18 (stilzwijgende aanwijzing).
- e)Aanhangigheid en samenhang Afdeling 8 van beide Verdragen handelt over aanhangigheid (artikel 21) en samenhang (artikel 22) en is bedoeld om tegenstrijdige beslissingen te vermijden.Inzake aanhangigheid bestaat er een licht verschil tussen beide teksten (zie nummer 62). Vijfde beginsel : De rechten van de verdediging moeten in de Staat van oorsprong geëerbiedigd worden. In beide Verdragen bepaalt de eerste alinea van artikel 20 een zeer belangrijke bepaling dat bij verstek van de verweerder de rechter zich ambtshalve onbevoegd moet verklaren indien zijn bevoegdheid niet op de bepalingen van het Verdrag berust. Voorts behelst artikel 20, in de tweede en derde alinea, die over de betekening van gerechtelijke stukken aan de verweerder handelen, dat de rechter zijn uitspraak moet aanhouden zolang niet vaststaat dat de verweerder het stuk dat het geding inleidt tijdig genoeg ontvangen heeft om zijn verdediging te voeren. Dit artikel werd niet gewijzigd. Zesde beginsel : Beperkte weigeringsgronden voor erkenning en tenuitvoerlegging. Krachtens artikel 26, eerste alinea, van beide Verdragen worden de in een Verdragsluitende Staat gegeven beslissingen zonder vorm van proces erkend in de overige verdragsluitende Staten. Beslissingen worden dus van rechtswege erkend : de Verdragen vestigen een vermoeden van erkenning dat alleen kan worden weerlegd indien één van de in de artikelen 27 en 28 vermelde weigeringsgronden voorhanden is. Twee voorwaarden die gewoonlijk in dergelijke verdragen zijn opgenomen, komen hier niet voor : om te worden erkend hoeft de buitenlandse beslissing geen kracht van gewijsde te hebben en de bevoegdheid van de rechter van de Staat van oorsprong wordt niet gecontroleerd door de rechter van de aangezochte Staat. Op dit punt zijn er enkele verschillen tussen de artikelen 28 van beide Verdragen (zie de nummers 16 en 82). Zevende beginsel : Eengemaakte en vereenvoudigde executieprocedure. De eenmaking bestaat erin dat in alle verdragsluidende Staten de procedure bij verzoekschrift wordt ingeleid. De vereenvoudiging heeft vooral betrekking op de aanwending van rechtsmiddelen. Het Verdrag van Lugano bevat technische aanpassingen ten opzichte van het Verdrag van 1968 (zie de nummers 68 tot en met 70). Achtste beginsel : Verband met andere internationale verdragen. Op dit punt en met betrekking tot de verdragen over bijzondere aangelegenheden lopen de twee Verdragen niet gelijk (zie de nummers 79 tot en met 82). Negende beginsel : Beide Verdragen neigen naar eenheid in de interpretatie. De uitlegging van het Verdrag van 1968 is bij het Protocol van Luxemburg van 3 juni 1971 aan het Hof van Justitie opgedragen. De uitlegging van het Verdrag van Lugano is geregeld in Protocol nr. 2 bij het Verdrag van Lugano (zie de nummers 110 tot en met 119). HOOFDSTUK II TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG VAN BRUSSEL EN VAN HET VERDRAG VAN LUGANO (artikel 54ter) 14. Zoals reeds werd uiteengezet, zijn de twee Verdragen van elkaar verschillend, ondanks hun identieke structuur en de zeer vele soortgelijke bepalingen.15. Hun respectieve toepassing is geregeld in artikel 54 ter. Allereerst zij opgemerkt dat dit artikel vooral gericht is tot de rechters van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, omdat alleen zij voor de keuze tussen Brussel en Lugano kunnen komen te staan. De rechters van de EVA-landen hoeven het Verdrag van Brussel niet op te volgen omdat deze landen geen partij zijn bij dat Verdrag. Toch betreft artikel 54ter ook de rechters in de EVA-Staten, omdat men er voor de duidelijkheid nadere bepalingen over aanhangigheid, samenhang en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in heeft opgenomen. Artikel 54ter is als volgt opgezet : Volgens lid 1 blijft het Verdrag van Brussel gelden voor de betrekkingen tussen Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen. Dit geldt met name :
- a)wanneer een persoon, ongeacht zijn nationaliteit, met woonplaats in een Lid-Staat, bij voorbeeld Frankrijk, opgeroepen wordt voor een gerecht van een andere Lid-Staat, bij voorbeeld Italië;nationaliteit en woonplaats van de verweerder worden dan niet in aanmerking genomen;
- b)wanneer een beslissing die in een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen, bij voor beeld Frankrijk, gegeven is in een andere Lid-Staat, bij voorbeeld Italië, moet worden erkend of ten uitvoer gelegd. Het Verdrag van Brussel is ook van toepassing wanneer iemand die woonplaats heeft buiten het grondgebied van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen en buiten het grondgebied van enige andere Staat die partij is bij het Verdrag van Lugano, bij voorbeeld de Verenigde Staten, voor een gerecht van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen gedaagd wordt (artikel 4 van het Verdrag van Brussel). In elk van deze drie gevallen kan, overeenkomstig het Protocol van 1971, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zich uitspreken over eventuele problemen inzake de uitlegging van het Verdrag van Brussel. 16. Volgens lid 2 daarentegen moet een rechter van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen het Verdrag van Lugano toepassen : 1° indien de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een Staat die partij is bij het Verdrag van Lugano en lid is van de EVA of indien hij krachtens de artikelen 8 en 13 van het Verdrag geacht wordt daar woonplaats te hebben.Wanneer bij voorbeeld iemand met woonplaats in Noorwegen voor een Franse rechter opgeroepen wordt, is deze rechter alleen bevo